CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 JULI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
Het geschil tussen partijen in het geding a quo betreft de vraag of verzoek ster voor de in 1965 verrichte uitvoer naar derde landen van een op basis van granen samengesteld diervoeder aanspraak had verkregen op restitutie in de vorm van een vergunning tot heffingvrije invoer van gerst, maïs en gierst. Verweerder had een aantal van die vergunningen ingetrokken toen bleek dat het uitgevoerde mengsel van onder de marktordening voor granen vallende produkten slechts 2 % tapiocameel had bevat en in het buitenland weer was ontmengd ten einde het hoofdbestanddeel, „tapiocachips”, wederom in de Gemeenschap te kunnen invoeren. Verweerder betwist dat het uitgevoerde mengsel behoort tot de bereidingen die ingevolge de verordeningen nrs. 19, 166/64/EEG en 171/64/EEG voor restituties in aanmerking komen en dat bij de uitvoer is voldaan aan de voorwaarden van de restitutieregeling.
Het Hessische Finanzgericht heeft bij beschikking van 1 december 1976 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1.
Geldt verordening nr. 171/64 van de Commissie van de EG ook voor mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt?
2.
Zo ja: moet de in artikel 1, sub a, dezer verordening voorkomende zinsnede „voor elk van de drie soorten granen en tegen de daarvan … aangehouden hoeveelheden” aldus worden uitgelegd, dat a) een produkt slechts als mengvoeder van graan kan worden beschouwd indien daarin ook daadwerkelijk graan is verwerkt, of b) moet „aangehouden hoeveelheid” fictief worden opgevat voor de berekening van de hoeveelheid graan waarop de restitutie is gebaseerd (zoals in artikel 4 van 's Raads verordening nr. 166/64 met betrekking tot de heffingen)?
3.
Zo vraag 1 ontkennend of vraag 2 b bevestigend moet worden beantwoord: ging het bij de eventuele toekenning van restitutie voor mengvoeder ('s Raads verordening nr. 19/62, artikel 1, sub d, en bijlage; s' Raads verordening nr. 166/64, artikel 1) om de mate waarin het mengvoeder produkten bevatte waarop verordening 19 van toepassing was, en volstond met name de bijmenging van 2 % van een heffingplichtig produkt als tapiocameel om hiermee een restitutie ten belope van 100 % heffingvrijdom voor importen van graan uit derde landen te verwerven?
4.
Zo vraag 3, eerste deel, ontkennend moet worden beantwoord: moeten de op grond van artikel 10 junctis artikel 4 en de bijlage, tabel A, van verordening nr. 166/64, naar gelang van het gehalte aan zetmeel van het mengvoeder toe te passen coëfficiënten met inachtneming van artikel 15 („de daadwerkelijk in de veevoeders verwerkte granen”) aldus worden opgevat, dat het in het produkt voorkomende gehalte aan zetmeel dat de coëfficiënt bepaalt, moet voortkomen uit produkten waarop verordening nr. 19/62 van toepassing was?
5.
Zo het eerste deel van vraag 3 ontkennend, het tweede deel bevestigend en ook vraag 4 ontkennend moeten worden beantwoord: zijn de betrokken bepalingen van verordening nr. 166/64/EEG niet ongeldig voor zover daarin voor produkten van post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief een forfaitaire restitutie wordt vastgesteld, die zonder onderscheid van toepassing is ongeacht of in de produkten grote of kleine hoeveelheden heffingplichtige produkten zijn verwerkt (zoals het Hof van Justitie ten aanzien van een heffingsregeling heeft beslist in het arrest van 9 maart 1976 in zaak 95/75, Jurispr. 1976, blz. 369).
II —
Alvorens op de vragen in te gaan, zou ik een kort overzicht willen geven van de rechtssituatie ten tijde van de litigieuze uitvoer.
Artikel 20, lid 2, junctis artikel 1, sub d, en de bijlage van verordening nr. 19 van 4 april 1962, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1962, blz. 933), en artikel 14, lid 2, juncto artikel 1, lid 2, sub f, van verordening nr. 13/64 van 5 februari 1964, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector (PB 1964, blz. 549), maakten het mogelijk restituties toe te kennen bij de uitvoer naar derde landen van samengestelde diervoeders van post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), wanneer in die voedermiddelen produkten waren verwerkt die onder genoemde marktordeningen vielen. Verordening nr. 166/64 van de Raad van 30 oktober 1964 betreffende de regeling voor bepaalde soorten mengvoeders (PB 1964, blz. 2747) en verordening nr. 171/64 van de Commissie van 30 oktober 1964 betreffende de wijze van toekenning van de restituties bij uitvoer naar derde landen voor bepaalde soorten mengvoeders (PB 1964, blz. 2758) omschreven de categorieën mengvoeders waarvoor restituties konden worden toegekend, en bepaalden de maxima van de restitutiebedragen. Het waren echter de Lid-Staten die bij uitsluiting bevoegd waren om middels interne wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen of, wanneer, in welke vorm, tot welk bedrag (met inachtneming van het maximum), voor welke bereidingen en voor welke exporten restituties zouden worden verleend.
Volgens artikel 1 van verordening nr. 166/64 kon restitutie worden toegekend voor alle diervoeders van post 23.07 van het GDT, die ofwel ten minste 50 % melkpoeder dan wel — en dit zonder vermelding van een verplicht minimum percentage — produkten van de sector granen en rijst bevatten, ofwel — wanneer geen van beide het geval was — waaraan melasse of bepaalde andere produkten van de zuivelsector waren toegevoegd.
Gelet op deze bepalingen, kan met betrekking tot de prejudiciële vragen het volgende worden gesteld.
1.
Ten aanzien van vraag 1 moet worden geconstateerd dat verordening nr. 171/64 alleen de in artikel 10 van verordening nr. 166/64 bedoelde toepassingsmaatregelen bevat en derhalve van toepassing is op alle mengvoeders die in ar tikel 1 van laatstgenoemde verordening zijn omschreven. Zoals vermeld behoren daartoe echter ook mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt.
2.
Vraag 2: Artikel 1 van verordening nr. 166/64 stelt voor restitutieverlening niet de voorwaarde dat één der in artikel 1, sub a, van verordening nr. 171/64 bedoelde graansoorten in het mengvoeder is verwerkt, doch slechts dat het een onder verordening nr. 19 vallend produkt bevat. De woorden „aangehouden hoeveelheden” hebben geen betrekking op de daadwerkelijk verwerkte hoeveelheid van een der drie genoemde graansoorten, maar stellen slechts de berekeningsgrondslag vast, door te refereren aan de som van de in artikel 4, eerste streepje, van verordening nr. 166/64 genoemde graansoorten en aan de gemiddelde heffingen voor de daar genoemde hoeveelheden. Hiertegen valt bij een machtigingsnorm waarbij alleen maxima voor de restituties werden vastgesteld, niets in te brengen.
3.
Vraag 3: De gemeenschapsrechtelijke machtigingsnorm van artikel 1 van verordening nr. 166/64 noemde geen minimum gehaltes aan stoffen uit de sector granen. Het bijmengen van slechts 2 % tapiocameel was dus voldoende om het betrokken produkt voor restitutie in aanmerking te doen komen. Anders dan verweerder meent, is in de gemeenschapsregeling ook geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat er in elk geval een bepaalde minimum hoeveelheid moet worden bijgemengd omdat anders die bijmenging moeilijk aantoonbaar zou zijn, hetgeen allerlei misbruik zou kunnen uitlokken. Maar als de gemeenschapswetgever dit had gewild, zou hij in de regeling wel een percentage hebben opgenomen.
4.
Vraag 4: De aangehaalde bepalingen van verordening nr. 166/64 bieden geen houvast voor de opvatting dat het zetmeelgehalte van de bereiding, waarvan afhangt welke coëfficiënt bij de berekening van de restitutie moet worden toegepast, afkomstig moet zijn van onder verordening nr. 19 vallende produkten. De toevoeging in het opschrift van tabel A van de bijlage bij verordening nr. 166/64 („die granen of produkten bevatten waarop verordening nr. 19 of verordening nr. 16/64/EEG van toepassing is”), dient alleen ter onderscheiding van de bereidingen van tabel A van die van tabel B. Het in de tabel vermelde zetmeelgehalte daarentegen heeft klaarblijkelijk betrekking op de bereiding als zodanig, ongeacht van welk bijgemengd produkt dat zetmeelgehalte afkomstig is. Had de wetgever iets anders gewild, dan zou hij dat in de tekst van de tabel bij het begrip „zetmeelgehalte” op geëigende wijze tot uitdrukking hebben gebracht. Ook de artikelen 4 en 10 van verordening nr. 166/64 bieden geen houvast voor een andere uitlegging. Verder wijzen de Commissie en verweerder er terecht op dat voor de restitutiecoëfficiënten dezelfde regels golden als voor de heffingscoëfficiënten. Wegens hun protectionistisch karakter moest evenwel de hoogte van de heffingen gerelateerd zijn aan het zetmeelgehalte van de ingevoerde bereidingen als zodanig, ongeacht welke bestanddelen aan dat gehalte hadden bijgedragen.
5.
Vraag 5; Binnen het toepassingsgebied van de verordeningen nr. 19 en 13/64/EEG beperkte het gemeenschapsrecht zich ertoe de Lid-Staten te machtigen tot toekenning van uitvoerrestituties onder bepaalde, door de Gemeenschap gestelde voorwaarden. Commissie en Raad merken terecht op, dat de geldigheid van zulke machtigingsnormen niet met een beroep op 's Hofs arrest van 9 maart 1976 (zaak 95/75, Effem, Jurispr. 1976, blz. 361) in geding kan worden gebracht. Die zaak betrof immers alleen de vraag of de Commissie bij het verrichten van haar taak uitvoerheffingen vast te stellen, zich aan de in de betrokken machtigingsnorm gestelde criteria had gehouden. Het ging in die zaak dus om onjuiste uitoefening van een gedelegeerde bevoegdheid, terwijl in de vijfde vraag van het Hessische Finanzgericht de geldigheid van de machtigingsnorm zelf aan de orde wordt gesteld. Deze stelt echter slechts maximumbedragen vast, terwijl de beslissing of en tot welk bedrag restituties zullen worden toegekend, geheel aan de Lid-Staten wordt overgelaten. De beginselen van het arrest in zaak 95/75 kunnen derhalve in casu geen toepassing vinden.
III —
Ik concludeer mitsdien dat de prejudiciële vragen worden beantwoord als volgt:
1.
Verordening nr. 171/64/EEG is een toepassingsmaatregel van artikel 10 van verordening nr. 166/64/EEG en geldt als zodanig voor alle mengvoeders in de zin van artikel 1 van laatstgenoemde verordening, dus ook voor mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt.
2.
Verordening nr. 171/64/EEG gebruikt de term „mengvoeders op basis van granen” niet. Artikel 1 gaf een globaal voorbeeld voor de berekening van de toegelaten maximum restituties, welke via de coëfficiënten van de bijlage bij verordening nr. 166/64/EEG uitging van het zetmeelgehalte, en niet van het gehalte aan bepaalde graansoorten in de uitgevoerde waar. De woorden „aangehouden hoeveelheden” hebben betrekking op de in artikel 4 van verordening nr. 166/64/EEG genoemde richthoeveelheden die als uitgangspunt dienen bij de berekening van de heffingen.
3.
Om overeenkomstig artikel 1 van verordening nr. 166/64/EEG voor restitutie in aanmerking te komen, was bijmenging van slechts 2 % van een der onder verordening nr. 19 vallende produkten (bij voorbeeld tapiocameel) voldoende.
4.
Het zetmeelgehalte waarvan de toe te passen coëfficiënt afhankelijk is, was het zetmeelgehalte van de uitgevoerde waar in zijn geheel, ongeacht van welk bestanddeel het afkomstig was.
5.
Bij het onderzoek van de vijfde vraag van de verwijzende rechter is niet gebleken van enige omstandigheid die de geldigheid van verordening nr. 166/64/EEG zou kunnen aantasten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy