CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 17 NOVEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige procedure komt voort uit een zaak die aanhangig is bij het Duitse Bundesfinanzhof en betrekking heeft op de tarifering van prentenboeken die hoofdzakelijk bestemd zijn voor nog niet schoolgaande kinderen. De boeken in geding bestaan uit twaalf onverscheurbare kartonnen bladen, welke nagenoeg geheel zijn bedrukt met afbeeldingen vergezeld van enkele regels tekst. Deze tekst beschrijft of becommentarieert de afbeelding en voegt er in sommige gevallen gegevens of gedachten aan toe die niet rechtstreeks aan de afbeelding kunnen worden ontleend.
Sommige van deze uitgaven hebben ook een didactisch doel: bij voorbeeld de kleuter te leren klok kijken of hem het maatschappelijk nut van bepaalde beroepen duidelijk te maken. Aangezien het Hof in procedures krachtens artikel 177 EEG-Verdrag slechts bevoegd is de gemeenschapsbepalingen uit te leggen zonder deze op het concrete geval te kunnen toepassen, acht ik het niet nodig uit te weiden over de specifieke eigenschappen van de verschillende prentenboeken, waaraan trouwens ruime aandacht is besteed in het rapport ter terechtzitting.
Wat de feiten betreft, kunnen wij verder volstaan met de opmerking dat het geschil voor de Duitse rechter is gebracht nadat de Oberfinanzdirektion Köln (OFD) de betrokken boeken op 30 maart 1973 had ingedeeld onder post 49.03 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Deze post heeft betrekking op „prentenalbums, prentenboeken, tekenboeken en kleurboeken, gebrocheerd, gekartonneerd, ingenaaid of ingebonden, voor kinderen.”
Na tevergeefs tegen bovenbedoelde tarifering een klacht bij de OFD te hebben ingediend, ging de firma Carlsen Verlag in beroep bij het Bundesfinanzhof, stellende dat de betrokken boeken moeten worden ingedeeld onder post 49.01, die betrekking heeft op „boeken, brochures en dergelijk drukwerk, ook indien in losse vellen.”
Bij beschikking van 19 april 1977 heeft de nationale rechter het geding geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de navolgende vraag voorgelegd:
„Hoe is aantekening 5 bij hoofdstuk 49 van het gemeenschappelijk douanetarief te verstaan: moet de vraag of, de afbeeldingen een overheersende plaats innemen' uitsluitend vanuit optischkwantitatief gezichtspunt worden beantwoord of dient ook het (bij voorbeeld) pedagogische belang van afbeelding en tekst te worden afgewogen? Zijn de afbeeldingen slechts dan als, niet afhankelijk van de tekst' te beschouwen wanneer de wezenlijke betekenis van de afbeelding voor de normale potentiële beschouwer ook zonder tekst duidelijk is, of zijn de afbeeldingen reeds afhankelijk van de tekst wanneer deze het begrijpen van de afbeeldingen wezenlijk vergemakkelijkt?”
2.
De in opdracht van de Raad opgestelde aantekeningen bij het GDT maken, zoals bekend, een integrerend deel uit van de tariefposten waarop zij betrekking hebben, en hebben dezelfde bindende kracht, hetzij als authentieke uitlegging ervan, hetzij als aanvulling erop (zie het arrest van het Hof van 19 november 1975, zaak 38/75, Nederlandse Spoorwegen, Jurispr. 1975, blz. 1440). Het is dus duidelijk hoe belangrijk de interpretatie van deze aantekeningen is voor de juiste afbakening van het toepassingsgebied van de afzonderlijke tariefposten.
Toen het voor de nationale rechter aanhangige geschil ontstond, luidde aantekening 5 bij hoofdstuk 49 GDT als volgt: „Als, prentenalbums' en, prentenboeken' voor kinderen, in de zin van post 49.03, worden aangemerkt, albums en boeken, welke hun waarde ontlenen aan de plaatjes en waarvan de tekst slechts bijzaak is.” Hoewel blijkens deze formulering het belang van de plaatjes groter moest zijn dan dat van de tekst („welke hun waarde ontlenen aan de plaatjes”), kon zij toch twijfel doen rijzen over de vraag of de bijzondere post 49.03 van toepassing was dan wel de algemene post 49.01 in gevallen waarin de tekst niet een loutere verklaring gaf van het plaatje, maar ook andere gegevens en informaties die niet in het plaatje te vinden waren.
Vervolgens heeft het comité nomenclatuur van de internationale douaneraad tijdens zijn 35e vergadering (april 1976) de Franse tekst zodanig gewijzigd (zonder in een enkel opzicht de betekenis van de betrokken aantekening te willen veranderen), dat hij volledig overeenstemde met de Engelse die al vier jaar tevoren was vastgesteld en in werking getreden. Deze laatste, vastgesteld bij verordening 1/73 van 19 december 1972, luidt als volgt: „For the purposes of heading n. 49.03, the expression, „children's pictures books” means books for children in which the pictures form the principal interest and the text is subsidiary.” De nieuwe Franse tekst, door de Raad vastgesteld bij verordening nr. 2723/76 van 8 november 1976, luidt als volgt: „On considère comme, albums ou livres d'images pour enfants', au sens du no. 49.03, les albums ou livres pour enfants dont l'illustration constitue l'attrait principal et dont le texte n'a qu'un intérêt secondaire.” Het is veelbetekenend dat in de tweede overweging van deze verordening (waarin alle tariefposten en de desbetreffende aantekeningen van het GDT enigszins gewijzigd zijn overgenomen) onder meer wordt gesteld dat de verbetering van het GDT „een aantal redactionele wijzigingen rechtvaardigt.” Natuurlijk zijn ook de teksten in de andere talen, die op de Franse tekst waren afgestemd, gewijzigd. De huidige Nederlandse tekst luidt: „Als, prentenalbums' en, prentenboeken' voor kinderen, in de zin van post 49.03, worden aangemerkt, albums en boeken voor kinderen, welke hun waarde hoofdzakelijk ontlenen aan de plaatjes en waarvan de tekst slechts bijzaak is.”
Aangezien de Engelse tekst al lang van kracht was en de genoemde wijziging slechts een eenvoudige redactionele correctie beoogde, lijkt het mij redelijk ze te beschouwen als een taalkundige harmonisatiemaatregel, die ervan uitging dat de Engelse tekst de bedoeling van de wetgever en de regelgevende inhoud van de betrokken bepaling duidelijker uitdrukte dan de andere taalversies. Wij mogen er mijns inziens dus van uitgaan dat deze inhoud onveranderd is gebleven, en ook met betrekking tot het tijdvak vóór de wijziging kunnen wij ons derhalve bij de interpretaties van de betrokken tariefpost baseren op de huidige versie van aantekening 5, zonder daarmee inbreuk te maken op het beginsel dat voorschriften die de justitiabelen lasten opleggen, geen terugwerkende kracht mogen hebben.
3.
Mede dankzij de opmerkingen van de firma Carlsen en de Commissie is duidelijker geworden om welke vraag het in de eerste plaats gaat: valt een prentenboek voor kinderen, waarin de plaatjes kwantitatief en wat de „aantrekkelijkheid” voor de kleine lezer betreft, duidelijk belangrijker zijn dan de geschreven tekst, niet onder de bijzondere tariefpost 49.03, maar onder de algemene post 49.01, wanneer de tekst zich er niet toe beperkt de plaatjes te beschrijven of de aandacht te vestigen op elementen die ook reeds uit de plaatjes blijken, maar een zekere mate van zelfstandigheid bezit doordat hij andere informaties of gedachten aan de prentjes toevoegt.
Vergelijkt men de oorspronkelijke en de huidige versie van aantekening 5 bij hoofdstuk 49, dan lijkt het mij duidelijk dat ook wanneer de tekst bij de plaatjes van een kinderalbum of -boek zich niet beperkt tot een beschrijving daarvan, maar er iets nieuws aan toevoegt, dit op zich niet voldoende is om de toepassing van post 49.03 te kunnen uitsluiten; deze post heeft immers specifiek betrekking op geïllustreerde kinderboeken. Voor die uitsluiting is nodig dat de geschreven tekst niet ondergeschikt is aan de plaatjes, doch een eigen belang heeft, dus ook los van de afbeeldingen een zelfstandige waarde en betekenis heeft.
Een bevestiging van deze stelling is te vinden in de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel, die mijns inziens volledig overeenstemmen met aantekening 5 bij hoofdstuk 49 GDT, en niet daarmee in tegenspraak zijn, zoals het Bundesfinanzhof meent.
Volgens deze toelichtingen immers vallen onder post 49.03 niet slechts prentenalbums en prentenboeken welke kennelijk tot doel hebben kinderen te vermaken, maar ook boeken met een didactische opzet (bij voorbeeld die tot doel hebben de eerste beginselen van het alfabet of van woorden bij te brengen), indien zij tenminste hun waarde ontlenen aan de plaatjes en de tekst slechts bijzaak is. Hiertoe behoren volgens de toelichtingen van Brussel geïllustreerde A.B.C.-boeken en boeken waarin het verloop van het verhaal wordt weergegeven door een serie elkaar opvolgende plaatjes, welke vergezeld gaan van eenvoudige onderschriften of van een bondig commentaar. Volgens dezelfde toelichtingen zijn albums en boeken, ook indien overvloedig geïllustreerd, welke opgezet zijn als een doorlopend en niet enkel episodisch verhaal, met prenten betreffende bepaalde episoden, van deze post uitgezonderd en vallen onder post 49.01.
Hieruit volgt duidelijk dat de vraag of het album of het boek louter ontspannend van aard is voor het kind dan wel veeleer een didactisch doel heeft, van geen belang is voor de indeling in een van de betrokken tariefposten.
Op grond van de communautaire teksten en in het licht van de gezaghebbende, zij het niet bindende aanwijzingen van de toelichtingen van Brussel kan post 49.03 derhalve aldus worden uitgelegd, dat hieronder alle prentenalbums en prentenboeken voor kinderen vallen waarvan de tekst weliswaar niet enkel een beschrijving of een verklaring vormt van de afbeeldingen, doch ook niet van dien aard is dat hij voor de lezertjes een eigen, los van de afbeeldingen staande, betekenis heeft.
Hier moet nog worden opgemerkt dat dit uit de letterlijke en logische interpretatie der teksten voortvloeiende resultaat beantwoordt aan een overweging van systematische aard en tevens aan praktische eisen met betrekking tot de uitoefening van de taak van de douane. Aangezien het GDT een aparte post heeft voor prentenalbums en prentenboeken voor kinderen, welke zich in het systeem van dit tarief onderscheidt van de algemene post „boeken, brochures en dergelijk drukwerk”, dient de aanwezigheid van de twee karakteristieke elementen van de bijzondere post — het boek moet bestemd zijn voor kinderen en moet meer plaatjes dan tekst bevatten — „op het eerste gezicht” voldoende te zijn om het boek in die post in te delen, tenzij zou blijken dat de tekst ook een eigen waarde heeft, los van de plaatjes. Anders gezegd, wanneer het gaat om uitgaven die voor het grootste deel uit afbeeldingen bestaan, kan de douane dus uitgaan van het vermoeden dat deze onder post 49.03 vallen; dit vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer duidelijk blijkt dat de tekst belangrijker is dan de plaatjes.
4.
Ik concludeer mitsdien dat het Hof de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 19 april 1977 gestelde prejudiciële vraag inzake de uitlegging van aantekening 5 bij hoofdstuk 49 GDT aldus beantwoorde, dat, met het oog op indeling onder post 49.03, bij de vaststelling dat een kinderboek zijn waarde hoofdzakelijk ontleent aan de plaatjes, kan worden uitgegaan van een rechtsvermoeden gebaseerd op optisch-kwantitatieve criteria, tenzij blijkt dat de tekst hoofdzaak is, dat wil zeggen los van de plaatjes zelfstandige waarde heeft.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy