CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN27 APRIL 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is bij het Hof aanhangig gemaakt bij een verwijzingsbeschikking van de Pretore te Cento, een kleine plaats in de provincie Ferrara. De zaak is in zoverre ongewoon, dat er geen partijen zijn. Om te begrijpen hoe dit mogelijk is, dient men kennis te nemen van bepaalde regels van het Italiaanse strafprocesrecht.
Ten eerste kan krachtens artikel 1 van de „Codice di Procedura Penale” een ieder, ook een privépersoon, bij de rechterlijke autoriteiten aangifte doen van aanwijzingen dat een strafbaar feit is gepleegd. De verdachte behoeft in de aangifte niet te worden gespecificeerd. In het onderhavige geval heeft een zekere Professor An-tonio Grassani bij de Pretore te Cento aangifte van het vermoeden van vleessmokkel in het ressort der Pretura gedaan, zonder zich nader over de schuldige uit te laten. Professor Grassani is directeur van het „Centro Nazionale di Studi Doganali” (het nationaal centrum voor douanestudies) te Genua en tevens secretaris van het Italiaanse comité voor de studie van douane- en handelsvraag-stukken aan de Universiteit te Bologna. Juridisch doet dit echter niet ter zake.
Ten tweede is het zo dat de bevoegde Ita-. liaanse rechter na ontvangst van een dergelijke aangifte een strafvervolging tegen een onbekende of onbekenden mag inleiden en de gerechtelijke politie (die, naar ik begrijp, onder de rechterlijke macht ressorteert) opdracht kan geven de zaak te onderzoeken en met name de eventuele verdachte op te sporen. Dit is wat de Pretore in casu ook heeft gedaan.
Ten derde is krachtens de artikelen 22 en 185 van de Codice di Procedura Penale een ieder die stelt schade te hebben geleden door een strafbaar feit, bevoegd in iedere strafzaak te interveniëren met een schadevordering jegens de verdachte. Ingevolge artikel 304 (zoals gewijzigd bij wet nr. 773 van 15 december 1972) is de rechter van instructie verplicht van de vervolging kennis te geven aan de eventuele belanghebbenden bij een interventie.
Bij de smokkel, waarvan Professor Gras-sani aangifte had gedaan, zouden douanerechten, die volgens het gemeenschappelijk douanetarief zijn verschuldigd bij invoer uit niet-Lid-Staten, zijn ontdoken. .Ingevolge de artikelen 1, 2, sub b, en 3, lid 1, van het besluit van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (70/243 EGKS/EEG/Euratom), zoals gewijzigd bij artikel 130 van de Toetredingsakte, zijn deze douanerechten sedert 1 januari 1971 geleidelijk de eigen middelen van de Gemeenschappen gaan vormen. Zoals U echter weet, bepaalt artikel 6 van het Besluit dat deze middelen worden „geheven overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen” en door de Lid-Staten ter beschikking van de Commissie worden gesteld.
Ten einde nu klaarheid te krijgen in de vraag wie moet worden ingelicht over het aanhangige geding, heeft de Pretore te Cento bij beschikking van 15 november 1976 de volgende vragen aan U voorge-legd:
1.
Is in geval van strafbare ontduiking van douanerechten de Europese Economische Gemeenschap alleen de benadeelde partij, in verband met het besluit van de Raad van 21 april 1970, of kan de EEG tezamen met de afzonderlijke Staten, waaraan de heffing van douanerechten voor rekening van de Gemeenschap is opgedragen, als benadeelde partij optreden?
2.
Is bijgevolg de nationale rechter gehouden de Gemeenschap overeenkomstig zijn eigen procesrecht kennis te geven van de inleiding van een strafvervolging wegens ontduiking van douanerechten, teneinde haar in de gelegenheid te stellen alsnog betaling van de ontdoken douanerechten te vorderen?
Op het eerste gezicht leveren deze vragen een moeilijkheid op voor het Hof, in zoverre zij in deze formulering niet uitsluitend het gemeenschapsrecht betreffen. In het bijzonder het begrip „benadeelde partij” vindt hier zijn oorsprong in het Italiaanse procesrecht en moet dus aan de hand van dat recht worden omschreven. Bovendien heeft niet het Hof uit te maken aan wie een Italiaanse rechter „overeenkomstig zijn eigen procesrecht” kennis moet geven van een bij hem aanhangig strafgeding. In geval van een verzoek om een prejudiciële beslissing kunt U ten behoeve van de nationale rechter alleen uitlegging geven aan de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht en het aan de nationale rechter overlaten om daaruit de noodzakelijke conclusies te trekken voor de toepassing van zijn eigen procesrecht op het bij hem aanhangige geding.
Ik ben echter van mening dat de moeilijkheid meer schijn dan werkelijkheid is.
Zoals de Italiaanse regering in haar prijzenswaardig beknopte en heldere opmerkingen zegt, is het eigenlijke probleem waarmee de Pretore wordt geconfronteerd, wie gerechtigd is de beweerdelijk ontdoken douanerechten te vorderen, daar diegene volgens het Italiaanse procesrecht door de Pretore in kennis moet worden gesteld van de aanhangige procedure. Zou dit de enige opmerking zijn, dan zou het Hof voor dezelfde moeilijkheid blijven staan, daar het niet enkel op grond van een mededeling van zelfs de Italiaanse regering een bijzondere uitlegging van het door de Pretore gebezigde begrip „benadeelde partij” kan aanvaarden. Maar de Italiaanse regering gaat verder en stelt dat de Pretore zelf aan het slot van zijn tweede vraag heeft aangegeven dat het hem inderdaad gaat om de identificatie van de persoon die gerechtigd is de douanerechten te vorderen en die hij bedoelt met „de benadeelde partij”. Dat betoog schijnt mij juist toe.
Hiervan uitgaande merkt de Italiaanse regering op, en ook dat lijkt mij juist, dat het antwoord op de vragen van de Pretore ligt vervat in Uw arrest in de zaken 178, 179 en 180/73, België en Luxemburg tegen Mertens (Jurispr. 1974, blz. 383): met betrekking tot artikel 6 van het besluit van de Raad van 21 april 1970 blijven de individuele Lid-Staten belast met de vervolging tot vordering van de gelden die deel uitmaken van de eigen middelen der Gemeenschappen. Volgens de Italiaanse regering wordt deze conclusie nog versterkt door sommige bepalingen van verordening (EEG/Euratom/ EGKS) 2/71 van de Raad van 2 januari 1971 houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970. Inderdaad is dit het geval. Het lijkt mij echter niet nodig Uw tijd in beslag te nemen met een nadere beschouwing van die bepalingen.
Ook de Commissie sluit zich in deze aan bij het arrest België en Luxemburg tegen Mertens, doch zij gaf het Hof zowel in haar schriftelijke als haar mondelinge opmerkingen in overweging een onderscheid te maken tussen de meer beperkte vraag, wie deze rechten die deel uitmaken van de eigen middelen der Gemeenschappen in rechte dient te vorderen, en de ruimere vraag, wiens belangen worden geschaad bij ontduiking dier rechten. De Commissie meent dat in een dergelijk geval niet alleen de belangen van de Lid-Staat die met de heffing is belast, worden geschaad, doch ook de belangen van de Gemeenschappen zelf, wier eigen middelen op het spel staan, en tevens, zolang de overgangsbepalingen van artikel 4 van het besluit van de Raad van 21 december 1970 van kracht blijven, de belangen van andere Lid-Staten, die een tekort in de eigen inkomsten van de Gemeenschappen dienen aan te vullen met rechtstreekse begrotingsbijdragen in verhouding tot hun eigen bruto nationaal produkt. Ongetwijfeld is dit alles juist. Maar, om de door mij genoemde redenen, meen ik dat dit buiten het bereik komt van de vragen die de Pretore U heeft voorgelegd.
Samenvattend concludeer ik dat op de gestelde vragen worde geantwoord dat onder vigeur van het besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 april 1970 het uitsluitend de taak blijft van de individuele Lid-Staten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de ingevolge het gemeenschappelijk douanetarief verschuldigde douanerechten, om deze rechten die door smokkel zijn ontdoken, in rechte te vorderen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy