CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 25 OKTOBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is mijns inziens vrij eenvoudig en levert in wezen geen moeilijkheden op. Tijdens de behandeling zijn er echter zo breed opgezette betogen gehouden, dat ik er het Hof meer tijd en aandacht voor moet vragen dan strikt genomen wellicht gerechtvaardigd is.
De zaak betreft een verzoek van de Nederlandse Tariefcommissie om een prejudiciële beslissing. Verzoekster in het hoofdgeding is Enka BV, voorheen Enka Glanzstoff BV en na te noemen „Enka”. Verweerder is de inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Arnhem.
Aan het geschil dat partijen verdeeld houdt, liggen de volgende feiten ten grondslag.
Enka is een onderdeel van de welbekende AKZO-groep. Een andere onderneming van die groep, de Ierse vennootschap Ferenka Ltd., vervaardigt in Ierland staalkoord voor de fabricage van autobanden, met gebruikmaking van staaldraad afkomstig uit de Bondsrepubliek Duitsland. Het staalkoord wordt via Rotterdam verscheept naar een douaneloods in Arnhem die onder beheer staat van Enka, in afwachting van de verkoop aan afnemers binnen of buiten de EEG. Het in de douaneloods opgeslagen staalkoord blijft eigendom van Ferenka Ltd.
Op 28 augustus 1973 sloot Ferenka Ltd. een verkoopovereenkomst met Goodyear SA voor een partij staalkoord, te leveren aan de Goodyearfabriek in Colmar-Berg (Luxemburg). De partij werd geleverd vanuit het entrepot in Arnhem. Ingevolge de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte werden op dat tijdstip nog — weliswaar verminderde — douanerechten geheven bij invoer uit de nieuwe Lid-Staten in de oorspronkelijke Gemeenschap: zie de artikelen 32 en 46 Toetredingsakte. Partijen zijn het erover eens dat de douanewaarde van de partij staalkoord moet worden berekend op basis van de door Goodyear betaalde prijs (197261,97 DM), maar zij twisten voor de Tariefcommissie over een aantal aspecten van die berekening. De prejudiciële vragen van de Tariefcommissie hebben betrekking op slechts één van die aspecten, namelijk of de kosten van opslag in entrepot op de prijs in mindering moeten worden gebracht. Enka zegt van wel, verweerder zegt van niet.
Ik zei zoeven, dat de betogen tijdens de behandeling van de zaak zo breed waren opgezet. Maar tot mijn verbazing is met geen woord gerept over het Verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken, getekend te Brussel op 15 december 1950 en in werking getreden op 28 juli 1953, en dit terwijl de bepalingen van dat Verdrag de grondslag vormen van de in casu toepasselijke wettelijke regelingen.
Zoals bekend, zijn alle Lid-Staten bij genoemd Verdrag aangesloten. Het bevat in bijlage I de zogenoemde „waardedefinitie”, die krachtens artikel II van het Verdrag door alle verdragsluitende partijen in hun wetgeving moest worden opgenomen, en in bijlage II de „Noten voor de interpretatie”, waaraan de verdragsluitende partijen zich ingevolge artikel III bij de toepassing van de waardedefinitie dienen te houden.
Artikel 1 van de waardedefinitie luidt als volgt:
„1.
Voor de heffing van de invoerrechten ad valorem geldt als waarde van goederen ingevoerd om in consumptie te worden gebracht, de normale prijs, dat wil zeggen de prijs die men op het ogenblik dat de invoerrechten invorderbaar worden voor die goederen zou kunnen bedingen, bij een verkoop tot stand gebracht op de vrije markt, tussen onderling onafhankelijke kopers en verkopers.
2.
Bij het bepalen van de normale prijs van ingevoerde goederen, neemt men aan dat:
a)
de goederen aan de koper worden geleverd in de haven of op de plaats van binnenkomst in het invoerland;
b)
de verkoper alle kosten draagt in verband met de verkoop en de levering in de haven of de plaats van binnenkomst, zodat die kosten in de normale prijs zijn begrepen;
c)
de koper de in het invoerland verschuldigde rechten en belastingen draagt, zodat die rechten en belastingen niet in de normale prijs zijn begrepen.”
Er zijn drie punten waarop ik hier extra de aandacht wil vestigen:
1.
De maatstaf voor de douanewaarde is de prijs die voor de goederen kan worden verkregen bij een hypothetische verkoop onder de in de definitie omschreven voorwaarden. Die prijs wordt de „normale prijs” genoemd.
2.
Die hypothetische verkoop wordt geacht te hebben plaatsgevonden „op het ogenblik dat de invoerrechten invorderbaar worden”.
3.
Een bijzonderheid van die hypothetische verkoop is dat „de goederen aan de koper worden geleverd in de haven of op de plaats van binnenkomst in het invoerland” en dat „de verkoper alle kosten draagt in verband met de verkoop en de levering in de haven of de plaats van binnenkomst”, met het gevolg dat hij ze afwentelt op de koper, zodat zij in de normale prijs zijn begrepen.
Ik behoef U niet te vermoeien met de twee andere artikelen van de definitie. Artikel II bevat een uitwerking van het begrip „verkoop op de vrije markt tussen onderling onafhankelijke kopers en verkopers”, terwijl artikel III bepaalt hoe de normale prijs moet worden vastgesteld wanneer de goederen voorwerp zijn van industriële eigendomsrechten. Ik moet echter wel drie van de interpretatieve noten van bijlage II citeren, namelijk noot 1, 2 en 5, die onder de kop „Addendum bij artikel I” staan:
„Noot 1
Het in artikel I, lid 1, bedoelde tijdstip wordt overeenkomstig de wetgeving van elk land bepaald. Zo kan het bij voorbeeld zijn het tijdstip waarop de aangifte van de voor het vrije verkeer bestemde goederen op regelmatige wijze wordt ingeleverd of ingeschreven, het tijdstip waarop de invoerrechten worden betaald of het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven.
Noot 2
De in artikel I, lid 2, alinea b) bedoelde kosten omvatten met name:
—
de vrachtkosten;
—
de assurantiekosten;
—
de commissielonen;
—
de makelaarslonen;
—
de kosten van het opmaken, buiten het land van invoer, van de bescheiden die met het binnenbrengen van de goederen in het land van invoer verband houden, met inbegrip van de kanselarijrechten;
—
de buiten het land van invoer verschuldigde rechten en belastingen, met uitzondering van die waarvan de goederen zijn vrijgesteld of waarvan het bedrag is of zal worden teruggegeven;
—
de prijs van de verpakkingsmiddelen, met uitzondering van die welke voor de heffing van invoerrechten als afzonderlijke artikelen worden aangemerkt, alsmede de kosten van het verpakken (arbeidslonen, kosten van materiaal en andere kosten);
—
de kosten van inlading.
…
Noot 5
De waardedefinitie beoogt in alle gevallen mogelijk te maken dat tot grondslag van de berekening van de invoerrechten wordt genomen de prijs, waarvoor een koper zich de ingevoerde goederen ingevolge een onder voorwaarden van vrije concurrentie tot stand gekomen koop en verkoop zou kunnen verschaffen in de haven of op de plaats van binnenkomst in het land van invoer. Deze definitie heeft een algemene strekking; zij is van toepassing, ongeacht of de ingevoerde goederen al dan niet het voorwerp van een overeenkomst van koop en verkoop hebben uitgemaakt en ongeacht welke de voorwaarden van een zodanige overeenkomst mochten zijn.
De toepassing van die definitie brengt echter een onderzoek mede naar de prijzen die gelden op het tijdstip van bepaling van de waarde. In de praktijk zal dan ook, indien de ingevoerde goederen ingevolge een bona fide overeenkomst van koop en verkoop worden geleverd, de krachtens die overeenkomst betaalde of te betalen prijs in het algemeen als een waardevolle aanwijzing voor de normale prijs in de zin van de definitie kunnen worden beschouwd. Hiervan uitgaande kan de betaalde of te betalen prijs zonder bezwaar tot grondslag voor de bepaling van de waarde worden genomen en wordt de douanebesturen aanbevolen die prijs als de waarde van de desbetreffende goederen aan te nemen, onder voorbehoud:
a)
dat maatregelen worden genomen, ten einde pogingen tot fraude door middel van fictieve of valse prijzen of overeenkomsten te voorkomen; en
b)
dat die prijs wordt aangepast voor zover de koop en verkoop elementen bevat die afwijken van die welke in de waardebepaling in aanmerking zijn genomen.
De in lid b) hierboven bedoelde aanpassingen hebben in het bijzonder betrekking op de vrachtkosten en de andere kosten welke zijn genoemd in lid 2) van artikel I en in noot 2 van het Addendum bij artikel I, alsmede op de kortingen en andere prijsverminderingen die worden verleend aan alle alleen-vertegenwoordigers of aan hen die enig concessiehouder zijn; en op de abnormale kortingen of elke andere vermindering van de bij vrije concurrentie gebruikelijke prijs.”
De verklarende aantekeningen, opgesteld krachtens artikel VI van het Verdrag door het Comité voor de waarde van de Internationale Douaneraad, bevatten de navolgende passage over noot 1:
„Het tijdstip waarop de rechten verschuldigd worden, is in alle douanewetgevingen een feitelijke kwestie. Dit kan bij voorbeeld zijn de datum waarop de aangifte tot verbruik op regelmatige wijze wordt ingeleverd of ingeschreven, of de datum waarop de invoerrechten worden betaald, of de datum waarop de goederen worden vrijgegeven. Deze datum ligt altijd tussen het moment waarop de importeur zijn documenten ter vrijmaking van de goederen aanbiedt, en het moment waarop de goederen daadwerkelijk worden vrijgemaakt. Deze tussentijd is in het merendeel van de gevallen enkele uren of ten hoogste een of twee dagen. De noot voor de interpretatie 1 op artikel I staat deze geringe verschillen tussen de wettelijke bepalingen van de Lid-Staten toe.”
Ten aanzien van noot 5 wordt in de verklarende aantekeningen het volgende opgemerkt:
„Maar hoewel in deze noot wordt bepaald dat de betaalde of te betalen prijs zonder bezwaar tot grondslag kan worden genomen voor de bepaling van de waarde indien de ingevoerde goederen ingevolge een bonafide koop en verkoop worden geleverd, stelt zij daarmee geen tweede norm vast, die in de plaats kan treden van de normale prijs van de definitie. Een dergelijk dualisme zou niet aanvaardbaar zijn, niet alleen omdat de definitie de mogelijkheid van het gebruik van een dubbele norm uitsluit, maar ook omdat de betaalde of te betalen prijs die voortvloeit uit een overeenkomst die op alle punten in overeenstemming is met de voorwaarden van de definitie, slechts de praktische verwezenlijking is van de conceptie zoals die in de definitie is uitgedrukt.”
…
„Goederen die worden vrijgemaakt bij uitslag uit entrepot
De noot voor de interpretatie 5 op artikel 1 kan eveneens worden toegepast wanneer de waarde van de goederen moet worden bepaald bij de aangifte tot verbruik van voorafgaande opslag in entrepot. De op grond van de koop en verkoop, ingevolge welke deze goederen zijn ingevoerd, betaalde of te betalen prijs kan dus een voor hun waardebepaling geschikte grondslag vormen. Het tijdsverloop tussen het tijdstip van deze koop en verkoop en de aangifte ten invoer van de goederen na voorafgaande opslag in entrepot is op zichzelf geen voldoende reden om de prijs niet meer te aanvaarden, maar er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen (een lang verblijf of een verwerking in entrepot, enz.) waardoor de ingevolge deze koop betaalde of te betalen prijs niet langer als een juiste aanwijzing voor de normale prijs kan worden beschouwd. In dat geval dient de waarde van de goederen te worden vastgesteld met inachtneming van de beginselen, uiteengezet in hoofdstuk IX [dat wil zeggen de beginselen die van toepassing zijn wanneer de grondslag voor waardebepaling een andere is dan de betaalde of te betalen prijs]. Men zou bij voorbeeld de werkelijke prijzen op het moment van de aangifte ten verbruik van de goederen als grondslag kunnen bezigen. Bij de waardebepaling van goederen die in entrepot een bewerking hebben ondergaan, kan men, in bepaalde gevallen, een bedrag vaststellen dat de waardevermeerdering die door de bewerking is veroorzaakt, weergeeft en dit bedrag toevoegen aan de prijs, overeengekomen bij de koop en verkoop ingevolge welke de goederen destijds zijn ingevoerd. De toepassing van de noot sluit de mogelijkheid niet uit voor goederen die bij uitslag uit entrepot worden vrijgemaakt, een waarde vast te stellen, op grondslag van de prijs, bedongen bij een koop en verkoop, gesloten tussen het tijdstip van inslag en het tijdstip van vrijmaking bij uitslag van de goederen uit entrepot. In de meeste gevallen zal een dergelijke prijs echter alleen als grondslag voor de waardebepaling kunnen dienen wanneer zij overeengekomen is bij een koop en verkoop ingevolge welke de goederen ten invoer tot verbruik worden aangegeven.”
Mijns inziens volgt uit deze aantekeningen duidelijk dat bij de uitslag van waren uit een entrepot de opslagkosten als zodanig niet tot de normale prijs behoren. Natuurlijk zijn die aantekeningen, anders dan de waardedefinitie en de interpretatieve noten zelf, niet bindend, maar bedoeld „als leidraad bij de toepassing van de definitie” (artikel VI, sub c, van het Verdrag). Maar het opnemen van opslagkosten in de normale prijs lijkt mij niet verenigbaar met de waardedefinitie, welke immers een maatstaf moet geven voor de waarde van goederen op het tijdstip waarop de invoerrechten invorderbaar worden, ongeacht of zij voor onmiddellijk gebruik zijn ingevoerd dan wel eerst onderworpen zijn geweest aan een andere douaneprocedure, zoals opslag in entrepot.
Vanzelfsprekend kan het tijdsverloop de waarde van goederen beïnvloeden, zoals in de verklarende aantekeningen wordt erkend. Niet alleen omdat marktprijzen in het algemeen aan schommelingen onderhevig kunnen zijn, maar ook omdat sommige goederen naar hun aard met verloop van tijd in waarde toenemen (bij voorbeeld bepaalde soorten wijn), terwijl andere aan waarde verliezen (bij voorbeeld de meeste auto's). Maar door tijdsverloop veroorzaakte veranderingen in de waarde van goederen worden gedekt door de bepaling van de waardedefinitie, dat de waardebepaling moet plaatsvinden op het ogenblik waarop de invoerrechten invorderbaar worden, dat wil voor goederen in entrepot zeggen het ogenblik waarop zij worden uitgeslagen.
Het is ook waar dat opslag van goederen de verkoper in staat stelt prompte levering te garanderen en zo een betere prijs te verkrijgen. Het behoeft geen betoog dat wanneer het gaat om goederen die onder de in de definitie beschreven omstandigheden slechts verkoopbaar zijn indien ze prompt kunnen worden geleverd, de definitie deze prompte levering onderstelt. Maar in het algemeen behoort een prijstoeslag voor prompte levering niet tot de normale prijs van de definitie.
Deze heeft immers tot doel een objectieve maatstaf te geven voor de waarde van bepaalde goederen op een bepaald ogenblik en een bepaalde plaats, ongeacht de aard van de omstandigheden van de invoer. Die omstandigheden behoeven zelfs niet van commerciële aard te zijn, bij voorbeeld wanneer de goederen geschonken zijn of door een toerist voor persoonlijk gebruik zijn gekocht. En zelfs wanneer zij wel van commerciële aard zijn, behoeft het nog niet om een koop en verkoop te gaan (voor allerlei mogelijke verschillende omstandigheden zie hoofdstuk IX van de verklarende aantekeningen). Daarbij vergeet ik niet dat het Hof in zaak 22/70 (Edding, Jurispr. 1970, blz. 1035) heeft beslist dat de extra kosten voor luchtvervoer van goederen die normalerwijze en tegen lagere kosten per schip worden vervoerd, in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling van de normale prijs. Om deze zaak te karakteriseren, volstaat het op te merken dat volgens de toelichting van de waardedefinitie in de noten „de vrachtkosten” naar de „haven of plaats van binnenkomst” uitdrukkelijk tot de normale prijs worden gerekend. Maar ik moet erop wijzen dat 's Hofs arrest in die zaak deels gebaseerd was op een advies van het comité voor de waarde, dat later is ingetrokken (advies VIII).
Volgens artikel IV van het Verdrag kan elke verdragsluitende partij de tekst van de waardedefinitie aanpassen a) door daarin zodanige bepalingen van de noten in te voegen als zij nodig acht, en b) door aan die tekst een zodanige wettelijke vorm de geven als noodzakelijk is om daaraan binnen het kader van de nationale wetgeving uitvoering te geven, zo nodig door „het toevoegen van aanvullende bepalingen ter verduidelijking van de strekking van de definitie”.
Het kernstuk van de gemeenschapswetgeving betreffende de bepaling van de douanewaarde van goederen is verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB nr. L 148 van 1968, blz. 6).
In de considerans wordt uitdrukkelijk als doel van deze verordening genoemd de aanpassing van de waardedefinitie en de interpretatieve noten aan de behoeften van de door het EEG-Verdrag in het leven geroepen douane-unie, ten einde te verzekeren dat het gemeenschappelijk douanetarief in alle Lid-Staten eenvormige toepassing vindt.
De waardedefinitie wordt in de artikelen 1 tot 8 der verordening deels overgenomen, deels aangevuld. Artikel 1 luidt als volgt:
„Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is de douanewaarde van in te voeren goederen de normale prijs, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt op het tijdstip, bedoeld in artikel 5, voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.”
Het aldus omschreven begrip wordt uitgewerkt in de artikelen 1, lid 2, en 2 tot en met 8, die de voorwaarden en andere kenmerken van de in artikel 1, lid 1, gepostuleerde hypothetische verkoop tot in bijzonderheden beschrijven.
Zo is artikel 1, lid 2, een letterlijke herhaling van artikel I, lid 2, van de waardedefinitie, met dien verstande dat wordt gesproken van „het douanegebied van de Gemeenschap” en „de plaats van binnenkomst” in plaats van „invoerland” en „de haven of de plaats van binnenkomst”.
Artikel 2 neemt met enige uitbreidingen de tekst van artikel II van de definitie over.
Artikel 3 komt overeen met artikel III van de definitie; er worden alleen wat meer woorden gebruikt.
Artikel 4 bepaalt dat, behoudens uitzonderingen voor goederen waarvan de invoer in verscheidene zendingen geschiedt, „bij het bepalen van de normale prijs ervan wordt uitgegaan dat de koop en verkoop betrekking heeft op de hoeveelheid goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald”.
Artikel 5 luidt:
„Als tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde geldt:
a)
voor goederen welke rechtstreeks tot verbruik worden aangegeven, de datum van ontvangst door de douane van de verklaring waarbij de aangever blijk geeft van zijn wil om die goederen tot verbruik aan te geven;
b)
voor goederen waarvan de aangifte tot verbruik volgt op een andere douane-bestemming, het tijdstip vastgesteld in de besluiten van de Raad of van de Commissie met betrekking tot die andere bestemming, dan wel vastgesteld door de Lid-Staten in overeenstemming met bedoelde besluiten.”
Het is duidelijk dat de Gemeenschap hier gebruik heeft gemaakt van de vrijheid die noot 1 haar laat, overeenkomstig de toelichting daarop in de eerste door mij geciteerde passage van de verklarende aantekeningen. Voor wat de toepassing van de bepaling sub b op de onderhavige zaak betreft, schijnt er behalve de aanstonds te noemen richtlijn geen desbetreffend besluit van Raad of Commissie te bestaan.
Artikel 6 definieert „de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap”. Voor zover hier van belang, is die plaats „voor goederen aangevoerd over zee, de haven van lossing”, in casu dus Rotterdam (niet Arnhem).
Artikel 7 geeft een omschrijving van de kosten bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b; afgezien van enkele onbelangrijke wijzigingen, is de tekst gelijk aan die van noot 2.
Artikel 8 bevat ten slotte bijzondere bepalingen betreffende de transportkosten, die voor de onderhavige zaak niet van belang zijn.
De artikelen 9 en volgende van de verordening vormen de toepassing van de in noot 5 aanvaarde veronderstelling, dat in de praktijk, wanneer de goederen ingevolge een bona fide koopovereenkomst worden geleverd, de ingevolge die overeenkomst betaalde of te betalen prijs, behoudens zekere waarborgen en aanpassingen, in het algemeen als een aanwijzing voor de „normale prijs” kan worden beschouwd en derhalve een basis voor de waardebepaling kan zijn.
Artikel 9 luidt:
„1.
De betaalde of te betalen prijs kan als douanewaarde worden aanvaard indien:
a)
de overeenkomst van koop en verkoop ten uitvoer wordt gebracht binnen de in artikel 10 gestelde termijnen,
b)
de prijs, op het ogenblik dat deze wordt overeengekomen, overeenstemt met prijzen welke zijn bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn, en
c)
die prijs zo nodig wordt aangepast, indien de desbetreffende koop en verkoop elementen bevat die afwijken van die welke aan de definitie van de normale prijs ten grondslag liggen.
2.
De aanpassingen bedoeld in lid 1, letter c), hebben in het bijzonder betrekking op:
a)
de in artikel 1, lid 2, bedoelde kosten,
b)
prijsverminderingen, die uitsluitend worden toegestaan aan alleenvertegenwoordigers of aan enig ander natuurlijk persoon of rechtspersoon die onder vergelijkbare omstandigheden handelt,
c)
abnormale kortingen, alsmede iedere andere vermindering op de gebruikelijke concurrentieprijs.”
Artikel 10, lid 1, bepaalt:
„De betaalde of te betalen prijs kan worden aanvaard voor de toepassing van artikel 9 mits tussen de datum van de overeenkomst van koop en verkoop en het tijdstip bedoeld in artikel 5, sub a) of b), geen langere termijn den zes maanden is gelegen.”
De leden 2 tot en met 5 bevatten vervolgens uitzonderingen op deze algemene regel, ingevolge waarvan in bepaalde omstandigheden langere termijnen („toleranties”) kunnen worden toegestaan. Lid 6 regelt de verlenging van de termijn in geval van overmacht, en lid 7 bepaalt dat:
„de toleranties, bedoeld in de leden 1 tot en met 5, in perioden van abnormale prijsschommelingen kunnen worden geschorst volgens de procedure van artikel 17.”
Ik behoef U niet te vermoeien met de bijzonderheden van die procedure, noch trouwens met de overige bepalingen van de verordening.
Op 4 maart 1969 stelde de Raad richtlijn nr. 69/74/EEG vast „inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot het stelsel van douane-entrepots” (PB nr. L 58 van 1969). Uit de considerans en de eerste artikelen blijkt dat ten tijde van de vaststelling van de richtlijn in alle Lid-Staten douane-entrepots bestonden, en dat het daarin opslaan van goederen overal als gevolg had dat douanerechten (en andere invoerbelastingen en -heffingen) eerst werden geheven wanneer de goederen weer werden uitsgeslagen, maar dat niettemin de op die depots van toepassing zijnde bepalingen in velerlei opzicht harmonisatie behoefden. In casu lijkt alleen artikel 10 van de richtlijn voor ons van belang.
Lid 1 hiervan bepaalt als volgt:
„Behoudens het bepaalde in lid 2, worden, wanneer de in entrepot opgeslagen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, de bij invoer verschuldigde douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen geheven naar de op de datum van uitslag geldende percentages of bedragen, zulks naar de soort en op de grondslag van de douanewaarde en de hoeveelheid welke te dien einde door de douane als juist erkend of aanvaard zijn.”
Er is gezegd dat deze bepaling de Lid-Staten een zekere vrijheid laat met betrekking tot het tijdstip van de waardebepaling. In zekere zin is dit misschien juist, namelijk in zoverre zij de geringe vrijheid die zij ingevolge het Verdrag van Brussel hebben, behouden (een vrijheid die niet verder gaat dan „in het merendeel van de gevallen enkele uren of ten hoogste een of twee dagen”). Maar afgezien daarvan, is het tijdstip voor de waardebepaling van goederen die uit een entrepot in het vrije verkeer worden gebracht, stellig het tijdstip van uitslag en niet bij voorbeeld het tijdstip van opslag in het entrepot. Want het punt waar het bij entreposage nu juist om draait, is dat douanerechten (en andere invoerbelastingen en -heffingen) eerst worden geheven wanneer de goederen uit het entrepot worden weggehaald. De maatstaf voor de douanewaarde van die goederen is dan ook hun normale prijs op het ogenblik van uitslag.
Dit wil niet zeggen dat als de krachtens de koopovereenkomst betaalde of te betalen prijs als grondslag van de waarderegeling wordt genomen, die overeenkomst noodzakelijkerwijze tot stand moet zijn gekomen op het tijdstip waarop de goederen uit het entrepot worden uitgeslagen. Noodzakelijk is slechts dat het een overeenkomst is waarbij de betaalde of te betalen prijs kan worden aanvaard als uitgangspunt voor de berekening van de normale prijs op dat moment. Vandaar de bepalingen van artikel 10, lid 2, welke luiden als volgt:
„Bij het in aanmerking nemen van de betaalde of te betalen prijs voor het bepalen van de douanewaarde gelden de volgende bijzondere bepalingen:
a)
behoudens het bepaalde in artikel 9 van verordening (EEG) nr. 803/68 … kan de betaalde of te betalen prijs zijn ofwel de verkoopprijs betrekking hebbende op opslag in entrepot ofwel de prijs bij een wederverkoop, mits het in beide gevallen een op de Gemeenschap gerichte prijs betreft;
b)
indien de datum van opslag in entrepot in aanmerking wordt genomen, wordt rekening gehouden met de abnormale prijsschommelingen, welke tijdens de opslag aanleiding hebben gegeven tot toepassing van de in artikel 10, lid 7, van verordening (EEG) nr. 803/68 bedoelde schorsing van de toleranties. Wanneer de opslag meer dan twee jaar duurt, wordt eveneens rekening gehouden met de overige prijsschommelingen;
c)
indien de datum van uitslag uit het entrepot in aanmerking wordt genomen, dan worden de in artikel 10 van verordening (EEG) nr. 803/68 bedoelde toleranties vergroot met de duur van de opslag, wanneer deze niet meer dan twee jaar beloopt;
d)
in de douanewaarde moeten niet worden begrepen: de kosten voor opslag en bewaring in goede staat van de goederen tijdens hun verblijf in de entrepots, die een koper draagt, wanneer de door hem betaalde of te betalen prijs basis voor de waardebepaling is.”
Dit lid beoogt niet een uitputtende regeling te geven betreffende de methoden voor de berekening, op basis van de betaalde of te betalen prijs, van de douanewaarde van goederen die vanuit een entrepot in het vrije verkeer worden gebracht. Het bevat slechts bijzondere aanpassingen van en aanvullingen op hetgeen in de artikelen 9 en 10 van verordening nr. 803/68 is bepaald. Wat in casu van bijzonder belang is, is uiteraard het gedeelte sub d, waarbij de kosten voor opslag en bewaring in goede staat van de goederen tijdens hun verblijf in het entrepot buiten de douanewaarde worden gehouden.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Hof onder meer een vraag gesteld over de betekenis van de woorden „de kosten … die een koper draagt” in lid 2, sub d. Mijns inziens betekenen zij eenvoudig dat, indien die kosten ingevolge de desbetreffende koopovereenkomst voor rekening van de verkoper zijn en niet in de betaalde of te betalen prijs zijn inbegrepen, die prijs niet met de opslagkosten behoeft te worden verhoogd om tot de normale prijs te komen. Alleen wanneer die kosten ten laste van de koper worden gebracht, kan zo'n aanpassing vereist zijn.
Om uitvoering te geven aan artikel 10, lid 2, sub d, werd in 1969 in de desbetreffende Nederlandse regeling, het Tariefbesluit 1960, een nieuw artikel 16 g ingevoegd dat, zoals gewijzigd in 1970, luidt als volgt:
„Voor de waardebepaling van goederen welke worden uitgeslagen uit entrepots en uit inrichtingen voor voorlopige of tijdelijke opslag, gelden bij het in aanmerking nemen van de betaalde of te betalen prijs, de volgende bijzondere bepalingen:
…
c)
de betaalde of te betalen prijs die basis voor de waardebepaling is, dient niet te worden aangepast in verband met de kosten voor opslag en bewaring van de goederen tijdens hun verblijf in de entrepots of inrichtingen.”
Voor de Tariefcommissie schijnen partijen elkaar niet te hebben kunnen vinden ter zake van de uitlegging zowel van deze bepaling als van artikel 10, lid 2, sub d, van de richtlijn, en het liep erop uit dat de Tariefcommissie de navolgende — enigszins verkort weergegeven — vragen aan het Hof stelde:
„1.
Is het bepaalde in artikel 10, tweede lid, sub d, van richtlijn nr. 69/74 van de Raad van 4 maart 1969 van zodanig specifieke aard, dat het als rechtstreeks verbindend kan worden aangemerkt, anders gezegd, directe werking heeft?
2.
Zo ja, is dan de redactie van artikel 16g van het Tariefbesluit 1960 een adequate weergave van de tekst van artikel 10 van eerder genoemde richtlijn?
3.
Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, dient dan artikel 10, lid 2, sub d, van de richtlijn aldus te worden uitgelegd, dat de betaalde of te betalen prijs die basis voor de waardebepaling is, moet worden verminderd met de kosten van opslag van de goederen in entrepot?”
Aangezien de tweede vraag klaarblijkelijk betrekking heeft op de uitlegging van artikel 16g van het Tariefbesluit, ligt het niet op de weg van het Hof ze te beantwoorden. Bij de beantwoording van de derde vraag evenwel kan het de Tariefcommissie voldoende gegevens verschaffen over de betekenis van artikel 10, lid 2, sub d, van de richtlijn om die instantie in staat te stellen zelf uit te maken in hoeverre artikel 16g daarmee overeenstemt. Het lijkt mij het beste eerst de derde vraag te behandelen en het probleem van de directe werking van artikel 10, lid 2, sub d, tot het laatst te bewaren.
Voor het Hof hebben zowel Enka als de Commissie betoogd dat, kort gezegd, artikel 10, lid 2, sub d, niets anders bedoelt dan wat het zegt.
De Nederlandse regering schijnt evenwel van mening te zijn dat artikel 10, lid 2, sub d, in werkelijkheid een zeer beperkte strekking heeft, namelijk uit te sluiten dat, in de zeldzame gevallen waarin de opslagkosten afzonderlijk worden gefactureerd of rechtstreeks door de koper worden betaald, de krachtens de verkoopovereenkomst betaalde of te betalen prijs in bovendan wel in benedenwaartse richting met die opslagkosten wordt aangepast.
Voor deze opvatting werden de volgende argumenten aangevoerd. De douanewaarde van goederen is hun normale prijs, dat wil zeggen de prijs die kan worden bedongen bij een koop en verkoop op de vrije markt tussen onderling onafhankelijke kopers en verkopers. De waardebepaling aan de hand van de krachtens de concrete verkoopovereenkomst betaalde of te betalen prijs is niet meer dan een handzame administratieve methode om de normale prijs vast te stellen. De prijs die op de vrije markt tussen onderling onafhankelijke kopers en verkopers kan worden bedongen, wordt bepaald door de wet van vraag en aanbod, en niet door een kostenanalyse. De koper heeft geen boodschap aan de kosten die de verkoper eventueel heeft gemaakt. Met name heeft hij er geen boodschap aan of levering plaatsvindt vanuit een douane-entrepot of rechtstreeks vanaf het schip. Kosten voor opslag in entrepot kunnen dus geen invloed hebben op de normale prijs en mitsdien ook niet op de douanewaarde.
Het zal U duidelijk zijn dat dit betoog hoofdzakelijk op een economischtheoretisch uitgangspunt berust. Ik vermoed dat zelfs een econoom het al te simplistisch zal vinden, want in de praktijk hebben de kosten wel degelijk invloed op de prijzen. Het is volkomen normaal dat een handelaar bij zijn prijsstelling een door hem redelijk geachte winstmarge op zijn kosten legt. Het gaat ons hier echter niet om economische theorieën, maar om de uitlegging van de toepasselijke douanewetgeving en deze wetgeving houdt zich ontegenzeglijk ook gedetailleerd met kosten bezig.
De Nederlandse regering erkende dat een handelaar die goederen in een entrepot heeft liggen en daardoor prompt kan leveren, om die reden vaak een hogere prijs kan krijgen. En zie ik het goed, dan erkende zij ook dat — in haar redenering — identieke goederen op een zelfde dag een verschillende douanewaarde kunnen hebben naar gelang zij rechtstreeks dan wel vanuit een entrepot in het vrije verkeer worden gebracht. Dat verschil zou in het algemeen leiden tot een verschil in de leveringsvoorwaarden van de concrete overeenkomsten betreffende de in te klaren goederen, met andere woorden — ceteris paribus — een verschil in de datum van die overeenkomsten. Hieruit blijkt wel dat die opvatting niet de juiste kan zijn, want dat verschil kan zich niet voordoen tussen de voorwaarden van de hypothetische overeenkomsten die bepalend zijn voor de normale prijs van die goederen. Voorts erkende de Nederlandse regering dat haar opvatting medebrengt dat men de woorden „die een koper draagt” in artikel 10, lid 2, sub d, zou moeten lezen als „die aan een koper in rekening worden gebracht”. Ik zie geen reden om de bewoordingen van dat artikel zulk geweld aan te doen.
Dit betekent niet dat ik artikel 10, lid 2, sub d, aldus zou willen uitleggen dat bij goederen die in entrepot zijn geweest, de opslagkosten automatisch en volledig in mindering moeten worden gebracht op de betaalde of te betalen prijs wanneer deze als basis voor de waardebepaling dient. Of en in hoeverre dat moet gebeuren, hangt van de omstandigheden af. Zij moeten worden afgetrokken indien en voor zover zij de goederen duurder hebben gemaakt dan deze anders zouden zijn geweest, want alleen dan kan men zeggen dat zij op de koper zijn afgewenteld of door hem worden „gedragen”. Dit is de opvatting van de Commissie, welke mij alleszins juist voorkomt.
En nu de vraag betreffende de rechtsstreekse werking van artikel 10 van de richtlijn, waarover alleen de Commissie opmerkingen heeft ingediend, zodat ik over dit onderwerp vrij kort kan zijn.
Ik behoef niet te herhalen wat het Hof in vroegere arresten — inzonderheid zaak 41/74 (Van Duyn, Jurispr. 1974, blz. 1337) en zaak 51/76 (VNO, Jurispr. 1977, blz. 113) — over de rechtstreekse werking van richtlijnen heeft gezegd. Evenmin behoef ik in te gaan op het argument van de Commissie dat het litigieuze artikel in werkelijkheid slechts een aanvulling is van verordening nr. 803/68. Waarop het hier aankomt, is dit. Weliswaar laat artikel 189 EEG-Verdrag de Lid-Staten de bevoegdheid „vorm en middelen” te kiezen voor het ten uitvoer leggen van een richtlijn, maar het laat hun niet de keus om een richtlijn niet of slechts gedeeltelijk uit te voeren. Integendeel; „een richtlijn”, aldus artikel 189 woordelijk, „is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is”. Een Lid-Staat die verzuimt een richtlijn volledig ten uitvoer te leggen, handelt in strijd met het Verdrag; wanneer die staat — zich manifesterende in zijn uitvoerende en adminstratieve organen — zich dan voor zijn eigen rechters in gedingen tegen particulieren op dat verzuim zou mogen beroepen, dan komt dat erop neer dat hij zichzelf in het ongelijk stelt. Reeds om die reden meen ik dat, indien artikel 16g van het Tariefbesluit artikel 10 van de richtlijn geen volledige werking geeft, verweerder in het hoofdgeding zich niet daarop kan beroepen ten einde van Enka hogere invoerrechten te verlangen dan ingevolge de richtlijn is toegestaan.
Concluderende geef ik het Hof in overweging de vragen van de Tariefcommissie te beantwoorden als volgt:
1.
Artikel 10, lid 2, sub d, van 's Raads richtlijn nr. 69/74 van 11 maart 1969 heeft rechtstreekse werking, in zoverre een Lid-Staat die de bepalingen van die richtlijn niet volledig in zijn nationale wetgeving heeft geëffectueerd, dit verzuim in gedingen tegen particulieren voor de nationale rechter niet kan inroepen.
2.
Artikel 10, lid 2, sub d, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de betaalde of te betalen prijs aan de waardebepaling ten grondslag is gelegd, de kosten van opslag in entrepot op die prijs in mindering moeten worden gebracht indien en voor zover de omstandigheid dat die kosten zijn gemaakt, de goederen duurder heeft gemaakt dan zij anders zouden zijn geweest.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy