CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 13 JULI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak, waarin het Tribunal administratif te Parijs U om een prejudiciële beslissing vraagt, is verzoekster in het hoofgeding de firma Cargill te Parijs, een exporteur van onder meer granen (hierna te noemen „Cargill”), en is verweerder het Office National Inter-professionnel des Céréales („ONIC”), de instantie die in Frankrijk is belast met de uitvoering van de gemeenschapswetgeving inzake de gemeenschappelijke graanmarktordening en de monetaire compenserende bedragen, voor zover deze van toepassing zijn op de handel in granen.
De zaak is uitvoerig en zeer deskundig besproken. Volgens Cargill doen zich hier vragen voor van vèrstrekkend belang. Volgens mij is het echter een heel eenvoudige zaak en hebben de ten deze relevante punten een geringe reikwijdte.
De zaak gaat in wezen over de geldigheid van verordening (EEG) 2042/73 van de Commissie van 27 juli 1973„houdende overgangsmaatregelen voor de toepassing van het op 4 juni 1973 ingevoerde nieuwe stelsel van monetaire compenserende bedragen”.
Reeds eerder heeft Uw Hof zich moeten uitspreken over deze verordening en over de regeling tot invoering van het „nieuwe stelsel” van monetaire compenserende bedragen, waarop zij betrekking heeft. In de zaken 95 tot 98/74 en 15 en 100/75, Union nationale des coopératives agricoles de céréales en anderen t. Commissie en Raad van de Europese Gemeenschappen, Jurisprudentie 1975, blz. 1615 (de „Coopératives agricoles zaken”) hadden een aantal Franse graanexporteurs op grond van artikel 178 EEG-Verdrag bij het Hof geklaagd dat zij verhaalbare schade hadden geleden als gevolg van de invoering van dat nieuwe systeem, welke schade volgens hen onvoldoende werd gecompenseerd door de overgangsbepalingen van verordening 2042/73. In al deze gevallen werd het beroep verworpen op grond van de feiten.
In casu kan de betrokken wettelijke regeling naar ik hoop vrij kort worden weergegeven.
De monetaire compenserende bedragen werden vanaf hun instelling in 1971 tot de invoering van het nieuwe stelsel in 1973 berekend volgens artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) 974/71 van de Raad, door op de prijzen een percentage toe te passen dat overeenkomt met het verschil tussen „de aan het Internationaal Monetair Fonds opgegeven en door dit Fonds goedgekeurde pariteit van de munteenheid van de betrokken Lid-Staat”, enerzijds, en de contante wisselkoers van deze munteenheid ten opzichte van de Amerikaanse dollar anderzijds. Gedurende dezelfde periode werden heffingen bij invoer in de Gemeenschap en restituties bij uitvoer, verschuldigd krachtens de regeling voor de gemeenschappelijke landbouwmarktordening (in het geval van granen de artikelen 13 en 16 van verordening 120/67/EEG van de Raad), berekend op basis van de wereldmarktprijzen, vastgesteld in a pari geconverteerde Amerikaanse dollars, ofschoon de werkelijke of marktwaarde van de dollar na de afschaffing van de convertibiliteit in goud in augustus 1971, steeds onder de pariwaarde heeft gelegen. Dit hinderde echter niet zozeer, omdat de monetaire compenserende bedragen de verschillen opvingen tussen de aldus kunstmatig berekende heffings- of restitutiebedragen en de op basis van de werkelijke dollarwaarde berekende bedragen.
Op 11 maart 1973 besloot de Raad tot invoering van de zogenaamde „slang”, waarbij de valuta van de meeste Lid-Staten zweven ten opzichte van andere valuta, doch onderling steeds binnen een maximummarge van 2,25 % in hun contante wisselkoers worden gehandhaafd. Buiten de slang bleven van de gemeenschapsvaluta aanvankelijk alleen het Ierse pond, de Italiaanse lire en het pond sterling, die onafhankelijk bleven zweven.
Op 12 maart 1973 verzocht de Raad de Commissie voorstellen te doen voor een wijziging van het stelsel der monetaire compenserende bedragen in verband met de aldus ontstane nieuwe situatie. Deze voorstellen werden door de Commissie bekendgemaakt op 21 maart 1973. Naar aanleiding hiervan stelde de Raad op 30 april 1973 verordening (EEG) 1112/73 vast, waarbij artikel 2, lid 1, van verordening 974/71 in die zin werd gewijzigd dat de monetaire compenserende bedragen niet langer werden berekend op basis van de Amerikaanse dollar maar op basis van de „spilkoers” van de slangvaluta's. Het gevolg hiervan was, voorzover van belang in de onderhavige zaak, dat monetaire compenserende bedragen voor exporten uit Frankrijk werden afgeschaft.
In artikel 3 van verordening 1112/73 werd bepaald dat de verordening zou worden toegepast „vanaf de dag waarop de voor de toepassing ervan noodzakelijke bepalingen” van kracht zouden worden. Deze nadere bepalingen werden vastgesteld bij verordening (EEG) 1463/73 van de Commissie van 30 mei 1973, welke verordening ingevolge haar artikel 19 in werking trad op 4 juni 1973, op welke datum zij ook verscheen in het Publikatieblad. Tevens werden de heffingen en restituties niet meer berekend op basis van de officiële pariteit van de Amerikaanse dollar, maar op basis van de werkelijke wisselkoersen.
Zoals gezegd, stelde de Commissie op 27 juli 1973 verordening 2042/73 (PB L 207 van 28. 7. 1973) vast, waarvan de geldigheid thans in het geding is. Hierbij werd onder meer overwogen:
„… dat het nieuwe stelsel van monetaire compenserende bedragen dat sedert 4 juni 1973 van toepassing is, met name tot gevolg heeft dat het monetaire compenserende bedrag van een Lid-Staat niet meer de verhouding weergeeft tussen de munteenheid van die Lid-Staat en de dollar van de Verenigde Staten; dat bij de verrekening van de heffing en de restitutie wordt uitgegaan van de fluctuatie van de dollar of enige andere munt ten opzichte van de gezamenlijk zwevende valuta's van de Lid-Staten; dat het nieuwe stelsel derhalve tot gevolg heeft dat de handelaars zich moeten dekken tegen het wisselrisico terwijl in het vroegere stelsel het wisselrisico ten opzichte van de dollar door het monetaire compenserende bedrag was gedekt;”
„… dat de handelaars op de hoogte waren van de wijzigingen in de regeling inzake pariteiten bij verordening 1112/73 van de Raad van 30 april 1973, houdende wijziging van verordening (EEG) 974/71;”
„dat evenwel pas bij verordening (EEG) 1463/73 van de Commissie van 30 mei 1973, houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen, werd bepaald dat het nieuwe stelsel op 4 juni 1973 in werking zou treden;”
„… dat wanneer vóór genoemde datum een heffing of een restitutie vooraf was vastgesteld, de handelaars schade kunnen lijden ten gevolge van de ontwikkeling van de dollarkoers bij de overgang van het ene stelsel naar het andere;”
„… dat het derhalve billijk is, naar aanleiding van de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel op 4 juni 1973, te bepalen dat het op 3 juni 1973 geldende monetaire compenserende bedrag van toepassing is voor elke invoer of uitvoer ten aanzien waarvan vóór genoemde datum om voorfixatie van de heffing of de restitutie was gevraagd;”
De hierachter liggende gedachte lijkt mij duidelijk. Zoals het Hof later heeft erkend in de zaak 74/74, CNTA t. Commissie (Jurispr. 1975, blz. 533 en 1976, blz. 797), vormden monetaire compenserende bedragen, hoewel daarvoor niet bedoeld, in de praktijk voor de handelaren een bescherming tegen het wisselrisico, in het bijzonder wanneer zij overeenkomsten sloten met in dollars uitgedrukte prijzen. Door het bestaan van de monetaire compenserende bedragen kon derhalve zelfs een voorzichtige handelaar ertoe komen zich niet op andere wijze tegen dergelijke risico's te dekken. Tot 4 juni 1973 was het tamelijk onzeker welke vorm het stelsel der monetaire compenserende bedragen, als gevolg van de gebeurtenissen van 11 en 13 maart, in de toekomst zou aannemen. Gelet hierop en op het verband tussen de wijze waarop vóór 4 juni 1973 de monetaire compenserende bedragen en de heffingen en restituties werden berekend, leek het de Commissie billijk om handelaren die na die datum in-of exporten hadden verricht waartoe zij zich voor die datum hadden verbonden, krachtens vergunningen waarbij heffingen of restituties van te voren waren vastgesteld, te beschermen tegen koersfluctuaties die tot die datum hadden plaatsgehad. Maar vanaf 14 juni waren de details van het nieuwe systeem békend en dienden de handelaren hun risico's zelf te dekken door bij voorbeeld bij uitvoerovereenkomsten waarvan de prijzen waren uitgedrukt in dollars, dollars op termijn te verkopen. Zoals de Commissie zeer duidelijk heeft uiteengezet, moesten handelaren in landbouwprodukten als bedoeld in verordening 974/71 (d.w.z. ruw genomen, de in interventieregelingen genoemde produkten en daarvan afgeleide produkten) met betrekking tot de periode na 4 juni 1973, in zoverre in dezelfde positie worden gebracht als handelaren in andere landbouwprodukten en in niet-landbouwprodukten.
Artikel 1 van verordening 2042/73 bepaalde aldus:
„Op verzoek van de betrokkene wordt het op 3 juni 1973 geldende monetaire compenserende bedrag … toegepast in plaats van het op de dag van invoer of van uitvoer geldende bedrag voor elke transactie die na genoemde datum wordt uitgevoerd en waarvoor de heffing of de restitutie vóór 4 juni 1973 vooraf was vastgesteld.”
(De Engelse tekst in het Publikatieblad spreekt van „transactions carried out before 3 june 1973”, maar zoals duidelijk blijkt uit de teksten in de andere officiële talen van de Gemeenschap, is dat onjuist: „before” moet worden gelezen als „after”. Anders heeft de verordening immers geen zin).
Luidens artikel 2 was de verordening van toepassing vanaf 4 juni 1973.
Op 26 november 1973 verzocht Cargill het ONIC schriftelijk om betaling van monetaire compenserende bedragen voor exporten van gerst, welke zij had verricht tussen 4 juni en 31 juli 1973. Voor deze exporten had Cargill op 5 april 1973 vergunningen gekregen, waarin de restituties vooraf waren vastgesteld. Cargill voegde bij haar brief een tabel met, voor elk dezer exporten, het monetaire compenserende bedrag dat verschuldigd was overeenkomstig verordening 2042/73, het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest krachtens de vóór 4 juni 1973 geldende regeling indien deze van kracht was gebleven, en het verschil tussen deze twee bedragen. Volgens deze tabel was het krachtens verordening 2042/73 in totaal verschuldigde bedrag FF 464754,94, het krachtens de voorafgaande regeling in totaal verschuldigde bedrag FF 1244407,13, en het totale verschil FF 779652,19. Cargill vorderde het totale bedrag van FF 1244407,13. Haars inziens was verordening 2042/73 ongeldig, omdat van de exporteurs voor wie de heffingen vóór 4 juni 1973 waren geprefixeerd, diegenen werden bevoordeeld die vóór die datum hadden uitgevoerd, terwijl degenen die dat niet hadden gekund, werden benadeeld. Volgens Cargill moeten deze laatsten dus alléén de gevolgen dragen van de forse waardedaling van de Amerikaanse dollar in juni en juli 1973, ondanks het feit dat de verordening pas werd vastgesteld op 27 juli 1973 toen die daling reeds had plaatsgehad. Indien het ONIC zich niettemin gebonden achtte aan verordening 2042/73 — zo voegde Cargill eraan toe —, zou zij betaling vorderen van FF 464754,94, en zich het recht voorbehouden om het saldo op te eisen via de aangewezen wettelijke weg.
Op 13 december 1973 antwoordde het ONIC dat de monetaire compenserende bedragen waarop Cargill krachtens verordening 2042/73 recht had, volgens de computer FF 467583,21 beliepen en dat regelingen waren getroffen tot betaling van die som aan Cargill. Het ONIC ging niet in op Cargill's kritiek op de verordening noch op haar eis tot uitbetaling van het hogere bedrag.
Op 8 februari 1974 stelde Cargill bij het Tribunal administratif te Parijs een vordering in tot (1) nietigverklaring van het in de brief van 13 december 1973 neergelegde „besluit” van het ONIC, (2) betaling door het ONIC van een bedrag van FF 779652,19 met interessen en (3) vergoeding van kosten. Zoals blijkt uit Cargills betoog in deze zaak, is de vordering tot nietigverklaring zuiver formeel en gaat het haar in wezen om betaling.
Cargill bracht in het hoofdgeding twee argumenten naar voren. Ten eerste dat in verordening 2042/73 werd gediscrimineerd, zoals zij reeds had betoogd in haar brief aan het ONIC. Hiertoe baseerde zij zich in het bijzonder op de artikelen 7 en 40 van het EEG-Verdrag. Ten tweede betoogde zij dat verordening 2042 onwettig was, omdat hierin aan verordening 1112/73 (zoals U weet, is dit 's Raads verordening tot invoering van een nieuw stelsel voor berekening van monetaire compenserende bedragen) terugwerkende kracht werd verleend. Zij voerde hiertoe aan dat, ware verordening 2042/73 er niet geweest, verordening 1112/72 en ook verordening 1463/73 (de verordening van de Commissie houdende nadere regels voor de toepassing van dat stelsel) konden worden geacht alleen te gelden voor handelaren die na 3 juni 1973 overeenkomsten hadden gesloten. Bij een dergelijke uitlegging zou zijn gewaarborgd dat die verordeningen geen verworven rechten („droits acquis”) aantastten. Maar verordening 2042/73 maakte deze interpretatie onmogelijk. (Zoals blijkt uit inlichtingen die Cargill op verzoek van het Hof heeft verstrekt en waarop ik aanstonds nader zal ingaan, waren in feite de meeste overeenkomsten krachtens welke Cargill de betrokken exporten verrichtte, na 3 juni 1973 gesloten, maar het schijnt dat het Tribunal administratif deze inlichtingen niet heeft gekregen).
Voor het Tribunal administratif betoogde het ONIC onder andere dat, indien verordening 2042/73 inderdaad ongeldig was, zoals Cargill meende, niet de gemeenschapsregeling van vóór 4 juni 1973 moest worden toegepast, zoals zij suggereerde, maar de na die datum geldende regeling, uitgezonderd verordening 2042/73 zelf, zodat Cargill helemaal geen recht op monetaire compenserende bedragen zou hebben.
Deze beweringen van partijen zijn terug te vinden in de volgende drie vragen die het Tribunal bij beschikking van 9 februari 1977 aan het Hof heeft gesteld:
„1.
Is verordening EEG 2042/73 van 27 juli 1973 onwettig omdat daarin, in strijd met de non-discriminatieregels van de artikelen 7 en 40 van het EEG-Verdrag, tussen de exporteurs wordt gediscrimineerd, welke onwettigheid tot gevolg zou hebben gehad dat handelaren met vóór 4 juni 1973 geprefixeerde restituties in een verschillende situatie verkeerden naar gelang de exporten vóór 4 juni 1973 dan wel daarna werden verricht, daar voor exporten vóór die datum het gehele compenserende bedrag werd uitgekeerd, terwijl de handelaren voor exporten na die datum verplicht waren zichzelf tegen wisselrisico's te dekken en de gevolgen van de devaluatie van de dollar ondergingen?
2.
Is verordening (EEG) 2042/73 onwettig inzover daarbij terugwerkende kracht wordt verleend aan 's Raads verordening 1112/73 van 13 april 1973 en aldus inbreuk wordt gemaakt op verworven rechten?
3.
Welke — voor verzoekster gunstiger — regeling zou in casu van toepassing zijn in geval Uw Hof vaststelt dat verordening 2042/73 onwettig is?”
Terwijl de aan deze verwijzingsbeschikking voorafgaande procedure voor het Tribunal nog lopende was, deed het Hof een uitspraak in de zaken CNTA en Coopérative Agricoles. Voor zover van belang kunnen deze uitspraken worden samengevat als volgt:
1.
Aangezien monetaire compenserende bedragen niet vooraf kunnen worden vastgesteld, en aangezien de desbetreffende wettelijke regeling de handelaren geen enkel recht toekent op handhaving van een bepaalde berekeningswijze ervan, ontstaat een recht op monetaire compenserende bedragen eerst wanneer de betrokken invoer of uitvoer waarvoor dit bedrag wordt toegekend, plaats vindt. De afschaffing of wijziging van monetaire compenserende bedragen kan daarom nooit verkregen rechten aantaste.
2.
Aangezien echter monetaire compenserende bedragen, hoewel vastgesteld voor een ander doel, de handelaren in de praktijk een zekere bescherming bieden tegen koersschommelingen, zodat zij wellicht hierop gaan vertrouwen, kan de Gemeenschap uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, aansprakelijk worden gesteld voor aan deze handelaren toegebrachte schade, op grond dat zij in hun gerechtvaardigde verwachtingen zijn beschaamd, indien de Raad of de Commissie, onder afwezigheid van een beslissend algemeen belang, in tegengestelde zin, de monetaire compenserende bedragen voor een bepaalde sector met onmiddellijk effect en zonder waarschuwing intrekt zonder overgangsmaatregelen te nemen, welke een handelaar althans de mogelijkheid zouden verschaffen verliezen te ontgaan bij overeenkomsten waaraan zij zijn gebonden of voor zulke verliezen schadeloos te worden gesteld. De Commissie kan hiervoor echter niet aansprakelijk worden gesteld tegenover een handelaar die in feite geen enkel wisselrisico heeft gelopen, zoals een Frans exporteur, die krachtens het betrokken contract in Franse franken moet worden betaald; of een handelaar die een overeenkomst heeft gesloten op een moment dat hij niet rechtmatig mocht vertrouwen op handhaving van het geldende stelsel voor de berekening van monetaire compenserende bedragen, bij voorbeeld bij sluiting van een overeenkomst na 30 april 1973 (d.w.z. na de vaststelling van 's Raads verordening 1112/73 maar voor de inwerkingtreding hiervan); of ook een handelaar die een contract heeft gesloten waarvan de bepalingen geen enkele verwachting kunnen wekken omtrent het ontvangen van monetaire compenserende bedragen, bij voorbeeld een overeenkomst voor de verkoop van „Europese gerst”, welke kan worden nagekomen door de verkoop van hetzij gemeenschapsgerst (waaraan monetaire compenserende bedragen zijn verbonden) hetzij andere Europese gerst. Onlangs heeft het Hof in de zaak 97/76 Merkur Außenbandel GmbH & Co. t. Commissie (8 juni 1977, nog niet gepubliceerd) nog eens het beperkte toepassingsveld van dit rechtsmiddel beklemtoond.
Het Hof vroeg Cargill om inlichtingen over de overeenkomsten krachtens welke de betrokken exporten werden verricht, met opgave van de data en van de valuta waarin moest worden betaald. Cargills antwoord van 18 juni 1977, waarbij onder meer copieën van de overeenkomsten zijn gevoegd, bevindt zich in het dossier. Kort samengevat waren er zes overeenkomsten voor in totaal 79500 ton gerst, ofschoon volgens Cargill slechts 40338 ton hiervan werden uitgevoerd uit Frankrijk, zodat alleen deze in casu van belang zijn. De rest is uitgevoerd uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap. Wij weten niet hoe die 40338 ton over de zes overeenkomsten zijn verdeeld. In elk geval waren de prijzen van de laatste vier overeenkomsten, gesloten tussen 15 juni en 13 augustus 1973, uitgdrukt in FF. Er is niet uiteengezet hoe vóór 31 juli 1973 verrichte exporten gedeeltelijk konden plaatsvinden onder een pas op 13 augustus gesloten overeenkomst. Wat hiervan zij, het valt moeilijk in te zien hoe een van deze vier overeenkomsten de grondslag kan vormen voor een actie krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag met betrekking tot de wijziging op 4 juni 1973 in het stelsel van berekening der monetaire compenserende bedragen. De twee eerste contracten werden gesloten op 24 april en 26 april 1973 en hadden betrekking op 10000 respectievelijk 20000 ton. De prijzen luidden in dollars, maar het betrokken produkt werd omschreven als „Europese gerst”. Ik onthoud mij ten deze van commentaar, aangezien het mij onjuist lijkt vooruit te lopen op de uitkomst van een eventuele actie die Cargill op grond van artikel 178 met betrekking hiertoe zou kunnen instellen.
Het is echter niet verwonderlijk dat Cargill ter terechtzitting veel moeite heeft gedaan om te betogen dat zij zich niet op de artikelen 178 en 215, maar op artikel 184 EEG-Verdrag beriep (en, daarmede, dat de inlichtingen over Cargills overeenkomsten niet zozeer ter zake deden). Wij kregen ten deze een zeer geleerd en interessant vertoog over de verschillende kenmerken in het Franse recht van de „contentieux de la responsabilité” enerzijds en de „contentieux de la légalité” anderzijds, en in het bijzonder over het verschil tussen „préjudice” in verband met het eerste begrip en „intérêt” in verband met het tweede. Naar ik hoop, zal Cargills raadsman het mij niet euvel willen duiden, wanneer ik mij op dit punt beperk tot twee opmerkingen. In de eerste plaats is gemeenschapsrecht op dit gebied niet in alle opzichten gelijk aan Frans recht: zie bij voorbeeld zaak 90/74 Deboeck tegen Commissie (Jurispr. 1975, blz. 1123) en de vroegere arresten waarnaar ik toen heb verwezen (blz. 1140-1142). In de tweede plaats hoeft Uw Hof zich in deze zaak niet in te laten met de ontvankelijkheid van Cargills beroep bij het Tribunal administratif te Parijs, en is er ook geen enkele twijfel geuit over de ontvankelijkheid van de verwijzing van het Tribunal naar het Hof. Aangezien het hier gaat om een zaak krachtens artikel 177, is Uw rechtspraak beperkt tot de in de verwijzingsbeschikking van het Tribunal gestelde vragen. Niettemin ligt de gedachte voor de hand dat het vreemd zou zijn wanneer Cargill, door deze procedure te kiezen, indirect recht zou krijgen op betaling uit de gemeenschapsfondsen van de volledige monetaire compenserende bedragen, die zij zou hebben ontvangen indien het stelsel niet was gewijzigd — want, zoals zij toegaf, is dat in feite wat zij eist.
Ik zal nu dan ingaan op de eigenlijke vragen welke het Tribunal te Parijs aan het Hof heeft voorgelegd.
Ten aanzien van de eerste vraag lijkt mij, met alle respect jegens degenen die een andere mening waren toegedaan, dat de stelling dat verordening 2042/73 discrimineerde tussen handelaren die hun importen of exporten verrichtten vóór 4 juni 1973, en degenen die dat deden na die datum, eenvoudig onhoudbaar is. De verordening was helemaal niet van toepassing op vóór 4 juni 1973 uitgevoerde transacties. Deze bleven in alle opzichten onder de voorheen geldende wettelijke regeling vallen. De verordening was slechts van toepassing op na die datum uitgevoerde transacties en ten aanzien daarvan kregen de betrokken handelaren de keuze om toepassing te vragen van het monetaire compenserende bedrag dat zou hebben gegolden indien de transacties onmiddellijk voor die datum hadden plaatsgehad. Cargill mocht van deze keuze profiteren. Het is natuurlijk duidelijk dat door het gecombineerde effect van de verordeningen 1112/73 en 1463/73 de handelaren verschillend werden behandeld naar gelang zij hun transacties uitvoerden vóór 4 juni 1973 of daarna, en dat dit verschil slechts gedeeltelijk werd opgeheven door verordening 2042/73. Maar Cargills raadsman heeft, mijns inziens terecht, hierop geen enkel argument gebaseerd.
Ten aanzien van de tweede vraag kan ik nog korter zijn, omdat Cargill het hierin vervatte standpunt ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft laten varen. Dat standpunt was volgens mij eveneens onhoudbaar, alleen al omdat, zoals het Hof reeds heeft uitgemaakt in de Coopérative Agricoles zaken, er geen sprake kan zijn van een verkregen recht op een monetair compenserend bedrag voordat de in- of uitvoer waaraan dit bedrag is verbonden, heeft plaatsgehad. Ongetwijfeld had verordening 2042/73 zelf terugwerkende kracht, maar aangezien zij uitsluitend ten doel had een voordeel toe te kennen aan particuliere personen, kon deze terugwerkende kracht volgens mij niet de ongeldigheid ervan meebrengen.
Op de derde vraag hoef ik helemaal niet in te gaan, omdat die alleen is gesteld voor het geval de eerste of tweede vraag bevestigend wordt beantwoord. Ik mag mijns inziens echter wel wijzen op het onvermogen van verzoeker om een antwoord hierop voor te stellen, hetgeen volgens mij de hopeloosheid onder streept van de stelling die ten aanzien van de eerste vraag werd aangevoerd.
Ik concludeer derhalve dat op de aan het Hof voorgelegde vragen van het Tribunal administratif te Parijs worde geantwoord dat bij onderzoek dier vragen niet is gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening 2042/73.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy