CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 24 MEI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in het hoofdgeding — die wij reeds kennen uit de prejudiciële zaak 5/73 (arrest van 24 oktober 1973, Jurispr. 1973, blz. 1091) — heeft op 6 november 1971 met het Bulgaarse staatshandelsbedrijf „Rodapaimpex” een in D-Marken luidend koopcontract, betreffende de levering van Bulgaarse schapekaas, gesloten. De invoer in West-Berlijn vond plaats op 24 maart 1972. Over die import werden monetaire compenserende bedragen geheven, zoals in verband met het vrijlaten van de wisselkoers van de D-Mark en de Nederlandse gulden — in mei 1971 — bij verordening 974/71 (PB L 106 van 12 mei 1971) was toegestaan. Daarbij hield men zich aan het op de dag van invoer geldende percentage, dat door de Commissie in verordening 548/72 van 16 maart 1972 (PB L 66 van 18 maart 1972) was vastgelegd.
Verzoekster achtte die heffing onrechtmatig en maakte bij het Finanzgericht Berlin een geding aanhangig tegen het Hauptzollamt Berlin-Packhof, dat de heffing had opgelegd. Die procedure gaf aanleiding tot de reeds genoemde prejudiciële zaak 5/73, waarin het ging om de rechtsgeldigheid van verordening 974/71 en verordening 548/72, alsook om de berekening van het monetaire compenserende bedrag dat destijds was toegepast.
Het Hof van Justitie beantwoordde bij arrest van 24 oktober 1973 de gestelde vragen in die zin dat bij onderzoek niet was gebleken „van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van 's Raads verordening 974/71 en van de verordeningen nrs. 1013/71, 1014/71 en 548/72 der Commissie tot vaststelling van de compenserende bedragen geldend ten tijde … bedoeld in de gestelde vragen (dat wil zeggen op 24 maart 1972)”. Evenwel gedroeg het Finanzgericht zich in zijn vervolgens op 7 februari 1974 gerezen vonnis niet precies naar de prejudiciële beslissing. Het hield zich aan het bij de afsluiting der overeenkomst geldend compenserend bedrag en verlaagde dienovereenkomstig de door verzoekster te betalen heffing. Omdat de Directie der Financiën meende dat 's Hofs prejudiciële beslissing niet geheel was in acht genomen, werd de zaak vervolgens in revisie aanhangig gemaakt voor het Bundesfinanzhof, waar de procedure blijkbaar nog steeds loopt.
Reeds tevoren, in februari 1974, had verzoekster een nieuwe poging ondernomen om onder de heffing uit te komen. Bij het Hauptzollamt Berlin-Packhof vroeg zij om kwijtschelding en restitutie der monetaire compenserende bedragen, en wel zulks met een beroep op artikel 131 van de Reichsabgabenordnung, destijds luidende als volgt:
„Im Einzelfall können Steuern und sonstige Geldleistungen ganz oder zum Teil erlassen werden, wenn ihre Einziehung nach Lage des einzelnen Falies unbillig ware; unter der gleichen Voraussetzung können bereits entrichtete Steuern und sonstige Geldleistungen erstattet oder angerechnet werden …
Für bestimmte Gruppen von gleichgelagerten Fallen können für die entsprechende Anwendung des Absatzes 1 Richtlinien aufgestellt werden.
Die Befugnisse nach den Absatzen 1 und 2 stehen der obersten Finanzbehörde der Körperschaft, die die Steuer verwaltet, oder den von ihr bestimmten Stellen zu…”
Verschillende overwegingen kunnen naar Duits recht leiden tot een dergelijke discretionaire beschikking tot kwijtschelding van aan de overheid verschuldigde heffingen. In de eerste plaats kunnen op het persoonlijk vlak gelegen redenen van billijkheid, zoals de persoonlijke levensomstandigheden of een economische noodsituatie, worden ingeroepen. Anderzijds zijn er de zogenaamde „sachbezogene” billijkheidsgronden. Daarvan is — blijkens de desbetreffende richtlijn van het Bundesfinanzministerium van 1974, deel B II — enerzijds sprake wanneer het ervoor mag worden gehouden dat de wetgever ingeval van een uitdrukkelijke wettelijke regeling in de geest van de „Billigkeitsmaßnahme” zou hebben beslist. Aldus moet in voor de wetgever onvoorzienbare situaties, in a-typische casusposities voor de nodige gerechtigheid worden gezorgd. Daarbij valt ook te denken aan gevallen waarin als gevolg van procedurefouten of het verstrijken van termijnen, aan het inroepen van rechtsmiddelen gesteld, materieelrechtelijk onverschuldigde heffingen zouden moeten worden betaald.
Verzoekster bedient zich alleen van op de zaak betrekking hebbende (materiële, „sachbezogene”) billijkheidsgronden: met verwijzing naar zin en doelstelling van de communautaire regelen inzake de monetaire compensatie heeft zij betoogd dat de heffing in haar geval zou leiden tot een door het gemeenschapsrecht niet beoogd resultaat. Het Hauptzollamt wilde hiervan evenwel niet weten omdat de communautaire wetgever in verzoeksters geval het effect der heffing willens en wetens op de koop toe zou hebben genomen. Verzoekster reclameerde vruchteloos bij de Oberfinanzdirektion Berlin en maakte vervolgens bij het Finanzgericht Berlin een geding aanhangig, waarin zij terugbetaling van de monetaire compenserende bedragen verlangde.
Het Finanzgericht acht een kwijtschelding om redenen van billijkheid niet a priori uitgesloten omdat men bij de monetaire compensatie met een sterk forfaitaire heffingsregeling te doen heeft. Anderzijds meent het Finanzgericht aan de bestaande jurisprudentie en de schrijvers bepaalde bedenkingen to moeten ontlenen. Bij beschikking van 23 november 1976 heeft het de procedure geschorst en het Hof volgens artikel 177 om een prejudiciële beslissing verzocht inzake de navolgende vragen:
1.
Heeft een nationale douaneautoriteit het recht casu quo de plicht, verzoeken om vrijstelling van aan de Gemeenschap toekomende bedragen — in casu monetaire compenserende bedragen — op billijkheidsgronden naar nationaal recht — in casu paragraaf 131 Reichsabgabenordnung („AO” — in behandeling te nemen?
2.
Zo neen,
Is er een — gemeenschapsrechtelijke — rechtsgrondslag voor een eventuele vrijstelling van monetaire compenserende bedragen op billijkheidsgronden?
3.
Hoe luidt, met betrekking tot het onderhavige geval, de eventueel uit deze rechtsgrondslag voortvloeiende rechtsregel?
4.
Welke instantie is eventueel bevoegd tot een beslissing over vrijstelling op billijkheidsgronden ?
Ik meen met betrekking tot deze vragen als volgt mijn standpunt te moeten bepalen:
1.
Tot goed begrip van de eerste vraag eerst twee opmerkingen.
De woorden „aan de Gemeenschap toekomende bedragen” moeten blijkens het redeverband niet woordelijk worden opgevat, als ging het om bedragen welke in de kas van de Gemeenschap vloeien. Dit was met de monetaire compenserende bedragen destijds niet het geval. Er kan dus slechts zijn gedacht om krachtens het gemeenschapsrecht geheven bedragen.
Voorts dient de vraagstelling, gezien de feiten, in die zin te worden ingeperkt dat alleen bij een vrijstelling op aan de zaak zelf ontleende billijkheidsgronden („Billigkeitserlaß aus sachbezogenen Gründen”) behoeft te worden stilgestaan, en wel in gevallen waarin de heffing met het doel der wettelijke regeling in strijd komt en de wetgever er ook niet aan heeft gedacht. Of een heffing op persoonlijke gronden dan wel in verband met de consequenties van vorm- en procedurevoorschriften had kunnen worden verleend, behoeft dus niet te worden onderzocht.
Verzoekster in het hoofdgeding geeft U in overweging de aldus gepreciseerde vragen in bevestigende zin te beantwoorden. Het komt er voor haar op aan dat in de communautaire verordening slechts een machtiging tot toepassing van de monetaire compenserende heffing te lezen viel. Daaruit volgt dat de heffingen, toegepast krachtens de Duitse verordening van 14 mei 1971 — betreffende een monetaire compenserende heffing in het belang van de Duitse landbouw — op het nationale recht berusten. Het betekent voorts dat een om billijkheidsredenen verleende vrijstelling van zulke heffingen door het Duitse procesrecht wordt geregeerd; immers volgens 's Hofs jurisprudentie (zaak 33/76, Rewe-Zentralfinanz eG en Rewe-Zentral AG tegen Landwirtschaftskammer für das Saarland, arrest van 16 december 1976) staat vast dat het treffen van procedureregelen — bij gebreke van een communautaire regeling — voorshands aan de Lid-Staten toevertrouwd blijft. Bovendien zij herinnerd aan de jurisprudentie betreffende de naar Duits recht mogelijke „Zolltarifauskünfte”: zij zijn aanvaard ofschoon er soms door kan worden afgeweken van volgens het gemeenschappelijk douanetarief nodige heffingen. Om zulke uitvoeringsmaatregelen zou het ook gaan bij de om billijkheidsredenen verleende vrijstelling van in het gemeenschapsrecht voorziene heffingen.
Daartegenover staat de door de Commissie en de Bondsregering verdedigde opvatting. Tot staving daarvan is met name door de Commissie betoogd dat de Lid-Staten niet bevoegd zijn regelingen te treffen inzake de vrijstelling om redenen van materiële billijkheid; de Gemeenschap heeft gebruik gemaakt van de haar volgens het Verdrag toekomende bevoegdheden en de heffingsvoorwaarden uitputtend geregeld. Het gaat dus niet aan dat de Lid-Staten met nationale maatregelen de draagwijdte van de communautaire regeling doorkruisen. In arresten betreffende vergelijkbare casusposities is reeds meermalen op dit beginsel gewezen.
Bij de beoordeling van de onderhavige zaak dient mijns inziens te worden uitgegaan van hetgeen het Hof reeds in voormelde zaak 5/73 voor recht verklaarde. In dat arrest is er de aandacht op gevestigd dat de communautaire regeling op het stuk van de monetaire compensatie die in verordening 974/71 te vinden is, op grond van artikel 103 van het EEG-Verdrag is vastgesteld. Eenzijdige maatregelen moesten worden vermeden; de op grond van artikel 103 getroffen maatregelen waren met het oog op de doelstellingen en de mechanismen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geboden. Waar de rechtsgeldigheid der communautaire regeling, met inbegrip van de voorschriften, door de Commissie ter uitvoering van verordening 974/71 vastgesteld, geen twijfel leed, staat dus vast dat de organen van de Gemeenschap een juist gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheden welke zij aan het Verdrag ontlenen.
Voorts zij eraan herinnerd dat er weliswaar in verordening 974/71 slechts een machtiging van de Lid-Staten te lezen valt, doch in artikel 7 dier verordening wordt met zoveel woorden bepaald dat van bedoelde machtiging geen partieel of tijdelijk gebruik mag worden gemaakt, zodat er geen nationaal beleid doorheen mag lopen.
Ten slotte dient te worden bedacht dat in het arrest 5/73 ten aanzien van het onderzoek naar de rechtsgeldigheid van verordening 974/71 en van de verordening waarin de Commissie voor de onderscheiden produkten compenserende bedragen had vastgesteld, met zoveel woorden is verklaard dat tegen de keuze van één enkele, forfaitaire maatstaf voor de vaststelling van de compenserende bedragen geen bezwaar kan worden gemaakt. Dat de compenserende bedragen niet in elk geval precies met de monetaire invloed van de revalutatie van de D-Mark overeenkwamen, is, naar uitdrukkelijk werd overwogen, niet als schending van het evenredigheidsbeginsel te beschouwen.
Hiertegenover verlangt verzoekster in het hoofdgeding nu dat men haar om billijkheidsredenen van de naar gemeenschapsrecht vastgestelde compenserende bedragen zal vrijstellen. De toepassing van het nationale „billijkheidsrecht” wordt bepleit met een beroep op het legislatieve doel van de communautaire regeling, en de Commissie heeft er terecht op gewezen dat in zoverre goeddeels dezelfde argumenten worden aangedragen als in de zaak 5/73; onder meer wordt wederom gesteld dat de revaluatie van de D-Mark de door verzoekster afgesloten transactie niet zou hebben beïnvloed omdat zij op D-Mark-basis was aangegaan.
Het gaat dus om niet meer of minder dan om wijziging van de communautaire regeling die in een rechtstreeks toepasselijke verordening is neergelegd en, naar in het arrest 43/72 (Merkur-Außenhandels-GmbH tegen Commissie EEG, arrest van 24 oktober 1973, Jurispr. 1973, blz. 1055) tot uitdrukking komt, een globaal karakter draagt. In de werkingssfeer dier regeling zou moeten worden ingegrepen, waarmede de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht ten dele in de lucht zou komen te hangen.
Ik acht het al dadelijk twijfelachtig hoe zulks met de regelen inzake de verdeling van bevoegdheden tussen Gemeenschap en Lid-Staten te rijmen valt, alsook met de voorrang van het gemeenschapsrecht en het beginsel dat het alom op dezelde wijze moet worden toegepast.
Kennelijk ten onrechte verwijst verzoekster in dit verband naar het arrest 33/76, waarin is overwogen dat de regeling van procedurekwesties voorshands, in afwachting van gemeenschapsrechtelijke bepalingen, aan de nationale rechtsorden is overgelaten. Het gaat in casu niet zozeer om de vraag of het materieelrechtelijk effect van een niet-inachtneming van nationale vorm- en procedurevoorschriften dient te worden aanvaard als wel om de aanvaardbaarheid van een puur materieelrechtelijke, immers door legislatieve doeleinden ingegeven billijkheidsbeslissing.
Het baat verzoekster al evenmin als zij komt aandragen met de jurisprudentie inzake de geoorloofdheid van voor de Staten bindende douanerechtelijke adviezen (verbindliche Zolltarifauskünfte) (zaak 30/71, Kurt Siemers & Co. tegen Hauptzollamt Bad Reichenhall, arrest van 24 november 1971, Jurispr. 1971, blz. 919). In zulke adviezen wordt immers alleen maar op de toepassing van het gemeenschapsrecht vooruitgelopen, waarbij vergissingen uiteraard niet zijn uitgesloten, terwijl in een om billijkheidsredenen verleende vrijstelling van gemeenschapsrechtelijk geregelde heffingen van dat gemeenschapsrecht kan worden afgeweken en een wijziging van dat recht op de koop toe zou worden genomen.
Wel heeft het zin te herinneren aan enige andere arresten waarin — met betrekking tot vergelijkbare casusposities — de toepassing van het nationale „billijkheidsrecht” of andere van het gemeenschapsrecht afwijkende nationale regelingen ondubbelzinnig is uitgesloten. Aldus is geschied in de zaak 31/70 (Deutsche Getreide- und Futtermittel-Handelsgesellschaft mbH tegen Hauptzollamt Hamburg-Altona, arrest van 15 december 1970, Jurispr. 1970, blz. 1055), waarin het ging om heffingen op door vochtinwerking minderwaardig geworden maīs. Aan de opmerking der Nederlandse regering dat het heffingspercentage naar Nederlands recht om redenen van billijkheid kon worden verlaagd, is stilzwijgend doch ten duidelijkste voorbijgegaan. Ook kan worden gewezen op het arrest 18/72 (NV Granaria Graaninkoopmaatschappij tegen Produktschap voor Veevoeder, arrest van 30 november 1972, Jurispr. 1972, blz. 1163) waarin overduidelijk te verstaan is gegeven dat nationale gezagsorganen niet met toepassing van het nationale recht om billijkheidsredenen vrijstelling van heffingen mogen verlenen. Het arrest laat er niet de minste twijfel over bestaan dat een doorkruising van de toepassing van het gemeenschapsrecht door nationale maatregelen der Lid-Staten met de geldende verdeling van bevoegdheden niet te verenigen valt.
Ten slotte is er het arrest 50/76 (Amsterdam Bulb BV tegen Produktschap voor Siergewassen, arrest van 2 februari 1977), waarin ten aanzien van een zeker minder sprekende casuspositie werd overwogen dat het niet op de weg van nationale bureaus ligt vrijstelling te verlenen van volgens het gemeenschapsrecht vastgestelde minimumprijzen.
Op grond van één en ander kan de eerste vraag mijns inziens slechts in ontkennende zin worden beantwoord: een nationale regelingsbevoegdheid volgens welke er om materiële billijkheidsgronden op het volledig door de communautaire regeling bestreken terrein van de monetaire compensatie vrijstellingen kunnen worden verleend ontbreekt, geheel onafhankelijk van de vraag of de heffingen in de kas van de Gemeenschap dan wel in die der Lid-Staten vloeien.
2.
In de tweede plaats wenst men te zien uitgemaakt of er voor de door eiseres verlangde vrijstelling — om-redenenvan-billijkheid — een gemeenschapsrechtelijke grondslag te vinden is. Daarbij moet, naar door de Commissie terecht is opgemerkt, worden onderscheiden tussen geschreven recht en ongeschreven rechtsbeginselen, zoals die zouden kunnen resulteren uit het feit dat er op dat stuk in het recht der onderscheiden Lid-Staten overeenstemming bestaat.
a)
Wat in de eerste plaats het geschreven gemeenschapsrecht betreft, de Commissie heeft aangetoond dat een algemene, met paragraaf 131 van de Reichsabgabenordnung vergelijkbare billijkheidsclausule niet bestaat. Slechts in voor bijzondere casusposities geschreven afzonderlijke bepalingen wordt met billijkheidsbeginselen gewerkt, vooral wanneer het gaat om maatregelen die met de gebeurtenissen op monetair gebied verband houden.
Zo wijst de Commissie om te beginnen op verordening 1608/74 (PB 1974, L 170) waarbij de Lid-Staten zijn gemachtigd de heffing van monetaire compenserende bedragen die als gevolg van onvoorzienbare monetaire maatregelen zijn ingevoerd of verhoogd, achterwege te laten. Doorslaggevend is evenwel dat deze verordening slechts geldt voor sinds 4 juni 1973 gerealiseerde in- en uitvoertransacties en alleen betrekking heeft op contracten die, anders dan in het hoofdgeding het geval is, vóór de inwerkingtreding der monetaire maatregelen zijn afgesloten. Hetzelfde geldt voor de regeling van verordening 2966/74 (PB 1974, L 316), die met betrekking tot overgangsmaatregelen naar aanleiding van de schorsing van de toepassing van artikel 4 bis, lid 2, van verordening 974/71 ook slechts een machtiging voor definitief afgesloten contracten inhoudt, alsook voor verordening 2042/73 (PB 1973, L 207) die is toegesneden op de niet zonder meer voorzienbare situaties welke bij een systeemwijziging kunnen intreden.
Uit het vergunningenrecht zijn voorts te noemen regelingen volgens welke een waarborgsom bij overmacht niet wordt verbeurd alsook regelingen welke, zoals verordening 1134/68 (PB 1968, L 188) en verordening 556/76 (PB 1976, L 65) bij wijziging van geprefixeerde bedragen de annulering van vergunningen of passende compenserende maatregelen voorzien. Een dergelijke regeling is vervat in verordening 842/73 (PB 1973, L 81) waarin de aanpassing van restituties aan de werkelijke devaluatie van de dollar is voorzien. Ook uit deze voorschriften is kennelijk geen beginsel af te leiden waarmede in het hoofdgeding zou kunnen worden gewerkt.
Het moet er dus voor worden gehouden dat er in het geschreven gemeenschapsrecht geen regeling te vinden is welke, zij het slechts per analogie, een op billijkheidsgronden berustende vrijstelling van monetaire compenserende bedragen volgens het model van paragraaf 131 van de Reichsabgabenordnung zou kunnen rechtvaardigen.
b)
Het ligt, wat het ongeschreven gemeenschapsrecht betreft, voor de hand allereerst te rade te gaan met het door de Commissie uitgewerkte ontwerp ener verordening inzake de vrijstelling of restitutie van bij in- of uitvoer geheven heffingen. Ofschoon nog geen bindend recht geworden, zou de inhoud dier verordening ons kunnen interesseren voor zover zij, naar de Commissie meent, gezien de in zoverre overeenstemmende rechtstoestand in de Lid-Staten, reeds thans als communautair gewoonterecht is te beschouwen. Dit schijnt te gelden voor vrijstelling in gevallen waarin de heffingen als gevolg van schrijf- of rekenfouten of andersoortige vergissingen verkeerd zijn berekend dan wel de waren zijn beschadigd of niet aan de contractscondities voldoen, alsmede in enkele bijzonder gevallen die in deel E van het ontwerp zijn samengevat. En ook daarmee komen wij niet veel verder, nu geen dier gevallen zich in het bodemgeschil blijkt voor te doen.
Voorts heeft de Commissie via een degelijke rechtsvergelijkende analyse aangetoond dat aan de rechtsorden der Lid-Staten geen algemeen rechtsbeginsel kan worden ontleend volgens hetwelk een regeling als die van paragraaf 131 der Reichsabgabenordnung reeds thans als bestanddeel van het gemeenschapsrecht zou mogen worden beschouwd.
Zulk een regeling blijkt namelijk, van Luxemburg afgezien, alleen in Nederland te bestaan. Naar Nederlands recht dient niet alleen onder bepaalde omstandigheden een vrijstelling of een restitutie te worden gelast; er is ook een algemeen voorschrift volgens hetwelk de bevoegde minister om billijkheidsredenen een daartoe strekkende discretionaire beslissing kan nemen.
Maar in Engeland is zulk een vrijstelling niet mogelijk. Er is alleen een aantal gevallen voorzien waarin men geen heffing schuldig is, en in bepaalde omstandigheden is vrijstelling ook slechts mogelijk wanneer aan bepaalde wettelijk omschreven voorwaarden is voldaan. Ook het Italiaanse recht kent geen discretionaire beslissingen waarbij vrijstelling wordt verleend dan wel de betalingsplicht wordt opgeheven; in bepaalde omstandigheden wordt vrijstelling verleend, maar daarbij spelen billijkheidsgronden aan de zijde van de schuldenaar geen enkele rol. In Frankrijk is het verlenen van vrijstelling van heffingen zelfs verboden. Gratiëring of matiging is, bij wijze van uitzondering, alleen bij directe belastingen mogelijk, dus niet bij douanerechten en heffingen van gelijke werking, en ook nooit om materiële billijkheidsredenen. Ook in het Belgische, Deens en Ierse recht is een vrijstelling, indien al mogelijk, slechts toegestaan in duidelijk omschreven gevallen die bovendien kennelijk veeleer als van processuele aard zijn te beschouwen. Voor bijzonderheden verwijs ik naar de conclusie der Commissie en de daarbij gevoegde tabellen.
Op grond van één en ander kan slechts worden geconcludeerd dat een algemene rechtsbeginsel dat inhoudelijk met paragraaf 131 van de Reichsabgabenordnung overeenkomt, in het gemeenschapsrecht niet is te vinden. Voorzover het genoemde ontwerp-verordening verdergaat en doelt op regelingen welke ten minste veel gelijkenis vertonen met paragraaf 131 van de Duitse Abgabenordnung, hebben wij dus stellig met de schepping van nieuw gemeenschapsrecht te maken. Er kan dus geen sprake zijn van een door tijdelijke omstandigheden veroorzaakte leemte — zodat de beginselen van genoemd Duits voorschrift nu al in aanmerking zouden mogen worden genomen —.
Dit leidt tot de slotsom dat ook de tweede vraag in ontkennende zin moet worden beantwoord. Daarmede staat tevens vast dat op de derde en de vierde vraag niet behoeft te worden ingegaan. De verwijzende rechter mag uit een en ander afleiden dat tegen de afwijzing van verzoeksters op billijkheidsgronden gebaseerde aanvraag gemeenschapsrechtelijk geen bezwaar kan worden gemaakt. Gezien de desbetreffende jurisprudentie van het Bundesfinanzhof — volgens welke een vrijstelling om redenen van billijkheid niet kan betekenen dat „vom Gesetzgeber hingenommene Auswirkungen” worden afgezwakt (vgl. arrest van 2 september 1964) — zou er hoogstens aan mogen worden toegevoegd dat in casu mogelijkerwijze niet eens voldaan is aan de voorwaarde welke bij verlening van zulk een vrijstelling naar Duits recht moet zijn vervuld. Immers, op grond van voormelde jurisprudentie (arrest 5/73) staat vast dat in de communautaire regeling inzake de monetaire compensatie de door verzoekster gewraakte rechtsgevolgen zijn verdisconteerd: in het belang van een snelle en efficiënte regeling heeft men op de koop toe genomen dat het tot een heffing van compenserende bedragen ook zou komen in gevallen waarin een effect der compenserende maatregelen niet is vast te stellen. Van onvoorzienbare hardheid kan dus in het geval van verzoekster niet worden gesproken.
3.
Op grond van één en ander stel ik voor de prejudiciële vragen van het Finanzgericht Berlin als volgt te beantwoorden:
a)
Nationale gezagsorganen zijn niet gerechtigd verzoeken om vrijstelling van monetaire compenserende bedragen welke op grond van een gemeenschapsrechtelijke regeling worden geheven, naar nationaal „billijkheidsrecht” te behandelen, voor zover het gaat om materiële billijkheidsgronden welke ruimte laten voor discretionaire beslissingen.
b)
Van een algemene gemeenschapsrechtelijke grondslag voor een vrijstelling — om redenen van materiële billijkheid — van naar gemeenschapsrecht vastgestelde heffingen is op dit ogenblik geen sprake.
( 1 ) Vertaald uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy