CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 2 MAART 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Naar Belgisch recht kunnen werknemers door het betalen van bijdragen studieperioden in aanmerking doen nemen als perioden van tewerkstelling onder de algemene pensioenregeling voor werknemers. Ingevolge artikel 3, paragraaf 4, van het Koninklijk Besluit van 24 oktober 1967 kunnen belanghebbenden telkens met werking vanaf de eerste januari van het jaar waarin zij de leeftijd van twintig jaar bereiken, van die mogelijkheid gebruik maken. Hoofdvoorwaarde is volgens artikel 7 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 (gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 3 december 1970) dat betrokkene bewijst aanstonds na zijn studie een beroepsarbeid te hebben verricht, op grond waarvan hij was onderworpen aan Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967. Bij toerekening wordt elk studiejaar in aanmerking genomen naar gelang van de eerste tewerkstelling na zijn studie. Wat de bijdragen betreft, dienen over studiejaren die vóór 1 september 1954 waren aangevangen, forfaitaire bedragen te worden betaald. Over studiejaren, aangevangen na 31 augustus 1954, wordt de bijdrage berekend naar het aandeel van de werknemer in de bijdrage voor de sociale verzekering volgens het stelsel waaraan de werknemer onderworpen was uit hoofde van zijn bovengenoemde eerste tewerkstelling. De berekening geschiedt op basis van het bij de aanvang van het studiejaar geldende bedrag der bijdrage en anderzijds van het loon over de eerste twaalf maanden van de eerste tewerkstelling na de studie.
Verzoeker in het hoofdgeding, een Belg, geboren op 12 april 1931, doet een beroep op deze regeling.
Zijn antecedenten in deze zijn de volgende: hij doorliep een ingenieursstudie in België van 1950 tot 1954 en in Frankrijk van 1954 tot 31 augustus 1956. Daarop vervulde hij in België zijn militaire dienst. Van 3 februari 1958 tot 31 augustus 1960 had hij in Frankrijk een werkkring. Van 1 september 1960 tot 31 augustus 1963 verbleef hij voor studiedoeleinden in de Verenigde Staten. Vervolgens was hij weer van januari 1964 tot 30 november 1965 in Frankrijk tewerkgesteld. Na van 1966 tot 1970 in de Verenigde Staten te hebben gewerkt, is hij sedert 1971 als ingenieur in België werkzaam.
Zijn verzoek om zijn studietijd van 1 januari 1951 tot 31 augustus 1956 en van 1 september 1960 tot 31 augustus 1963 in aanmerking te nemen, werd door het bevoegde Belgische verzekeringsorgaan, de Rijksdienst voor werknemerspensioenen te Brussel, echter afgewezen op grond dat hij na zijn studie niet allereerst in België een beroepsarbeid had verricht, waardoor hij onder de toepassing viel van de Belgische pensioenregeling voor werknemers.
Verzoeker ging daarop in beroep bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi, stellende dat hij in de zin van verordening 1408/71 was te beschouwen als werknemer „die zich binnen de Gemeenschap verplaatst”. Derhalve viel hij ook onder artikel 9, lid 2, dezer verordening, waar wordt bepaald:
„Indien de wetgeving van een Lid-Staat de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, worden, voorzover nodig, de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervuld zijn, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof, welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat vervuld waren.”
Hieruit zou volgen dat de onmiddellijk na zijn studie in Frankrijk vervulde verzekeringstijvakken van 3 februari 1958 tot 31 augsutus 1960 en van 1 januari 1964 tot 30 november 1965, waarover bijdragen aan de Franse sociale verzekering waren betaald, als Belgische verzekeringstijdvakken waren aan te merken.
De Arbeidsrechtbank achtte de uitlegging van de aldus ingeroepen bepalingen van gemeenschapsrecht niet geheel duidelijk en besloot bij vonnis van 9 september het geding te schorsen en het Hof de twee volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
1.
Is de voorwaarde van artikel 7, paragraaf 1, le, van het Belgisch Koninklijk Besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers — inhoudende dat de werknemer die studietijdvakken in aanmerking wil doen nemen, moet bewijzen dat hij uit hoofde van beroepsarbeid die hij in de eerste plaats na zijn studie heeft verricht, onder de toepassing valt van het Belgisch Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende dezelfde pensioenen —, een clausule die de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de verplichting een verzekeringstijdvak te vervullen, in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening 1408/71/EEG, ofwel een clausule in de zin van een andere gemeenschapsbepaling?
2.
Zo neen, kan de werknemer van Belgische nationaliteit dan aanspraak maken hetzij op gelijkheid van behandeling in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening 1408/71, hetzij op inaanmerkingneming van het in Frankrijk vervulde tijdvak van verzekering alsof het een tijdvak betrof dat krachtens de Belgische wetgeving was vervuld in de zin van artikel 45, lid 1, dier verordening, dat wil zeggen voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen krachtens de ouderdoms- en overlijdensverzekering (pensioenen), of in de zin van enige andere gemeenschapsbepaling?
Mijn standpunt in deze wil ik als volgt bepalen:
Om te beginnen pleegt het Hof de verordeningen inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers in principe zo uit te leggen dat het beginsel van het vrije verkeer zo doeltreffend mogelijk tot zijn recht komt. Anderzijds is duidelijk dat de in het Belgische recht gestelde voorwaarde voor de inaanmerkingneming van studietijdvakken, namelijk dat de betrokkene na zijn studie allereerst aan de Belgische sociale verzekering onderworpen moet zijn geweest, ingaat tegen het vrije verkeer. Hierdoor wordt immers eenieder die de naverzekering van zijn studietijd niet wil prijsgeven, in feite gedwongen na zijn studie eerst in België te gaan werken en af te zien van een eerste tewerkstelling in een ander land, dus van een recht krachtens het vrije verkeer. Dit is een belangrijk punt bij de vraag of het gemeenschapsrecht niet meebrengt dat ook een betaalde en verzekeringsplichtige tewerkstelling in een andere Lid-Staat onmiddellijk na afloop van de studie voldoende is om de verzekering van studietijdvakken in België in te kopen. Anders dan de Commissie meent, mag daarbij ook geen onderscheid worden gemaakt naar studietijdvakken in de Gemeenschap en daarbuiten. Want in dat geval, dus bij erkenning van de beperkende Belgische bepaling voor studietijdvakken buiten de Gemeenschap, zou het beginsel van vrij verkeer ook nog sterk worden beknot, omdat men na een studie in een derde land dan nog net zozeer zou worden gehinderd in de beslissingsvrijheid om eerst in België dan wel in een andere Lid-Staat te gaan werken.
Artikel 45, lid 1, van verordening 1408/71 biedt hier niet veel uitkomst. Deze bepaling luidt:
„Het orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepast wettelijke regeling waren vervuld.”
Reeds uit de tekst zelf blijkt dat het hierin gaat om de samentelling van verzekeringstijdvakken voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, en geenszins om de vraag of een bepaald tijdvak wel als verzekeringstijdvak is aan te merken.
Daar het gemeenschapsrecht geen specifieke coördinatievoorschriften voor een geval als het onderhavige bevat, komt hoogstens het reeds genoemde artikel 9, lid 2, van verordening 1408/71 met betrekking tot de vrijwillige verzekering in aanmerking.
Ten deze worden terecht twee vragen opgeworpen :
1.
Is bij de inaanmerkingneming van studietijdvakken naar Belgisch recht sprake van een vrijwillige verzekering of althans van een hiermee nauw verwante figuur?
2.
Geldt artikel 9 alleen voor de vrijwillige verzekering die betrekking heeft op tijdvakken na de verplichte verzekering, of tellen ook voorafgaande tijdvakken mee?
Bij vraag 1 is het probleem dat verordening 1408/71 geen definitie van het begrip „vrijwillige verzekering”. Volgens de gangbare betekenis van dit begrip en de op dit punt bestaande litteratuur en nationale bepalingen komt het hier vooral aan op de vrije keuze om zich te verzekeren over tijdvakken die niet door een verplichte verzekering zijn gedekt. De Commissie heeft hiertoe verwezen naar een definitie bij Dupeyroux, „Sécurité Sociale”, blz. 328, en naar artikel 1 van de Belgische wet op de vrijwillige verzekering van 12 februari 1963. Ik moet erkennen dat het onderhavige geval hiermee een nauwe verwantschap vertoont: de inaanmerkingneming van studietijdvakken is afhankelijk van de nabetaling van bijdragen naar vrije keus van de betrokkene en voorts bestaat er blijkbaar geen verplichte ouderdomsverzekering voor studenten. In België vallen studenten in het geheel niet onder de sociale verzekering, en in Frankrijk blijkens een mededeling van de Commissie alleen onder de verzekering voor ziekte en moederschap. Omgekeerd kan ik verzoeker in het hoofdgeding niet volgen in zijn stelling dat naar Belgisch recht de inaanmerkingneming van studietijdvakken neerkomt op een gelijkstelling met verzekeringstijdvakken, terwijl daarnaast een aparte regeling voor de vrijwillige verzekering geldt, die op het punt van voorwaarden en gevolgen — vooral de berekening van uitkeringen en bijdragen — duidelijk verschilt van de inaanmerkingneming van studietijdvakken. Wanneer men immers uitgaat van de vrije wilsbeslissing om bijdragen na te betalen, dan moet ook het geval van de inaanmerkingneming van studietijdvakken daaronder worden gebracht. Overigens is een ruime interpretatie van het begrip „vrijwillige verzekering”, welke de beide gevallen van de Belgische verzekering omvat, reeds daarom geboden, omdat alleen dan aan artikel 9 van verordening nr. 1408/71 een zodanige toepassing kan worden gegeven, dat het beginsel van het vrije verkeer zo ver mogelijk doordringt.
Bij vraag 2 is het probleem dat uit artikel 9 niet blijkt of de vrijwillige verzekering, ten opzichte van de verplichte verzekering, op verstreken of toekomstige tijdvakken doelt. Uit lid 1 van artikel 9 blijkt alleen dat de belanghebbenden op het tijdstip van de aanvraag in de betrokken Staat reeds werknemer en verplicht verzekerd moeten zijn geweest. Ook van belang in dit verband zijn de bepalingen over de samentelling alsmede de voor werknemers uit andere Lidstaten geldende bepalingen voor de toepassing van de Franse wet inzake de vrijwillige verzekering (bijlage V van verordening 1408/71).
Anderzijds wordt in artikel 1, sub a, iii, van verordening 1408/71 onder „werk nemer” verstaan ieder „die, in het kader van een stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat ingesteld voor loontrekkenden …, vrijwillig verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop deze verordening van toepassing is, indien hij tevoren in het kader van een voor loontrekkenden ingesteld stelsel van dezelfde Lid-Staat verplicht verzekerd is geweest tegen dezelfde gebeurtenis”. Zoals de Commissie stellig terecht opmerkt, is het geenszins de bedoeling van deze bepaling om het begrip „vrijwillige verzekering” in te perken, doch om als werknemer diegene aan te merken die onder de verplichte verzekering valt. Ook een vergelijking met artikel 13, lid 2, sub d, betreffende de tijdvakken van militaire dienst, levert niets op voor de uitlegging van artikel 9; het feit dat daarin sprake is van zowel tijdvakken van verzekering vóór de opkomst in militaire dienst als tijdvakken van verzekering na het verlaten van de militaire dienst, rechtvaardigt natuurlijk geenszins de conclusie dat volgens artikel 9 — hetwelk hieromtrent volledig zwijgt — tijdvakken vóór de verplichte verzekering niet in aanmerking komen.
Ik zou derhalve, vooral ook met het oog op het bovenvermelde grondbeginsel voor de uitlegging der verordening, zeggen dat artikel 9 zeker mede op het geval van de vrijwillige naverzekering ziet.
Dit houdt in dat de Commissie gelijk heeft met haar stelling dat uit artikel 9 van verordening 1408/71 kan worden afgeleid dat aan de Belgische wettelijke voorwaarden tevens is voldaan, wanneer de betrokkene na zijn studie allereerst in een andere Lid-Staat een onder de verplichte verzekering vallende beroepsactiviteit gaat verrichten. Weliswaar kan het Belgische verzekeringsorgaan hierdoor in toepassingsmoeilijkheden geraken, omdat het — zoals de Commissie heeft laten zien — de noodzakelijke bijdragen nu mede moet berekenen aan de hand van het Franse recht en het in Frankrijk genoten loon van de aanvrager, maar dit zullen toch niet zulke onoverkomelijke moeilijkheden zijn dat het beginsel van het vrije verkeer daarvoor zou moeten wijken.
Samenvattend concludeer ik tot het volgende antwoord op de vragen van de Arbeidsrechtbank te Charleroi:
Nationale bepalingen, op grond waarvan tijdvakken van studie door vrijwillige betaling van bijdragen kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van tewerkstelling, zijn als bepalingen betreffende de vrijwillige verzekering in de zin van artikel 9 van verordening 1408/71 te beschouwen, waarop artikel 9, lid 2, van toepassing is.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy