CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 1 DECEMBER 1977 ( 1 )
Mijne heren,
De onderhavige prejudiciële procedure is naar het Hof verwezen door het Bundesfinanzhof. Verzoekster in het hoofdgeding is Fritz Fuss KG, fabrikant van elektrische apparaten, gevestigd te Ebingen (Bondsrepubliek Duitsland), verweerster is de Oberfinanzdirektion München.
Op 14 januari 1975 vroeg verzoekster om een bindend tariferingsadvies („verbindliche Zolltarifauskunft”) met betrekking tot bepaalde goederen uit de Verenigde Staten, die zij voornemens was in Duitsland in te voeren.
Een uitgebreide technische beschrijving van die goederen is te vinden in het procesdossier, met name in de verwijzingsbeschikking van het Bundesfinanzhof. Ik kan ermee volstaan te zeggen dat het technisch tamelijk geavanceerde „ultrasone” detectors waren, bedoeld als elementen van een alarmsysteem tegen diefstal. Er waren twee typen, het ene aangeduid als „Advisor III”, het andere als „Advisor VI”. Het complete alarmsysteem bestaat, naast deze detectors, uit een optische of akoestische signaalgever — die door de detectors in werking wordt gesteld —, en aansluitkabels tussen de detectors onderling en het hoofdapparaat van de alarminrichting.
Op 12 mei 1975 gaf verweerster twee bindende adviezen, het ene voor de Advisor III, het andere voor de Advisor VI. Beide apparaten werden ingedeeld onder post 85.22 van het GDT, die — in de Engelse versie — betrekking heeft op „Electrical appliances and apparatus, having individual functions, not falling within any other heading of this chapter” (Nederlandse tekst: „Elektrische machines, apparaten en toestellen, niet ge noemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 85”).
Hoofdstuk 85 van het GDT is getiteld: „Elektrische machines, apparaten en toestellen; artikelen voor elektrotechnisch gebruik”; tezamen met hoofdstuk 84, „Stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen”, behoort het tot afdeling XVI van het GDT, dat als opschrift draagt „Machines en toestellen; elektrotechnisch materieel”.
Om te beginnen drie opmerkingen met betrekking tot de tekst van post 85.22.
In de eerste plaats: in de andere officiële taalversies van het GDT ontbreekt een equivalent van de woorden „having individual functions”. Dit is een gevolg van het feit dat deze woorden wel voorkwamen in de Engelse tekst van de Nomenclatuur van Brussel, maar niet in de Franse. Uit de Toelichtingen op de Nomenclatuur van Brussel blijkt echter dat de Franse tekst hetzelfde bedoelt. Want volgens die Toelichtingen worden „als machines, apparaten en toestellen in de zin van deze post aangemerkt de elektrische inrichtingen welke een eigen functie („une fonction propre”) hebben”. Het GDT moet dan ook zo worden uitgelegd.
In de tweede plaats geven de onderverdelingen van post 85.22 enige aanwijzingen omtrent hetgeen met „eigen functie” is bedoeld. Er zijn drie onderverdelingen:
„A —
voor het vervaardigen van de produkten bedoeld bij onderverdeling A van post 28.51 (EURATOM)” — dat wil zeggen het vervaardigen van bepaalde isotopen;
„B —
speciaal vervaardigd voor het scheiden van bestraalde kern-splijtstoffen, voor de behandeling van radioactieve afvalstoffen of voor het weer voor het gebruik geschikt maken van bestraalde kernsplijtstoffen”, en
„C —
andere”.
(De in casu bedoelde goederen waren door verweerster bij C ingedeeld. Het toepasselijke invoerrecht bedraagt: autonoom 13 %, conventioneel 8 %).
In de derde plaats: post 85.22 is niet de enige restpost van hoofdstuk 85. Er is ook nog post 85.28 — de laatste post van het hoofdstuk —, luidende „elektrotechnische delen en onderdelen, van machines of van apparaten, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 85”. Aangezien elk onderdeel van een machine of apparaat daarin noodzakelijkerwijze wel een „eigen functie” heeft, valt aan te nemen dat de „eigen functie” die het criterium voor indeling onder post 85.22 is, iets meer is dan de enkele functie van onderdeel in een geheel. (Het invoerrecht bij post 85.28 bedraagt: autonoom 14 %, conventioneel 5,5 %.)
Bij schrijven van 4 juni 1975 maakte verzoekster bij verweerster bezwaar tegen de indeling van de waar onder post 85.22. Zij pleitte voor indeling niet onder post 85.28, maar onder post 85.17. Deze omvat „elektrische toestellen voor hoorbare of zichtbare signalen (bellen, sirenes, signaalborden, alarmtoestellen tegen diefstal of brand enz.) …” (Hier bedraagt het invoerrecht: autonoom 15 %, conventioneel 6 %).
De reden waarom verzoekster om indeling onder post 85.17 en niet onder post 85.28 vroeg, is te vinden in de aantekeningen bij afdeling XVI van het GDT.
Aantekening 2 bij afdeling XVI — wij laten de verwijzingen naar hoofdstuk 84 weg — bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden, die er hier verder niet toe doen, „delen en onderdelen van machines … worden ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:
a)
delen en onderdelen, welke als zodanig onder een van de posten van … hoofdstuk 85 (met uitzondering van de posten … 85.28) kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;
b)
delen en onderdelen, andere dan die bedoeld onder letter a) hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor verschillende onder een zelfde post vallende machines (met inbegrip van die bedoeld bij post … 85.22), worden ingedeeld onder de post waaronder die machine of die machines vallen
…
c)
andere delen en onderdelen worden ingedeeld onder post 85.28.”
Aantekening 5 bepaalt:
„Voor de toepassing van vorenstaande aantekeningen heeft het woord, ma-chines' zowel betrekking op machines als op de verschillende toestellen, apparaten en werktuigen bedoeld bij afdeling XVI.”
Verzoeksters betoog berustte mijns inziens op goede gronden. De betrokken goederen waren als zodanig onder geen van de posten van hoofdstuk 85 (uitgezonderd post 85.28) genoemd of begrepen, zodat aantekening 2, sub a, niet erop van toepassing was. Daarentegen waren zij wel uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd voor een bepaald soort apparaat, namelijk alarminrichtingen tegen diefstal, en zij moesten mitsdien, ingevolge aantekening 2, sub b, worden ingedeeld onder de voor dat soort inrichtingen bestemde post, dat wil zeggen post 85.17. Als gevolg daarvan was toepassing van het bepaalde sub c en dus indeling onder post 85.28 uitgesloten. Deze redenering lijkt bovendien in overeenstemming met de Toelichtingen van Brussel bij aantekening 2 en de posten 85.17, 85.22 en 85.28.
Verweerster evenwel wees verzoeksters klacht af. Op 1 september 1975 gaf zij een beschikking („Einspruchsentscheidung”) waarbij de tariferingsadviezen werden bevestigd. Zij erkende dat de goederen elementen van een alarmtoestel tegen diefstal waren en dat, indien alle elementen van zo een toestel tezamen werden ingevoerd, zij onder post 85.17 zouden vallen, maar in haar opvatting moesten voor zo'n toestel bestemde detectors die afzonderlijk waren ingevoerd, geacht worden onder post 85.22 te vallen op grond dat zij een „eigen functie” hadden, namelijk het in werking stellen van signaalgevers. Deze opvatting is mijns inziens onjuist: een apparaat kan slecht geacht worden een „eigen functie” in de zin van post 85.22 te hebben wanneer het op zichzelf in die functie bruikbaar is. Het ontdekken van de aanwezigheid van indringers in een gebouw is alleen nuttig als die informatie aan de belanghebbenden wordt doorgegeven. Zonder kabels en signaalgever vervullen de detectors derhalve geen nuttige functie.
Van deze beschikking van verweerster ging verzoekster in beroep bij het Bundesfinanzhof, dat bij beschikking van 19 april 1977 het Hof de navolgende vraag voorlegde:
„Moet aantekening 2 juncto aantekening 5 bij afdeling XVI van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat tot delen en onderdelen van apparaten in de zin van eerstgenoemde aantekening mede behoren afzonderlijke elektrische apparaten die tezamen noodzakelijke elementen zijn van een, elektrisch toestel voor hoorbare of zichtbare signalen' van post 85.17 GDT, doch die niet onder deze post kunnen worden ondergebracht omdat de tariefindeling geen betrekking heeft op de aansluitkabels en de akoestische of optische signaalgevers, of vallen onder aantekening 2 slechts delen van een vast tezamengevoegde eenheid?”
In deze vraagstelling is rekening gehouden met een argument dat verweerster voor het Bundesfinanzhof heeft aangevoerd en dat teruggrijpt op aantekening 3 bij afdeling XVI en op de Toelichtingen van Brussel betreffende die aantekening.
Aantekening 3 luidt als volgt:
„Voor zover niet anders is bepaald, worden combinaties van machines van verschillende soorten, welke bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren en welke één geheel vormen, alsmede machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies, ingedeeld naar de hoofdfunctie, welke kenmerkend is voor het complex.”
Enkel afgaande op deze formulering zou ik zelf hebben gedacht dat aantekening 3 in het onderhavige geval klaarblijkelijk niet van toepassing kon zijn. De betrokken goederen, de detectors, zijn geen combinaties van machines of — zie aantekening 5 — combinaties van apparaten of toestellen van verschillende soorten „bestemd om gezamenlijk te functioneren”. Evenmin zijn de detectors machines, apparaten of toestellen „met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies”, behalve in de hier niet relevante betekenis dat de elementen van een toestel dat zelf een bepaalde functie heeft, elkaar uit de aard der zaak aanvullen.
De Toelichtingen van Brussel betreffende aantekening 3 lijken deze conclusie te bevestigen. Reeds het opschrift is veelzeggend: „Machines (of toestellen) met twee of meer verschillende functies; combinaties van machines.” Onder dit opschrift leest men het volgende:
„In de regel worden machines met twee of meer verschillende functies ingedeeld naar de hoofdfunctie welke kenmerkend is voor het complex.
Hetzelfde geldt voor combinaties van machines van verschillende soorten, welke één geheel vormen en achtereenvolgens of gelijktijdig afzonderlijke functies verrichten, welke elkaar meestal aanvullen en bedoeld zijn bij verschillende posten van afdeling XVI.
Dit is bij voorbeeld het geval met druk-machines waarop bijkomstig een vouwmachine is aangebracht (post 84.35), met een machine voor het vervaardigen van kartonnen dozen uitgerust met een hulp-toestel dat eenvoudige teksten of tekeningen op deze dozen drukt (post 84.33), met industriële ovens uitgerust met hef-toestellen en toestellen voor het hanteren van goederen (post 84.14 of post 85.11), en met sigarettenmachines waarop als hulptoestellen verpakkingsmachines zijn aangebracht (post 84.59).
Voor de toepassing van het vorenstaande worden als machines welke één geheel vormen aangemerkt, de machines van verschillende soorten, welke in of op elkaar zijn gemonteerd, alsmede de machines welke zijn gemonteerd op een gemeenschappelijk voetstuk, onderstel, frame, grondplaat of welke in een gemeenschappelijke kast zijn geplaatst.
…
Een beroep op aantekening 3 op afdeling XVI is niet nodig, indien de combinatie van machines als zodanig bij een bepaalde post is bedoeld, zoals bij voorbeeld aggregaten voor de regeling van het klimaat in besloten ruimten (post 84.12).
Voorts is deze aantekening niet van toepassing indien een machine of toestel bestaat uit afzonderlijke elementen, die zijn ontworpen om gezamenlijk één welbepaalde functie te verrichten, zoals bedoeld in één van de posten van hoofdstuk 84 of wat vaker het geval is, van hoofdstuk 85. De omstandigheid dat deze elementen bij voorbeeld om praktische redenen afzonderlijk zijn opgesteld en enkel met elkaar zijn verbonden door middel van buisleidingen (voor lucht, gecomprimeerd gas, olie, enz.), overbrengingsmechanismen of elektrische kabels, staat indeling van het geheel onder de post, die in verband met de functie van toepassing is, niet in de weg.
Als functionele eenheden van dit type kunnen bij voorbeeld worden genoemd:
1.
Koel-en vnesinstallaties, koel-en vriesmachines, koelkasten en dergelijke machines en toestellen voor de koeltechniek, waarvan de elementen niet één geheel vormen en welke met elkaar zijn verbonden door een buizenstelsel waarin het koelmedium circuleert;
2.
Melkmachines waarvan de verschillende samenstellende elementen (vacuümpomp, pulsator, tepelbekers of tepelhouders en melkemmers) slechts door slangen of buizen met elkaar zijn verbonden;
3.
Lasapparaten bestaande uit laskoppen of tangen en een transformator, generator of gelijkrichter voor het leveren van de vereiste stroom;
4.
Radiozendtoestellen met hun voedingseenheden, versterkers, enz.;
5.
Draagbare zendtoestellen voor radiotelefonie en de daarbij behorende microfoon;
6.
Radarapparatuur en de daarbij behorende voedingseenheden, versterkers, enz.;
7.
Alarmtoestellen tegen diefstal bestaande bij voorbeeld uit een infrarode lichtbron en een foto-elektrische cel, verbonden met een bel, enz.;
Indien de elementen waaruit bedoelde eenheden bestaan tezamen worden ingevoerd, wordt het geheel ingedeeld respectievelijk als koel-en vriesinstallaties, koelen vriesmachines, koelkasten en dergelijke machines (post 84.15), als melkmachines (post 84.26), als lasapparaten (post 85.11), als radiozendtoestellen en radarapparatuur (post 85.15), als alarmtoestellen tegen diefstal (post 85.17), enzovoort.
Indien afzonderlijk ingevoerd, worden compressors, motorpompen, transformatoren, gelijkrichters, voedingseenheden, versterkers, schakelborden, microfoons, infrarode lampen, foto-elektrische cellen, enz., naar hun eigen aard ingedeeld.”
Het is deze laatste alinea die, zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, het Bundesfinanzhof aan het twijfelen heeft gebracht. Ik meen echter dat deze alinea gelezen moet worden in het licht van al het voorafgaande, alsmede in het licht van de hoofdstukken 84 en 85 van de Nomenclatuur. De essentiële passage van het geciteerde gedeelte van de Toelichtingen is deze: „Aantekening 3 is niet van toepassing indien een machine of toestel bestaat uit afzonderlijke elementen, die zijn ontworpen om gezamenlijk één welbepaalde functie te verrichten, zoals bedoeld in één van de posten van … hoofdstuk 85.” Het zevende voorbeeld van zo een „functionele eenheid”, dat de Toelichtingen noemen, is „alarmtoestellen tegen diefstal”. Misschien enigszins overbodig wordt vervolgens verklaard dat indien de elementen van zo een eenheid tezamen worden ingevoerd, zij onder de met die eenheid overeenkomende post worden ingedeeld. En ten slotte verklaren de Toelichtingen bij wijze van aanvulling dat bepaalde elementen, indien afzonderlijk ingevoerd, worden ingedeeld „naar hun eigen aard”. Deze elementen zijn evenwel stuk voor stuk goederen waarvoor bijzondere posten bestaan, dat wil zeggen goederen waarop aantekening 2, sub a, bij afdeling XVI toepasselijk is. Zo worden compressors en motorpompen genoemd in post 84.11, transformatoren en gelijkrichters in post 85.01, voedingseenheden in de posten 85.03 en 85.04, versterkers en microfoons in post 85.14, schakelborden in post 85.19, infrarode lampen in post 85.20 en foto-elektrische cellen in post 85.21. Maar dit betekent niet dat elk element van een „functionele eenheid” zijn eigen post heeft. Ontbreekt nu een specifieke post in hoofdstuk 84 of 85, dan valt het element onder aantekening 2, sub b of sub c, naar gelang het al dan niet „uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor een bepaalde machine”.
Ik ben mitsdien van mening dat het eerste deel van de vraag van het Bundesfinanzhof bevestigend moet worden beantwoord en dat niets de opvatting rechtvaardigt dat aantekening 2 enkel van toepassing is op delen en onderdelen van een vast tezamengevoegde eenheid.
Dit is ook de mening van de Commissie, die bovendien de aandacht vestigt op algemene bepaling A, 2 a), van de Inleidende bepalingen van het GDT, luiden de: „De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet complete of niet afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont.”
De Commissie oppert dat de betrokken detectors, hoewel niet compleet of niet afgewerkt, geacht kunnen worden de „essentiële kenmerken” van een alarmtoestel tegen diefstal te vertonen en daarom, krachtens genoemde algemene bepaling, onder post 85.17 vallen. De Commissie erkent echter dat in een geval als het onderhavige de betrokken nationale rechter over de eventuele toepasselijkheid van die algemene bepaling heeft te oordelen. Hiermee ben ik het uiteraard eens en ik behoef er slechts aan toe te voegen, ten eerste, dat het Bundesfinanzhof het Hof geen vragen heeft gesteld over de mogelijke toepassing van algemene bepaling A, 2 a), en ten tweede, dat als die algemene bepaling hier van toepassing zou zijn zoals door de Commissie is gesuggereerd, het resultaat niet anders zou zijn dan bij toepassing van aantekening 2, sub a, bij afdeling XVI.
Ten slotte meen ik nog te moeten wijzen op een punt ten aanzien waarvan het Bundesfinanzhof en de Commissie uiteenlopende opvattingen huldigen. Dit betreft de „NIMEXE”, de goederennomenclatuur voor de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en de handel tussen de Lid-Staten, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1445/72 van 24 april 1972 (gewijzigd bij 's Raads verordening (EEG) nr. 3065/75 van 24 november 1975).
De NIMEXE verdeelt post 85.17 van het GDT in drie „statistiekonderverdelingengen”:
„A.
Alarmtoestellen tegen diefstal, brandalarmtoestellen en dergelijke
B.
Andere (elektrische) toestellen (voor hoorbare of zichtbare signalen)
C.
Delen en onderdelen.”
Volgens de Commissie heeft onderverdeling C betrekking op delen en onderdelen die krachtens aantekening 2, sub b, bij afdeling XVI onder post 85.17 vallen.
Het Bundesfinanzhof meent dat de statistiekonderverdelingen van de NIMEXE geen rol kunnen spelen bij de uitlegging van het GDT. De Commissie stelt daar tegenover dat dat wel mogelijk is en dat trouwens een chaos zou ontstaan wanneer het GDT en de NIMEXE onafhankelijk van elkaar zouden worden uitgelegd. Zij wijst op de considerans van verordening nr. 1445/72 (PB 1972, L 161), waarin onder meer wordt overwogen:
„dat de Lid-Staten partij zijn bij de Overeenkomst van 15 december 1950 betreffende de Nomenclatuur voor de classificering van goederen in de douanetarieven (Naamlijst van Brussel); dat zij anderzijds de aanbeveling van de Brusselse Douaneraad van 8 december 1960 hebben aanvaard betreffende de overeenstemming tussen de Naamlijst van Brussel en de herziene „Standard International Trade Classification”, die in de loop van 1960 door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties is goedgekeurd; dat hieruit volgt dat de goederennomenclatuur voor de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de handel tussen de Lid-Staten aan de Naamlijst van Brussel in zijn huidige of toekomstige vorm moet worden aangepast, wil men in staat zijn de resultaten van de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeen schap en van de handel tussen de Lid-Staten volgens de twee bovengenoemde wereldnomenclaturen te verstrekken.”
Voorts wijst de Commissie op artikel 1, lid 1, sub a, van de verordening, bepalende dat de NIMEXE bestaat uit
„rubrieken die overeenkomen met posten van de nomenclatuur voor de classificering van goederen in de douanetarieven (Naamlijst van Brussel), met onderverdelingen van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief en met statistiekonderverdelingen van deze posten of onderverdelingen, of die buiten dit kader in bijzondere behoeften voorzien.”
Slechts in uitzonderingsgevallen zou dus mogen worden aangenomen dat NIMEXE-posten niet overeenkomen met posten van het GDT.
Ook op dit punt ben ik het met de Commissie eens. Uitlegging van het GDT in het licht van de NIMEXE zou een technische moeilijkheid kunnen opleveren wanneer de verordening waarbij de NIMEXE is vastgesteld, van latere datum is dan die betreffende het GDT. Maar zoals het Bundesfinanzhof zelf opmerkt, de redactie van het GDT die in casu van belang is, is die welke in 1975 van kracht was, te weten die van 's Raads verordening (EEG) nr. 2658/74 van 15 oktober 1974. En uitlegging hiervan in het licht van de NIMEXE levert geen problemen op.
Ik concludeer dat het Hof de vraag van het Bundesfinanzhof aldus beantwoorde, dat de aantekeningen 2 en 5 bij afdeling XVI van het gemeenschappelijk douanetarief in die zin moeten worden uitgelegd dat elektrische apparaten welke uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een elektrische inrichting voor hoorbare of zichtbare signalen als bedoeld bij post 85.17, zelf onder deze post moeten worden ingedeeld, ook wanneer zij zonder de andere elementen van zo een inrichting worden ingevoerd.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy