CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 18 OKTOBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
Deze zaak komt voor het Hof door een verwijzingsbeschikking van een Divisional Court van de Queen's Bench Division van het High Cout of Justice van Engeland en Wales.
De feiten zijn als volgt.
De heer Kelly, van Britse nationaliteit, die nu in de zestig is, was in het Verenigd Koninkrijk als lid van de strijdkrachten of als werknemer van 1933 tot 1971 verzekerd geweest onder de sociale zekerheidswetgeving, afgezien van de jaren 1947 tot 1951 die hij in Duitsland doorbracht. In 1971 ging hij terug naar Duitsland, waar hij heeft gewerkt en was verzekerd tot juni 1973 toen hij ziek werd, naar het schijnt chronisch. Hij woont nog steeds in Duitsland. Hij kreeg daar ziekengeld van augustus 1973 tot juli 1974, en ontving vervolgens een klein Duits invaliditeitspensioen, berekend naar de nogal korte periode dat hij in Duitsland verzekerd was geweest.
In 1974 werd namens Kelly een aanvraag tot betaling van een Brits invaliditeitspensioen ingediend (ik zeg „Brits” in plaats van „Verenigd Koninkrijk” omdat de wetgeving waaronder hij aanspraak maakte op het pensioen alleen geldt in Groot-Brittannië. Noord-Ierland heeft, naar ik begrijp, zijn eigen sociale zekerheidswetgeving).
Op 19 juni 1974 besliste de bevoegde Insurance Officer dat Kelly geen recht had op Brits invaliditeitspensioen, daar hij geen Brits ziekengeld had ontvangen. Volgens de desbetreffende Britse bepalingen — zoals uiteengezet bij de mondelinge behandeling — krijgt men bij een arbeidsongeschiktheid allereerst ziekengeld. Als de ongeschiktheid langer dan 168 dagen duurt, krijgt hij in plaats daarvan recht op een (hoger) invaliditeitspensioen. De desbetreffende bepalingen ten tijde van Kelly's verzoek waren section 19 van de National Insurance Act 1965 en section 3 van de National Insurance Act 1971. Die bepalingen zijn thans, zonder inhoudelijke wijziging, vervangen door de sections 14 en 15 van de algemene Social Security Act 1975. Aangenomen wordt dat volgens het systeem van de Britse wetgeving het bestaan van een recht op ziekengeld gedurende 168 dagen een voorwaarde is voor het recht op invaliditeitspensioen. De uitbetaling van een Duits invaliditeitspensioen wordt inzoverre niet beschouwd als vervulling van die voorwaarde.
Tegen de beslissing van de Insurance Officer ging Kelly in beroep bij het Local Tribunal de Newcastle-upon-Tyne dat op 3 juni 1975 zijn beroep verwierp onder bevestiging van het standpunt van de Insurance Officer.
Daarop wendde Kelly zich tot een National Insurance Commissioner die hem in het gelijk stelde. Op 11 maart 1976 gaf de National Insurance Commissioner een beslissing waarbij hij de uitspraak van het Local Tribunal vernietigde en bepaalde dat Kelly recht had op een Brits invaliditeitspensioen krachtens artikel 46, lid 2, van 's Raads verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 149 van 5. 7. 1971)
De National Insurance Commissioner gaf toe dat onder de enkele Britse wetgeving Kelly geen recht had op invaliditeitspensioen omdat hij geen recht had gehad op ziekengeld. De Commissioner merkte op dat er onder die wetgeving minstens twee hinderpalen in de weg stonden aan de uitbetaling van ziekengeld aan Kelly. Ten eerste voldeed hij niet aan de betrokken premievoorwaarden, daar hij geen National Insurance premie had betaald over een periode die dicht genoeg lag bij de datum waarop hij ziek werd (zie omtrent die premievoorwaarden nader paragraaf 1 van Annex 2 bij de National Insurance Act 1965, nu vervangen door paragraaf 1 van Annex 3 bij de Social Security Act 1975). Ten tweede kan iemand onder de Britse wetgeving geen uitkering ontvangen gedurende de tijd dat hij niet in Groot-Brittannië verblijft (zie section 49, lid 1, a, van de National Insurance Act 1965, nu vervangen door section 82, lid 5, a, van de Social Security Act 1975 — er waren uitgezonderingen op deze laatste regel, maar die golden niet in het geval van Kelly). Het schijnt dat de Insurance Officer ook nog in aanmerking heeft genomen dat Kelly geen ziekengeld kon ontvangen omdat hij geen verzoek daartoe had ingediend op de voorgeschreven wijze en binnen de voorgeschreven tijd (zie hiervoor section 48 van de National Insurance Act 1965 en de National Insurance (Claims and Payments) Regulations 1971 (S.I. 1971 No. 707), nu vervangen door section 79 van de Social Security Act 1975 en de Social Security (Claims and Payments) Regulations 1975 (SI. 1975 No. 560).
In wezen besliste de Commissioner dat de bezwaren tegen de betaling van invaliditeitspensioen aan Kelly terzijde werden gesteld door de bepalingen van verordening nr. 1408/71.
In zijn overwegingen is de Commissioner nog ingegaan op de vraag of de voorwaarde voor een recht op Brits invaliditeitspensioen — namelijk dat er een voorafgaand recht bestond op een Britse ziekengelduitkering — verenigbaar was met artikel 51 EEG-Verdrag respectievelijk krachtens het gemeenschapsrecht moest worden geacht door Kelly te zijn vervuld wegens zijn ontvangst van een Duitse ziekengelduitkering. De Commissioner verwees in dat verband naar de conclusie van advocaat-general Trabucchi in zaak 20/75 D'Amico t. LVA Rheinland-Pfalz (Jurispr. 1975, blz. 901). Uiteindelijk vond de Commissioner het echter niet nodig zich over deze vragen uit te spreken gezien zijn standpunt inzake de uitlegging van de desbetreffende bepalingen van verordening nr. 1408/71.
Zoals U weet, wordt in hoofdstuk 2 van titel III van die verordening betreffende invaliditeit, rekening gehouden met de omstandigheid dat in de Lid-Staten twee verschillende types wetgeving bestaan met betrekking tot invaliditeitsuitkeringen: „type A”, waarbij het bedrag van de invaliditeitsuitkering onafhankelijk is van verzekeringstijdvakken en „type B” waarbij het bedrag van de uitkering wel afhankelijk is van de duur van verzekeringstijdvakken. De rechten van een werknemer die achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan wetgevingen van uitsluitend type A worden behandeld in artikel 37 tot en met 39, terwijl in het geval van een werknemer die achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan wetgevingen waarvan tenminste een van „type B” is, artikel 40 voorschrijft dat de bepalingen van hoofdstuk 3, betreffende „ouderdom en overlijden (pensioenen)” van overeenkomstige toepassing zijn. Wat nu de onderhavige zaak betreft, is de Britse wetgeving van type A, maar de Duitse van type B, zodat artikel 40 hier speelt.
Van de bepalingen van hoofdstuk 3 die aldus relevant worden, zijn de belangrijkste artikel 45, lid 1, en artikel 46. Beide zijn successievelijk gewijzigd door de Toetredingsakte (Bijlage I, punt IX, 1)) en door 's Raads verordening (EEG) nr. 2864/72 (PB L 306 van 31. 12. 1976). Evenals de National Insurance Commissioner, zal ik uitgaan van de gewijzigde tekst.
Artikel 45, lid 1, bepaalt, na wijziging:
„Het orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.”
De National Insurance Commissioner nam, zoals ik uit zijn redenering begrijp, het standpunt in dat kort gezegd artikel 45, lid 1, twee obstakels voor Kelly's aanspraak op een Britse invaliditeitsuitkering wegneemt. Ten eerste konden door die bepaling de verzekeringstijdvakken die hij in Duitsland had vervuld, worden meegeteld, alsof zij in Groot-Brittannië waren vervuld, zodat hij geacht kon worden aan de vereiste premievoorwaarden te hebben voldaan. Ten tweede kon de tijd van zijn verblijf in Duitsland worden aangemerkt als tijd van verblijf in Groot-Brittannië, zodat zijn feitelijke afwezigheid uit Groot-Brittannië kon worden veronachtzaamd. De enige moeilijkheid die de Commissioner nog had (en volgens mij de voornaamste moeilijkheid in deze zaak) was dat artikel 45, lid 1, niet met zoveel woorden toeliet nu ook nog aan te nemen dat Kelly gedurende de vereiste 168 dagen recht had gehad op een Britse ziekengelduitkering.
Op dit punt heeft de Commissioner zich laten leiden door overwegingen die ik eerlijk gezegd moeilijk te volgen vind. Constaterend dat hij hier alleen met artikel 45, lid 1, niet uitkwam, wendde hij zich tot artikel 46.
Lid 1 van dat artikel bepaalt voor welke uitkering een werknemer in aanmerking komt „indien is voldaan aan de door deze wettelijke regeling gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen zonder dat daarbij artikel 45 behoeft te worden toegepast”. Om dit lid kan het natuurlijk niet gaan in een zaak als de onderhavige. Artikel 46, lid 2, bepaalt het volgende:
„Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer onderworpen is geweest, past de onderstaande regels toe, indien de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 zijn vervuld:
a)
het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer onderworpen is geweest, in de betrokken Lid-Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b)
op basis van het in de vorige alinea bedoelde theoretische bedrag stelt het orgaan vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld;
c)
…
d)
…”
De Commissioner nam aan dat de alinea's a) en b) als nadere verklaring van artikel 45, lid 1, dienen en dat onmogelijk valt te zeggen of iemand ergens recht op heeft krachtens artikel 45, lid 1, zonder de in die alinea's voorgeschreven berekeningen te maken. Uitgaande van de onderstellingen die zijn 'te maken op grond van artikel 45, lid 1, dat wil zeggen die van een doorgaande verzekering en een doorgaand verblijf in Groot-Brittannië, zou Kelly, mits hij een deugdelijke aanvraag had ingediend, recht hebben gehad op ziekengeld gedurende 168 dagen en daarna op een invaliditeitsuitkering. De berekening krachtens artikel 46, lid 2, a), geeft daartoe een „theoretisch uitkeringsbedrag” aan. Het feit dat door Kelly geen feitelijk verzoek om ziekengeld was ingediend, kan niet terzake doen daar de berekening betrekking had op een „theoretisch” bedrag op een hypothetische basis. Aan de hand van dat theoretische bedrag kon het „werkelijke uitkeringsbedrag” van de invaliditeitsuitkering worden vastgesteld overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b).
De Insurance Officer verzoekt nu de Queen's Bench Division om een „order of certiorari” tot nietigverklaring van de beslissing van de National Insurance Commissioner op grond dat zij rechtens onjuist is. Bij beschikking van 15 februari 1977 legde het Divisional Court aan het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag de volgende vragen voor:
„Indien de wettelijke regeling van een Lid-Staat als voorwaarde voor een aanspraak op invaliditeitspensioen stelt dat de betrokkene krachtens die regeling recht op ziekteuitkeringen moet hebben gehad gedurende in totaal 168 dagen in de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode, welke voorwaarde, voorzover ter zake dienend, afhankelijk is van a) de vervulling van verzekeringstijdvakken en b) de indiening van een aanvraag daartoe op de voorgeschreven wijze en binnen de gestelde termijn,
(i)
staat dan artikel 51 EEG-Verdrag in de weg aan de toepassing van zodanige voorwaarde op een geval als bedoeld in de artikelen 40, 45 of 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71?
(ii)
heeft het bepaalde in
a)
artikel 45 of
b)
artikel 46
betrekking op een zodanige wettelijke regeling?
(iii)
is het volgens de artikelen 40, 45 en 46 — of volgens een dezer artikelen —
a)
mogelijk bedoelde voorwaarde als geheel of gedeeltelijk vervuld te beschouwen; of
b)
noodzakelijk bedoelde voorwaarde geheel of gedeeltelijk ter zijde te stellen,
en zo ja, in hoeverre?”
Ik zou deze vragen van twee kanten willen bezien:
1.
de uitlegging van het Verdrag, met name artikel 51;
2.
de uitlegging van verordening nr. 1408/71, met name de artikelen 45 en 46.
De uitlegging van het Verdrag, met name artikel 51
Het is opvallend in deze zaak dat Kelly niet is verschenen en ook niet vertegenwoordigd was voor de National Insurance Commissioner, voor het Divisional Court of voor het Hof. Wat het Hof betreft, heeft hij slechts aan de griffier geschreven dat hij niets wezenlijks kon „toevoegen aan de informatie die reeds was verstrekt aan de rechtscolleges en de verzekeringsautoriteiten in Engeland”. Het Divisional Court had echter de bijstand van een Amicus cureae en het lijkt mij, alhoewel wij dit natuurlijk niet weten, dat de eerste vraag van het Divisional Court voortkwam uit een door hem naar voren gebracht argument dat zeer wel zelf gesuggereerd kan zijn door de opmerkingen van de National Insurance Commissioner waarnaar ik heb verwezen.
In ieder geval zijn de Insurance Officer en de Commissie (de enigen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend) het erover eens dat artikel 51 van het Verdrag zich niet verzet tegen de bepaling in de wetgeving van een Lid-Staat, welke als voorwaarde voor een aanspraak op invaliditeitspensioen stelt dat de betrokken persoon onder diezelfde wetgeving recht moet hebben gehad op ziekengelduitkering gedurende een bepaald aantal dagen in de onmiddelijk voorafgaande periode.
Hiertoe baseren zij zich in zekere zin op de beslissing van het Hof in de zaak D'Amico. Mij dunkt echter dat die hier niet ter zake doet. Volgens die beslissing is het niet onverenigbaar met het gemeenschapsrecht wanneer in de wetgeving van een Lid-Staat wordt bepaald dat voor de verwerving van een vervroegd ouderdomspensioen de betrokkene gedurende een bepaalde periode als werkloos geregistreerd moet zijn geweest in die staat. Maar de kern van de beslissing lag in de overweging dat de betrokken gemeenschapsverordeningen zelf ervan uitgingen dat een recht op een werkloosheidsuitkering in het algemeen deed veronderstellen dat de betrokkene zich bereid hield voor werk, wanneer zo'n uitkering werd verzocht. Een dergelijke overweging is hier niet ter zake. Het feit dat iemand ziekengeld ontvangt kan niet beschouwd worden als een soort wederkerigheid voor de uitbetaling van invaliditeitsuitkering later.
Volgens mij is echter zonder enige twijfel juist dat — zoals de Insurance Officer en de Commissie eveneens opmerken — artikel 51 geen rechtstreekse werking heeft, in die zin dat het als zodanig aan particulieren rechten kan verlenen, die zij voor de rechters van Lid-Staten kunnen inroepen. Het enige wat artikel 51 met zoveel woorden zegt, is dat de Raad een bevoegdheid, en een verplichting krijgt om bepaalde maatregelen vast te stellen. Derhalve kan, wat dit artikel aangaat, alleen de vaststelling van die maatregelen door de Raad voor een werknemer een recht meebrengen, dat hij voor een nationale rechter kan inroepen.
Ook in de conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in de zaak D'Amico vind ik niets dat doet twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. Zoals ik die conclusie lees, leidde advocaat-generaal Trabucchi uit bepaalde eerdere beslissingen van het Hof een algemeen beginsel af dat een Lid-Staat onder bepaalde omstandigheden, zelfs bij ontbreken van enige specifieke bepaling daaromtrent, feiten op het grondgebied van een andere Lid-Staat moet beschouwen als feiten op zijn eigen grondgebied, ook al doen volgens zijn wetgeving die feiten alleen ter zake, wanneer die op zijn eigen grondgebied plaatsvinden. Overeenkomstig een dergelijk beginsel zou hier van het Verenigd Koninkrijk verlangd kunnen worden de uitbetaling aan Kelly van een Duitse ziekengelduitkering te behandelen als gelijkstaand aan de uitbetaling van een Britse ziekengelduitkering. Als zo een beginsel bestaat, kan het echter niet rechtstreeks uit artikel 51 worden afgeleid en advocaat-generaal Trabucchi stelde dat ook niet. Van de beslissingen waarnaar hij verwees waren er twee, namelijk zaak 15/69 Württembergische Milchverwertung — Südmilch AG t. Ugliola (Jurispr. 1969, blz. 363) en zaak 152/73 Sotgiu t. Deutsche Bundespost (Jurispr. 1974, blz. 153), gebaseerd op het beginsel van non-discriminatie, vervat in artikel 48 van het Verdrag en in bepaalde verordeningen van de Raad die hier niet ter zake doen, terwijl de derde zaak, zaak 2/72 Murru t. Caisse Régionale d'Assurance Maladie de Paris (Jurispr. 1972, blz. 333) ging om de uitlegging van artikel 1, sub r), van verordening nr. 3, dat de voorganger was van artikel 1, sub s) van verordening nr. 1408/71. Derhalve moet voor de gelding van het algemene beginsel dat advocaat-generaal Trabucchi stelde, ten minste worden aangetoond, dat zich anders een in artikel 48 verboden soort discriminatie jegens een migrerende werknemer zou voordoen. Daar ik op basis van de uitlegging van verordening nr. 1408/71 tot een standpunt ben gekomen dat in zijn resultaat overeenstemt met dat van de National Insurance Commissioner, en daar bovendien het Divisional Court geen vragen heeft gesteld over de uitlegging van artikel 48, behoef ik niet verder in te gaan op dit onderwerp.
Ik ga over tot de vragen over de uitlegging van verordening nr. 1408/71.
De uitlegging van verordening nr. 1408/71, met name de artikelen 45 en 46
Het lijkt mij duidelijk dat indien verordening nr. 1408/71 aan Kelly geen recht kan verschaffen op een Brits invaliditeitspensioen, zij in dat opzicht grovelijk haar doel heeft gemist. Dit wordt zowel door de Insurance officer als door de Commissie erkend. Volgens beiden echter vertoont de verordening op dit punt een leemte die alleen kan worden opgevuld door een nadere regeling. Zij wijzen op een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van de verordeningen nr. 1408/71 en 574/72, welk voorstel is opgemaakt na raadpleging van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers en door de Commissie is voorgelegd aan de Raad op 30 juni 1977 (PB C 161 van 19. 7. 1977, blz 2). Deze ontwerpverordening voorziet onder meer in de toevoeging van een nieuw lid aan artikel 40 van verordening nr. 1408/71, waardoor het mogelijk zou worden om in een geval als dit (in het kort en voor zover terzake doende) ziekengeld dat in één Lid-Staat is ontvangen, te beschouwen als ontvangen in een andere. Dit nieuwe lid zou terugwerkende kracht krijgen tot 1 juli 1976. Het feit echter dat een nieuwe regeling is voorgesteld, kan voor het Hof geen relevante overweging zijn bij de uitlegging van de bestaande regeling.
U zult hebben opgemerkt dat van de twee belangrijkste hinderpalen die de National Insurance Commissioner in Kelly's weg zag liggen om een Britse ziekengelduitkering te krijgen, namelijk 1) het feit dat hij niet had voldaan aan de premievoorwaarden en 2) het feit dat hij gedurende de bewuste periode niet in Groot-Brittannië heeft gewoond, alleen de eerste door het Divisional Court wordt betrokken in zijn vragen aan het Hof. Men zou hieruit kunnen afleiden dat om de een of andere reden die het Hof niet behoeft na te gaan, het Divisional Court geen belang hecht aan de tweede. Niettemin is voor het Hof zowel door de Insurance officer als door de Commissie betoogd dat de verwijzingen in artikelen 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 naar „tijdvakken van wonen” niet de werking kunnen hebben die de National Insurance Commissioner eraan toekent. Dit betoog werd gebaseerd op het feit dat die verwijzingen evenals de definitie van „tijdvakken van wonen” in artikel 1, sub s, a), van de verordening zijn aangebracht bij de Toetredingsakte, en op het verschil tussen de bewoordingen van die bepalingen in de Toetredingsakte en hun bewoordingen zoals die luiden na vervanging door verordening nr. 2864/72. Als ik het betoog wel heb begrepen, heeft het logischerwijs tot gevolg dat de Commissioner gelijk zou hebben gehad als Kelly naar Denemarken was gegaan in plaats van naar Duitsland, maar dat hij ongelijk heeft, nu de Duitse sociale zekerheidswetgeving geen „tijdvakken van wonen” kent of erkent. Waarom de opstellers van de verordening zouden hebben gewild dat de rechten van een werknemer in Groot-Brittannië verschillend zouden zijn al naar gelang hij vandaaruit naar Denemarken ofwel naar Duitsland zou migreren, werd niet toegelicht. Hoewel ik de verleiding voel om dieper op dit betoog in te gaan, meen ik dat het niet juist zou zijn Uw tijd hiermee in beslag te nemen.
Derhalve wil ik nu overgaan tot die argumenten van de Insurance officer en de Commissie, die betrekking hebben op de vragen die door het Divisional Court aan het Hof zijn voorgelegd. In wezen zijn dat er twee. Ten eerste werd opgemerkt dat de bepalingen van artikel 45, lid 1 — volgens welke een orgaan van een Lid-Staat wiens wetgeving de verkrijging van een recht op invaliditeitsuitkering afhankelijk stelt van de vervulling van verzekeringstijdvakken, voorzover nodig rekening dient te houden met verzekeringstijdvakken die zijn vervuld onder de wetgeving van een andere Lid-Staat alsof zij waren vervuld onder zijn eigen wetgeving — niet zo mogen worden uitgelegd dat met zulke tijdvakken rekening moet worden gehouden ten einde vast te stellen of een werknemer recht heeft gehad op ziekengeld in gevallen waarin een voorafgaand recht op ziekengeld een voorwaarde is voor een recht op invaliditeitsuitkering. Ten tweede werd opgemerkt dat die leemte in artikel 45, lid 1, niet kan worden opgevuld door artikel 46, lid 2.
Ik wil al dadelijk zeggen dat ik het met dat tweede punt eens ben, zodat ik het in zoverre met alle respect oneens ben met het standpunt van de National Insurance Commissioner. Artikel 46, lid 2, heeft ten doel de gevolgen van de toepassing van artikel 45 nader uit te werken. Er is uiteraard een nauw verband tussen artikel 45 en artikel 46, lid 2, en het is zonder twijfel juist om het een in het licht van het ander uit te leggen. Maar artikel 46, lid 2, kan een werknemer geen recht op uitkering verschaffen, indien in zijn geval artikel 45 niet van toepassing is.
Zo komen wij terug op de eigenlijke vraag in deze zaak, die ik eerder heb aangewezen als het kernprobleem namelijk of de onderstellingen die een orgaan van een Lid-Staat (in dit geval het Department of Health and Social Security) dient te maken krachtens artikel 45, lid 1, begrensd zijn op de wijze als wordt betoogd door de Insurance Officer en de Commissie, dan wel of daarentegen dat orgaan verplicht is met alle uit deze onderstellingen voortvloeiende relevante consequenties rekening te houden.
Na enige aarzeling ben ik tot de slotsom gekomen dat het laatste juist is. Naar mijn mening is er in artikel 45, lid 1, niet zozeer een leemte alswel een dubbelzinnigheid. Hoever moet een orgaan van een Lid-Staat gaan bij het rekening houden met „de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld”? Het antwoord, voorzover het kan worden gevonden in de bewoordingen van artikel 45, lid 1, zelf, luidt „voor zover nodig”. Aldus komt het mij voor dat aan de woorden van artikel 45, lid 1, geen geweld wordt aangedaan indien men stelt, dat — wanneer bij deze onderstellingen een werknemer in de betrokken Lid-Staat recht zou hebben gehad ten eerste op een ziekengelduitkering gedurende een bepaalde periode en daarna op een invaliditeitsuitkering — de in deze bepaling vervatte hypothese eveneens de uitbetaling aan hem van ziekengeld omvat voorzover dat een voorwaarde is voor de uitbetaling aan hem van een invaliditeitsuitkering. En indien die uitlegging niet alleen de bewoordingen van de verordening geen geweld aandoet maar tevens (zoals duidelijk en onbetwist het geval is) de enige is die zich verdraagt met haar doelstelling, moet dunkt mij, in overeenstemming met de uitleggingsregelen die steeds weer door het Hof zijn neergelegd, dit ook de juiste uitlegging zijn.
Zo gezien, kan het andere probleem dat door het Divisional Court wordt opgeworpen en dat verband houdt met het vereiste in de Britse wetgeving dat een aanvraag voor een ziekengelduitkering moet worden ingediend op de voorgeschreven wijze en binnen de gestelde tijd, zonder meer terzijde worden gelaten. Wat dat betreft, ben ik het geheel eens met de National Insurance Commissioner. Wanneer men zich in een wereld van wettelijke hypotheses met betrekking tot materiële rechten begeeft, kan het ontbreken van de vervulling van formaliteiten die worden verlangd om deze rechten in de werkelijke wereld te realiseren, niet belangrijk zijn.
Conclusie
Samenvattend concludeer ik dat op de vragen van het Divisional Court worde geantwoord:
1.
Artikel 51 EEG-Vertrag verleent niet zelf aan particulieren enig recht dat zij in de Lid-Staten in rechte geldend kunnen maken;
2.
Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat voor de verkrijging van een recht op invaliditeitspensioen als voorwaarde stelt dat de betrokkene krachtens die wetgeving recht had op ziekengeld gedurende een bepaald aantal dagen in de onmiddellijke voorafgaande periode, welk recht op ziekengelduitkering zelf afhankelijk is van a) de vervulling van verzekeringstijdvakken en b) de indiening van een aanvraag daartoe op een voorgeschreven wijze en binnen een gestelde tijd, hebben de artikelen 40, 45 en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 (in een zaak waarin de betrokkene achtereenvolgens of afwisselend onderworpen was aan de wetgeving van twee of meer Lid-Staten waarvan tenminste één niet is van het type bedoeld in artikel 37, lid 1, dezer verordening) gezamenlijk tot gevolg dat aan zodanige voorwaarde kan worden geacht te zijn voldaan, voorzover hieraan zou zijn voldaan indien tijdvakken van verzekering, vervuld door die persoon krachtens de wetgeving van enige Lid-Staat, waren vervuld krachtens de wetgeving van de eerstgenoemde Lid-Staat en indien een deugdelijke aanvraag voor ziekengeld was ingediend op de voorgeschreven wijze en binnen de gestelde tijd.
( 1 ) Vertaald uit hel Engels.
Full & Egal Universal Law Academy