CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 5 MEI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak verzoekt het Bundesfinanzhof om uitlegging van enige posten van het gemeenschappelijk douanetarief, ten einde de juistheid te kunnen beoordelen van een bindend indelingsadvies dat verzoekster in het hoofdgeding pp 16 juli 1974 ontving van de Oberfinanzdirektion München.
Het advies heeft betrekking op een zogenaamde „Ferromatikschildausbau”, een stalen apparaat dat in de ondergrondse mijnbouw wordt gebruikt. Voor de nadere beschrijving en functionering ervan verwijs ik naar de beschikking van het Bundesfinanzhof. Hier zij slechts vermeld dat het apparaat in hoofdzaak ten doel heeft de mijngang voor vallend gesteente te beschutten. Daarbij beweegt dit apparaat — deze term gebruik ik nu niet in douanetechnische zin — door middel van een hydraulische inrichting, die echter niet tot het eigenlijke apparaat behoort, zich telkens over een kleine afstand zelfstandig voorwaarts. Als het apparaat wordt ingezet voor het frezen van kolen — waarvoor het blijkbaar in hoofdzaak dient — is het tevens, uitgerust met een draagframe voor de transporteur. Deze draagt onder andere de grondwerkmachines en wordt eveneens telkens langzaam voortbewogen.
Het produkt zou volgens het genoemde advies onder post 84.59 E („Machines, toestellen en mechanische werktuigen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 84: … E. andere …”) vallen. Voor de Oberfinanzdirektion was daarbij doorslaggevend de aanwezigheid van mechanische bouwelementen, en met name dat het een hydraulisch werkend apparaat is, dat aan het einde van de mijngang de kolenwinningsmachines zelfstandig volgt. Bovendien was van belang dat het produkt kan worden uitgerust met een draagframe en daardoor ook nog kan functioneren als schuiver voor daarop geplaatste graafmachines. Derhalve zou het thuishoren onder hoofdstuk 84 („Stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen”) en binnen dit hoofdstuk, daar het niet onder een speciale post valt, onder post 84.59 E. Niet beslissend was daarentegen voor de Oberfinanzdirektion dat het om een verdere ontwikkeling van de traditionele mijnbouwapparatuur gaat die stellig valt onder de omschrijving van post 73.21: „Constructiewerken en delen van constructiewerken (loodsen, bruggen, brugdelen, sluisdeuren, vakwerkmasten en andere masten, pijlers, kolommen, kapconstructies, deur- en vensterkozijnen, luiken, baslustrades, hekken, enzovoort), van gietijzer, van ijzer of van staal; platen, band, staven, profielen, buizen enz. van gietijzer, van ijzer of van staal, gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken”. Ook was voor de Oberfinanzdirektion niet van belang dat het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief in een tariefbeslissing van 9 juni 1972 hydraulische mijnstutten als constructiewerken van staal onder post 73.21 had ingedeeld. Dit had men kunnen verdedigen daar het apparaat bij gebruik steeds op dezelfde plaats blijft en de hydraulische verplaatsing slechts als arbeidsverlichting dient bij het plaatsen en weer wegnemen van de stutten. Ten slotte kwam voor de Oberfinanzdirektion ook een vergelijking met beweegbare bruggen, die eveneens onder post 73.21 vallen, niet in aanmerking, daar hiervoor doorslaggevend is, dat zij op steunpunten rusten en niet behoeven te worden aangedreven.
De firma Klöckner-Ferromatik GmbH, aan wie het indelingsadvies werd afgegeven, meent daarentegen dat het produkt, althans voorzover niet verbonden met graafmachines, onder post 73.21 valt. De mobiliteit kan niet doorslaggevend zijn, daar genoemde post niet enkel statische constructies omvat. Dit blijkt met name uit het voorbeeld van de beweegbare bruggen en hydraulische mijnstutten, waarmee het onderhavige produkt in zijn werking veel overeenkomst vertoont. Maar zelfs al zou het apparaat als machine zijn te beschouwen, dan komt nog niet automatisch een indeling onder hoofdstuk 84 in aanmerking. Volgens de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel zouden daaronder namelijk slechts machines vallen, die niet reeds in andere hoofdstukken meer specifiek zijn genoemd, hetgeen echter in post 73.21 het geval is. Voor de indeling onder post 73.21 pleit ook de groepsindeling van het Duitse octrooi. Octrooirechtelijk valt het produkt onder het begrip „pijlerstutten” en kan het als soortgelijk materiaal worden gezien als mijnstutten. Op grond van een en ander betwist de firma Klöckner-Ferromatik GmbH het bindende indelingsadvies bij het Bundesfinanzhof.
Voor het Bundesfinanzhof is niet duidelijk, welke post - 73.21, 84.23 of 84.59 — in casu van toepassing is. Het vraagt zich af of het produkt inderdaad als mechanisch apparaat is aan te merken, daar het voorwaarts bewegen van mijnbouwmachines — een element waardoor men hier denkt aan machines die materie transporteren — slechts een bijkomende functie is. Indien indeling onder hoofdstuk 84 in aanmerking komt, is voor het Bundesfinanzhof bovendien niet duidelijk, of post 84.59 E of — daar het produkt voor de mijnbouw bestemd is — post 84.23 van toepassing is. Bijgevolg besloot het Bundesfinanzhof bij beschikking van 26 oktober 1976 de procedure te schorsen en de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1.
Moet het woord „constructiewerk” in post 73.21 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat het ook een produkt omvat dat bestemd is voor de beveiliging van mijngangen en onder meer zo is ingericht dat het zelf evenals de op een der onderdelen gemonteerde mijnbouwmachines met behulp van ingebouwde hydraulische cilinders en een afzonderlijk opgestelde motorpomp telkens over een kleine afstand kan worden voortbewogen?
2.
Zo neen, vallen dan onder post 84.23 van het gemeenschappelijk douanetarief uitsluitend machines en toestellen voor de mijnbouw die rechtstreeks de aardlagen veranderen?
Na de uitvoerige schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Commissie en de mondelinge opmerkingen van verzoekster, wil ik thans mijnerzijds mijn mening als volgt bepalen.
1.
Met betrekking tot de eerste vraag zij om te beginnen gewezen op aantekening 1, sub f, van Afdeling XV waartoe ook post 73.21 behoort, luidende: „Deze Afdeling omvat niet: … f) artikelen bedoeld bij een der posten van Afdeling XVI (machines en toestellen; elektrotechnisch materieel)”. Daar volgens algemene bepaling nr. 1 de aantekeningen op de Afdelingen voor de indeling wettelijk bepalend zijn, komt het bij Afdeling XV erop aan wat de titel van Afdeling XVI (machines en toestellen; elektronisch materieel) inhoudt.
Daartoe heeft de Commissie met literatuuropgaven mijns inziens overtuigend aangetoond dat voor machines in hun verschillende vormen en voor mechanische werktuigen het bewegingselement, de voortdurende totstandbrenging van mechanische beweging, kenmerkend is. Nog ruimer is het begrip „toestel”; dit omvat volgens deze verklaringen alle werktuigen die voor krachtoverbrenging dienen.
Voor de constructiewerken van post 73.21 is daarentegen het statische kenmerkend, dus de omstandigheid dat zij in beginsel voortdurend in rust blijven. Dit blijkt reeds uit de voorbeelden van post 73.21 en wordt nog bevestigd door de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel onder post 73.21, waarnaar wordt verwezen in de Toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief en die dus ook voor de uitlegging hiervan rechtstreeks van belang zijn. Dat in die toelichtingen ook „telescopische of verstelbare stutten en soortgelijk materiaal” worden vermeld, doet niet ter zake, daar deze eigenschap alleen maar de montage vergemakkelijkt: de gemonteerde steunconstructies blijven in rusttoestand. De beweegbaarheid beïnvloedt niet het karakter van de steunconstructies als „materiaal”. Men moet immers niet vergeten dat hoofdstuk 73 over materie gaat en hoofdzakelijk onderscheidt naar de materiële hoedanigheid der produkten.
Uitgaande van deze principiële bevindingen is in casu van belang dat het apparaat, waarop het omstreden indelingsadvies betrekking heeft, blijkens de beschrijving mede wordt gekenmerkt door een mechanisch gestuurde mobiliteit, dank zij een combinatie van speciaal geconstrueerde hydraulische elementen en een samenspel van hydraulisch opgewekte krachten. De afzonderlijke hydraulische processen vullen elkaar aan; alle delen van de machine zijn derhalve ingericht op mobiliteit. Daar het toestel de mijnbouwwerkzaamheden zelfstandig begeleidt, kan niet worden gezegd dat het is bedoeld in stilstand te blijven. Bovendien kan dit voortdurend beweeglijke apparaat zelfstandig mijnbouwmachines meevoeren, waarmee het blijkbaar doorgaans is verbonden. Ook als de bewegingen telkens maar kort duren, zoals verzoekster tijdens de mondelinge behandeling heeft beklemtoond, is dit toch een kenmerkende mogelijkheid van het apparaat. Er is dan ook geen sprake van overwegend statische elementen — zoals gebruikelijk bij constructiewerken — en zo gezien pleit zeker meer voor indeling van het produkt onder hoofdstuk 84 dan onder post 73.21.
Het indelingsadvies van 9 juni 1972, volgens hetwelk hydraulisch verlengbare stutten onder post 73.21 vallen, wil in zover niets zeggen. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, ligt daarin het accent op de hoedanigheid „materiaal” en is het mechanische proces kennelijk van ondergeschikte betekenis.
Evenmin is van belang dat in genoemde Toelichtingen, bij de Nomenclatuur van Brussel onder post 73.21 in samenhang met telescopische of verstelbare stutten wordt gesproken van „soortgelijk materiaal”. Daar, zoals uiteengezet, voor post 73.21 de statische elementen kenmerkend zijn, komt het namelijk voor de soortgelijkheid aan op de bedoelde eigenschappen en in dit verband niet op de hydraulische elementen.
Ook de verwijzing naar beweegbare bruggen die onder post 73.21 vallen, baat hier niet. Want voor die indeling zijn de statische constructiedelen doorslaggevend en niet de beweegbaarheid.
Ten slotte zal het ook duidelijk zijn dat in dit verband niet mag worden gezien naar bepalingen van octrooirecht. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zijn octrooirecht en douanerecht afzonderlijke rechtsgebieden met hun eigen normatieve doelstellingen, zodat men uit octrooirechtelijke kwalificaties geen consequenties op indelingsgebied mag trekken.
Gaat men nu uit van de overwegende eigenschappen, zoals is aangewezen bij de indeling van grensgevallen, dan kan op de eerste vraag bijgevolg slechts worden geantwoord dat het betrokken produkt, waarbij immers niet de statische elementen, doch de beweegbaarheid kenmerkend is, niet onder het begrip „constructiewerk” van post 73.21 valt.
2.
Gezien de tweede vraag van het Bundesfinanzhof, dient bovendien nog te worden uitgemaakt, of post 84.23 alleen die voor de mijnbouw bestemde machines en toestellen omvat, die rechtstreeks de aardlagen veranderen.
Hierover kan ik kort zijn. De Commissie heeft namelijk ongetwijfeld gelijk dat slechts machines en toestellen die de aardlagen veranderen, onder post 84.23 vallen.
Post 84.23 luidt: „Delf- en graafmachines en -toestellen, machines en toestellen, voor grondwerken en voor grondboringen, stationaire en andere (mechanische schoppen, kolenzaagmachines, excavatoren, sleepschoppen, egaliseermachines, bulldozerattachments, schrapers, enzovoort); heimachines; sneeuwploegen en andere sneeuwruimers, andere dan de sneeuwruimauto's bedoeld bij post 87.03”.
Beschouwt men het geheel van produkten onder deze post, dan valt op dat alle andere genoemde machines, enzovoort zijn gekenmerkt door hun bestemming om materie, bij voorbeeld de aardlagen, rechtstreeks te veranderen. Vooral de als voorbeeld genoemde produkten vallen alle onder de categorie grondbewerkende machines. Het lijkt dan ook aannemelijk dat dit zelfde voor mijnbouwmachines geldt, en niet dat de posten met betrekking tot de mijnbouw nog een ander ruimer soort produkten omvat. De twijfel waartoe de Duitse omschrijving van de posten hier nog aanleiding zou kunnen geven, wordt weggenomen door de Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse tekst. De Commissie heeft dit zowel schriftelijk als mondeling duidelijk aangetoond. Bovendien pleit voor deze uitlegging ook de tekst bij post 84.23 van de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel: „Met uitzondering van de bij post 84.24 bedoelde landbouwmachines omvat deze post machines en toestellen voor het delven en het graven (afgraven van gesteenten, kolen, aarde, enzovoort, uitdiepen, enzovoort), voor grondboringen en voor het voorbereiden en consolideren van terreinen (verplaatsen van grond, afgraven van de toplaag, egaliseren, aanstampen of inklinken, rollen, heien, enzovoort)”.
Gelet op het feit dat het onderhavige apparaat kan worden gecombineerd met mijnbouwmachines, hetgeen zelfs de regel schijnt te zijn, kan bijgevolg worden geconcludeerd dat althans bij een dergelijke technische eenheid die voor mijnbouwarbeid dient, een indeling onder post 84.23 in aanmerking komt. Hiertoe zij overigens ook gewezen op aantekening 2 b bij Afdeling XVI van het gemeenschappelijk douanetarief evenals op aantekening E van de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel onder post 84.23.
Zònder rechtstreekse combinatie met mijnbouwmachines komt in het kader van hoofdstuk 84 slechts een indeling onder de „restantpost”84.59 E in aanmerking.
3.
Samenvattend concludeer ik tot de volgende beantwoording van de vragen van het Bundesfinanzhof:
a)
Het woord „constructiewerk” in de zin van post 73.21 van het gemeenschappelijk douanetarief maakt het niet mogelijk onder deze post produkten in te delen, die weliswaar bestemd zijn voor het stutten van mijngangen, doch op grond van hun complexe mechanische elementen en de daardoor gegeven mogelijkheid zich met hulp van een extern motorisch systeem zelfstandig voort te bewegen, als machines of toestellen in de zin van Afdeling XVI van het gemeenschappelijk douanetarief zijn aan te merken.
b)
Indien zulke produkten rechtstreeks zijn verbonden met grondbewerkende mijnbouwmachines, vallen zij onder post 84.23 van het gemeenschappelijk douanetarief. Is dit niet het geval, dan dienen zij te worden ingedeeld onder post 84.59 E van het gemeenschappelijk douanetarief.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy