CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 18 MEI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De commanditaire vennootschap Merkur te Hamburg sloot in februari, maart, april en mei 1976 een aantal overeenkomsten met enkele Deense en een Britse firma betreffende de verkoop van grote hoeveelheden „met melasse vermengde tapiocakorrels”. Van de bevoegde autoriteiten verkreeg zij op 28 april 1976 een bindend tariferingsadvies waarbij de betrokken waar werd ingedeeld onder tariefpost 23.07 B I c) 1 (veevoeder, samengesteld met melasse, met een zetmeelgehalte van meer dan 30 gewichtspercenten, geen zuivelprodukten bevattend). Op zichzelf gaf dit advies verzoekster geen enkel recht op restituties bij uitvoer.
Maniok, het produkt waaruit tapioca wordt vervaardigd, valt zelf onder tariefpost 07.06 wanneer hij in wortelvorm wordt aangeboden, en onder post 11.06 wanneer hij tot meel is verwerkt.
De produkten van de posten 07.06, 11.06 en 23.07 B I c) 1 vallen onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector granen (op basis van granen verwerkte produkten).
Zoals bekend heeft de Raad op 12 mei 1971 verordening nr. 974/71 vastgesteld, waarin de Lid-Staten die voor het handelsverkeer „tijdelijk” een wisselkoers van hun valuta toestaan welke de door het Internationale Monetaire Fonds toegestane fluctuatiemarge overschrijdt, worden gemachtigd onder bepaalde in de verordening omschreven voorwaarden bij invoer uit Lid-Staten en derde landen van bepaalde landbouwprodukten compenserende bedragen te heffen en bij uitvoer naar Lid-Staten en derde landen toe te kennen. Dit zijn de zogenaamde „monetaire” compenserende bedragen.
De uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 974/71 werden voor het eerst vastgesteld bij verordening nr. 1013/71 van de Commissie van 17 mei 1971: daarbij kreeg de Bondsrepubliek Duitsland toestemming het stelsel der monetaire compenserende bedragen toe te passen. De lijst met produkten waarop het stelsel kon worden toegepast, is voor het eerst vastgesteld bij verordening nr. 1014/71 van de Commissie van dezelfde datum. Op deze lijst stonden ook de produkten van post 23.07 B I c) 1.
Bij verordening nr. 2888/71 van de Commissie werd het stelsel uitgebreid tot de gehele Gemeenschap, en terwijl het oorspronkelijk facultatief was, werd het in december 1972 verplicht gesteld bij 's Raads verordening nr. 2746/72 van 19 december 1972.
Daarnaast voerde de „Akte” bij het Verdrag betreffende de toetreding van de nieuwe Lid-Staten een stelsel in van compenserende bedragen, onder meer in de sector granen, ter overbrugging van het niveauverschil tussen de voor de nieuwe Lid-Staten vastgestelde prijzen en de „gemeenschappelijke” prijzen in de oude Lid-Staten. Dit zijn de zogenoemde compenserende bedragen „toetreding”.
De algemene regels van het stelsel der compenserende bedragen „toetreding” in de sector granen zijn aanvankelijk vastgesteld bij verordening nr. 2757/75 van de Raad van 29 oktober 1975.
Toen de firma Merkur de betrokken overeenkomsten sloot, waren op de produkten die zij wilde laten vervaardigen en uitvoeren, de volgende compenserende bedragen van toepassing:
—
uit hoofde van de monetaire compenserende bedragen, DM 37,01 per ton bij uitvoer uit de Bondsrepubliek Duitsland naar de andere Lid-Staten (waaronder het Verenigd Koninkrijk en Denemarken) (verordening nr. 572/76 van de Commissie van 15 maart 1976, vastgesteld conform het advies van het Comité van beheer voor granen).
Krachtens verordening nr. 1312/76 van de Commissie van 3 juni 1976 werd vanaf 7 juni 1976 een monetair compenserend bedrag van £ 10,407 per ton toegekend bij invoer in het Verenigd Koninkrijk;
—
uit hoofde van de compenserende bedragen „toetreding”, 17,51 rekeneenheden, ofwel DM 56,39 per ton bij uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk; geen compenserend bedrag „toetreding” was toepasselijk bij uitvoer naar Denemarken (verordening nr. 2006/75 van de Commissie van 31 juli 1975, vastgesteld conform het advies van het Comité van beheer voor granen).
Overeenkomstig de mogelijkheden haar geboden bij de verordeningen nrs. 3280/73 en 580/74 van de Commissie, verkreeg verzoekster op 8 maart, 1 april en 14 april 1976 tegen waarborgstelling prefixatie van de compenserende bedragen „toetreding” voor de uitvoer van respectievelijk 5000, 750 en 2100 ton van het betrokken produkt naar het Verenigd Koninkrijk. De prefixatiecertificaten waren geldig tot respectievelijk 31 juli en 31 augustus 1976.
Op 23 juni 1976 stelde de Commissie, conform het advies van het Comité van beheer, verordening nr. 1497/76 vast, inzake de toepassing van de compenserende bedragen „toetreding” en de monetaire compenserende bedragen voor bepaalde mengvoeders op basis van granen. Artikel 1 van deze verordening luidt als volgt:
„Voor de produkten van de onderverdelingen 23.07 B I c) 1 en 2 van het gemeenschappelijk douanetarief met een gehalte van meer dan 50 gewichtspercenten aan produkten van post 07.06 of 11.06 van het gemeenschappelijk douanetarief worden de compenserende bedragen „toetreding” of de monetaire compenserende bedragen toegepast die gelden voor de produkten van onderverdeling 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief.”
Deze verordening werd op 26 juni 1976 gepubliceerd in het Publikatieblad van de Gemeenschappen. Volgens artikel 191 van het Verdrag treden de verordeningen in werking op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking, behalve wanneer anders wordt bepaald. Dit laatste voorbehoud nu vond toepassing in het geval van verordening nr. 1497/76, want artikel 3 bepaalde dat zij in werking trad op de vijftiende dag na die van haar bekendmaking, dat wil zeggen op 11 juli 1976.
De Franse tekst van artikel 1 van deze verordening bevat een onjuistheid: de tekst moet als volgt worden gelezen:
„les montants compensatoires adhésion ou monétaires sont ceux applicables aux produits relevant de la sous-position 07.06 A du tarif douanier commun.” ( 2 )
Er is evenwel nooit een rectificatie geplaatst in het Publikatieblad, doch voor verzoekster, die de beschikking had over de — juiste — Duitse versie van de verordening, was de betekenis duidelijk: voor de produkten die zij na 11 juli 1976 naar het Verenigd Koninkrijk en Denemarken wilde uitvoeren, zou zij nog slechts de monetaire compenserende bedragen krijgen welke golden voor de produkten van post 07.06 A, dat wil zeggen niets; en ook bij de invoer van deze produkten in het Verenigd Koninkrijk werden geen monetaire compenserende bedragen meer toegekend.
De compenserende bedragen „toetreding” bedroegen voor de produkten van post 07.06 A slechts een vierde van die voor de produkten van post 23.07 B I c) 1, dat wil zeggen 0,93 rekeneenheden per ton voor Denemarken en 4,51 rekeneenheden per ton voor het Verenigd Koninkrijk.
Aangezien verzoekster op het moment van inwerkingtreding van verordening nr. 1497/76 de door haar gesloten overeenkomsten nog niet volledig had uitgevoerd, trachtte zij de verliezen, of beter gezegd de winstderving welke het nieuwe stelsel met zich meebracht, te beperken door met haar afnemers te onderhandelen over ontbinding van de overeenkomsten dan wel andere oplossingen. Verzoekster stelt evenwel dat zij ondanks al haar pogingen schade van DM 168185,20 heeft geleden en daarom verzoekt zij U de Commissie te veroordelen tot betaling van dit bedrag (vermeerderd met rente) als schadevergoeding op grond van beweerde aansprakelijkheid voor een regelgevende handeling.
Alvorens het juridische probleem van de eventuele niet-contractuele aansprakelijkheid der Commissie in het onderhavige geval aan te snijden, dient duidelijk te worden gesteld dat het zich niet voordoet ten aanzien van de compenserende bedragen „toetreding”: verzoekster had de resterende leveranties kunnen verrichten en daarbij weliswaar moeten afzien van de monetaire compenserende bedragen die zij oorspronkelijk bij uitvoer uit de Bondsrepubliek Duitsland zou hebben gekregen, maar de compenserende bedragen „toetreding”, waarvan zij met betrekking tot de voorgenomen leveringen naar het Verenigd Koninkrijk tegen waarborgstelling prefixatie had verkregen, zou zij in elk geval hebben ontvangen. Volgens Uw arrest-CNTA van 14 mei 1975 immers zijn handelaren door die prefixatie gedekt tegen het risico van afschaffing of wijziging van die bedragen (Jurispr. 1975, blz. 533).
Verzoekster was zich hiervan volledig bewust toen zij besloot de betrokken leveringen niet te verrichten en af te zien van de prefixatie: zij meende minder schade te zullen lijden wanneer zij op nieuw onderhandelde over de leveringsvoorwaarden dan wanneer zij de oorspronkelijke overeenkomsten met handhaving van de geprefixeerde compenserende bedragen „toetreding” volledig uitvoerde. Zij kan niet zowel het verlies van de monetaire compenserende bedragen als dat van de compenserende bedragen „toetreding” aanvoeren.
I —
Verzoekster betwist niet het fundamentele recht van de Commissie om een maatregel als verordening nr. 1497/76 vast te stellen, dat wil zeggen om de monetaire compenserende bedragen te wijzigen of zelfs af te schaffen; zij bekritiseert het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen, ten minste met betrekking tot bindende overeenkomsten waarvan het bestaan zou worden bewezen, alsmede de schending van het „gewettigd vertrouwen” van de handelaren, zonder dat een beslissend openbaar belang in tegenovergestelde zin daartoe dwong. Door de met verzoekster gevoerde briefwisseling en telefoongesprekken wist de Commissie dat het in feite uitsluitend deze firma was die door de verordening werd getroffen, en verzoekster had erop gewezen dat er wegens het — volgens haar — in casu zeer ingewikkelde produktieproces geen enkel risico bestond dat zij van de door haar gevraagde overgangstermijn zou profiteren om nieuwe overeenkomsten te sluiten en uit te voeren. Volgens verzoekster zou het daarom billijk zijn geweest de inwerkingtreding van de verordening tot 15 augustus of in elk geval tot 31 juli 1976 uit te stellen. Door dit uitstel te weigeren zou verweerster op voldoende gekwalificeerde wijze een ter bescherming van de particulieren gegeven hogere rechtsregel hebben geschonden, hetgeen volgens Uw rechtspraak voorwaarde is om de gegrondheid van een verzoek om schadevergoeding te erkennen.
Anders dan in zaak 43/72, waarin zij al eens tegenover de Commissie stond omdat deze op bepaalde produkten niet het stelsel van de monetaire compenserende bedragen had toegepast, is verzoekster thans niet van mening dat de afschaffing van de monetaire compenserende bedragen welke aanvankelijk voor de produkten van post 23.07 B I c) 1 waren toegekend, in beginsel onwettig was. Haar betoog komt erop neer dat de maatregel van de Commissie binnen deze onderverdeling een afzonderlijke positie schept voor samengestelde diervoerders met een gehalte van meer dan 50 gewichtspercenten aan produkten van post 07.06 of 11.06. Maar indien de toekenning van een monetair compenserend bedrag na de invoering van verordening nr. 1497/76 daadwerkelijk afhankelijk is van het gehalte, in gewichtspercenten, aan de elementen waaruit het betrokken produkt bestaat, dan volgt daaruit geenszins dat de tariefindeling van de waar is veranderd, doch dat deze ten opzichte van de monetaire compenserende bedragen anders wordt behandeld.
In feite beklaagt verzoekster zich erover dat de Commissie de waar, wat de toekenning van monetaire compenserende bedragen betreft, onverhoeds en op een ongelegen moment anders is gaan behandelen, en daarmee de beginselen van 's Raads basisverordening nr. 974/71 heeft geschonden. Wij dienen derhalve te onderzoeken of de Raad de Commissie bij die verordening al dan niet een ruime discretionaire bevoegdheid heeft gelaten, niet ten aanzien van de aanwijzing van de produkten die voor compenserende bedragen bij uitvoer in aanmerking komen, maar ten aanzien van de termijnen die voor afschaffing of wijziging van die bedragen in acht moeten worden genomen.
II —
De gedachte achter het stelsel der monetaire compenserende bedragen, zoals dit is neergelegd in verordening nr. 974/71 en in latere handelingen, is dat de „tijdelijke” verruiming van de fluctuatiemarges van de wisselkoersen het communautaire interventiestelsel in de betrokken Lid-Staat kan ontwrichten en kan leiden tot abnormale prijsbewegingen die de normale ontwikkeling van de conjunctuur in de landbouwsector in ge vaar kunnen brengen. Wanneer het, zoals in casu, om afgeleide produkten gaat, waarvoor geen interventieregeling bestaat, moeten monetaire compenserende bedragen slechts worden toegepast wanneer de invloed der monetaire maatregelen tot moeilijkheden zou leiden. Het bedrag ervan is beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is ter compensatie van de invloed der monetaire maatregelen op de basis-produkten (artikel 1, leden 2 en 3, artikel 3, lid 2).
De in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten geheven of toegekende compenserende bedragen worden met ingang van 1 januari 1973 voor wat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, beschouwd deel uit te maken van de ter regulering van de landbouwmarkten dienende interventies (artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2746/72 van de Raad van 19 december 1972).
In artikel 6 van verordening nr. 974/71, waarnaar met name wordt verwezen in de bestreden verordening nr. 1497/76, wordt de Commissie de bevoegdheid toegekend om volgens de procedure van de Comités van beheer niet alleen de monetaire compenserende bedragen vast te stellen, maar ook uitvoeringsbepalingen „die ook andere afwijkingen van verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid zouden kunnen inhouden”, onverminderd haar verplichting om, buiten genoemde procedure om, deze bedragen te wijzigen overeenkomstig het verschil tussen de pariteit van de nationale valuta's en het rekenkundig gemiddelde van de wisselkoers in de loop van een bepaalde periode.
Kortom, de Lid-Staten zijn verplicht monetaire compenserende bedragen toe te kennen of te heffen; de kosten ervan worden gedragen door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en de inkomsten ervan komen eveneens aan dit fonds ten goede, dat wil zeggen aan de Gemeenschap in haar geheel. In tegenstelling tot de compenserende bedragen „toetreding”, kunnen de monetaire compenserende bedragen niet vooraf worden vastgesteld, en dit houdt een waarschuwing in voor de handelaren. Al is het stelsel dus ook in het belang van de handelaren ingevoerd, toch dient het in wezen een algemeen belang, zoals in de arresten-Merkur en vooral Balkan van 24 oktober 1973 (Jurispr. 1973, blz. 1074 en 1112) is overwogen.
III —
Een illustratie van dit tweeledige karakter is te vinden in de praktijk van de Commissie met betrekking tot de termijnen die in acht worden genomen bij het afschaffen of verlagen van de uit de monetaire compenserende bedragen voortvloeiende financiële voordelen of lasten.
In het algemeen stelt de Commissie tamelijk liberale overgangsmaatregelen vast wanneer bij de invoer van een produkt een monetair compenserend bedrag ten laste van de handelaar wordt geheven, indien deze extra last onvoorzienbaar was en de handelaar bewijst contractueel te zijn gebonden. Daarentegen worden geen — of althans in mindere mate — overgangsmaatregelen vastgesteld wanneer het gaat om toekenning aan de handelaar van een monetair compenserend bedrag bij uitvoer, omdat dat invloed heeft op de winstmogelijkheden. De „prefixeerbaarheid” van de compenserende bedragen is van beslissend belang.
Zo heeft de Commissie, met het oog op de gevolgen die de door haar vastgestelde uitvoeringsmaatregelen betreffende de toepassing van de bij verordening nr. 974/71 per 12 mei 1971 ingestelde compenserende bedragen konden hebben voor invoercontracten, de heffing van compenserende bedragen bij invoer uitgesloten ten aanzien van de contracten welke aantoonbaar vóór 10 mei 1971 tot stand waren gekomen (verordening nr. 1013/71, vastgesteld op 17 mei 1971 en inwerking getreden op de dag van publikatie in het Publikatieblad — 18 mei 1971 — met gelding vanaf 12 mei 1971).
Evenzo werd in verordening nr. 2887/71 van de Commissie van 30 december 1971, waarbij het stelsel van de compenserende bedragen per 31 december 1971 tot Frankrijk en Italië werd uitgebreid, een uitzondering gemaakt voor de vóór 28 december 1971 overeengekomen invoertransacties.
Wat de uitvoerovereenkomsten betreft, werden bij verordening nr. 842/73 van de Commissie van 27 maart 1973, in werking getreden drie dagen na publikatie in het Publikatieblad op 30 maart 1973, de vooraf vastgestelde restituties verhoogd; deze maatregel gold, „bij wijze van uitzondering en met name om te vermijden dat de weerslag van de monetaire gebeurtenissen alle vóór 13 februari 1973 geplande transacties op lange termijn in het geding brengt”, voor exporten die op 13 februari 1973, de datum waarop de re gering van de Verenigde Staten de devaluatie van de dollar bekend maakte, nog moesten worden verricht.
In verband met de inwerkingtreding op 3 juni 1973 van het nieuwe stelsel der monetaire compenserende bedragen overeenkomstig 's Raads verordening nr. 1225/73 — de handelaren werden daarbij verplicht zelf maatregelen te nemen ter dekking van het koersrisico ten opzichte van de dollar, dat voordien door de monetaire compenserende bedragen werd gedekt — oordeelde de Commissie het billijk bij verordening nr. 2042/73 van 27 juli 1973 (gepubliceerd op 28 juli 1973, in werking getreden op 4 juni 1973) te bepalen dat op alle invoer- en uitvoertransacties ten aanzien waarvan vóór 4 juni 1973prefixatie van de heffing op de restitutie was aangevraagd, het op 3 juni 1973 geldende monetaire compenserende bedrag van toepassing zou zijn. Ook hier ging het uitsluitend om in dollars geprefixeerde uitvoerrestituties en invoerheffingen in het handelsverkeer met derde landen.
Volgens artikel 4 bis, lid 2, van 's Raads verordening nr. 974/71 (in de versie van verordening nr. 3450/73) mochten in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en met derde landen de compenserende bedragen die vanwege een waardedaling van de betrokken munteenheid van toepassing waren, niet hoger zijn dan de belasting bij invoer uit derde landen. Toen deze bepaling bij verordening nr. 2497/74 van de Raad van 2 oktober 1974 met ingang van 21 oktober 1974 werd geschorst, meende de Commissie dat deze schorsing voor handelaren die vóór het besluit van de Raad een contract met vaste voorwaarden hadden afgesloten, tot onvoorzienbare extra lasten bij uitvoer zou kunnen leiden; daarom besloot zij bij verordening nr. 2966/74 van 25 november 1974 de Lid-Staten te machtigen om het monetaire compenserende bedrag of het met de verhoging overeenkomende gedeelte ervan niet te heffen bij exporten naar de Lid-Staten, die op grond van vóór 20 september 1974 gesloten bindende contracten binnen een termijn van drie maanden na die datum werden verricht. Ook hier zij opgemerkt dat het niet om toegekende, maar om bij uitvoer geheven compenserende bedragen gaat, en derhalve om extra lasten en niet om een vermindering van winstmogelijkheden.
Verordening nr. 1026/75 van 18 april 1975 is door de Commissie in nagenoeg dezelfde omstandigheden vastgesteld als zich in het onderhavige geval voordoen. In de considerans van verordening nr. 751/75 van de Commissie van 21 maart 1975 was overwogen „dat recente ervaring heeft geleerd dat de tot nu toe toegepaste berekeningsmethode van de monetaire compenserende bedragen voor bepaalde verwerkte produkten [leidt tot bedragen die hoger zijn dan het hiervoor bedoelde effect] ( 3 ) (d.w.z. het effect dat de toepassing van het compenserende bedrag op de prijzen van het basisprodukt heeft op de prijs van het verwerkte produkt); „dat dit leidt of dreigt te leiden tot handelsstromen die een concurrentiedistorsie meebrengen en de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening in het gedrang brengen; dat het derhalve dienstig is het compenserende bedrag voor de betrokken produkten vast te stellen aan de hand van elementen die meer in overeenstemming zijn met de werkelijke situatie.” Om deze reden werden de compenserende bedragen voor deze produkten deels verlaagd. Deze verordening, vastgesteld op 21 maart en gepubliceerd op 22 maart, trad in werking op 24 maart 1975 en was van toepassing vanaf 21 april 1975; zij had onder meer betrekking op de produkten van post 23.07 B I c) 1, waarvoor het bij uitvoer toe te kennen bedrag DM 4,14 per 100 kg bedroeg. Maar juist voor deze produkten werd het bij uitvoer toe te kennen monetaire compenserende bedrag gehandhaafd op het niveau dat bij verordening nr. 539/75 van 28 februari 1975 was vastgesteld. Opgemerkt moet worden dat het Comité van beheer voor granen niet binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn advies had uitgebracht. Met het oog op de situatie van de handelaren die op basis van de voorheen aangekondigde compenserende bedragen verplichtingen hadden aangegaan, besloot de Commissie bij verordening nr. 1026/75 van 18 april 1975 voor sommige produkten van tariefpost 11.02 E II A (geplette granen en tarwevlokken), waarvoor de compenserende bedragen bij verordening nr. 751/75 waren verlaagd, de oude bij verordening nr. 539/75 vastgestelde bedragen gedurende een bepaalde periode te handhaven. Ten einde rekening te houden met de vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 751/75 aangegane verplichtingen in verband met deze produkten, werd bij verordening nr. 1026/75, eveneens vastgesteld zonder dat het Comité van beheer advies had uitgebracht, om redenen van billijkheid de termijn van 21 april 1975 opgeschoven tot 19 mei 1975.
In dit bijzondere geval heeft de Commissie de handelaren die op basis van de aangekondigde compenserende bedragen verplichtingen hadden aangegaan, een termijn van bijna twee maanden toegestaan. Opgemerkt zij evenwel dat het daarbij ging om verwerkte produkten van de meelindustrie, bestemd voor menselijke consumptie, waarvan de produktie belangrijke investeringen en installaties vergt en waarop bovendien een betrekkelijk hoge heffing wordt toegepast (geplette granen, tarwevlokken).
Samenvattend kunnen wij concluderen dat de Commissie in het algemeen slechts overgangsmaatregelen vaststelt wanneer het gaat om al dan niet geprefixeerde bedragen, die bij invoer of bij uitvoer worden geheven. Bij mijn weten heeft de Commissie echter in ten minste één geval ook dergelijke maatregelen vastgesteld voor bij uitvoer toegekende compenserende bedragen.
IV —
Ik ben derhalve van mening dat geen enkel beslissend openbaar belang de onmiddellijke afschaffing van de tot dan toe toegekende compenserende bedragen rechtvaardigde of zich ertegen verzette dat rekening werd gehouden met het belang van te goeder trouw zijnde handelaren. De Commissie schijnt dit trouwens zelf in haar laatste memories toe te geven.
In plaats van de transacties voortvloeiend uit vóór een bepaalde datum gesloten bindende overeenkomsten formeel uit te zonderen en daarnaast de bedragen met onmiddellijke ingang of zelfs met terugwerkende kracht af te schaffen voor toekomstige transacties of voor andere oude overeenkomsten, heeft de Commissie de betrokken handelaren dan ook een overgangstermijn toegestaan: de verordening is vastgesteld op 23 juni 1976, gepubliceerd op 26 juni en pas veertien dagen later in werking getreden.
Het eigenlijke punt in geschil is of die overgangstermijn billijk was, zulks gelet op de aard van de betrokken produkten, het niet-bindende karakter van de daarvoor aangekondigde compenserende bedragen, de aard van de door verzoekster gestelde overeenkomsten en ten slotte de wijze waarop zij kennis heeft genomen van de voorgenomen maatregel en de stappen die zij heeft ondernomen om haar schade te beperken.
Wij wijzen erop dat het in casu gaat om diervoeders die praktisch uitsluitend uit basisprodukten worden vervaardigd en voor hetzelfde gebruik zijn bestemd als die basisprodukten.
In een geval als dit is het bijna niet mogelijk in abstracto het bestaan van aansprakelijkheid te onderzoeken: het aanvaarden van zo een aansprakelijkheid hangt nauw samen met het daadwerkelijk bestaan en de omvang van de schade evenals met de aanwezigheid van een oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de schade en de bestreden maatregel.
Dit zijn feitelijke vragen, die het Comité van beheer, met welks instemming de verordening is vastgesteld, ongetwijfeld heeft moeten beslissen alvorens zijn goedkeuring te geven, zulks temeer daar het de Duitse autoriteiten zijn van wie het initiatief tot het vaststellen van de bestreden verordening is uitgegaan, en daar verzoekster zich vóór de vaststelling van de verordening rechtstreeks tot deze nationale autoriteiten en tot de Commissie heeft gewend.
Wij menen dat men de Commissie, die beslist heeft na het advies van het Comité van beheer te hebben ingewonnen, een ruime beoordelingsvrijheid moet laten ten aanzien van de vraag of het betrokken veevoeder bestemd is voor hetzelfde gebruik als de basisprodukten waaruit het is samengesteld, en of het van deze laatste niet zodanig verschilt, dat de toepassing van aanmerkelijk hogere compenserende bedragen dan die welke voor de basisprodukten gelden, gerechtvaardigd is.
Verder willen wij nog het volgende opmerken.
Het feit dat het stelsel van prefixatie van het compenserende bedrag toetreding is uitgebreid tot graanproducten en mengvoeders op basis van granen, betekent stellig dat de Commissie van mening was dat de ontwikkeling van het handelsverkeer in deze produkten tussen de oorspronkelijke en de nieuwe Lid-Staten van de Gemeenschap en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling moest worden bevorderd (verordening nr. 1580/74 van 24 juni 1974). Zoals zij echter opmerkt, hebben de in Duitsland geproduceerde en vandaar naar de nieuwe Lid-Staten uitgevoerde hoeveelheden snel een aanzienlijke omvang bereikt (meer dan 60000 ton van maart tot 10 juli 1976, waarvan meer dan 20000 ton voor verzoekster, en meer dan 7000 ton voor de eerste dagen van juli 1976); de fabrikanten die voor verzoekster werken, zijn verder erin geslaagd hun produktieinstallaties in betrekkelijk korte tijd om te bouwen.
Anderzijds heeft verzoekster uit de vakpers van 19 juli 1976 kennis gekregen van de aanstaande vaststelling van de schadeveroorzakende maatregel; zij had dus meer dan veertien dagen tijd om de noodzakelijke voorzorgen te treffen, zodat de afschaffing van de monetaire compenserende bedragen haar niet volledig heeft verrast. Zoals de Commissie terecht opmerkt, heeft verzoekster misschien een voorgevoel gehad van de afschaffing van het compenserende bedrag voor de betrokken produkten, want in een op 20 mei met een van haar Deense afnemers gesloten overeenkomst voor 2000 ton van het produkt, was zij zo voorzichtig geweest een clausule op te nemen waarbij zij zich het recht voorbehield om in geval van wijziging van het monetaire compenserende bedrag eventueel zuivere tapioca te leveren. In een tamelijk vroeg stadium ten slotte heeft zij de overeenkomsten met een van haar Deense afnemers gewijzigd.
In het arrest-CNTA van 15 mei 1975 (Jurispr. blz. 549) heeft het Hof overwogen dat „de toepassing van de compenserende bedragen in de praktijk het koersrisico wegneemt, zodat ook een voorzichtig handelaar ertoe kan worden gebracht zich tegen dit risico niet te dekken; dat een handelaar terecht erop mag vertrouwen dat met betrekking tot onherroepelijk aangegane transacties — daar hij, tegen waarborgstelling, uitvoercertificaten met prefixatie van het restitutiebedrag heeft gekregen — geen onvoorzienbare wijzigingen zullen optreden die, door hem opnieuw het risico voor koerswijzigingen op te leggen, hem op onvermijdelijke verliezen te staan zouden komen.” Maar in die zaak ging het om het vertrouwen dat een handelaar mocht hebben in de prefixatie van communautaire steun of restituties bij uitvoer, op grond waarvan hij terecht ervan was uitgegaan dat hij zich niet tegen het koersrisico hoefde te dekken. In de onderhavige zaak is verzoekster niet benadeeld door de afschaffing van de compenserende bedragen „toetreding”, de enige waarbij prefixatie mogelijk was en ten aanzien waarvan zij dus geen voorzorgsmaatregelen in verband met het koersrisico behoefde te nemen.
Wij zijn derhalve van mening dat de Commissie het communautaire belang en de belangen van de particuliere handelaren juist heeft beoordeeld en dat de afschaffing van de compenserende bedragen niet onder dusdanige omstandigheden is geschied, dat zij deswege aansprakelijk moet worden verklaard.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep met verwijzing van verzoekster in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) In de gepubliceerde Franse tekst ontbreekt het woord „ceux” (N.v.d.V.).
( 3 ) […]: deze zinsnede, in het Frans luidend „conduit à des montants dont le niveau est supérieur a l'incidence précitée”, ontbreekt in de gepubliceerde Nederlandse versie van de verordening (PB 1975, L 74 blz. 37). (N.v.d.V.)
Full & Egal Universal Law Academy