CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 16 FEBRUARI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
De heer Antoon Herpels, van Belgische nationaliteit, geboren te Wevelgem op 24 januari 1933, trad in september 1961 te Luxemburg in dienst van de Hoge Autoriteit der EGKS als ambtenaar op proef in de rang A 8. Vóór zijn indiensttreding had hij twee jaar te Elsene, in de agglomeratie van Brussel, gewoond. Hij had daar voorts beroepswerkzaamheden uitgeoefend, eerst als journalist bij de Nederlandstalige Belgische radio en televisie en nadien als persattaché bij het kabinet van de eerste minister te Brussel.
Na op 14 november 1959 te zijn gehuwd, liet hij zich in de gemeente Elsene inschrijven, waar hij op 4 januari 1961 aangifte deed van de geboorte van zijn eerste kind.
Derhalve was vóór zijn aanwerving door de Hoge Autoriteit de woonplaats van zijn gezin ongetwijfeld te Elsene gevestigd. Verzoeker deed zich evenwel een bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister en een nationaliteitsbewijs afgeven door de burgemeester van Wevelgem in welke stad zijn ouders nog steeds woonden. In eerstgenoemd bewijs wordt verklaard, dat de betrokkene sedert 15 september 1961 te Wevelgem woont. Op 18 september 1961 treedt hij dan in werkelijke dienst bij de Hoge Autoriteit.
In elk geval, hetzij men destijds Elsene als zijn vroegere werkelijke woonplaats, of Wevelgem als zijn plaats van herkomst heeft beschouwd, had verzoeker, die te Luxemburg was tewerkgesteld, een wettige aanspraak op de zogenaamde separatievergoeding welke nadien werd vervangen door de ontheemdingstoelage.
Het is bij gelegenheid van zijn overplaatsing in juni 1968 naar Brussel, de zetel van de Commissie, dat bij de stand van de toen geldende wetgeving — waarop wij hieronder zullen terugkomen — het vraagstuk van de opheffing der ontheemdingstoelage aan de orde had moeten worden gesteld. Men liet verzoeker evenwel in het genot dezer toelage; ter verklaring van deze handhaving zijn twee hypotheses denkbaar. Ofwel de diensten van de Commissie hebben — ten onrechte overigens — aangenomen, dat verzoekers werkelijke woonplaats vóór zijn indiensttreding bij de Hoge Autoriteit Wevelgem was, een plaats op meer dan 25 km van Brussel, zijn nieuwe standplaats, gelegen, of wel — en dit is de meest waarschijnlijke hypothese — deze diensten hebben verzoekers „plaats van herkomst” namelijk Wevelgem, verward met de „woonplaats” ten tijde van zijn aanwerving, dat wil zeggen Brussel, want beide gegevens bevonden zich zonder onderbreking van 1968 tot 1976 in het dossier van betrokkene. De handhaving der ontheemdingstoelage zou dus het gevolg moeten zijn van een door de diensten der Commissie begane materiële vergissing.
Deze situatie had onbeperkt kunnen voortduren, wanneer niet bij een door het Directoraat-generaal Financiële Controle uitgevoerd onderzoek deze onregelmatigheid in verzoekers financiële positie aan het licht was gekomen met als gevolg dat bedoeld directoraat de verdere uitkering verbood.
Het was onder deze omstandigheden, dat het hoofd van de afdeling „Individuele rechten en voorrechten” verzoeker bij een nota van 19 januari 1976 berichtte, dat de uitkering der ontheemdingstoelage met onmiddellijke ingang zou worden beëindigd. In werkelijkheid werd de betaling der toelage over de maanden januari en februari 1976 gestaakt, maar het beloop daarvan op een voorlopige rekening gestort. Eerst sedert maart 1976 werd de toelage niet meer op verzoekers betalingsstrook vermeld.
Vanaf dit ogenblik ontwikkelt zich een preliminaire fase gekenmerkt door klachten van verzoeker en twee achtereenvolgende antwoorden van de Commissie.
Allereerst heeft verzoeker op 7 april 1976 overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren een eerste, op 12 april daaropvolgend ingeschreven, klacht ingediend strekkende tot nietigverklaring, dat wil zeggen tot intrekking met terugwerkende kracht van het aanvankelijke besluit waarbij de ontheemdingstoelage werd opgeheven.
Maar te zelfder tijd, en wel juist op 8 april, deelde de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer na een hernieuwd onderzoek van verzoekers geval hem mede, dat hij weliswaar het aanvankelijk besluit tot intrekking handhaafde, maar, ten einde het verlies der ontheemdingstoelage te compenseren, besloot hem „ad personam” een overbruggingstoelage uit te keren tot deze geleidelijk in de toekomstige bezoldigingsverhogingen zou zijn opgegaan.
Met een tweede klacht, van 28 juni 1976, vorderde verzoeker toen nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal.
Ten slotte deed de Commissie zelf op 27 januari 1977 een door een harer leden ondertekend antwoord op zijn beide achtereenvolgende klachten aan verzoeker toekomen. In dit antwoord worden de voorafgaande besluiten bekrachtigd en werd nader bepaald dat de geleidelijke beëindiging der ontheemdingstoelage slechts zal plaats vinden door verrekening met de salarisverhogingen en niet met de mogelijke bezoldigingsverhogingen als gevolg van toegenomen gezinslasten.
Na dit laatste en uitdrukkelijke besluit stelde verzoeker op 26 april 1977 beroep in bij het Hof van Justitie.
Tegen dit beroep werpt de Commissie een algemene exceptie van niet-ontvankelijkheid op, daar er, naar haar mening, krachtens het bepaalde in artikel 90 van het Statuut sprake zou zijn van verval van recht wegens termijnoverschrijding.
Verweerster beroept zich op het feit, dat alleen het aanvankelijke besluit van 19 januari 1976 van beschikkende aard en voor verzoeker nadelig was. Dit door het hoofd der afdeling „Individuele rechten en voorrechten” genomen besluit werd onverwijld door opschorting der ontheemdingstoelage ten uitvoer gelegd; tegen dit besluit heeft verzoeker binnen de termijn van artikel 90 een administratieve klacht ingediend.
Nu de Commissie daarop niet heeft geantwoord, werd de stilzwijgende afwijzing van deze klacht op 12 augustus 1976 een feit en verzoeker had zich dus uiterlijk op 12 november 1976, dat wil zeggen binnen drie maanden, tot het Hof kunnen wenden. Zijn eerst op 27 april 1977 ingeschreven beroep zou dus tardief en bijgevolg niet ontvankelijk zijn.
Wij kunnen deze redenering niet aanvaarden. Daarmede wordt immers allereerst het feit miskend, dat de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer op 8 april 1976, dus zelfs nog vóór de eerste administratieve klacht werd ingeschreven, zich, na een nieuw diepgaand onderzoek van verzoekers geval, niet beperkte tot een bevestiging van het besluit van het hoofd der bevoegde afdeling, doch een nieuw besluit heeft genomen waarbij hij verzoeker ad personam een overbruggingstoelage toekende.
Wij achten de beide elementen van dit besluit onderling onverbrekelijk verbonden en het is dus niet van zuiver bevestigende aard; het voegt een nieuw element toe, deed voor verzoeker de contentieuze beroepstermijn behouden blijven en opende voor hem mede de gelegenheid een nieuwe klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut in te dienen, hetgeen hij niet naliet te doen; deze klacht werd op 30 juni daaropvolgend ingeschreven. Derhalve, ook indien men aanneemt dat deze klacht slechts „voor zoveel nodig” en „onverminderd” de eerste werd ingediend, zo blijft toch het feit dat zij gericht werd tegen het door de directeur-generaal na hernieuwd onderzoek genomen besluit. Zij had derhalve tot gevolg dat de contentieuze beroepstermijn werd heropend en wel tot 30 januari 1977.
Het is ons evenwel bekend dat de Commissie na zelf kennis genomen te hebben van het geschil, op 27 januari, dat wil zeggen vóórdat deze termijn was verlopen, de aanspraken van verzoeker opnieuw heeft onderzocht en de modaliteiten geldende voor de hem toegekende overbruggingstoelage in zijn voordeel heeft gewijzigd.
Wij menen dan ook dat het op 26 april bij het Hof ingestelde beroep, dat wil zeggen binnen drie maanden na het uitdrukkelijk besluit van de Commissie, ontvankelijk is.
Derhalve kunnen wij thans overgaan tot de behandeling van het beroep ten principale, daarbij, voor het ogenblik, het onderzoek terzijde latend van de vordering tot toekenning ener schadevergoeding van vijftienduizend Belgische franken zijnde het beloop der honoraria van een raadsman verschuldigd gedurende de preliminaire fase.
Allereerst dienen de bestreden besluiten te worden onderzocht voor zover daarbij de ontheemdingstoelage werd opgeheven. Deze besluiten bewerkten niet de intrekking dier toelage met terugwerkende kracht; zij werd daarbij opgeheven, dat wil zeggen beëindigd voor het vervolg.
Bij de behandeling van het eerste middel van beroep gaat het derhalve om de vraag of een zodanige opheffing wettig is. Het middel werd ontleend aan een beweerde schending van artikel 97, lid 4, van het Personeelsstatuut van de EGKS krachtens hetwelk verzoeker bij gelegenheid van zijn overplaatsing naar Brussel aanspraak gehad zou hebben op behoud van de ontheemdingstoelage welke hij gedurende zijn diensttijd te Luxemburg had genoten.
Deze bepaling, die bij artikel 2, laatste lid der verordening van de Raad geldende voor de drie Gemeenschappen, van 29 februari 1968, werd gehandhaafd, luidt als volgt: „indien de in artikel 93 (van het nieuwe Statuut) bedoelde ambtenaar als gevolg van een wijziging van zijn standplaats niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van bijlage VII voor toekenning van de ontheemdingstoelage, blijft hij niettemin in het genot dezer toelage indien hij op grond van het oude personeelsstatuut der EGKS recht zou hebben op separatievergoeding”.
Het wordt niet betwist dat deze bepaling op verzoeker als gewezen ambtenaar der EGKS van toepassing is, maar bovendien wordt daartoe nog vereist, dat hij krachtens het oude Statuut recht had op voortzetting van de ontheemdingstoelage.
En het is op dit punt, dat naar ons oordeel de opvatting van de Commissie moet worden gevolgd.
Immers voor de op het geschil te geven beslissing moet worden gelet op artikel 9 van het oude algemeen reglement der Gemeenschap voor Kolen en Staal van 1956 hetwelk met name bepaalt:
sub b) „de ambtenaren, aan wie een andere standplaats wordt toegewezen en die zich dientengevolge in een nieuwe verblijfplaats moeten vestigen, welke minder dan 25 kilometer van de plaats waar zij vóór hun indiensttreding woonachtig waren, verwijderd is, verliezen het recht op de sub a) vastgestelde vergoeding”,
te weten: de separatievergoeding, welke nadien als de ontheemdingstoelage werd aangeduid.
En krachtens het oude artikel 47 van het Personeelsstatuut der Gemeenschap waarnaar deze uitvoeringsbepaling verwijst, wordt de separatievergoeding toegekend aan de ambtenaren, die vóór de aanvang hunner werkzaamheden (in dienst der Gemeenschap) blijvend en sedert meer dan zes maanden woonachtig waren in een plaats gelegen op meer dan 25 kilometer van de zetel (waar zij hun werkzaamheden uitoefenen).
Uit deze bepalingen in onderling verband volgt, dat verzoeker sedert hij in 1968 van Luxemburg naar Brussel werd overgeplaatst op handhaving der ontheemdingstoelage rechtens slechts aanspraak kon maken indien zijn woonplaats gedurende de zes aan zijn indiensttreding bij de Hoge Autoriteit in september 1961 voorafgaande maanden op meer dan 25 kilometer van Brussel — de plaats waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefende — was gelegen, daar uitsluitend deze standplaats zowel krachtens artikel 20 van het Statuut der ambtenaren van de Europese Gemeenschappen als artikel 47, lid 3, van het Statuut der EGKS in aanmerking dient te worden genomen.
De uiteenzetting der feiten waarmede wij onze conclusie aanvingen doet evenwel zien dat verzoekers persoonlijke- en gezinswoonplaats sedert hij zijn studies had beëindigd en vanaf het tijdstip waarop hij zijn beroepswerkzaamheden begon, eerst bij de BRT (de Belgische Nederlandstalige radio en televisie) en vervolgens in het kabinet van de eerste minister, te Brussel was gevestigd. Het feit, dat hij zijn gezinswoonplaats te Elsene, een gemeente van de Brusselse agglomeratie, vestigde — dit in elk geval sedert zijn huwelijk — kon aan deze situatie niets veranderen. De stukken uit het dossier bevestigen het ten volle: het was te Elsene dat hij zich overeenkomstig zijn nationale wet in het bevolkings register deed inschrijven en het was in deze gemeente dat zijn eerste kind werd geboren.
Deze situatie heeft ongeveer twee jaren voortgeduurd, dat wil zeggen beduidend langer dan de periode van zes maanden bedoeld in artikel 47 van het oude Statuut en het was eerst in verband met zijn tewerkstelling te Luxemburg, waar hij door de Hoge Autoriteit was aangeworven, dat verzoeker de Brusselse agglomeratie verliet. Hij had dus inderdaad gedurende de aan zijn aanwerving voorafgaande periode op minder dan 25 kilometer van zijn nieuwe standplaats in 1968 gewoond.
Tegen dit op onbetwistbaar objectieve gegevens berustende bewijs brengt verzoeker slechts een bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters van het op meer dan 25 kilometer van Brussel gelegen Wevelgem in het geding, maar, gelijk wij reeds weten, blijkt uit dit op 19 september 1961 afgegeven bewijs — op welke dag verzoeker reeds te Luxemburg in dienst was getreden — dat hij slechts gedurende enkele dagen vóór zijn vertrek naar zijn eerste standplaats te Wevelgem heeft gewoond.
In feite deed hij zich in de woonplaats van zijn ouders inschrijven en, ook indien Wevelgem als zijn plaats van herkomst zou moeten worden aangemerkt, staat het buiten iedere twijfel vast dat deze plaats gedurende twee jaar niet of niet meer zijn werkelijke woonplaats was, noch ook die waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefende.
Zelfs indien men aanneemt dat verzoeker zijn bedoeling tot uitdrukking heeft willen brengen zowel het contact met zijn plaats van herkomst als de band met de gemeente waar zijn ouders wonen te bewaren, zo vermag deze enkele bedoeling niets tegen de meer dan voldoende bewezen feiten waaruit blijkt, dat zijn werkelijke woonplaats sedert 1959 in de Brusselse agglomeratie gevestigd was.
Derhalve kon hij, gezien de door ons geciteerde bepalingen, bij zijn overplaatsing naar Brussel in 1968 geen wettige aanspraak doen gelden op behoud van de ontheemdingstoelage. De handhaving dezer toelage was onregelmatig; zij vindt haar verklaring slechts in een door de diensten der Commissie begane fout.
Weliswaar is het juist, dat in een „nota voor het dossier”, afkomstig van de Hoge Autoriteit der EGKS en gedateerd Luxemburg 28 september 1961 onder nr. E 3 (en niet 4 oktober 1961, gelijk ter terechtzitting werd gezegd) uitsluitend Wevelgem als verzoekers „plaats van herkomst” uitdrukkelijk wordt vermeld. In bedoelde nota ontbreekt iedere aanduiding van verzoekers woonplaats vóór zijn aanwerving.
Verzoekers raadslieden zien hierin het bewijs dat in de zin van het op de ambtenaren der EGKS toepasselijke Statuut van 1956 de plaats van herkomst en de aan de aanwerving voorafgaande woonplaats volkomen waren gelijkgesteld.
Eerst sedert de verordeningen van de Raad nrs. 11/62 en 31/62 houdende vaststelling van het algemene Statuut voor de ambtenaren der drie Gemeenschappen zou er onderscheid zijn gemaakt tussen de plaats van herkomst en de plaats van aanwerving, welke laatste werd gedefinieerd als de plaats waar de betrokkene bij zijn indiensttreding doorgaans woonachtig was. Dit onderscheid was nader aangegeven in een dienstnota nr. 212 van 14 april 1965.
Vervolgens wordt in 1968 blijkens een mededeling aan het personeel van 16 september de plaats van herkomst slechts verondersteld de plaats van aanwerving te zijn, de plaats namelijk waar de betrokkene vóór zijn indiensttreding in de regel woonachtig was.
In casu zou men uitsluitend op het Statuut van 1956 acht moeten slaan en beslissen dat de Hoge Autoriteit in 1961 terecht verzoekers plaats van herkomst, te weten Wevelgem, mocht aanmerken als zijnde zowel de plaats waar hij door gaans woonde als het centrum van zijn belangen in de zin van het oude Statuut.
Maar, mijne heren, indien deze redenering al juist is voor wat de toekenning betreft van de separatievergoeding aan verzoeker door de Hoge Autoriteit te Luxemburg in 1961, zo kan zij niet worden gevolgd bij zijn overplaatsing naar Brussel in juni 1968, een handeling welke onder vigeur van het Statuut van 1968 plaats vond. Inderdaad behouden de krachtens artikel 93 van hun Statuut geïntegreerde ambtenaren der EGKS het genot van de ontheemdingstoelage „indien zij op grond van het oude personeelsstatuut van de EGKS recht zouden hebben op separatievergoeding”.
Doch, gelijk reeds gezegd, artikel 47 van het Statuut bepaalt nader, dat de separatievergoeding slechts wordt toegekend aan de ambtenaren die vóór hun indiensttreding „blijvend” en sedert meer dan zes maanden woonachtig waren in een plaats gelegen op meer dan 25 kilometer van de zetel der Gemeenschap. Het begrip plaats van herkomst speelt hier dus niet meer. Het gaat uitsluitend om de plaats waar de betrokkene gedurende meer dan zes maanden vóór zijn aanwerving in de regel woonde.
Dit betekent dat de bij het persoonsdossier van verzoeker gevoegde nota van 28 september 1961, die slechts op de plaats van herkomst ziet, voor de uitspraak in het onderhavige geding betekenis mist.
Wij onderzoeken vervolgens het tweede en derde middel van het verzoekschrift ontleend aan de schending van een „verkregen recht” en van het „gerechtvaardigd vertrouwen”. Op dit punt dient, gelijk reeds gezegd, te worden onderscheiden tussen de opheffing, dat wil zeggen de beëindiging voor het vervolg van een onregelmatig toegekend voordeel en de intrekking van zodanige handeling met terugwerkende kracht.
In de rechtspraak der verschillende landen is de intrekking met terugwerkende kracht van een onwettige handeling aan bepaalde termijnen gebonden, hetzij de termijn voor het beroep in rechte, hetzij een redelijke termijn, doch de opheffing van een onregelmatig toegekend voordeel is daarentegen aan geen enkele voorwaarde van zodanige aard onderworpen.
De communautaire rechtspraak op dit punt vinden wij in drie arresten.
In de eerste plaats heeft Uw Hof in het arrest Algera, en anderen, van 12 juli 1957, gevoegde zaken 7/56 en 3-7/57 (Jurispr. 1957, blz. 87) het beginsel van de herroeping, dat wil zeggen de intrekking ener onwettige administratieve handeling erkend „wanneer het ontbreken van een objectief wettige basis het subjectieve recht van de belanghebbende aantast en de herroeping der handeling rechtvaardigt”; het Hof verbond aan deze intrekking met terugwerkende kracht wel de voorwaarde dat een bepaalde termijn in acht werd genomen.
In het arrest Simon van 1 juni 1961, zaak 15/60 (Jurispr. 1960, blz. 233) waar het ging om de beëindiging van een voorheen aan de verzoeker uitgekeerde separatievergoeding, heeft Uw Hof in een aan het onderhavige geding nauw verwant geval zijn opvatting nader bepaald, niet meer wat de nietigverklaring, maar wat de enkele opheffing van een onwettige individuele handeling betreft:
Uw Hof besliste toen uitdrukkelijk dat „indien een administratieve instantie erkent, dat een bepaalde uitkering is verleend op grond van een onjuiste interpretatie van een wettelijk voorschrift, zij de bevoegdheid bezit de vroegere situatie te wijzigen; dat de intrekking van een beschikking op de grond dat deze onwettig is — zelfs indien in sommige gevallen, vanwege verkregen rechten, nietigverklaring ex tune is uitgesloten steeds deze werking ex nunc heeft”.
Deze beslissing hield in, dat de opheffing, de beëindiging voor het vervolg van een onregelmatig toegekend voor deel, te allen tijde zonder inachtneming van een termijn mogelijk is.
Dit onderscheid werd onlangs overgenomen in het arrest Elz van 24 juni 1976, zaak 56/76 (Jurispr. 1976, blz. 1097). De verzoeker bestreed de weigering een hem voorheen toegekend voordeel, dat hij gedurende acht jaren genoten had, te handhaven. Uw Hof heeft toen beslist dat „de intrekking ex nunc van een dergelijk voordeel hetwelk is gegrond op een met het Statuut strijdige situatie, geen inbreuk kan maken op het beginsel van bescherming van verkregen rechten”.
Gelet op deze jurisprudentie zijn wij met de Commissie van oordeel dat geen enkel onaantastbaar recht uit een onregelmatige handeling kan ontstaan en dat de eis van een redelijke termijn slechts kan gelden ingeval van intrekking met terugwerkende kracht.
Bijgevolg menen wij eveneens dat het feit van de onregelmatige handhaving der ontheemdingstoelage gedurende meer dan zeven jaar ten behoeve van verzoeker het bestuur niet het recht vermag te ontnemen die op te heffen en zulks onverschillig of deze situatie haar oorsprong vindt in een eenvoudig dulden of een onachtzaamheid van de administratie, dan wel het gevolg is van een wegens strijd met de toepasselijke bepalingen onregelmatige handeling.
Ons blijft nog de ontvankelijkheid, en subsidiair de gegrondheid, te onderzoeken van de vordering tot toekenning van een schadevergoeding ter compensatie van de kosten welke verzoeker voor rechtsbijstand in de preliminaire fase heeft gemaakt, dat wil zeggen in verband met het opstellen van de door hem bij de Commissie ingediende klachten.
Deze eis wordt voor de eerste maal bij het gerechtelijk beroep ingesteld; hij komt noch in de eerste, noch in de tweede administratieve klacht voor. De vordering staat in geen enkel rechtstreeks verband met het hoofdgeding strekkende tot handhaving der ontheemdingstoelage. Het betreft hier een nieuwe vordering uit een andere oorzaak rechtens. Nu te dezer zake de in artikel 90 voorgeschreven procedure niet werd gevolgd, is de eis tot schadevergoeding niet ontvankelijk.
Mocht Uw Hof deze mening niet delen, dan behoort naar ons oordeel deze eis als ongegrond te worden afgewezen. Allereerst immers moeten de kosten van bijstand door een raadsman in het stadium van administratieve klachten worden onderscheiden van de in verband met de contentieuze procedure voor het Hof van Justitie verschuldigde honoraria van advocaten waarover het Hof krachtens het reglement voor de procesvoering bij de kostenbeslissing uitspraak doet.
Terwijl voor een rechtstreeks bij Uw Hof ingesteld beroep de bijstand van een advocaat verplicht werd gesteld, geldt dit geenszins voor het optreden van een raadsman in de bij artikel 90 van het Statuut geregelde preliminaire fase. Het betreft hier integendeel een debat tussen de in eigen naam handelende ambtenaar en de administratie. De redactie van een of meer aan de gerechtelijke procedure voorafgaande klachten is de zaak van de ambtenaar zelf. In de praktijk pleegt die fase op deze wijze te verlopen.
Uiteraard kan men een ambtenaar niet verbieden zich reeds in dit stadium van de adviezen van een advocaat te bedienen, maar hij doet dit dan uit eigen beweging en zodanige keuze kan nimmer ten laste van de betrokken instelling worden gebracht.
Bovendien zou, waar het in casu een aansprakelijkheidsactie betreft, een causaal verband moeten bestaan tussen de beweerde schade en een onrechtmatige handeling van de instelling. Hiervan is kennelijk geen sprake en de vordering tot schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.
Wij concluderen:
—
dat het beroep zal worden verworpen,
—
en dat overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy