CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 1 DECEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is, ter fine van een prejudiciële beslissing, naar het Hof verwezen door de Bundesfinanzhof, alwaar de firma Ludwig Poppe te Hamburg als eiseres en de Oberfinanzdirektion te Keulen als gedaagde optrad.
Op 3 januari 1975 verzocht eiseres gedaagde om een „Verbindliche Zolltarif-auskunft” met betrekking tot de vraag hoe bepaalde goederen, die zij uit de Verenigde Staten in de Bondsrepubliek wenste in te voeren, volgens het gemeenschappelijk douanetarief moesten worden ingedeeld.
Het gaat om een onder de naam „Huron Copysette” verhandelde waar, een soort schrijfpapier waarvan het Hof op verzoek monsters werden overgelegd. Zulk papier is bedoeld om de typisten het maken van carbondoorslagen te vergemakkelijken. Een „copysette” bestaat uit twee bladen papier van dezelfde grootte (21 x 29,7 cm, ofwel DIN A 4) die aan een der zijden zijn samengekleefd, een blad carbonpapier en een blad gewoon wit doorslagpapier, dat tegen de geprepareerde zijde van het carbonpapier ligt. Beide bladen kunnen tezamen — onder het blad papier dat voor de originele tekst bestemd is — in de schrijfmachine worden gedaan. Na het typen kunnen ze worden losgemaakt en kan het carbonpapier worden weggeworpen. „Copysettes” worden blijkbaar in dozen van 500 sets verhandeld.
Op 18 februari 1975 verstrekte gedaagde een „Verbindliche Zolltarifauskunft” waarbij de goederen werden gebracht onder nummer 48.18 van het gemeen schappelijk douanetarief (PB L 295 van 1. 11. 1974): „registers, schriften, schrijfboeken, zakboekjes, kwitantieboekjes, blocnotes, agenda's, onderleggers, opbergmappen, mappen en banden (met losse bladen of andere) en andere school-artikelen, kantoorartikelen en dergelijke artikelen, van papier of van karton; albums voor monstercollecties of voor verzamelingen, alsmede kaften en boekomslagen, van papier of van karton”. De verschuldigde invoerrechten zijn: autonoom 21 %, conventioneel 15 %.
In een brief van 7 maart 1975 maakte eiseres bij gedaagde bezwaar tegen het advies; haars inziens dienden de goederen te worden gebracht onder nummer 48.13: „carbonpapier en dergelijk papier, voor het maken van doorslagen, van overdrukken, enz., en stencilpapier, op maat gesneden, ook indien verpakt in dozen …”. De alsdan verschuldigde invoerrechten zouden zijn: autonoom 19 %, conventioneel 12 %.
Op 28 augustus 1975 nam gedaagde een beschikking („Einspruchsentscheidung”) waarbij het advies werd bevestigd.
Eiseres kwam hiertegen op bij het Bundesfinanzhof; met handhaving van haar primaire vordering, daartoe strekkende dat de goederen onder nummer 48.13 zullen worden gebracht, verzoekt zij subsidiair de waar te brengen onder nummer 48.15, omvattende:
„Ander papier en karton, voor bepaalde doeleinden gesneden:
A —
Plakband met een breedte van niet meer dan 10 cm, waarvan het kleefmiddel bestaat uit niet gevulcaniseerd natuurlijk of synthetisch rubber;
B —
Ander.”
Ook in dat geval zouden de verschuldigde invoerrechten bedragen: autonoom 19 %, conventioneel 12 %.
Het Bundesfinanzhof heeft in zijn verwijzingsbeschikking overwogen dat carbonpapier als zodanig onder nummer 48.13 valt en doorslagpapier als zodanig onder nummer 48.15 B. De vraag is hoe goederen moeten worden ingedeeld die én als carbonpapier én als doorslagpapier kunnen worden aangemerkt.
Het Bundesfinanzhof formuleerde zijn aan het Hof gestelde vraag als volgt:
„Is post 48.15 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te verstaan, dat hij slechts betrekking heeft op afzonderlijke papiersoorten — zoals het in post 48.15 A genoemde plakband —, maar niet op sets bestaande uit verschillende papiersoorten die elk uitdrukkelijk in andere tariefposten worden genoemd of daaronder vallen — zoals carbonpapier in post 48.13 en doorslagpapier als op maat gesneden papier van post 48.15 B — , of vallen zulke sets als kantoorartikelen van papier automatisch onder post 48.18?”
Eiseres en de Commissie hebben hieromtrent opmerkingen bij het Hof ingediend.
Het standpunt van eiseres komt daarop neer dat alle onder nummer 48.18 gebrachte goederen worden geproduceerd nadat het papier of karton dat er de grondstof van vormt een wezenlijke bewerking, zoals binden of drukken, heeft ondergaan. De onderhavige goederen dienen dan ook haars inziens als „ander (carbon) papier” in de zin van nummer 48.13 dan wel als „ander papier … voor bepaalde doeleinden gesneden” in de zin van nummer 48.15 te worden aangemerkt. Voor het Bundesfinanzhof — niet voor het Hof — verwees eiseres voorts naar de verklarende Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel, voorzover nummer 48.13 betreffende.
De Commissie stelt zich harerzijds op het standpunt dat gedaagde de waren terecht onder nummer 48.18 heeft gebracht.
Na enige aarzeling ben ik tot dezelfde slotsom gekomen.
Mijns inziens dient terdege op de opzet van hoofdstuk 48 te worden gelet. Het is in twee onderhoofdstukken verdeeld, te weten „papier en karton, op rollen of in bladen” en „papier en karton, voor bepaalde doeleinden gesneden; papier en kartonwaren”. Men is het er over eens dat de goederen niet onder het eerste onder-hoofdstuk vallen. Het tweede onderhoofdstuk begint met vijf posten die ieder een bijzonder soort papier of karton omvatten. Nummer 48.10 omvat, summier gezegd, sigarettenpapier, nummer 48.11 behangselpapier, nummer 48.12 vloerbedekking met een onderlaag van papier of karton, nummer 48.13 is U bekend en nummer 48.14 omvat schrijfpapier en dergelijke. Dan komt nummer 48.15 dat in verhouding tot de nummers 48.10 en met 48.14 als een restpost — ander papier en karton — is te beschouwen. Uit papier of karton vervaardigde waren vallen onder de nummers 48.16 tot en met 48.21. Ik behoef ze niet op te sommen. Voor kantoorartikelen hebben we hier te maken met nummer 48.18, waarin met zoveel woorden wordt gesproken van „dergelijke artikelen, van papier of karton”.
Het komt mij voor dat een artikel dat uit twee verschillende soorten papier bestaat, niet onder een der nummers 48.10 tot en met 48.15 kan worden gebracht, omdat het daarin telkens om slechts één soort papier gaat. Een dergelijk artikel dient onder een van de nummers 48.16 tot en met 48.21, in casu onder 48.18 te worden gebracht.
Ik vind hiervoor steun in de verklarende Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel. Met betrekking tot nummer 48.13 wordt herhaaldelijk naar „gewoon papier” verwezen in bewoordingen waaruit de bedoeling van de auteurs blijkt te onderscheiden tussen enerzijds papier dat enigerlei bewerking tot „doorslagpapier” in de zin van dat nummer heeft ondergaan en anderzijds „gewoon papier” dat niet aldus is geprepareerd en daarom niet onder dit nummer mag worden gebracht.
De Bundesfinanzhof deed nog een andere mogelijkheid aan de hand; het meent dat de hierbedoelde goederen prima facie onder één der nummers 48.13, 48.15 en 48.18 kunnen worden gebracht, zodat al gemene bepaling 3 van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing zou zijn. In deze (door mij uiteraard niet gedeelde) zienswijze zou men, naar ik meen, tot eenzelfde resultaat komen, immers waar noch de onder (a) noch de onder (b) gestelde casuspositie zich voordoet, zou — volgens het onder (c) gestelde — nummer 48.18 — volgens hetwelk het hoogste invoerrecht wordt geheven — moeten worden toegepast.
Ik kom tot de slotsom dat de vraag van de Bundesfinanzhof door Uw Hof in die zin dient te worden beantwoord dat nummer 48.15 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus is te verstaan dat sets, bestaande uit verschillende — doch samengekleefde — papiersoorten er niet onder vallen wanneer die papiersoorten zelf onder verschillende nummers van het tarief vallen, en dat dergelijk papier onder nummer 48.18 moet worden gebracht.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy