CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 6 DECEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In deze zaak vordert verzoekster, de firma Gebrüder Dietz, te Frankfurt/Main, die zich onder meer bezighoudt met de handel in suiker, schadevergoeding van de Commissie krachtens artikel 178 en artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag op grond dat de Commissie in de regeling waarbij monetaire compenserende bedragen in Italië van toepassing waren verklaard vanaf 3 januari 1972, ten onrechte geen overgangsbepalingen had opgenomen voor de bescherming van handelaren die vóór die datum contracten hadden afgesloten voor de export naar Italië van produkten die onder die regeling vielen.
De feiten in de zaak, zoals voorgesteld door verzoekster, zijn als volgt. (Ik zeg „zoals voorgesteld door verzoekster”, omdat de Commissie het hiermee niet geheel eens is. Indien U zoudt beslissen dat volgens de aldus voorgestelde feiten de Commissie in principe aansprakelijk is voor schadeloosstelling van verzoekster, zou nader bewijs moeten worden gelast om de werkelijke feiten, voorzover ten deze van belang, vast te stellen en op grond daarvan het eigenlijke bedrag van de aansprakelijkheid der Commissie te bepalen).
Op 17 december 1971 sloot verzoekster een contract met een zekere Camillo Pezzotta te Bergamo Italië, voor de verkoop aan laatstgenoemde van 10000 ton (maximaal 5 % meer of minder) witte suiker, afkomstig uit Duitsland, tegen een netto prijs van 15250 lire per 100 kg. Levering zou plaatsvinden in de tijd van januari tot juni 1972. Volledige betaling zou geschieden bij de eerste aanbieding van documenten. Het contract (waarvan een fotocopie als bijlage I bij het verzoekschrift is gevoegd) bevatte onder meer de volgende voorwaarde:
„Bij deze overeenkomst wordt uitgegaan van de thans geldende prijzen in de EEG en de dienaangaande verschenen verordeningen. Op eventuele veranderingen in de desbetreffende EEG prijsstructuur kan alleen een beroep worden gedaan voorzover de eindprijs voor de koper gelijk is aan de onderhavige contractprijs.”
Wat hiermee precies is bedoeld, is niet duidelijk, maar er blijkt althans uit dat de contractpartijen zich ervan bewust waren dat EEG-verordeningen over de suikerprijzen onderhevig waren aan verandering.
Het schijnt dat op enig tijdstip begin 1972 (die juiste datum is niet duidelijk) verzoekster het contract heeft aangemeld bij de Einfuhr-und Vorratsstelle für Zucker.
Leveringen onder het contract vonden plaats in de tijd van januari tot juni 1972, doch bedroegen slechts 6000 ton.
Dit alles speelde zich af betrekkelijk kort nadat de gemeenschapsregeling inzake de monetaire compenserende bedragen was verschenen bij 's Raads verordening (EEG) nr. 974/71 van 12 maart 1971 (PB L 106 van 12. 5. 1971, blz. 1), waarmede U maar al tezeer bekend bent.
Voor de onderhavige zaak kan ik volstaan met de vermelding dat krachtens artikel 1 der verordening een Lid-Staat die de koers van zijn valuta laat fluctueren buiten de grens toegelaten bij internationale regelingen, is gemachtigd monetaire compenserende bedragen te heffen bij invoer en toe te kennen bij uitvoer en dat krachtens artikel 2, leden 1 en 2, de monetaire compenserende bedragen het verschil dienen weer te geven tussen de koers van de valuta van die Lid-Staat zoals opgegeven aan en erkend door het Internationaal Monetair Fonds enerzijds en de gemiddelde contante wisselkoers van die valuta in US dollar anderzijds. Artikel 2, lid 3, bevatte een voorbehoud in de volgende bewoordingen:
„In het handelsverkeer van een Lid-Staat, als bedoeld in artikel 1, met een andere Lid-Staat als bedoeld in dat artikel, wordt het compenserende bedrag dat voor een bepaald produkt geldt evenwel verminderd met het compenserende bedrag dat in die andere Lid-Staat op dat produkt wordt toegepast.”
De enige andere bepaling van verordening nr. 974/71 die ik nog wil vermelden, is artikel 6 volgens hetwelk nadere bepalingen voor de uitvoering van de verordening, en met name voor de vaststelling van de monetaire compenserende bedragen, zouden worden vastgesteld overeenkomstig de beheercomitéprocedure.
Deze nadere bepalingen zijn gegeven bij verordening (EEG) nr. 1073/71 van de Commissie van 17 mei 1971 (PB L 110 van 18. 5. 1971, blz. 8). Zoals is vermeld in de preambule bij die verordening en zoals U weet, gold artikel 1 van verordening nr. 974/71 destijds alleen voor de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland. De enige bepaling van verordening nr. 1013/71 die in casu ter zake doet is artikel 4, dat luidde:
„1. De in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 974/71 genoemde Lid-Staten passen de in genoemd artikel bedoelde compenserende bedragen niet toe op de invoer die voortvloeit uit overeenkomsten
a)
welke zijn afgesloten vóór 10 mei 1971
en
b)
welke vóór 12 mei 1971 zijn geregistreerd bij de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat
of
welker afsluiting aan de hand van officiële documenten kan worden aangetoond.
2. Lid 1 is echter slechts van toepassing voor zover noodzakelijk om de uitvoering van de overeenkomst mogelijk te maken in de omstandigheden welke zouden hebben bestaan in afwezigheid van de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 974/71 bedoelde monetaire maatregelen.”
U zult hierin opmerken dat dat artikel alleen van toepassing is op invoer en niet op uitvoer. De Commissie heeft uiteengezet dat de in lid 1 verlangde registratie of bewijslevering met documenten diende ter voorkoming van fraude in de vorm van antedateren van documenten. De juiste betekenis van lid 2 is in geding in de zaak 94/71, Fratelli Zerbone SNC tegen Amministrazione delle Finanze dello Stato, die de vorige week is behandeld, maar dit punt kunnen wij thans laten rusten.
Verordening nr. 1013/71 werd gevolgd door verordening (EEG) nr. 1014/71 van de Commissie van dezelfde datum houdende vaststelling van de voor Duitsland en Nederland geldende monetaire compenserende bedragen. Deze bedragen worden vermeld in bijlagen bij de verordening, welke bijlagen onder meer aan artikel 2, lid 3, van verordening nr. 974/71 effect gaven door in aparte kolommen de monetaire compenserende bedragen te noemen die van toepassing waren op de handel tussen Duitsland en Nederland. De aldus vastgestelde monetaire compenserende bedragen zijn herhaaldelijk gewijzigd bij latere verordeningen van de Commissie.
In augustus 1971 hebben naast Duitsland en Nederland ook België en Luxemburg de fluctuatiemarges van de wisselkoersen hunner valuta verruimd. Dientengevolge heeft de Commissie op 27 augustus bij verordening (EEG) nr. 1871/71 nadere bepalingen van verordening nr. 1013/71 toegevoegd, die van toepassing waren op België en Luxemburg. In het bijzonder artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1013/71 werd gewijzigd in die zin dat België en Luxemburg geen monetaire compenserende bedragen zouden toepassen op importen ingevolge contracten die vóór 23 augustus waren afgesloten en vóór 24 augustus waren geregistreerd, of waarvan aan de hand van officiële documenten kon worden aangetoond dat zij aldus waren afgesloten.
Eveneens op 27 augustus verscheen verordening (EEG) nr. 1872/71 van de Commissie waarin wederom onder verwijzing naar bijlagen de monetaire compenserende bedragen werden vastgesteld, die golden voor de vier Lid-Staten waarop artikel 1 van verordening nr. 974/71 nu van toepassing was. Wederom werd in die bijlagen effect gegeven aan artikel 2, lid 3, van verordening nr. 974/71. En wederom zijn de aldus vastgestelde monetaire compenserende bedragen hierna bij herhaling gewijzigd. Volgens bijlage VII bij verordening nr. 2635/71 van de Commissie van 10 december 1971, was het monetaire compenserende bedrag per 17 december 1971 (de datum of de beweerde datum van de afsluiting van het contract tussen verzoekster en Pezzotta) op exporten van witte suiker van Duitsland naar Italië DM 8,85 per 100 kg.
Op 16, 17 en 18 december 1971 hield de „Groep van Tien” in Washington de reeks vergaderingen die resulteerden in wat wel wordt genoemd „the Smithsonian Agreement”. Voorzover hier van belang, kwam het erop neer dat de US dollar werd gedevalueerd met 7,89 % en de Italiaanse lire met 1 %, terwijl de Duitse Mark werd gerevalueerd met 4,61 %.
Naar aanleiding hiervan werd besloten dat ook Frankrijk en Italië monetaire compenserende bedragen zouden toepassen. De Commissie stelde bij gevolg op 30 december 1971 bij verordening (EEG) nr. 2887/71 tot wijziging van verordening nr. 1013/71 nadere bepalingen vast voor de toepassing van verordening nr. 974/71 op Frankrijk en Italië. In het bijzonder artikel 4 van verordening nr. 1013/71 werd thans gewijzigd in die zin dat Frankrijk en Italië geen monetaire compenserende bedragen zouden toepassen op importen ingevolge contracten die vóór 19 december 1971 waren afgesloten en voor 28 december 1971 waren geregistreed, of waarvan aan de hand van officiële documenten kon worden aangetoond dat zij aldus waren afgesloten.
In de zaak Zerbone is de vraag gerezen of artikel 1 van verordening nr. 974/71 wel de toepassing van monetaire compenserende bedragen door Italië toeliet, aangezien ingevolge de Smithsonian Agreement de lire — ofschoon wel gerevalueerd ten opzichte van de dollar — niet was gerevalueerd in haar pariteit die was aangemeld bij het Internationaal Monetaire Fonds. Daar partijen deze vraag echter niet opwerpen in de onderhavige zaak, kan mijns inziens in casu worden aangenomen dat Italië terecht monetaire compenserende bedragen mocht toepassen en dat de Commissie maatregelen mocht nemen om dit land daartoe in staat te stellen.
De door Italië te heffen en toe te kennen monetaire compenserende bedragen werden aanvankelijk vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 17/72 van de Commissie van 31 december 1971. Deze verordening vermeldde, wederom onder verwijzing naar bijlagen, de monetaire compenserende bedragen die met ingang van 3 januari 1972 moesten worden geheven en toegekend door alle toenmalige Lid-Staten. Evenals tevoren gaf de Commissie in die bijlagen effect aan artikel 2, lid 3, van verordening nr. 974/71. Aldus werden de monetaire compenserende bedragen die in Duitsland moesten worden betaald bij export van witte suiker naar Italië, vastgesteld op het bedrag berekend naar de verhouding tussen de Duitse Mark en de US dollar, verminderd met het bedrag berekend naar de verhouding tussen de lire en de dollar. Het netto bedrag was DM 5,13 per 100 kg. De monetaire compenserende bedragen die waren aangegeven in verordening nr. 17/72, zijn vervolgens nog driemaal gewijzigd in de tijd dat verzoekster leveringen heeft verricht ingevolge haar contract met Sig. Pezzotta, namelijk bij commissieverordeningen (EEG) nr. 144/72 van 21 januari 1972, nr. 392/72 van 24 februari 1972 en nr. 979/72 van 12 mei 1972.
Uiteindelijk ontving verzoekster minder aan monetaire compenserende bedragen dan zij zou hebben ontvangen als de Duitse monetaire compenserende bedragen niet waren gekort in verband met de Italiaanse monetaire compenserende bedragen. Volgens verzoekster zou zij zonder zodanige korting een bedrag van DM 649452,50 hebben ontvangen. In werkelijkheid ontving zij DM 320052,50. Verzoekster klaagt thans over de derving van het verschil tussen de beide bedragen.
Zij stelde allereerst beroep in bij het Finanzgericht van Hamburg, dat bij vonnis van 9 december 1974 haar beroep verwierp. Blijkens dit vonnis voerde verzoekster voor het Finanzgericht hetzelfde betoog als thans voor het Hof, namelijk dat de Commissie, door in de regeling waarbij monetaire compenserende bedragen van toepassing werden verklaard in Italië in het geheel geen overgangsbepalingen op te nemen voor handelaren in de positie van verzoekster, had gehandeld in strijd met twee grondbeginselen, dat van de bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen (Vertrauensschutz) en het gelijkheidsbeginsel (Gleichheitsgrundsatz). Het Finanzgericht ging in zijn vonnis uitvoerig hierop in en oordeelde dat geen van deze grondbeginselen verzoekster hier konden baten.
Tegen het vonnis van het Finanzgericht is verzoekster in beroep gegaan bij het Bundesfinanzhof, waar de zaak nog loopt.
In het ongewisse in hoeverre zij genoegdoening zou verkrijgen van het Bundesfinanzhof, heeft verzoekster op 24 december 1976 de onderhavige zaak ingeleid voor het Hof van Justitie. Zij wijst erop dat haar beroepsmogelijkheid bij langer uitstel zou zijn afgesneden door de termijnbepaling van artikel 43 van 's Hofs Statuut.
De onmiddellijke reactie van de Commissie was een, op 7 februari 1977 ingestelde, incidentele vordering tot nietontvankelijkverklaring. De Commissie betoogde dat verzoekster allereerst haar nationale rechtsmiddelen diende uit te putten alvorens zich tot het Hof van Justitie te kunnen wenden.
Het Hof heeft bij beschikking van 30 maart 1977 zijn beslissing op het incidentele beroep aangehouden tot de einduitspraak.
Naar ik meen, is het beroep om na te noemen redenen weliswaar ongegrond, doch niet niet-ontvankelijk.
De vraag of een beroep niet-ontvankelijk is op de grond als door de Commissie aangevoerd, hangt af van de aard van de vordering, dat wil zeggen van de bevoegdheid van het Hof om van die vordering kennis te nemen. Die vraag moet worden onderscheiden van de vraag of de vordering rechtens gegrond is.
In wezen wordt in de onderhavige zaak schadevergoeding gevorderd wegens een beweerde fout van de Commissie die volgens verzoekster ten onrechte zou hebben nagelaten in haar regeling zekere bepalingen op te nemen. Er zijn tal van arresten die steun bieden voor de stelling dat het Hof bevoegd is tot kennisneming van een dergelijke vordering, zeker wanneer verzoekster ook stelt dat deze fout haar financieel nadeel heeft berokkend. Ik heb enige gezaghebbende bronnen hiervoor aangehaald in de zaak 46/75, IBC tegen Commissie (Jurispr. 1976, blz. 65, op blz. 86-87) en daarna in de zaken 67 tot 85/75, Lesieur Cotelle en anderen tegen Commissie (Jurispr. 1976, blz. 39, op blz. 419-420). De bronnen waarnaar ik toen verwees (zaak 43/72, Merkur tegen Commissie, Jurispr. 1973, blz. 1055, zaak 152/73, Holz & Willemsen tegen Raad en Commissie, Jurispr. 1974, blz. 675, en zaak 74/74, CNTA tegen Commissie, Jurispr. 1975, blz. 533, is thans nog toe te voegen zaak 97/76, Merkur tegen Commissie (de derde Merkur-zaak), Jurispr. 1977, blz. 1063, waarin de ontvankelijkheid van het beroep door niemand werd betwist. Nauw verwant met die zaken zijn de zaken 9 en 11/71, Compagnie d'Approvisionnement tegen Commissie, Jurispr. 1972, blz. 391, waarin het Hof een beroep tegen de Commissie wegens de vaststelling van bepaalde subsidies op een te laag bedrag, ontvankelijk oordeelde.
In mijn conclusies in de zaken IBC en Lesieur Cotelle was ik zo vrij tegenover deze reeks bronnen een reeks andere te stellen, bestaande uit zaak 96/71, Haegeman tegen Commissie (Jurispr. 1972, blz. 1005), zaak 99/74, Grands Moulins des Antilles tegen Commissie (Jurispr. 1975, blz. 1531) en de zaak IBC zelf. Volgens de uitspraak in elk van die zaken had verzoeker het aansprakelijke nationale gezag voor de bevoegde nationale rechter behoren te dagen en niet de Commissie ter zake van schadevergoeding voor het Hof van Justitie. Wat die zaken kenmerkt en onderscheidt van de onderhavige soort zaak is dat in elk daarvan de verzoeker geen schadevergoeding vorderde doch betaling van een bepaald bedrag. In de eerste en derde zaak was dit bedrag volgens verzoeker ten onrechte van hem verlangd door de nationale autoriteit op grond van gemeenschapsbepalingen die hij ongeldig achtte. In de tweede zaak was het een bedrag waarop verzoeker aanspraak maakte krachtens de desbetreffende gemeenschapsregeling. In geen van die gevallen bestond er enige twijfel of geschil over de hoogte van het gevorderde bedrag. (Aan deze zaken is nu nog toe te voegen zaak 26/74, Roquette tegen Frankrijk, Jurispr. 1976, blz. 677).
De Commissie baseert zich voornamelijk op deze laatste reeks uitspraken. Volgens mij ten onrechte, want deze reeks heeft niets uitstaande met een zaak als de onderhavige.
Immers, in die redenering wordt in feite de nationale rechter de taak toegeschoven om te beslissen hoe een gemeenschapsinstelling een haar opgedragen wetgevende bevoegdheid had moeten uitvoeren. In een geval waar wordt geëist en is vastgesteld dat een gemeenschapsinstelling ten onrechte heeft nagelaten om voor een bijzondere situatie een regeling te treffen, kan alleen het Hof de bevoegdheid hebben om de gelaedeerde een rechtsmiddel te bieden. Dit wordt door deze zaak wel geïllustreerd. Aangenomen dat deze verzoeker terecht stelt dat de Commissie in haar regeling overgangsmaatregelen ter bescherming van exporteurs had moeten opnemen, dan nog zouden de aard en de inhoud van dergelijke overgangsbepalingen ter beoordeling van de Commissie zijn blijven staan. De Commissie had artikel 4 van verordening nr. 1013/71 van toepassing kunnen verklaren op exporteurs zowel als op importeurs, of enige van de vele andere vormen van overgangsbepalingen die in de communautaire landbouwwetgeving verspreid liggen, kunnen volgen, of enige andere soort overgangsbepaling kunnen vaststellen. Het is niet aan de nationale rechter om schadevergoeding toe te wijzen op de basis van wat de Commissie had moeten doen. Evenmin is het juist om een nationale autoriteit tot een dergelijke schadevergoeding te veroordelen. Het punt wordt wellicht nog levendiger geïllustreerd door een hier onlangs behandelde groep zaken, de zaken 64 en 113/76, 117/76 en 16/77 en 124/76 en 20/77, de zaken Quellmehl en Gritz (nog niet gepubliceerd). Enige van die zaken kwamen bij het Hof bij wege van prejudiciële verwijzing door nationale rechtscolleges; andere via een schadevordering ex artikel 178. In eerstgenoemde zaken was het Hof niet in staat een zodanige uitspraak te doen dat de nationale rechtscolleges een doeltreffende vergoeding konden toewijzen. In de laatstgenoemde kan het Hof daarentegen schadevergoeding vaststellen.
De Commissie steunt speciaal op Uw arrest in de zaak Lesieur Cotelle. Op dit arrest is in de litteratuur vrij heftige kritiek geleverd; zo zou het onder meer onverenigbaar zijn met vroegere uitspraken (zie in het bijzonder het artikel „Restitution or Damages: National Court or European Court?” van Andrew Durand in de European Law Review, Vol. I, blz. 431 op blz. 438/9, waarin mijns inziens een duidelijk en juist overzicht wordt gegeven van de rechtstoestand op dit gebied). Naar mijn mening is de afwijzende uitspraak in de zaak Lesieur Cotelle echter te verklaren uit de handelwijze van de verzoeksters, die hun aanvankelijke conclusies nogal duister en onbevredigend hadden geformuleerd. Ter terechtzitting preciseerden zij hun vorderingen en het leek mij juist om uit te gaan van die nadere formulering. Het Hof oordeelde echter dat verzoekers aan de conclusies in hun verzoekschriften dienden te worden gehouden en dat de vorderingen derhalve moesten worden geacht betrekking te hebben op specifieke bedragen (zie overwegingen 2, 10, 13 en 16 van het arrest). Hoe dan ook, het lijkt mij dat in dit arrest geen betrouwbaar richtsnoer voor de onderhavige zaak kan worden gezien.
Ik ben er mij wel van bewust dat in de onderhavige zaak verzoeksters vordering aan het begin van haar verzoekschrift formeel is op te vatten als een vordering tot betaling van een bepaald bedrag en niet als een schadevordering, doch bij lezing van het verzoekschrift in zijn geheel blijkt duidelijk dat verzoekster in wezen schadevergoeding vordert.
Bij gevolg meen ik dat, afgezien van de zaak ten gronde, de Commissie moet worden verwezen in de kosten, veroorzaakt door haar incidentele vordering.
Ik kom thans tot de zaak ten gronde.
Op de stelling dat de Commissie ten onrechte verzoeksters gerechtvaardigde verwachtingen zou hebben beschaamd, is, zoals gezegd, het Finanzgericht uitvoerig ingegaan. Het college zette uiteen dat een verandering in wetgeving niet kan worden geacht gerechtvaardigde verwachtingen te hebben beschaamd, tenzij het een verandering was die in het geheel niet kon worden verwacht. Hier was het echter inherent aan de regeling inzake de monetaire compenserende bedragen, zoals ingesteld bij verordening nr. 974/71, dat, zo Italië te eniger tijd ertoe zou overgaan de koers van zijn valuta te laten zweven op de wijze als vermeld in artikel 1 van die verordening, monetaire compenserende bedragen ook in Italië van toepassing zouden kunnen worden. Het stelsel van monetaire compenserende be dragen gold oorspronkelijk alleen voor Duitsland en Nederland en is vervolgens uitgebreid tot België en Luxemburg. Verzoekster had geen enkele grond om erop te vertrouwen dat het niet zou worden uitgebreid tot Frankrijk of Italië. Bovendien waren de consequenties van een dergelijke uitbreiding te voorzien, daar zij in artikel 2 van de verordening volledig staan vermeld. Mijnerzijds zou ik hieraan in antwoord op een argument van verzoekster willen toevoegen dat, gezien de oorspronkelijke formulering van artikel 4 van verordening nr. 1013/71 en de wijze waarop dat artikel werd gewijzigd na de toetreding van België en Luxemburg tot het stelsel, niemand redelijkerwijs kan hebben verwacht dat, als het stelsel zou worden uitgebreid tot Frankrijk of Italië, overgangsbepalingen voor de exporteurs zouden worden getroffen. Het stond verzoekster natuurlijk vrij om, zulks juist in de tijd dat de conferenties van de Groep van Tien in Washington plaatsvonden, zijn contract te sluiten in de verwachting dat er niets zou gebeuren waardoor monetaire compenserende bedragen ook in Italië zouden gaan gelden. Maar in dat geval moet verzoekster ook de gevolgen dragen van haar eigen oordeel over de vermoedelijke toekomstige waarde van de lire, met andere woorden een commercieel risico nemen; zij kon geen steun zoeken in enigerlei gerechtvaardigde verwachting op grond van het gemeenschapsrecht. Met nadruk werd door verzoekster gesteld dat de Italiaanse regering ook na de conferentie van Washington nog geen aanleiding zag om monetaire compenserende bedragen in te voeren en dat zij niet dan met tegenzin door de regeringen van andere Lid-Staten werd overtuigd dit toch te doen. Ook al zou dat zo zijn, dan acht ik dat, met alle respect, volledig irrelevant. Zolang niet wordt gesteld — hetgeen, zoals gezegd, verzoekster niet heeft gedaan — dat ook de na de conferentie van Washington genomen besluiten over de lire nog geen aanleiding vormden om artikel 1 van verordening nr. 974/71 op deze munt toe te passen, zodat in Italië ten onrechte monetaire compenserende bedragen waren ingevoerd, kan een analyse van de redenen waarom monetaire compenserende bedragen in feite in Italië zijn ingevoerd, verzoeker niet baten.
Dat is mijns inziens voldoende voor de bestrijding van de bewering dat verzoeksters gerechtvaardigde verwachtingen ten onrechte zijn veronachtzaamd. Er is echter nog een andere grond waarop die bewering strandt.
Voor zover ik weet, is er slechts één geval waarin het Hof heeft geoordeeld dat een verandering in de toepassing van monetaire compenserende bedragen kan leiden tot een aansprakelijkheid van de Gemeenschap krachtens de tweede alinea van artikel 215 op grond dat die verandering de gerechtvaardigde verwachtingen van handelaren krenkte. Dat is de (reeds genoemde) zaak CNTA. Het arrest in die zaak moet worden gezien in het licht van de uiteindelijke beslissing omtrent het petitum in die zaak (zie hiervoor Jurispr. 1976, blz. 797), evenals in het licht van het arrest in de zaken 95 tot 98/74 en 15 en 100/75, de „Coopératives Agricoles”-zaken (Jurispr. 1975, blz. 1615), en van het arrest in de (reeds genoemde) derde zaak Merkur. Ik heb getracht deze uitspraken samen te vatten in mijn conclusie in de zaak 27/177, Cargill tegen ONIC (nog niet gepubliceerd). Het komt in wezen hierop neer: hoewel het stelsel van monetaire compenserende bedragen eigenlijk ten doel heeft te voorkomen dat schommelingen van de wisselkoersen de werking van de gemeenschappelijke landbouwmarktordening verstoren, kon dit stelsel ook in de tijd (voor 1973) toen monetaire compenserende bedragen het verschil opvingen tussen de officiële koers van de valuta van een Lid-Staat en de marktwaarde ervan ten opzichte van de US dollar, handelaren in produkten die onder een dergelijke marktordening vielen (dus niet handelaren in andere landbouwprodukten of in niet-landbouwprodukten) een vorm van bescherming tegen het risico van schommelingen in wisselkoersen bieden als alternatief voor de normale commerciële wijzen van bescherming tegen zulke risico's. Aldus kon het stelsel toen ook een voorzichtig handelaar ertoe brengen om zich niet op een andere wijze tegen een koersrisico in te dekken. Dienovereenkomstig kan de Gemeenschap ingevolge de tweede alinea van artikel 215 aansprakelijk worden gesteld voor de schade van een handelaar wegens veronachtzaming van zijn gerechtvaardigde verwachtingen, indien bij afwezigheid van doorslaggevende overwegingen van openbaar belang een gemeenschapsinstelling ertoe besluit om monetaire compenserende bedragen in een bepaalde commerciële sector met onmiddellijke werking en zonder waarschuwing af te schaffen of te verlagen, en daarbij nalaat overgangsmaatregelen te nemen ter voorkoming dat de handelaar verlies lijdt onder een contract waaraan hij was gebonden, of ter compensatie van zodanig verlies. De Gemeenschap kan op grond van dat beginsel echter niet aansprakelijk worden gesteld jegens een handelaar die in feite geen reëel koersrisico had gelopen, zoals een exporteur uit Frankrijk die contractueel recht had op betaling in FF. Evenzo zou, afgezien van enige andere overweging, verzoekster hier op grond van dit beginsel niet schadeloos kunnen worden gesteld, indien zijn contract met Pezzotta in DM had geluid. Anderzijds had zij, bij voldoening aan alle overige voorwaarden voor de toepassing van het beginsel, deswege wel vergoeding kunnen krijgen ingeval van een contractprijs in US dollars. De vraag is of zij dit ook kon, nu de prijs in lire luidde. Ik meen van niet, omdat de monetaire compenserende bedragen volgens het destijds geldende artikel 2 van verordening nr. 974/71 zo werden berekend dat zij schommelingen in de koersen van de valuta's der Lid-Staten onderling niet weergaven en dat evenmin behoefden te doen. Zij moesten alleen de wisselkoersen van de respectieve valuta's tegen de US dollar weergeven. Zo kon bij voorbeeld een Duitse exporteur die op monetaire compenserende bedragen vertrouwde als bescherming tegen koersrisico's tussen de lire en de DM, niet als voorzichtig worden aangemerkt. Hij zou in dat geval speculeren op het toekomstige koersniveau van die valuta's in verhouding tot de US dollar en zou zich dus niet kunnen beklagen, als de monetaire compenserende bedragen de werkelijke koersniveau's weergaven, hetgeen zij natuurlijk ook deden.
Wat ten slotte verzoeksters argumenten in verband met het gelijkheidsbeginsel betreft, kan ik korter zijn. Verzoekster stelt onrechtvaardig te zijn behandeld in vergelijking ten eerste met Duitse importeurs en ten tweede met Duitse boeren.
Verzoeksters klacht over haar behandeling in vergelijking met die van Duitse importeurs steunt op het feit dat artikel 4 van verordening nr. 1013/71 wel gold voor importeurscontracten maar niet voor exporteurscontracten. Hierop kan, in navolging van de Commissie, worden geantwoord dat monetaire compenserende bedragen Duitse importeurs en exporteurs niet op dezelfde wijze raakten. Voor eerstgenoemden waren zij belastingen, voor de laatsten subsidies.
Verzoeksters klacht over een ongelijke behandeling in vergelijking tot Duitse boeren is gebaseerd op raadsverordening (EEG) nr. 2464/69 van 9 december 1969, waarbij de Bondsrepubliek werd gemachtigd om, deels op gemeenschapskosten, steun te verlenen aan de Duitse boeren ten einde hen te compenseren voor hun inkomensverlies tengevolge van de toenmalige revaluatie van de DM. Verzoekster betoogt dat de steun nog steeds werd verleend en dat de aldus betoonde mildheid van de gemeenschapsinstellingen jegens de Duitse boeren, wel scherp afsteekt tegen de onverzettelijke houding jegens de Duitse handelaren zoals zijzelf. Met alle respect voor verzoekster is dit in mijn ogen een soort betoog dat alleen maar behoeft te worden gevoerd om te worden verworpen. Wat ook de politieke verdiensten mogen zijn — het is geen rechtsgeldig argument.
Samenvattend concludeer ik dat het beroep worde verworpen met verwijzing van verzoekster in de kosten, met dien verstande dat de Commissie worde veroordeeld in de kosten veroorzaakt door het incidentele beroep tot nietontvankelijkverklaring.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy