CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 6 OKTOBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Finanzgericht Münster heeft ons bij beschikking van 19 januari 1977 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Dienden artistieke kleurzeefdrukken (kleurserigrafieën), door de kunstenaar eigenhandig gesigneerd en genummerd in een oplage van ten hoogste 150 exemplaren, op 14 februari 1973 te worden ingedeeld onder post 49.11-B of onder post 99.02 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT)?”
Aanleiding tot deze vraag gaf het feit dat verzoekster in het hoofdgeding op 14 maart 1973 150 uit de Verenigde Staten geïmporteerde, eigenhandig gesigneerde en genummerde kleurzeefdrukken (kleurserigrafieën), waarvan slechts een beperkte oplage van 150 stuks was vervaardigd, door het douanekantoor Münster liet inklaren. De douane meende de waar te moeten indelen onder post 49.11-B („Prenten, gravures, foto's en ander drukwerk, ongeacht de wijze waarop zij zijn vervaardigd: B. andere”), waarvoor een conventioneel invoerrecht van 9 % en een omzetbelasting bij invoer van 11 % was verschuldigd. Verzoekster in het hoofdgeding daarentegen bepleit indeling onder post 99.02 („Originele gravures, originele etsen en orginele litho's”), in welk geval geen invoerrechten en een omzetbelasting bij invoer van slechts 5,5 % verschuldigd zou zijn.
Zij deed daarom verzet tegen de douanebeschikking en stelde na verwerping hiervan beroep in bij het Finanzgericht Münster. Daarbij voerde zij aan dat het bij de ingevoerde voorwerpen ging om werken van een internationaal bekend kunstenaar en dan niet om reprodukties, maar om originele grafiek. Derhalve konden zij niet als grafische produkten in de zin van hoofdstuk 49 GDT worden beschouwd, doch alleen als kunstvoorwerpen in de zin van hoofdstuk 99. Daar artistieke serigrafieën dus rechtstreeks onder geen enkele post vielen, zou in dit geval ten slotte algemene bepaling nr. 4 van toepassing zijn, volgens welke goederen die onder geen enkele post van het tarief vallen, worden ingedeeld onder de post, welke van toepassing is op goederen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen. Douanerechtelijk dienden artistieke serigrafieën dus te worden behandeld als originele litho's, die als zodanig bij post 99.02 worden genoemd, of als artistieke tempagrafieën die eveneens onbetwist onder post 99.02 vallen.
Hiertegenover staat de opvatting van het Hauptzollamt, dat Algemene bepaling nr. 4 niet van toepassing is omdat serigrafieën onder post 49.11-B vallen. Zoals ook uit de toelichtingen op de nomenclatuur van Brussel valt af te leiden, gaat het hier om drukwerk in de zin van hoofdstuk 49. Daarvan zijn ingevolge aantekening 1 op hoofdstuk 49 alleen waren van hoofdstuk 99 uitgezonderd. Voor serigrafieën zou van dit hoofdstuk alleen post 99.02 in aanmerking komen, maar gelet op de tekst hiervan en op aantekening 2 op hoofdstuk 99 alsmede op de toelichtingen bij post 99.02, is het uitgesloten ook serigrafieën onder deze post te brengen. Verzoekster zou zich ten onrechte beroepen op het tariferingsbesluit van het Comité Nomenclatuur van 14 januari 1970 met betrekking tot tempagrafieën; in dat geval kon men juist op algemene bepaling nr. 4 teruggrijpen omdat tempagrafieën niet volgens een drukprocédé in de zin van hoofdstuk 49 worden vervaardigd. Omgekeerd kan in het onderhavige geval worden verwezen naar een tariferingsbesluit van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief van 8 juni 1973, volgens hetwelk vergelijkbare artistieke serigrafieën onder post 49.11-B vielen.
In de prejudiciële procedure heeft alleen de Commissie zich in de discussie gemengd. Zij is van mening dat zeefdrukken als waarom het hier gaat en die worden vervaardigd door het ontwerp van een kunstenaar op gaas over te brengen en verf door de fijne mazen op het papier te drukken, in elk geval — dus ook wanneer zij slechts in een beperkte oplage vervaardigd en door de kunstenaar eigenhandig gesigneerd en genummerd worden — onder post 49.11-B moeten worden ingedeeld. De hiertoe naar voren gebrachte argumenten komen mij alleszins overtuigend voor.
Men kan immers zeggen dat in casu geen beroep kan worden gedaan op de reeds geciteerde algemene bepaling nr. 4, volgens welke goederen die onder geen enkele post van het tarief vallen, worden ingedeeld onder de post welke van toepassing is op de goederen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen, en wel omdat post 49.11-B als het ware de verzamelpost is voor alle grafische produkten. Zoals namelijk uit de Toelichtingen op de nomenclatuur van Brussel blijkt, is daarvoor voldoende dat zij door middel van een of ander drukprocédé worden vervaardigd. Zo een drukprocédé blijkt ook bij kleurserigrafieën te worden gebruikt, terwijl tempagrafieën, waarop het genoemde tariferingsbesluit betrekking had, niet door middel van een drukprocédé worden vervaardigd.
Post 49.11-B, die ongeacht de artistieke waarde van de produkten toepassing vindt, zou alleen dan niet in aanmerking komen, wanneer voor de onderhavige waar een speciale post gevonden kon worden, post immers volgens algemene bepaling nr. 3 a), indien goederen vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, de post met de meest specifieke omschrijving voorrang heeft boven posten met een meer algemene strekking. Als zo een speciale post zou voor kleurserigrafieën alleen post 99.02 kunnen gelden. Inderdad zegt aantekening 1 c) bij hoofdstuk 99 GDT: „Dit hoofdstuk omvat niet: c) originele gravures, etsen en litho's (post 99.02) postzegels, fiscale zegels en dergelijke artikelen, bedoeld bij post 99.04, alsmede antiquiteiten en andere artikelen bedoeld bij een der posten van hoofdstuk 99.” Maar reeds vanwege de volgens algemene bepaling nr. 1 in eerste instantie doorslaggevende bewoording van post 99.02, is indeling hieronder niet wel denkbaar, aangezien hier alleen maar bepaalde soorten drukken (originele gravures, originele etsen en originele litho's) worden genoemd, waartoe kleurserigrafieën niet gerekend kunnen worden. Bovendien zij gewezen op de in aantekening 2 bij hoofdstuk 99 GDT opgenomen definitie die naar verluidt is opgesteld door toonaangevende kringen van de kunsthandel, te weten het Comité de la Gravure française. Volgens deze definitie worden als originele gravures, etsen en litho's in de zin van post 99.02 aangemerkt, „die, welke rechtstreeks in het zwart of in kleuren zijn afgedrukt van één of meer door de kunstenaar geheel met de hand vervaardigde platen, ongeacht het materiaal waarop dit afdrukken is geschied en ongeacht de gevolgde techniek, met uitzondering van de mechanische en van de fotomechanische reproduktietechniek.” Op produkten zoals de onderhavige is deze definitie niet van toepassing, daar bij kleurserigrafieën geen door de kunstenaar geheel met de hand vervaardigde platen worden gebruikt en bij de vervaardiging ook van de mechanische of fotomechanische reproduktietechniek gebruik wordt gemaakt.
Als aanwijzing voor de juistheid van de door de Commissie aanbevolen indeling kan overigens ook gelden dat er thans naar wordt gestreefd de zojuist vermelde definitie zo te verruimen, dat ook kleurserigrafieën eronder vallen. Hieruit blijkt dat de definitie in de geldende vorm niet zo ver gaat als verzoekster in het hoofdgeding wenst. Zolang echter deze wijziging niet in de wettelijke regeling is opgenomen, laat de rechtszekerheid niet toe anders te handelen dan boven is aangegeven, ook wanneer dit, zoals de Commissie terecht opmerkt, met het oog op de artistieke kwaliteit van de onderhavige waren niet geheel bevredigend mag schijnen.
Bovendien is van belang dat bij 's Raads verordening nr. 1616/74 van 25 juni 1974 (PB 1974, nr. L 174) de autonome rechten voor „kunstzeefdrukken (serigrafieën) door de kunstenaar gesigneerd en genummerd (voor de nummers 1 tot en met 200)” van post 49.11-B met ingang van 1 juli 1974 tijdelijk werden geschorst, welke schorsing later is verlengd. Daarmee werd wat de douanerechten betreft, in 1974 het door verzoekster voor juist gehouden resultaat bereikt. Van belang is echter — en dit kan men als authentieke uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief beschouwen — dat ook de genoemde verordening ervan uitgaat dat artistieke zeefdrukken onder post 49.11-B vallen.
Derhalve kan de vraag van het Finanzgericht Münster worden beantwoord als volgt:
Artistieke kleurzeefdrukken moeten, ook wanneer ze door de kunstenaar eigenhandig gesigneerd en genummerd en slechts in beperkte oplage vervaardigd worden, worden ingedeeld onder post 49.11-B van het gemeenschappelijk douanetarief.
( 1 ) Vertaald uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy