CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 24 NOVEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het gaat in dit geding om de berekening van het pensioen van een voormalig ambtenaar der Commissie, en wel om de vraag hoe daarop een korting moet worden toegepast wegens het feit dat er op verzoekers rekening bij de voorlopige gemeenschappelijke kas, ingesteld bij dienstnota nr. 16 van de Commissie van 19 juni 1958, bepaalde bedragen zijn afgeboekt.
Verzoeker is in 1958 bij de Commissie in dienst getreden en was sinds november 1962 als directeur in de salarisgroep A2 werkzaam. Per 1 oktober 1969 werd hem op verzoek ontslag verleend, waarbij hij van de mogelijkheid gebruik maakte zich een — voor toekomstige pensioenrechten in de plaats tredende — uitkering te doen betalen. Op grond van thans niet ter zake doende feiten en omstandigheden — die ik in mijn conclusie in de zaak 133/73 (H. Bruns t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, beschikking van 7 december 1973 en 28 maart 1975, Jurispr. 1975, blz. 627) heb besproken — wenste hij evenwel alsnog voor uitgesteld pensioen in plaats van voor een uitkering wegens vertrek in aanmerking te worden gebracht; het bedrag der uitkering stelde hij ter beschikking van de Commissie. In verband met naderhand gebleken moeilijkheden verzocht hij in oktober 1972 de Commissie alsnog om een formele beslissing houdende toekenning van pensioen — met last tot terugbetaling van de uitkering —. In februari 1973 diende hij, nadat de terugbetaling blijkbaar nog in 1972 was geschied, een klaagschrift in. In antwoord hierop deelde een lid der Commissie hem in maart 1973 mede dat de uitkering wegens vertrek hem terecht was uitbetaald en dat hij geen aanspraak op pensioen kon maken. Verzoeker vond hierin aanleiding zich in mei 1973 tot het Hof van Justitie te wenden met vordering dat de beschikking van maart 1973 zou worden vernietigd, met verklaring voor recht dat hij recht op pensioen had en de vervangende uitkering moest terugbetalen. In die zaak — 133/73 — wierp de Commissie de exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Ik heb in die zaak op 5 december 1973 tot afwijzing van exceptie geconcludeerd.
Partijen hebben vervolgens gepoogd tot een schikking te komen, welke pogingen ten slotte met succes zijn bekroond. Eind 1974/begin 1975 kwam men overeen dat de Commissie verzoekers aanspraak op pensioen zou erkennen, terwijl verzoeker de uitkering wegens vertrek — met interesten — in dezelfde valuta zou moeten terugbetalen. De zaak vond aldus — zonder rechterlijk vonnis — een einde.
Het debat tussen partijen was daarmede evenwel niet volledig afgesloten.
Ter verklaring van deze — onplezierige — omstandigheid moet ik op de reeds genoemde dienstnota nr. 16 — betreffende de sociale verzekeringen en sociale voorzorg — uit het jaar 1958 terugkomen. In die nota was voorzien dat er voor ieder personeelslid een rekening zou worden aangelegd waarop de voor hem gestorte bijdragen alsook de jaarlijkse interesten en samengestelde interesten werden geboekt. Ook konden er — tot instandhouding van pensioensaanspraken in het land van herkomst — van die rekening betalingen worden gedaan. Van deze laatste mogelijkheid had ook verzoeker gebruik gemaakt, zonder zijn saldo evenwel volledig op te nemen. Toen dan ook bij de inwerkingtreding van het Statuut — op 1 januari 1962 — de resterende tegoeden, waaruit voortaan de pensioensaanspraken zouden worden voldaan — door de huishoudelijke dienst werden overgenomen, stond er op verzoekers rekening nog een restantbedrag wegens betaalde bijdragen — alsook een rentetegoed —.
Men is het er, zoals gezegd, niet over eens hoe hiermede bij de berekening van het pensioen rekening dient te worden gehouden. Doorslaggevend is artikel 49, lid 1, van bijlage 8 bij het Statuut van de ambtenaren:
„Heeft een ambtenaar gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om voor het verrichten van betalingen in zijn land van herkomst ter handhaving van zijn pensioenrechten aldaar, gelden van zijn rekening bij het voorlopige gemeenschappelijke voorzieningsstelsel der instellingen van de Gemeenschappen op te nemen, dan worden zijn pensioenrechten voor de periode waarover hij bij dat voorzieningsstelsel was aangesloten, verminderd in de verhouding van het van zijn rekening opgenomen bedrag.”
Deze bepaling wordt door de administratie der Commissie aldus opgevat dat de op bevoelde rekening voorkomende rentebedragen buiten beschouwing moeten blijven. Verzoeker is daarentegen van mening dat zijn rekening per 31 december 1961 volledig in aanmerking moet worden genomen. Al naar de gevolgde wijze van berekening maakt dit voor het maandelijks basispensioen een bedrag uit dat verzoeker op BF 1121, de Commissie op BF 668 heeft becijferd.
In het kader van de genoemde, in de zaak 133/73 ondernomen schikkingspogingen heeft de vertegenwoordiger der Commissie deze berekening voor het eerst in een brief van 1 april 1974 aan verzoeker meegedeeld. Hij reageerde desverlangd in een brief van 17 april 1974, waarin hij betoogde dat men ter berekening van het uit het resterend tegoed resulterend verzorgingspercentage, anders dan de administratie had gedaan, het gehele resttegoed van zijn rekening — met inbegrip van interesten — in aanmerking diende te nemen. In een brief van 7 maart 1975 verzocht hij de voorlopige berekening van zijn pensioenaanspraken, zoals die na korting pro rata parte moesten vastgesteld, nader in overweging te nemen met inaanmerkingneming van zijn tegoed per 31 december 1961. Een ambtenaar van de juridische afdeling van de Commissie — degene die haar in de zaak 133/73 had vertegenwoordigd, was blijkbaar ziek — liet hem in antwoord hierop in een brief van 12 maart 1975 weten dat hij zich ten deze met de administratie in verbinding zou stellen en verzoeker de uitslag zou medelen. In bedoelde brief werd met betrekking tot de regeling van zijn pensioenaanspraken per 1 januari 1975 nog het voorbehoud gemaakt dat de schikking formeel door de Commissie moest worden goedgekeurd.
Daarop volgde een door het hoofd der afdeling ondertekende beschikking de dato 18 april 1975, uit welker bijlagen blijkt dat de rente over zijn tegoed bij de korting ex artikel 49 van bijlage 8 bij het Statuut van de ambtenaren nog steeds niet in aanmerking werd genomen. Aan het slot der beschikking werd nog opgemerkt dat haar geldigheid afhankelijk was van het „voorbehoud van formele goedkeuring der schikking door de Commissie.” In een brief van de juridische vertegenwoordiger der Commissie van 10 juni 1976 werd verzoeker vervolgens medegedeeld dat over de hem ten deze toekomende aanspraken nog formeel diende te worden beslist, hetgeen eerstdaags zou gebeuren. De brief werd besloten met de opmerking dat de administratie der Commissie zich over de korting rechtstreeks met de heer Bruns in verbinding zou stellen.
Op 20 juni 1975 kwam er een door het hoofd der afdeling namens de directeur Personeelsaangelegenheden ondertekende beschikking, waarin aan verzoeker — zonder nadere specificatie — per 1 januari 1975 pensioenaanspraken werden toegekend. Deze beschikking deed men verzoeker in een brief van de procesgemachtigde der Commissie de dato 26 juni 1975 toekomen. De aangelegenheid zou daarmee „definitief geregeld” zijn. Verzoeker liet het hierbij niet; op 7 juli 1975 gaf hij als zijn mening te kennen dat de in de zaak 133/73 bestreden beschikking van 19 maart 1973 nog moest worden vernietigd. De procesgemachtigde van de Commissie antwoordde daarop in een brief van 17 juli 1975, volgens welke de beschikking van 19 maart 1973 zonder voorwerp zou zijn geraakt.
Verzoeker, die er blijkbaar van uitging dat de kwestie van de berekening der pensioenaanspraken nog niet volledig was geregeld, wendde zich toen op 21 augustus 1975 nogmaals tot de Commissie met een brief waarin hij, de toegepaste korting niet juist achtende, verzocht om herziening van de berekening welke in de beschikking van 18 april 1975 was toegepast en verklaarde zijn brief — eventueel — als verzoek om een beschikking ex artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren beschouwd te willen zien. Toen er verder niets gebeurde, richtte hij, na zich op 18 december 1975 en 2 februari 1976 nogmaal tevergeefs tot haar te hebben gewend, op een formele klacht — van dezelfde strekking — tot de Commissie. Na op 15 juni 1976 nogmaals om beantwoording te hebben verzocht, vernam hij ten slotte uit een brief van de Commissie van 9 augustus 1976 dat zij — met handhaving van de stilzwijgende afwijzing van de vorderingen welke in verzoekers brief van 21 augustus 1975 besloten lag — meende aan zijn verzoek niet te kunnen voldoen.
Naar aanleiding van die afwijzing is op 30 september 1976 de onderhavige zaak aanhangig gemaakt. Verzoeker wenst door het Hof te zien uitgesproken dat zijn standpunt met betrekking tot de korting van zijn pensioenrechten volgens artikel 49 van bijlage 8 van het Statuut van de ambtenaren rechtens als juist is te beschouwen. Hij concludeert dan ook tot nietigverklaring van de beschikking van 9 augustus 1976. Voorts verzoekt hij het Hof de Commissie te gelasten om bij de berekening van zijn pensioenrechten over het tijdvak dat hij bij het voorlopig gemeenschappelijk voorzieningsstelsel der instellingen van de Gemeenschappen was aangesloten, het bedrag in aanmerking te nemen dat hij bij de inwerkingtreding van het Statuut blijkens zijn rekening bij het stelsel tegoed had. Naar aanleiding van bepaalde door de Commissie uitgesproken bedenkingen heeft verzoeker zich, wat dit laatste punt betreft, in zijn conclusie van repliek subsidiair van een andere formulering bediend en het Hof verzocht voor recht te verklaren dat bij de berekening van zijn pensioenrechten over het tijdvak gedurende hetwelk hij bij het voorlopige gemeenschappelijke voorzieningsstelsel der instellingen van de Gemeenschappen aangesloten was geweest, het bij de inwerkingtreding van het Statuut op zijn desbetreffende rekening staande tegoed in aanmerking moest worden genomen.
De Commissie acht het verzoek al aanstonds niet-ontvankelijk, omdat het te laat zou zijn ingediend. Zij heeft dan ook in de eerste plaats een verzoek ex artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering ingediend, waarover het Hof (Tweede Kamer) evenwel niet aanstonds uitspraak heeft gedaan (vgl. Beschikking van 19 januari 1977). Ten principale is de Commissie van mening dat slechts haar uitlegging van artikel 49 van bijlage 8 van het Statuut de juiste is, zodat haar wijze van berekening niet als onzorgvuldig kan worden aangemerkt en van een andere korting dan door haar toegepast geen sprake kan zijn.
Ik meen ten deze als volgt mijn standpunt te moeten bepalen:
I — De ontvankelijkheid van het beroep
De Commissie adstrueert haar standpunt dat het verzoek als niet-ontvankelijk is te beschouwen met de stelling dat verzoekers pensioenrechten via een kortingsformule in de afrekening van 18 april 1975 zijn vastgelegd. Het lijdt volgens de Commissie geen twijfel dat in die afrekening het voorbehoud was gemaakt dat de schikking door de Commissie moest worden goedgekeurd. Enerzijds is evenwel duidelijk dat bedoeld voorbehoud niet de wijze van berekening der pensioenrechten betrof: in de schikking ging het alleen maar om de inzet van zaak 133/73, namelijk de beginseluitspraak dat verzoeker aanspraak op pensioen mocht maken. Anderzijds zou het besluit van 20 juni 1975, wat die schikking betreft, als een definitieve handeling zijn te beschouwen. De afrekening — en de berekeningen die erin zijn opgenomen — dragen eo ipso een definitief karakter, hetgeen — nog steeds volgens de Commissie — door verzoeker zelf is erkend toen hij in zijn brief van 21 augustus 1975 gewaagde van de „door het besluit van 20 juni 1975 definitief geworden” afrekening. De ten deze geldende termijnen zouden dus bij de betekening van de beschikking van 20 juni 1975 zijn gaan lopen. Beschouwt men de brief van 21 august 1975 als een klacht — in die richting wijst het feit dat in die brief van een nieuw onderzoek naar de berekening van het pensioenpercentage wordt gesproken —, dan is die klacht tijdig ingediend. Toen de administratie niet reageerde, moest haar stilzwijgen na vier maanden, ofwel sinds 21 december 1975, als een afwijzende beschikking worden beschouwd. Op die datum ging een beroepstermijn van drie maanden in. Maar volgens de Commissie heeft verzoeker die termijn niet geëerbiedigd (door pas op 30 september 1976 in beroep te gaan) en de op 9 augustus 1976 door de Commissie expressis verbis genomen beschikking — en het tegen die beschikking ingestelde beroep — doen daaraan niet af: er is in zoverre slechts sprake van een handeling waarbij een eerder ingenomen standpunt uitdrukkelijk wordt bevestigd, tot welke handeling voorts buiten de beroepstermijn is overgegaan (volgens artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren is daarvoor alleen binnen de beroepstermijn plaats). Het gaat niet aan te veronderstellen — zoals verzoeker blijkbaar heeft gedaan — dat op een voor beroep vatbaar besluit vooreerst zou kunnen worden gereageerd met een niet aan een termijn gebonden verzoek ex artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren, om — nadat op zodanig verzoek stilzwijgend afwijzend is beschikt, de procedure voort te zetten. Tegen zulke manipulaties met de termijnen — die in het Statuut van de ambtenaren toch al ruimer zijn uitgevallen dan de termijnen van artikel 173 van het EEG-Verdrag — kan met name worden ingebracht dat een op zodanig verzoek genomen beslissing — naar in de jurisprudentie reeds vele malen is vastgesteld — is te beschouwen als een bevestigende handeling — die geen nieuwe termijnen doet ingaan —.
Verzoeker brengt hiertegen met name in dat de schikking door een lid van de Commissie moest worden goedgekeurd, en wel zulks omdat het in de zaak 133/73 omstreden besluit ook door een lid der Commissie was getekend, terwijl die gang van zaken in de brief van 1 april 1974 ook was voorzien. Zulk een goedkeuring — en het voorbehoud, vervat in de brief van 18 april 1975, heeft er ook betrekking op — heeft evenwel nimmer plaatsgehad. Het besluit van 20 juni 1975 is slechts door een afdelingshoofd getekend en heeft bovendien slechts betrekking op de erkenning dat verzoeker in beginsel recht op pensioen had, en niet op de berekening van dat pensioen. Volgens verzoeker is het ook niet waar dat de wijze van berekening — en met name de kortingskwestie — tijdens de besprekingen welke aan de schikking zijn voorafgegaan, niet ter sprake zijn gekomen. Die bewering wordt gelogenstraft door het feit dat verzoeker in een brief van 1 april 1974 is uitgenodigd zich over de berekening van zijn pensioenbedragen uit te laten, waaraan hij gevolg heeft gegeven in een brief van 17 april 1974. Voorts heeft men hem naar aanleiding van zijn rappel van 7 maart 1975, in een brief van 12 maart 1975 doen weten dat de kwestie van de korting aan de administratie der Commissie zou worden voorgelegd. Bovendien heeft de vertegenwoordiger der Commissie hem ook in een brief van 10 juni 1975 toegezegd dat de administratie ten deze rechtstreeks contact met hem zou opnemen, hetgeen — het moet gezegd — niet is gebeurd. Mocht de administratie hebben gemeend dat met haar besluit van 20 juni 1975 alle kwesties definitief waren geregeld, dan had zij dat in een begeleidend schrijven best duidelijk kunnen zeggen. Verzoeker meent het er dan ook voor te mogen houden dat de kwestie van de korting van zijn pensioenrechten nog niet definitief was geregeld. Om die reden heeft hij gemeend ten deze voorshands het tot aanstelling bevoegd gezag om een uitspraak te mogen vragen en pas na de afwijzing van zijn verzoek met een klaagschrift en een beroepschrift te moeten reageren. Mocht dit argument worden verworpen, dan meent verzoeker dat ten deze in ieder geval zou kunnen gewerkt met de bepalingen van artikel 41 van bijlage 8 van het Statuut van de ambtenaren, volgens hetwelk de pensioenen in geval van vergissingen of verzuimen van welke aard ook, te allen tijde kunnen worden herzien. Volgens een juiste uitlegging moet die regel ook bij dwaling nopens de toepassing van het recht worden gevolgd; zulk een vergissing zou dus moeten worden hersteld, onverschillig welke handelingen eraan zijn voorafgegaan en ongeacht de termijnen die met ingang van bedoelde handelingen zijn gaan lopen.
Nu wij ons zetten tot een bespreking van dit geschilpunt, zou ik allereerst nader bij de laatstbedoelde bepaling willen stilstaan, immers mocht blijken dat verzoeker het gelijk aan zijn zijde heeft, dan doet de inachtneming van de beroepstermijn welke door het besluit van 20 juni 1975 zou zijn geopend, kennelijk niet langer ter zake.
Volgens de door de Commissie voorgedragen grieven rijzen er in verband met artikel 41 van bijlage 8 twee vragen:
1.
Dekt de term „vergissing” [rekenfout] ook een foutieve uitlegging van het Statuut?
2.
Heeft men in die bepaling alleen de administratie willen machtigen tot wijziging over te gaan, en niet de betrokken ambtenaar het recht willen toekennen een overeenkomstig verzoek — betreffende definitief geworden besluiten — in te dienen?
Wat de eerste vraag betreft: ik acht het te verdedigen dat artikel 41 eventueel ook op gevallen van rechtsdwaling kan worden toegepast, immers het voorschrift is in zeer algemene bewoordingen vervat en spreekt van vergissingen of verzuimen van welke aard ook.
Maar ten aanzien van de tweede vraag deel ik de zienswijze der Commissie. De formulering van het voorschrift wijst erop dat men slechts de administratie een mogelijkheid tot ingrijpen heeft willen bieden. Gezien het in het Statuut gevolgde beginsel dat betrokkenen tegen „bezwarende” handelingen slechts binnen bepaalde termijnen kunnen opkomen, zou artikel 41 van bijlage 8 stellig anders geredigeerd zijn, als men mocht hebben bedoeld betrokkenen buiten de termijnen om te allen tijde in staat te stellen de juistheid van de voor hen bestemde pensioenvaststellingen te bestrijden. Zouden de termijnen in casu verstreken zijn, dan zou verzoeker een beroep op artikel 41 niet baten.
Wat nu de beweerdelijk tardieve reactie van verzoeker op de hem betreffende besluiten betreft, dient er in verband met het volgens de Commissie belangrijke besluit van 18 april 1975 — waarin van een formele goedkeuring der schikking door de Commissie wordt gesproken — voorshands van te worden uitgegaan dat het in de zaak 133/73 niet om de (detailberekening van het pensioen ging, doch om de uitspraak dat verzoeker in beginsel op pensioen — in plaats van een uitkering bij vertrek — aanspraak mocht maken. Daaraan doet niet af dat in verband met de schikking ook de gedetailleerde berekening van het pensioen ter sprake is gekomen, immers zowel uit het ontwerp dat men verzoeker bij brief van 1 april 1974 deed toekomen als uit de brief van de Commissie van 12 maart 1975, waarin de kortingskwestie als een „nieuw probleem” wordt voorgesteld, blijkt duidelijk dat de berekening van het pensioen als een van de schikking te onderscheiden afzonderlijk probleem dient te worden beschouwd. Met de goedkeuring der schikking door de Commissie heeft men dus niet op de berekening van het pensioen gedoeld.
Een formele goedkeuring heeft evenwel nimmer plaatsgevonden. Men zou zich dus hoogstens kunnen afvragen of het voldoende is wanneer anderszins duidelijk is geworden dat het bij brief van 18 april 1975 gemaakte voorbehoud zonder voorwerp is geraakt. Te dien aanzien kan worden gewezen op de brief van 26 juni 1975, waarbij men betrokkene de beschikking van 20 juni 1975 deed toekomen. Dat daarin van een beschikking der Commissie wordt gesproken, zou erop kunnen wijzen dat het de akte is waarop in genoemd voorbehoud werd gedoeld; bovendien is in die brief van een definitieve regeling der aangelegenheid sprake. In dit verband verdient ook vermelding dat men verzoeker naar aanleiding van zijn op 7 juli 1975 gemaakte bezwaren, in een brief van 17 juli 1975 heeft doen weten dat de brief van 19 maart 1973, waarom het in de zaak 133/73 ging, zonder voorwerp was geraakt.
Nochtans aarzel ik of hier wel van een definitieve beslissing inzake de berekening mag worden gesproken, en wel wegens het ten processe meermalen genoemde schrijven van de vertegenwoordiger der Commissie de dato 10 juni 1975, waarin met betrekking tot de vraag naar de korting van het pensioen overeenkomstig artikel 49 van bijlage 8 van het Statuut van de ambtenaren met zoveel woorden is verklaard, dat de administratie zich rechtstreeks met verzoeker in verbinding zou stellen, en wel zulks in aansluiting aan de opmerking dat in formele zin nog over de aan verzoeker toekomende aanspraken moest worden beslist. Men heeft evenwel met verzoeker geen speciaal contact meer opgenomen. Anderzijds had de administratie, wanneer zij werkelijk mocht hebben gemeend dat met haar beschikking van 20 juni 1975 ook over de korting het laatste woord was gezegd, verzoeker die zienswijze zeer wel op niet mis te verstane wijze kunnen mededelen, hetzij in de brief van 26 juni 1975 hetzij in die van 17 juli 1975. Nu heeft men verzoeker nodeloos in een — irriterende — onzekerheid gelaten over de vraag of de met betrekking tot de korting genomen beschikking als definitief is te beschouwen, en die onzekerheid komt stellig voor rekening van de Commissie. In die situatie mocht verzoeker aannemen dat de beschikking van 18 april 1975 in de zomer van 1975 nog niet definitief was geworden, zodat er voor hem ook geen aanleiding bestond om op dat tijdstip een formele klacht in te dienen. Wilde hij beweging in de zaak krijgen, dan leek een formele vordering — zoals hij die op 21 augustus 1975 tot de Commissie heeft gericht — meer geïndiceerd.
Vanaf die datum heeft verzoeker evenwel alle termijnen in acht genomen. De vordering was, toen de Commissie, betreurenswaardig genoeg, niet antwoordde, op 21 december 1975 als afgewezen te beschouwen. Verzoeker heeft toen op 15 maart 1976 — tempore utili — een formele klacht (waarvoor een termijn van drie maanden geldt) ingediend. En omdat ook op zijn klaagschrift niet voordien was beschikt, mocht het na vier maanden, dat wil zeggen op 15 juli 1976, als afgewezen worden beschouwd. Omdat verzoeker daarna de beschikking had over een termijn van drie maanden en in de loop van die termijn door de brief van 9 augustus 1976 van de uitdrukkelijke afwijzing van zijn wensen op de hoogte werd gesteld, is het op 30 september 1976 ingediende beroep, vooral ook gelet op artikel 91, lid 3, tweede gedachtenstreepje, van het Statuut van de ambtenaren, niet als te laat ingesteld te beschouwen.
Het beroep is derhalve ontvankelijk.
II — Alvorens na te gaan of het beroep als gegrond is te beschouwen, moet ik nog ingaan op twee door de Commissie gemaakte opmerkingen, welke de formulering van het petitum betreffen.
De Commissie heeft, wat punt I van het petitum betreft, opgemerkt dat, ook met toewijzing van de vordering in zoverre, de beschikking van 18 april 1975 niet vernietigd zou zijn. En met betrekking tot punt II van het petitum, zoals het aanvankelijk luidde, heeft zij in twijfel getrokken of het Hof van Justitie de Commissie wel de door verzoeker gewenste aanwijzingen kan geven.
Ik zie hier geen bijzondere problemen rijzen. Voor wie mijn standpunt inzake de ontvankelijkheid deelt, is het duidelijk dat de beschikking van 18 april 1975 niet definitief is geworden en slechts een berekening geeft waarover nog moest worden gediscussieerd. Ik zie dan ook geen aanleiding nietigverklaring van die beschikking te vorderen. Punt II van het petitum is bij conclusie van repliek met het oog op mogelijkerwijze te verwachten bezwaren gewijzigd, en wel zodanig, dat de vraag of het Hof de Commissie aanwijzingen kan geven, niet meer aan de orde is. Tegen de nieuwe formulering — waarin het Hof om een declaratoire uitspraak met betrekking tot de uitlegging van het Statuut wordt gevraagd — kan stellig geen bezwaar worden gemaakt. Ik wil er nog aan toevoegen dat ook de oorspronkelijke formulering mijns inziens niet tot niet-ontvankelijkverklaring had behoeven te leiden, omdat op aanwijzingen van het Hof van Justitie aan de administratie ten minste in gevallen waarin de situatie de administratie rechtens geen speelruimte laat, niets valt af te dingen. Zonder op de verdere behandeling vooruit te lopen kan thans reeds met stelligheid worden gezegd dat zich met betrekking tot artikel 49 van bijlage 8 van het Statuut zulk een situatie voordoet.
III — De gegrondheid der vordering
Wij zijn daarmede toegekomen aan de bespreking van de zaak ten gronde, te weten de uitlegging van artikel 49, lid 1, van bijlage 8 bij het Statuut, dat ik reeds citeerde.
Tot staving van zijn standpunt dat bij de korting aldus zou moeten worden tewerkgegaan dat de afgeboekte bedragen worden gelegd naast het totaaltegoed vóór afboeking — met inbegrip van interesten —, heeft verzoeker met name betoogd dat artikel 49 van bedragen en niet van opgenomen bijdragen spreekt. Ook zou de verzorgingstas in de tijd die aan het Statuut is voorafgegaan, een autonome „drager” (zelf-verzekering) geweest zijn. Voor ieder personeelslid zou het — uit bijdragen en interesten bestaande — rekening tegoed het equivalent van alle verzorgingsaanspraken hebben gevormd. Zou men dus in geval van korting bij de berekening van die aanspraken interesten buiten beschouwing laten, dan zou die equivalentie ten dele niet in aanmerking worden genomen. Voorts wijst verzoeker erop dat een personeelslid dat de dienst verlaat, ingevolge de reeds genoemde dienstnota terugbetaling van de op zijn rekening geboekte bedragen — met interesten — mocht verlangen, en de in artikel 12, letter a), van bijlage 8 van het Statuut vervatte regeling inzake de uitkering bij vertrek is daarmede in overeenstemming.
De Commissie is evenwel van mening dat artikel 49, lid 1, van bijlage 8 in het licht van het verzorgingsstelsel van het Statuut van de ambtenaren moet worden uitgelegd, volgens welk stelsel het alleen op het aantal dienstjaren en het laatstelijk genoten basissalaris aankomt. Het in aanmerking nemen van op rekeningen uit de tijd voor het statutaire stelsel gekweekte renten zou leiden tot een geringere korting, dat wil zeggen tot een groter aantal dienstjaren voor de betrokken ambtenaren. Daarmede zouden die ambtenaren worden voorgetrokken bij degenen die van hun rekening niets hebben opgenomen, alsook bij ambtenaren die pas na de inwerkingtreding van het Statuut in dienst zijn getreden en dus tot zodanige opname niet in staat waren. En last but not least wordt in de regeling betreffende de nabetaling van bijdragen over de aan het Statuut voorafgegane periode, niet van interesten gesproken.
Ik acht het in dit verband in de eerste plaats van belang dat aan de bewoordingen van artikel 49 van bijlage 8 geen dwingend argument ten gunste van verzoekers standpunt kan worden ontleend. Er is alleen maar sprake van een vermindering der pensioenrechten „in de verhouding van het … opgenomen bedrag”. Daarmee is niet gezegd waaraan de opgenomen bedragen moeten worden gerelateerd, aan de rekening van het individuele personeelslid dan wel aan de gestorte bijdragen.
Terecht heeft de Commissie voorts betoogd, dat het in genoemde dienstnota nr. 16 niet om een verzorgingsstelsel in de eigenlijke zin des woords ging. Uit niets kan worden afgeleid dat de voorzieningskas zich zelf moest bedruipen; met name was in die regeling sub III geen sprake van in het kader der voorzieningen te betalen uitkeringen. Het gaat dus niet aan uit dienstnota nr. 16 af te leiden dat de opgespaarde tegoeden als het equivalent van de volledige verzorgings-aanspraken mogen worden beschouwd. In feite diende de regeling alleen maar ter voorbereiding van het statutaire voorzieningsstelsel, in dier voege dat men tijdig voor voldoende fonds heeft willen zorgen. In de dienstnota was dan ook met zoveel woorden voorzien dat bij inwerkingtreding van het pensioenstelsel de bedragen van de individuele rekeningen met inachtneming van daartoe vast te stellen modaliteiten naar de pensioenkas zouden worden overgeboekt. Na de inwerkingtreding van het Statuut is zulks geschied door overboeking op de huishoudelijke rekening — waaruit krachtens artikel 83, lid 1, van het Statuut ook de uitkeringen worden betaald. Daartoe zij verwezen naar artikel 51 van bijlage 8. Zo gezien, is het ook heel normaal dat de overschrijving zonder meer ook rentebedragen betreft: de huishoudelijke rekening waaruit de uitkeringen worden bestreden, moest er bij de inwerkingtreding van het Statuut uitzien alsof de bijdragen tijdig, ofwel terstond bij uitkering, waren ontvangen.
Voorts kan tegenover verzoekers opvatting worden gewezen op de reeds genoemde, in artikel 12, letter a), van bijlage 8 vervatte regeling inzake de uitkering bij vertrek. Evenals reeds in dienstnota nr. 16 is in die regeling de uitbetaling van op de rekening bij het voorlopig voorzieningsstelsel geboekte bedragen — die ook interesten omvatten — voorzien, terwijl voorts ook van samengestelde interesten wordt gesproken. De conclusie dringt zich dus op dat indien men de interesten werkelijk in aanmerking genomen had willen zien, zulks in artikel 49 van bijlage 8 ook duidelijk zou zijn gezegd.
Het meest heb ik mij echter aangesproken gevoeld door de argumenten welke de Commissie aan het statutaire verzorgingsstelsel meende te mogen ontlenen. Waar artikel 49 niet met de nodige nauwkeurigheid is geformuleerd en, zij het slechts voor het bijzondere geval dat er bedragen uit de voorlopige voorzieningskas zijn opgenomen, ontegenzeglijk als deel van het voorzieningsstelsel is te beschouwen, ligt het voor de hand dat wie zin en draagwijdte van het stelsel tracht te achterhalen, de beginselen welke aan het verzorgingsstelsel van het Statuut ten grondslag liggen, tot uitgangspunt neemt.
Het is in zoverre van belang dat dit stelsel geen tegoeden van de afzonderlijke ambtenaren kent welke als equivalent van zijn aanspraken op verzorging zouden mogen worden beschouwd. Die aanspraken hangen alleen van de duur der dienstbetrekking en van het laatste basissalaris af. Ik verwijs daartoe naar het voor alle ambtenaren geldende artikel 77 van het Statuut, naar artikel 2 van bijlage 8 en — voor de berekening der dienstjaren — naar artikel 3, waarin duidelijk te lezen valt dat het in beginsel op de duur van de diensttijd en de in die tijd betaalde bijdragen aankomt. Artikel 3 wordt door artikel 48, lid 1, van bijlage 8 gecompleteerd; er blijkt uit dat bepaalde voor de inwerkingtreding van het Statuut vervulde dienstperioden bij de berekening in aanmerking moeten worden genomen. Niets ligt dan meer voor de hand dan dat men het volgende artikel, 49, waarin het alleen om de korting van de pensioenaanspraken gaat, alleen laat slaan op de bijdragen welke voor bepaalde dienstjaren zijn betaald en op sommen ontstaan als gevolg van de voorlopige storting van bijdragen in de tijd die aan het Statuut is voorafgegaan — ten gunste van de kas of instelling waaraan zij uiteindelijk zouden toevloeien — geen acht slaat.
Zou men anders te werk gaan en de rentebedragen in de referentiewaarden verdisconteren, dan zouden, naar de Commissie alweer terecht heeft betoogd, ambtenaren op wie artikel 49 van toepassing is — en die naar de Commissie ons verzekert destijds van hun rekening niet ook interesten konden opnemen — in zekere zin worden voorgetrokken. In feite mag het er wel voor worden gehouden dat opgenomen bijdragen konden worden aangewend tot het scheppen of handhaven van aanspraken op verzorging die gelijkwaardig mogen worden geacht aan de aanspraken die door de Gemeenschap worden toegekend. Zou men bovendien aan de gekweekte renten gevolgen voor de voorzieningsaanspraken doen toekomen, dan zou men zich in feite een langere diensttijd kunnen zien toegekend dan men werkelijk heeft volbracht. Daarvan kan evenwel geen sprake zijn bij ambtenaren die geen bedragen van hun rekening hebben opgenomen en, omdat de interesten niet in de berekening van de voorzieningsaanspraken worden verdisconteerd, hun aanspraken alleen op grond van de werkelijk volbrachte diensttijd zien berekend. Bovendien ware zulk een situatie ondenkbaar bij ambtenaren die na de inwerkingtreding van het Statuut bij de Gemeenschap in dienst zijn getreden, zodat zij tot het opnemen ranbedragen uit een fonds waarin ook rentebedragen zijn gekweekt, niet eens de gelegenheid hebben gehad.
Ten slotte kan een belangrijk argument ten gunste van het standpunt der Commissie worden ontleend aan artikel 48, lid 2, van bijlage 8. Volgens de eerste volzin van lid 2 kan een ambtenaar aanspraak op pensioen maken met ingang van de dag waarop hij uit enigerlei hoofde in dienst van een van de instellingen der drie Europese Gemeenschappen is getreden; in aansluiting hieraan wordt het volgende gezegd:
„Indien hij gedurende zijn voorafgaande diensttijd of een gedeelte daarvan geen bijdragen in het voorzieningsfonds heeft gestort, kan hij door middel van betalingen per gedeelten de rechten verwerven waarvoor hij geen premie heeft kunnen betalen. Het totaal van de bijdragen van de ambtenaar en van de desbetreffende bijdragen der instelling wordt geacht op de rekening van de ambtenaar bij het voorlopig voorzieningsstelstel te staan op het tijdstip van de inwerkingstreding van het Statuut.”
Daaruit — en niet pas uit de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsvoorschriften waarin het uitdrukkelijk wordt gezegd (personeelskoerier van 29 juli 1969), volgt dat voor de „na”-verzekering met betaling der bijdragen kan worden volstaan en geen renten verschuldigd zijn. Dat men nochtans volledige aanspraken kan verwerven, wil zeggen dat zij worden verworven zonder dat de kas in de positie behoeft te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien de bijdragen tijdig zouden zijn ontvangen. Logischerwijze dient het er derhalve voor te worden gebonden dat interesten ook bij de uitlegging van artikel 49, ofwel bij de toepassing van het kortingsvoorschrift, geen rol kunnen spelen.
Een en ander voert mij tot de slotsom dat de Commissie aan artikel 49 van bijlage 8 van het Statuut en juiste uitlegging heeft gegeven, zodat de beschikking waarin zij het verzoek om afwijzing der in haar beschikking van 18 april 1975 vervatte berekeningen heeft afgewezen, geen bedenkingen ontmoet. Voor het tweede gedeelte van het petitum — waarin het eveneens om de uitlegging van artikel 49 gaat — geldt hetzelfde, zodat het beroep in volle omvang ongegrond dient te worden verklaard.
IV —
Het lijdt voor mij geen twijfel dat het beroep tijdig is ingediend, zodat verzoeker erin kan worden ontvangen. Het beroep dient echter, omdat de Commissie aan het Statuut een juiste uitlegging heeft gegeven, ongegrond te worden verklaard — zodat ten aanzien van de kosten dient te worden beslist overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering —.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy