CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 8 JUNI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het antwoord op het onderhavige verzoek van het Tribunal Administratif de Paris om een prejudiciële beslissing ligt naar mijn mening besloten in de uideg-ging die U aan artikel 52 EEG-Verdrag hebt gegeven bij Uw arrest-Reyners van 21 juni 1974 (zaak 2/74, Jurisprudentie 1974, blz. 631) en zeer onlangs hebt bevestigd bij Uw arrest-Thieffry van 28 april 1977 (zaak 71/76, nog niet gepubliceerd).
De feiten in deze zaak zijn al heel eenvoudig. De heer Patrick, een Brits onderdaan, heeft sinds 1961 een architectendiploma van de Architectural Association of London. Hij heeft dit beroep in het Verenigd Koninkrijk zowel zelfstandig als op architectenbureaus uitgeoefend en was van 1968 tot 1970 officieel architect van het graafschap Hampshire voor de scholenbouw.
In april 1973 gaf hij zijn werk in Groot-Brittannië op en begaft hij zich naar Frankrijk, waar hij zich te St-Germain-en-Laye vestigde.
Hij vroeg bij de bevoegde Franse instantie onverwijld een vergunning aan om zijn beroep in Frankrijk uit te oefenen. Hiertoe beriep hij zich op de Franse wet van 31 december 1940 tot regeling van de titel en de uitoefening van het beroep van architect, welke wet in artikel 2, lid 2, bepaalt dat buitenlanders, na advies van de Conseil supérieur de l'Ordre des Architectes, tot het beroep worden toegelaten op twee voorwaarden:
—
ten eerste dat Frankrijk en het land waarvan de betrokkene onderdaan is, een wederkerigheidsovereenkomst hebben gesloten;
—
ten tweede dat een bewijsstuk, gelijkwaardig aan het van Franse architecten geëiste diploma, wordt overgelegd.
Is de eerste voorwaarde niet vervuld, dus wanneer geen wederkerigheidsovereenkomst is gesloten, mag de nationale autoriteit bij enkele overlegging van een als gelijkwaardig erkend bewijs de gevraagde vergunning ook wel verstrekken, doch alleen bij wijze van uitzondering. In dat geval beschikt die autoriteit dus over een verregaande discretionaire bevoegdheid.
Dit nu was de situatie in het geval van de heer Patrick:
—
enerzijds was het diploma van de Architectural Association of London wel bij besluit van de Ministre des Affaires Culturelies van 22 juni 1964 als gelijkwaardig erkend aan het Franse architectendiploma, maar
—
anderzijds hadden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk geen overeenkomst gesloten over de uitoefening van het beroep van architect.
De aanvraag van de heer Patrick werd bij besluit van de Ministre des Affaires Culturelies van 9 augustus 1973 dan ook afgewezen op grond dat bij ontbreken van een dergelijke overeenkomst de vergunning slechts bij wijze van uitzondering kon worden verleend.
Van dit besluit vorderde verzoeker bij het Tribunal Administratif de Paris nietigverklaring wegens bevoegdheidsoverschrijding; hij beriep zich daartoe op het EEG-Verdrag, met name artikel 7 dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt.
De Ministre des Affaires Culturelles voerde als verweer dat het EEG-Verdrag, waarvan overigens niet artikel 7 maar de artikelen 52-57 de in casu relevante bepalingen bevatten, althans toentertijd geen toereikende rechtsbasis vormde om het ontbreken van een bilaterale wederkerigheidsovereenkomst te verhelpen.
Het Tribunal Administratif de Paris besloot de procedure te schorsen en U de prejudiciële vraag te stellen „of bij de stand van het gemeenschapsrecht op 9 augustus 1973, toen het bestreden besluit werd genomen, een Brits onderdaan gerechtigd was te zijnen behoeve het recht van vestiging in te roepen om in een Lid-Staat der Gemeenschap het beroep van architect uit te oefenen”.
Hoewel bij het ontstaan van het geding nog kon worden getwijfeld aan de toepasselijkheid van het EEG-Verdrag — met name artikel 52 — op het geval van de heer Patrick, is het heden ten dage duidelijk dat hierover geen enkel meningsverschil meer kan heersen.
Zoals U in de zaak-Reyners hebt geoordeeld, is artikel 52 sedert het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk en doet het voor de onderdanen der Lid-Staten rechten ontstaan, die zij voor de nationale rechter kunnen inroepen en die deze rechter moet erkennen en handhaven.
Ingevolge deze uitspraak mag het recht van vestiging op het grondgebied van een Lid-Staat ten einde aldaar een werkzaamheid anders dan in loondienst uit te oefenen, dus niet meer worden ontzegd aan een onderdaan van een andere Lid-Staat op de enkele grond van zijn buitenlandse nationaliteit.
Het arrest-Reyners gaat nog verder: artikel 52 heeft rechtstreekse werking niettegenstaande het eventueel ontbreken, op een bepaald terrein, van de richtlijnen bedoeld in de artikelen 54, lid 2, en 57, lid 1, EEG-Verdrag.
De in deze laatste bepaling bedoelde richtlijnen voor de onderlinge erkenning van diploma's vormen weliswaar een nuttige aanvulling voor de feitelijke verwezenlijking van de gelijkheid van' behandeling, maar zijn hiervoor geen noodzakelijke voorwaarde.
Derhalve is een nationale wettelijke bepaling welke alleen voor buitenlanders een speciale en individuele vergunning eist om het beroep van architect uit te oefenen, op zichzelf al een uitgesproken beperking van de vrijheid van vestiging en de gelijkheid van behandeling, die daarvan de ratio is.
Wij zullen onze beschouwing echter moeten verdiepen door ook de erkenning, tijdens de bevoegde nationale instantie, van de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma aan een Frans diploma hierin te betrekken.
De rechtstoestand is dan soortgelijk aan die van Thieffry, de Belgische advocaat die de Parijse Orde van advocaten niet op het tableau had willen inschrijven omdat hij geen Frans diploma van „licencié en droit” had, zulks ofschoon de universiteit van Parijs zijn diploma van doctor in de rechten van de universiteit te Leuven als gelijkwaardig — zij het zuiver academisch — aan het nationaal diploma had erkend.
Zoals U bij Uw arrest van 28 april jongstleden hebt beslist, is dit vereiste van een nationaal diploma een belemmering die verder gaat dan hetgeen nodig is om het oogmerk van het gemeenschapsrecht inzake de vrije vestiging te bereiken.
Er was in dat geval geen openlijke en uitgesproken, doch een verkapte beperking van het recht van vestiging.
In de onderhavige zaak is de toestand duidelijker, daar de nationale wetgeving zelf in een gelijkwaardigerkenning van buitenlandse diploma's aan het Franse architectendiploma voorziet met effectus civilis, dat wil zeggen met het doel buitenlanders in staat te stellen het betrokken beroep in Frankrijk uit te oefenen.
Met andere woorden: het vereiste van een speciale en individuele vergunning, bovendien afgegeven naar goeddunken, kan niet geldig worden tegengeworpen aan gemeenschapsburgers die krachtens artikel 52 het recht van vrije vestiging genieten.
Deze oplossing vindt ook de instemming van de Franse regering die zich in haar schriftelijke opmerkingen volledig achter het arrest-Reyners schaart en zegt bereid te zijn daaruit voor de onderhavige zaak evenals in elke zaak van dezelfde aard de consequenties te trekken.
Ik moge in dit verband overigens opmerken dat de Franse wetgever deze zelfde oplossing heeft aanvaard bij een wet van 3 januari 1977 op het architec-tenberoep. In artikel 10 van deze wet worden namelijk onderdanen van een Lid-Staat der Gemeenschap, die bij gebreke van een nationaal diploma een door de Staat erkend buitenlands diploma of bewijsstuk hebben, ten volle gelijkgesteld met eigen onderdanen.
Het in augustus 1973 genomen besluit van de Ministre des Affaires Culturelles is alleen te verklaren uit de datum van vaststelling vóór het arrest-Reyners enerzijds en vóór de nieuwe wettelijke regeling van het architectenberoep in Frankrijk anderzijds.
Rest mij ten slotte nog erop te wijzen dat voor Britse onderdanen artikel 52 aanstonds bij de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, dus vanaf 1 januari 1973, rechtstreeks toepasselijk is geworden, zoals U ook ten aanzien van artikel 119 EEG-Verdrag hebt geoordeeld in Uw ar-rest-Defrenne van 8 april 1976 (overweging 59, Jurisprudentie 1976, blz. 479).
Samenvattend concludeer ik dat op de gestelde vraag worde geantwoord:
1.
De dato 9 augustus 1973 was een onderdaan van een Lid-Staat gerechtigd te zijnen behoeve het in artikel 52 EEG-Verdrag gewaarborgde recht van vestiging in te roepen ten einde het beroep van architect uit te oefenen, niettegenstaande het ontbreken, op het gebied van dit beroep, van de richtlijnen bedoeld in artikel 57, lid 1, van het Verdrag;
2.
Bijgevolg stond de toegang tot dit beroep voor hem open onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen van de Lid-Staat van ontvangst, zodra hij een bewijsstuk kon overleggen dat door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig was erkend aan het van de eigen onderdanen geëiste diploma;
3.
De eis van een speciale en individuele vergunning vormt een uitgesproken beperking voor zijn recht om zich te vestigen en zijn beroep uit te oefenen op het grondgebied van de Staat van ontvangst.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy