CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 28 SEPTEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Titel V, hoofdstuk I, afdeling 1 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen bevat een artikel 67, waarin het navolgende is bepaald:
„1. De gezinstoelagen omvatten:
a)
de kostwinnerstoelage, gelijk aan 5 % van het basissalaris, met een minimum van 2100 Bfr. per maand,
b)
de kindertoelage, gelijk aan 3263 Bfr. per maand per kind,
c)
de toelage voor schoolgaande kinderen.
2. De ambtenaar die de in dit artikel bedoelde gezinstoelagen geniet, is verplicht opgave te doen van soortgelijke toelagen uit andere bron; deze komen in mindering op die welke uit hoofde van de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII worden uitbetaald.”
Bijlage VII geeft „nadere bepalingen betreffende bezoldiging en vergoeding van kosten”; in artikel 2 zijn de voorwaarden voor uitbetaling van de kindertoelage omschreven.
Daarentegen is aan de geboortetoelage (artikel 74) een plaats ingeruimd in hoofdstuk II: „Sociale zekerheid”. In de nationale regelingen zijn de gezinstoelagen — juister gezegd: gezinsuitkeringen — in de regel mét de geboortetoelage onder de rubriek sociale zekerheid gebracht en niet onder het hoofd „bezoldiging”
Bij de uitlegging en toepassing van artikel 67, lid 2, rijzen verschillende vragen.
Wat is te verstaan onder „soortgelijke” toelagen ?
Wie beslist inzake die „soortgelijkheid”? Normaliter de administratie, naar het mij voorkomt. Maar volgens de tekst moet de in het genot der toelage gestelde ambtenaar eigener beweging de „uit andere bron” ontvangen toelagen opgeven. Gezien de grote vlucht welke deze „uit andere bron” genoten toelagen — in de onderscheiden Lid-Staten — hebben genomen, kan de ambtenaar met de opgave waartoe hij gehouden is, geheel te goeder trouw in gebreke blijven — zodat de zaak pas na verloop van tijd wordt geregeld —.
En aangenomen dat er van soortgelijke toelagen in de hierbedoelde zin sprake is, dan moet ten slotte nog worden uitgemaakt met ingang van welke tijdstip de aftrek dient te worden toegepast. Als van de soortgelijkheid moet blijken uit een door de administratie genomen beslissing — welke enige tijd op zich laat wachten —, moet er dan met terugwerkende kracht toe worden overgegaan? De onderhavige gedingen, welke behalve verzoeksters bijna achthonderd in België werkzame bezoldigde c.q. „gelijkgestelde” echtgenoten betreffen, illustreren deze moeilijkheden.
België is, als arbeidskrachten importerend land, terecht trots op zijn zeer vooruitstrevend stelsel van sociale zekerheid. Het verschilt, wat de ons thans interesserende „gezinsbijslagen” betreft, in tweeërlei opzicht van de regelingen der andere Lid-Staten: behalve kraamgeld en de „gewone” kinderbijslag — die in beginsel met de kindertoelage van het Statuut overeenkomt — kent het onder na te melden voorwaarden een bijzondere kinderbijslag en een gezinsvakantiebijslag.
I —
Met betrekking tot de bijzondere of aanvullende kinderbijslag — wegens haar uitbetaling in de maand september ook wel toelage aanvang schooljaar, en op grond van zijn bedrag en de „dertiende maand” genaamde gezinsvakantiebijslag in aanmerking genomen, soms ook veertiende maand gezinsbijslag" genoemd — zij het navolgende opgemerkt:
In artikel 28 van het Koninklijk Besluit van 25 oktober 1960, waarbij een artikel 106 is opgenomen in de bij Koninklijk Besluit van 19 december 1939„samengeordende wetten betreffende de kindertoeslagen voor loonarbeiders”, is door de Belgische wetgever bepaald dat de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers een reservefonds zou stichten. Dat fonds is bedoeld om onvoldoende ontvangsten te kunnen opvangen en neemt de onverschuldigd betaalde, maar wegens verjaring niet terugvorderbare bedragen voor zijn rekening (artikel 21 van het Koninklijk Besluit van 10 november 1967).
Maar het bestuur van de Rijksdienst kan, na daartoe door de bevoegde minister te zijn gemachtigd, het fonds ook voor andere doeleinden aanspreken (artikel 2, 1o, Koninklijk Besluit van 8 april 1965).
Zo is er in september 1971 ten laste van het fonds een bijzondere bijslag toegekend, tot een bedrag gelijk aan twee maanden gewone kinderbijslag.
De regering heeft zich echter niet voor de toekomst willen vastleggen, zodat er ten aanzien van deze bijzondere bijslag telkens weer een voor één jaar geldige beslissing is genomen.
In 1973 is die bijslag niet toegekend.
De belangrijke reserves van de Rijksdienst leidden in 1974 tot het besluit zodanige uitkering in beginsel steeds toe te kennen. Het beginsel werd belichaamd in een gelegenheidswet — dd. 28 maart 1975 —, bij welker artikel 1 er een artikel 50 quinquies in de samengeordende wetten is opgenomen: „de kinderbijslagfondsen alsook de in artikel 18 bedoelde overheden en openbare instellingen kennen [voor het jaar 1975] een bijzondere bijslag toe. Deze bijslag wordt uitbetaald ten behoeve van de kinderen die voor de maand juli 1974 op kinderbijslag gerechtigd waren”.
Het bedrag van deze bijzondere bijslag is gelijk aan het bedrag van de bij artikel 40, 42, 47, 50 bis of 50 ter voorziene kinderbijslag, eventueel verhoogd met de bij artikel 44 bepaalde leeftijdsbijslag, die daadwerkelijk over de maand juli 1974 werd uitbetaald.
Voor de betaling van deze bijzondere bijslag gelden dezelfde voorwaarden als voor betaling der gezinsbijslag.
Krachtens deze wet is er bij Koninklijk Besluit van 2 september 1975 voor het jaar 1975 aan bepaalde categorieën door de staat bezoldigde personen — onder meer aan verzoeksters echtgenoot — een bijzondere bijslag toegekend.
Toen de reserves van de Rijksdienst in 1976 nog steeds een overschot vertoonden, heeft de wetgever in de wet van 5 januari 1976 om zo te zeggen opnieuw het aanzijn gegeven aan artikel 126, 1o en 2o — behoudens dat thans augustus en niet juli als referentiemaand werd aangehouden —.
Naar Belgisch recht is er derhalve sprake van een tot de sociale zekerheid behorende gezinsuitkering waarop niet vast mag worden gerekend, die van jaar tot jaar wordt toegekend en volgens artikel 74 van de samengeordende wetten „op generlei wijze een bijslag van salaris of wedde” vormt, terwijl de statutaire kindertoelage een bestanddeel van het ambtenarensalaris is. Dat het hier gaat om een door de overheid naar goeddunken toegekende en ongewisse uitkering, blijkt wel uit het feit dat het bestuur van de Rijksdienst de minister van Sociale Voorzorg heeft verzocht het recht op dit voordeel definitief in een wettelijke bepaling vast te leggen — aan welk verzoek, voor zover wij weten, nog niet is voldaan —.
Volgens de Commissie van advies inzake betwiste zaken spreekt het vanzelf dat in artikel 2 — 1o van het Koninklijk Besluit van 8 april 1965 gedacht is aan andere uitkeringen dan die waarop men volgens de wet aanspraak mag maken; en omvat het in die bepaling in de eerste plaats genoemde gebruik van de middelen van het reservefonds desnodig de betaling van wettelijk verschuldigde kinderbijslagen, dan moet er in de tweede plaats natuurlijk aan een ander soort gebruik gedacht zijn, zoals aan de betaling van niet wettelijk verschuldigde kinderbijslag".
In de Revue beige de sécurité sociale van 1972, blz. 1090, schreef de heer Michel Magrez dat het stelsel van de gezinsbijslag voor loontrekkenden aldus de enige sector der sociale zekerheid is waar volgens besluit van het bestuur van de Rijksdienst extra-legale voordelen kunnen worden toegekend, voordelen waarvan niet aanstonds vaststaat of ze ook definitief zullen worden uitbetaald.
Deze analyse vond bevestiging in de communautaire verordeningen op het stuk der sociale zekerheid.
Volgens artikel 1, u), ii), van 's Raads verordening 1408/71 van 14 juni 1971 worden onder „kinderbijslag” verstaan periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de bijzondere kinderbijslag in België niet voorkomt op de door de Commissie uitgegeven tabellen, waarin de in de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen geldende stelsels van sociale zekerheid, wat de algemene regeling betreft, naar de stand van 1 juli 1976 met elkander zijn vergeleken.
Naar wij nog zullen zien, schijnt met betrekking tot de betaling van gezinsvakantiebijslag aan dit vereiste van periodiciteit te zijn voldaan, maar hetzelfde blijkt dus met te gelden voor de bijzondere kinderbijslag, ook al heeft men er de naam „veertiende maand kinderbijslag” aan toegedacht. Ofschoon het bedrag van die uitkering even hoog is als dat van de maandelijkse kinderbijslag en zij ook door hetzelfde lichaam wordt uitgekeerd, draagt zijn een andere karakter: men zou kunnen spreken van een tegemoetkoming uit het fonds — door bijdragen der werkgevers in de kinderbijslag gevormd —, waartoe wegens ontstane overschotten wordt besloten nadat inzake de aan die overschotten te geven bestemming het advies van de Belgische syndicale organisaties is ingewonnen.
Zou, zoals door sommigen was voorgesteld, het overschot bijvoorbeeld voor de inrichting van crèches zijn aangewend, dan hadden verzoeksters van die uitkering — in dat geval een uitkering in natura — kunnen profiteren, ofschoon er van een „soortgelijke” uitkering als de in artikel 67 bedoelde, in geld uitgekeerde kindertoelage geen sprake was. Daarom is niet in te zien waarom zij er niet van zouden kunnen profiteren wanneer zulke overschotten wél in geld worden uitgekeerd.
Wij zouden met betrekking tot dit eerste punt nog een laatste opmerking willen maken: al zou er — quod non — van een soortgelijke toelage in de zin van het Statuut sprake zijn, dan is niet duidelijk waarom de aftrek aan de Gemeenschap zou moeten toevloeien. Waar in september de bijslagen die door de Belgische kassen waren betaald, de door de Gemeenschap betaalde toelage te boven gingen, zou het volgens artikel 60 van de samengeordende wetten — welker auteurs volgens de Commissie dezelfde bezorgdheid aan de dag leggen die uit artikel 67, lid 2, van het Statuut spreekt — op de weg van de belanghebbenden hebben gelegen de door de Gemeenschappen betaalde toelagen „soortgelijk” te verklaren, in welk geval zij op de Belgische bedragen in mindering hadden moeten worden gebracht — en niet omgekeerd —. Bij terugbetaling der hierbedoelde bedragen dienden zij terug te vloeien in de kas van het lichaam dat ze uit eigen middelen had betaald. De kinderbijslag wordt in België in hoofdzaak gefinancierd uit een werkgeversbijdrage (7,5 % van het salaris), terwijl de overheid er eventueel door een jaarlijkse subsidie bij betrokken is.
II —
Met betrekking tot de gezinsvakantiebijslag is er sinds de wet van 25 juli 1962, artikel 5, in de samengeordende wetten een artikel 73 quater opgenomen dat, zoals het ingevolge artikel 1 van de wet van 15 april 1965 is komen te luiden, het volgende bepaalt:
„De kinderbijslagfondsen alsook de bij artikel 18 bedoelde overheden en openbare instellingen kennen een gezinsvakantiebijslag toe. Deze bijslag wordt in de loop van de maand mei van elk jaar uitbetaald ten behoeve van de kinderen die in de loop van het vorige kalenderjaar op kinderbijslag gerechtigd waren. De voorwaarden tot uitbetaling van de gezinsvakantiebijslag zijn dezelfde als die bepaald voor de uitbetaling van de kinderbijslag …”.
In artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 1 februari 1968 — betreffende de gezinsvakantiebijslag —, zoals het is komen te luiden ingevolge het Koninklijk Besluit van 5 oktober 1973, artikel 6 — staat het volgende te lezen:
„Het bedrag van de gezinsvakantiebijslag is gelijk aan het bedrag van de bij artikelen 40, 42, 47, 50 bis of 50 ter voorziene kinderbijslag, eventueel verhoogd met de bij artikel 44 bepaalde leeftijdsbijslag, dat daadwerkelijk over de maand april van het beoogde jaar wordt uitbetaald”.
Volgens artikel 2 van het Koninklijk Besluit worden de gezinsvakantietoeslag en de gezinsbijslagen voor de maand april door de ermede belaste lichamen ineens betaald, terwijl van de betaling van de gezinsvakantiebijslag afzonderlijk boek wordt gehouden.
Volgens artikel 4 geldt het Koninklijk Besluit van 25 april 1958 tot vaststelling van de wijze van berekening van de subsidie welke de kinderbijslagfondsen tot dekking van hun administratiekosten kunnen aanwenden, niet voor de in het Koninklijk Besluit van 1 februari 1968 bedoelde verrichtingen.
De administratiekosten welke met de betaling van de gezinsvakantiebijslag verband houden, worden volgens artikel 3 door de Rijksdienst voor kinderbijslagen voor werknemers forfaitair aan de bij die dienst aangesloten kinderbijslagfondsen betaald.
De wijze van betaling van de gezinsvakantiebijslag is ook in hoofdzaak dezelfde als die van de bijzondere kinderbijslag van artikel 50 quinquies der samengeordende wetten. Maar evenals die bijzondere kinderbijslag vormt zij „op generlei wijze een bijslag van salaris of wedde” (artikel 74). Ook hier is het zo gelegen dat ofschoon men de gezinsvakantiebijslag op grond van de haar bijzondere kenmerken als „dertiende maand kinderbijslag” heeft aangemerkt en de „vergadering van hoofden van administratie” in het feit dat beide bijslagen even hoog zijn aanleiding heeft gevonden de tweede bijslag als een eenvoudige „verhoging” van eerstbedoelde bijslagen te beschouwen, er nochtans van soortgelijkheid geen sprake is. Het is een gezinsbijslag welke, ofschoon periodiek uitgekeerd, anders dan de bijzondere gezinsbijslag voor een bepaald doel wordt toegekend en dus een andere uitkering dan de „gewone kinderbijslag” waarmede de gezinstoelage van artikel 67, lid 1, b, van het Statuut overeenkomt. Een en ander blijkt ten duidelijkste uit de hiervoor genoemde tabellen.
Onder het hoofd „gezinsbijslagen” zijn volgens artikel 1, u), i), van verordening 1408/71 te verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h), bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering evenwel van de bijzondere uitkeringen bij geboorte, voorzien in de Belgische en de Luxemburgse wetgeving alsmede de in de Franse Code de la Sécurité Sociale bedoelde „allocations prénatales” en „allocations postnatales”.
Volgens de thans geldende bepalingen der verordeningen 1408/71 en 574/72 kunnen onder de Franse wettelijke regeling vallende werknemers thans voor hun buiten Frankrijk op het grondgebied van de Gemeenschap verblijvende kinderen aanspraak maken op de gezinsbijslagen welke ter plaatse waar zij wonen worden toegekend, terwijl werknemers die onder de wettelijke regeling van andere Lid-Staten vallen, ongeacht de woonplaats der gezinsleden, in aanmerking komen voor de gezinsuitkeringen van het land van tewerkstelling.
Voor eerstgenoemden zijn de hierbedoelde voordelen alleen de gezinsbijslagen stricto sensi, voor de in de tweede plaats genoemden omvatten zij behalve de eigenlijke gezinsbijslagen, ook uitkeringen die een speciaal karakter dragen.
Volgens de nationale wettelijke regelingen zijn er dus „klassieke” gezinsbijslagen, naast uitkeringen welke een speciaal karakter dragen en in één of meer Lidstaten wél, in andere niet worden toegekend. Zo zijn er bijslagen voor bewaring, huisvesting en verplaatsing; en deze lijst is niet uitputtend.
Zo blijkt een Italiaanse, doch in Frankrijk tewerkgestelde werknemer wiens gezin in Italië bleef wonen, aan Italiaanse gezinsbijslag minder te ontvangen dan Franse werknemers, terwijl Franse werknemers bovendien aanspraak mogen maken op aanvullende gezinsuitkeringen, waarvoor een buitenlandse werknemer niet in aanmerking komt.
Dat men de oplossing in verschillende richtingen heeft gezocht doet moeilijke problemen rijzen, en er spreekt een nog altijd bestaand verschil in aanpak uit.
De echtgenoten van verzoeksters, wier inkomen aanleiding gaf tot de door de Commissie toegepaste aftrek, vallen onder het Belgisch stelsel van sociale zekerheid. Volgens dat stelsel brengt noch de identiteit van betalende instantie noch gelijkheid van het betaalde bedrag, zonder meer mede dat het ook om soortgelijke uitkeringen gaat. Zo lang de vakantiebijslag en de bijzondere bijslag niet in de „wettelijke” kinderbijslag zijn geïntegreerd, zal men ze van de kinderbijslag moeten blijven onderscheiden. Het gaat dan ook onzes inziens niet aan eenzijdig te decreteren dat een nationale uitkering met een bijzondere bestemming, die met zoveel woorden van de kinderbijslag wordt onderscheiden, statutair gezien als „soortgelijk” aan de statutaire gezinstoelage zou zijn te beschouwen. Wij achten het voorts zeer gevaarlijk te stellen dat voordelen, toegekend aan degenen die actief aan het beroepsleven deelnemen, ondanks het feit dat zij in de wetgeving krachtens welke zij worden uitgekeerd als „specifiek” zijn aangemerkt, niet langer als zodanig zouden zijn te beschouwen wanneer betrokkene een bij de Europese instellingen werkzame echtgenoot heeft, en dan als een toelage „uit andere bron” in de zin van het Statuut zouden moeten worden aangemerkt.
Een licht voordeel, voortvloeiende uit de bezoldigde of daarmee gelijk te stellen werkzaamheid van echtgenoten in België — en waarop de kinderen ontegenzeggelijk recht hebben — te doen betalen door ambtenaren — veelal: ambtenaressen — die lange tijd niet voor de gezinstoelage in aanmerking kwamen en door hun huwelijk de ontheemdingstoelage verspeelden of pas onlangs herkregen, lijkt ons bijzonder onbillijk. Dit is onzes inziens een kwestie van beginsel.
Ook het standpunt dat aan de statutaire kindertoelage, uitgekeerd aan de echtgenoot-ambtenaar, een algemene bestemming zou moeten worden toegekend — welke ook in het bedrag tot uitdrukking zou komen —, wordt gelogenstraft door het feit dat er naast die toelage in hetzelfde artikel 67, lid 1, een „gespecialiseerde” toelage, die voor schoolgaande kinderen, wordt toegekend, zelfs aan kinderen die de Europese scholen bezoeken — waar het onderricht kosteloos is en ook aan inschrijving en examens geen kosten verbonden zijn —.
Het mag er evenwel niet voor worden gehouden dat deze toelage voor schoolgaande kinderen is toegekend om alle aan het schoolbezoek der kinderen verbonden kosten te dekken: de steeds meer inburgerende deelneming van kinderen aan sneeuwvakanties, vakanties aan zee of in vakantieoorden, zelfs buiten de vakantieperiode, heeft de instellingen aanleiding gegeven om — zoal geen speciale toelage in het leven te roepen, dan toch — het bedrag van de bestaande toelage voor schoolgaande kinderen te verhogen.
Bovendien is er naast de toelage voor schoolgaande kinderen van de Europese ambtenaren — ten laste van de begroting der Gemeenschappen —, ook de geldelijke deelneming van de Europese instellingen aan de kosten, verbonden aan het verblijf van de kinderen dier ambtenaren in door de Europese instellingen georganiseerde vakantiekolonies: er is geen enkele reden waarom ambtenaren die hun kinderen niet naar zulke kolonies sturen, niet in aanmerking zouden komen voor de nationale gezinsvakantiebijslag, waartoe zij volgens hun nationale wettelijke regeling ongetwijfeld gerechtigd zijn, bijslag bedoeld om, althans ten dele, de kosten te dekken waarvoor zijn zich geplaatst zien wanneer zij hun kinderen liever naar „nationale” vakantiekolonies sturen.
Wij zouden hieraan nog een laatste argument willen toevoegen: er bestaat in de Gemeenschappen geen specifieke uitkering voor andere „ten laste van” betrokkene komende personen dan zijn kinderen. In bijlage VII (artikel 2, lid 4) wordt kort en goed bepaald dat „in uitzonderlijke gevallen … een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, … met een te zijnen laste komend kind [kan] worden gelijkgesteld”. Het bedrag der uitkering is in dit geval even hoog als die voor ten laste van betrokkene komende kinderen en wordt uiteraard door dezelfde dienst betaald.
Het onderhoud van bedoelde personen, meestal gepensioneerde ascendenten, omvat stellig geen vakantiekosten.
Draagt de toelage voor ten laste van betrokkene komende personen een forfaitair karakter en omvat zij geen post „vakantie”, dan geldt, ondanks het „forfaitair” karakter der toelage, hetzelfde wanneer diezelfde toelage ten behoeve van kinderen wordt uitgekeerd.
III —
Ten slotte gaat het in de problematiek welke in de onderhavige zaken is gerezen, om de datum waarop de aangifte en de aftrek van „soortgelijke” toelagen moet geschieden.
Ik herinner eraan dat het in casu gaat om uitkeringen welke slechts één maal per jaar worden uitgekeerd (gezinsvakantiebijslag) dan wel slechts één maal per jaar kunnen worden uitgekeerd (bijzondere bijslag). Tussen de datum waarop de ambtenaren hun jaarlijkse inlichtingenformulier aan de administratie doen toekomen en die van betaling der hierbedoelde uitkeringen, kan dus enige tijd verlopen.
Dit blijkt wel daaruit dat het vakje voor inhoudingen op de afrekeningsstrook der ambtenaren en de door hun ingezonden „talon” niet op elkaar zijn afgestemd; de wegens „regularisatie” der afgelopen maanden in mindering gebrachte bedragen zijn in regel niet gerelateerd aan de maanden of perioden waarop zij betrekking hebben. Zo is in het geval van mevrouw Francine Gelders-Deboeck de aftrek der bedragen welke aan haar echtgenoot in mei en september 1975 respectievelijk in mei 1976 als vakantiebijslag respectievelijk bijzondere bijslag waren betaald, geschied door inhouding op de afrekeningsstrook over de maanden maart respectievelijk augustus 1976. In het geval van mevrouw Gerarda Emer-Van den Branden is hetgeen haar echtgenoot van januari 1975 tot mei 1976 aan vakantiebijslag en aan bijzondere bijslag had ontvangen, op haar salaris over de maanden juni, juli, onderscheidenlijk augustus 1976 in mindering gebracht.
Verzoeksters hebben de door hun echtgenoot ontvangen gewone kinderbijslag — en mevrouw Emer bovendien sedert februari 1967 de gezinsvakantiebijslag — behoorlijk opgegeven. De kwestie was bovendien al oud: reeds in 1965 had de juridische dienst, en wel in voor haar gunstige zin, zijn standpunt bepaald.
Al zou er derhalve — hetgeen wij niet geloven — van soortgelijke toelagen sprake zijn, dan zou zulk een uitlegging slechts voor de toekomst en niet met terugwerkende kracht kunnen gelden. Het ligt op de weg van de Commissie haar ambtenaren te doen weten welke toelagen zij als soortgelijk beschouwt — opdat de ambtenaren er bij het invullen van hun formulieren rekening mee kunnen houden — in plaats van hun mede te delen (zònder er bij te zeggen dat het alleen om de Belgen gaat) dat het aanbeveling verdient om „bij voorbeeld” één maal in de zes maanden hun „talon” betreffende de betaling van gezinsbijslagen in te zenden, opdat kan worden nagegaan of zij niet zijn gestegen. De afdeling „individuele rechten en voorrechten” beschikt over voldoende bekwaam personeel om zich op de hoogte te stellen van wijzigingen der nationale wettelijke regelingen, hetgeen met name geldt voor Brussel waar die wijzigingen bij inwerkingtreding in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.
De Commissie betoogt dat administratieve redenen en de wens de ambtenaren niet met tal van aangiften te plagen, aanleiding hebben gegeven de hierbedoelde aftrek ten dele pas na verloop van tijd toe te passen. Maar bij het terugvorderen van uitkeringen van sociale zekerheid is vertraging uit den boze en moeilijk te verteren; daarom gelden er ten deze regelen welke vooral de gerechtigden in bescherming nemen.
In werkelijkheid hield de vertraging evenwel geen verband met de wens de ambtenaren te sparen, doch met het gespecialiseerde of onzekere karakter der hierbedoelde toelage, gezichtspunt dat ons bracht tot de opvatting dat ze niet soortgelijk zijn aan toelagen welke een bestanddeel van het maandsalaris der ambtenaren uitmaken.
Men zou trouwens graag volkomen zekerheid hebben dat het vergelijkend on derzoek waartoe de Commissie stelt te zijn overgegaan, aan het licht heeft gebracht dat alleen de echtgenoten van in België werkende werknemers „soortgelijke toelagen” ontvingen en dat door alle instellingen op alle plaatsen van tewerkstelling dezelfde oplossing is gevolgd. Dat discriminatie ten deze achterwege moet blijven, lijkt ons een fundamenteel gezichtspunt.
Wij concluderen
—
in de zaak 106/76: tot nietigverklaring van de aftrek, toegepast op verzoeksters salaris over de maanden maart en augustus 1976 — wegens hetgeen aan gezinsvakantiebijslag en bijzondere kinderbijslag in mei en september 1975 onderscheidenlijk in mei 1976 aan haar echtgenoot is uitbetaald —;
—
in de zaak 14/77: tot nietigverklaring van de aftrek, toegepast op verzoeksters salaris over de maanden juni, juli en augustus 1976 — wegens hetgeen in België aan haar echtgenoot van januari 1975 tot mei 1976 aan gezinsvakantiebijslag en bijzondere kinderbijslag werd uitbetaald —;
—
tot veroordeling van de Commissie tot betaling van de moratoire interessen door verzoeksters gevorderd, alsmede verwijzing der Commissie in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy