CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 15 NOVEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In deze prejudiciële zaak, welke voor het Hof is gekomen door een verwijzingsbeschikking van de Arbeidsrechtbank te Luik, is de verzoeker in het hoofdgeding de heer Mario Torri en de verweerder de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (de „RDWP”). Het geschilpunt in het hoofdgeding is of Torri, die een ouderdomspensioen geniet, van verweerder een aanvulling op zijn pensioen kan verlangen ingevolge artikel 50 van 's Raads verordening (EEG) nr. 1408/71.
Naar ons is gezegd, zou het hier om een proefproces gaan, waarin Uw uitspraak tevens bepalend zou zijn voor de beslissing in een reeks andere zaken die thans in België lopende zijn.
De feiten in deze zaak zijn de volgende.
Torri, van Italiaanse nationaliteit en geboren op 25 oktober 1909, heeft in Italië gewerkt van 1924 tot 1947 en in België van 1948 tot 1974, toen hij de in België voor mannen geldende pensioengerechtigde leeftijd van vijfenzestig jaar bereikte. Hij woont nog steeds in België. Vooruitlopend op zijn pensionering had hij bij de RDWP een ouderdomspensioen aangevraagd. Op dat ogenblik waren de gegevens waarover de RDWP en het bevoegde Italiaanse orgaan van sociale zekerheid beschikten met betrekking tot de arbeidstijdvakken die Torri in Italië had vervuld, onvolledig. Dientengevolge werd bij de berekening van zijn pensioenrechten zowel in België als in Italië aangenomen dat hij in Italië slechts van 1926 tot 1942 en van 1946 tot 1947 had gewerkt. Aldus zou hij recht hebben op een Belgisch pensioen van BFR 132333 per jaar en op een Italiaans pensioen van LIT 224250 ofwel BFR 12970 per jaar. De som van deze beide bedragen BFR 145303, bleef BFR 33777 onder Torri's Belgische „theoretische pensioenbedrag” als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71, dat wil zeggen het bedrag waarop hij in België recht zou hebben gehad, als zijn verzekeringstijdvakken in Italië en België alleen in België waren vervuld. Voor de Arbeidsrechtbank te Luik vordert hij nu het aanvullend bedrag van BFR 33777. In confesso is dat volgens de thans beschikbare gegevens deze bedragen zullen moeten worden herzien, met name door verhoging van zijn Italiaanse pensioen tot LIT 397900 en van zowel zijn Belgische als Italiaanse „theoretische pensioenbedrag”. Dit staat echter buiten de principiële vraag die U zult hebben uit te maken en die in hoofdzaak betrekking heeft op de uitlegging van artikel 50 van verordening nr. 1408/71.
Artikel 50 staat in hoofdstuk 3 van titel III der verordening. Dit hoofdstuk gaat over „ouderdom en overlijden (pensioenen)” en is, zoals U weet, in bepaalde omstandigheden van overeenkomstige toepassing op invaliditeitspensioenen.
Het opschrift en de tekst van artikel 50, zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte, luiden:
„Toekenning van een aanvulling wanneer het bedrag van de uitkeringen, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van de verschillende Lid-Staten, minder is dan het minimum dat is vastgesteld in de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de rechthebbende woonachtig is.
Degene die uitkering geniet en waarop dit hoofdstuk is toegepast, kan in de staat op het grondgebied waarvan hij woont en krachtens de wettelijke regeling waarvan hem een uitkering verschuldigd is, geen lagere uitkering ontvangen dan de minimumuitkering welke door deze wettelijke regeling is vastgesteld voor een tijdvak van verzekering of van wonen dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken welke overeenkomstig de voorgaande artikelen voor de vaststelling van zijn uitkering in aanmerking zijn genomen. Het bevoegde orgaan van deze staat betaalt hem in voorkomend geval, gedurende de gehele tijd dat hij op het grondgebied van deze staat woont, een aanvullend bedrag uit, dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde uitkeringen en het bedrag van de minimumuitkering.”
Volgens de RDWP, die hierin wordt ondersteund door de Commissie, doelt „de minimumuitkering welke door deze wettelijke regeling is vastgesteld” op het geval dat in de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat een minimumuitkering is voorgeschreven, en is artikel 50 niet van toepassing, wanneer in die regeling geen minimumuitkering is voorgeschreven. In België gelden minimumuitkeringen alleen bij invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers en bij ouderdomspensioenen voor grens- en seizoenarbeiders. Torri was nooit een grens- of seizoenarbeider geweest en kon dan ook, aldus de RDWP en de Commissie, niets vorderen uit hoofde van artikel 50.
Torri betoogde dat in een geval als het zijne de in artikel 50 genoemde minimumuitkering het overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, berekende „theoretische bedrag van de uitkering” is.
Ik wil al dadelijk zeggen dat ik het met de RDWP en de Commissie eens ben, en wel om twee redenen.
Ten eerste komt het mij voor dat, als de auteurs van verordening nr. 1408/71 aan artikel 50 het effect hadden willen geven dat Torri daaraan toeschrijft, zij dit artikel anders hadden geformuleerd. In dat geval zouden zij bij voorbeeld hebben gesproken van „de minimumuitkering welke door deze wettelijke regeling is vastgesteld, of, indien in die regeling geen minimumuitkering is voorgeschreven, het theoretische bedrag van de uitkering, berekend door het bevoegde orgaan van die staat overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a”.
Ten tweede noemt artikel 5 van verordening nr. 1408/71 bij de onderwerpen waarover de Lid-Staten ingevolge dit artikel (juncto artikel 96) verklaringen moeten afleggen, „de in artikel 50 bedoelde minimumuitkeringen”. Dit wijst erop dat de Lid-Staten deze minimumuitkeringen moeten opgeven aan de hand van hun eigen wettelijke regelingen en dat dit geen bedragen zijn die kunnen worden berekend volgens de bepalingen van verordening nr. 1408/71 zelf.
De Commissie heeft tot staving van deze uitlegging gewezen op haar eigen toelichting bij haar oorspronkelijke voorstel aan de Raad dat heeft geleid tot de vaststelling van verordening nr. 1408/71. Naar mijn mening mag men echter bij de uitlegging van de verordening niet te rade gaan bij deze toelichting, primo omdat die niet is gepubliceerd, en secundo omdat niets de veronderstelling wettigt dat de leden van de Raad, of de auteurs van de Toetredingsakte, de opvatting van de Commissie over de betekenis van artikel 50 in alle opzichten deelden.
Zoals U weet, zijn de verklaringen van de oorspronkelijke Lid-Staten ingevolge de artikelen 5 en 96 van verordening nr. 1408/71 tezamen gepubliceerd in PB C 12 van 24. 3. 1973, blz. 11. Onder het opschrift „Minimumuitkeringen bedoeld in artikel 50 van de verordening” hebben België, de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland alle opgegeven „gene”. Anderzijds vermeldden Frankrijk, Italië en Luxemburg elk een aantal sociale zekerheidsuitkeringen waarvoor ingevolge hun respectieve wetgevingen onder bepaalde omstandigheden minima golden. De verklaringen van de nieuwe Lid-Staten zijn bekendgemaakt in PB C 43 van 18. 6. 1973, blz. 1. Onder het desbetreffende hoofd gaf Denemarken „geen” op, terwijl Ierland en het Verenigd Koninkrijk elk een aantal uitkeringen met minima of vaste hoogten vermeldden. PB C 84 van 12. 10. 1973, blz. 7 bevatte een rectificatie op de verklaring van België, waarbij „gene” werd vervangen door „Invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers”. Op 25 oktober 1975 verscheen in PB C 245 een „vervanging” van de verklaring van het Verenigd Koninkrijk in verband met de codificatie van de sociale zekerheidswetgeving van dat land in de Social Security Act 1975. PB C 89 van 14. 5. 1977, blz. 2 bevatte een wijziging van de verklaring van het Verenigd Koninkrijk in die zin dat in plaats van „geen” de gegevens van de verklaring van 25 oktober 1975 werden vermeld. U zult zich herinneren wat de Commissie hierover heeft opgemerkt. In casu is dit echter niet rechtstreeks van belang.
Wel van belang voor de onderhavige zaak is dat in geen enkele verklaring van België melding wordt gemaakt van minima voor de ouderdomspensioenen van grens- of seizoenarbeiders. De RDWP kon ons niet zeggen waarom dit is nagelaten. Bedoelde minima waren ingevoerd bij een wet van 27 december 1973, waarbij een nieuw lid 5 werd toegevoegd aan artikel 10 van Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 houdende de Belgische wettelijke regeling betreffende het rusten overlevingspensioen van werknemers.
Torri heeft eerst bij zijn mondelinge opmerkingen voor het Hof gesteld dat dit artikel 10, lid 5, onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, met name omdat die bepaling a) uitdrukkelijk alleen gold voor Belgische onderdanen en b) alleen gold voor grens- en seizoenarbeiders. Wat het eerste betreft, lijkt de bepaling inderdaad onverenigbaar met artikel 3 van verordening nr. 1408/71. Maar wat het tweede betreft, ben ik op grond van het onvolledige betoog dat wij hebben behoord, niet aanstonds geneigd de bepaling onverenigbaar met het gemeenschapsrecht te achten. Zoals de RDWP heeft uiteengezet, meende het Belgische Parlement dat er gegronde redenen waren om grens- en seizoenarbeiders niet gelijk te behandelen als anderen; ook is het een feit dat verordening nr. 1408/71 zelf een aantal speciale bepalingen voor grens- en seizoenarbeiders bevat. In ieder geval lijkt mij dat de kwestie van de verenigbaarheid van artikel 10, lid 5, met het gemeenschapsrecht buiten het bestek ligt van de vragen die de Arbeidsrechtbank te Luik aan U heeft gesteld.
Alvorens op die vragen in te gaan, moge ik opmerken dat, gezien de bijlagen bij de mondelinge opmerkingen van Torri, de RDWP het onderhavige geschil grotendeels aan zichzelf heeft te wijten, door in de toelichting op de achterzijde van het formulier waarmee de betrokkenen mededeling wordt gedaan van het hun toekomende pensioenbedrag, een paragraaf 4 op te nemen die zo is geformuleerd dat het lijkt alsof voor alle gevallen een minimumuitkering geldt. In sommige gevallen (zij het niet bij Torri) zou de RDWP het bedrag van een minimumuitkering op de voorkant van het formulier hebben vermeld, zelfs wanneer geen minimum van toepassing was. De aldus vermelde minimumuitkering viel soms, zij het niet altijd, samen met het theoretische uitkeringsbedrag van de betrokkene. Door Torri is betoogd dat, wanneer de opmerkingen van de RDWP in dit geding juist zijn, een dergelijke verwarrende handelwijze zou moeten worden gestaakt. Dit lijkt mij ook.
De door de Arbeidsrechtbank gestelde vragen luiden:
„Wat dient te worden verstaan onder, minimumuitkering' in de zin van artikel 50 van verordening nr. 1408/71 van de Raad, wanneer de wettelijke regeling van een staat geen vast minimumpensioenbedrag kent, daar de uitkeringen worden berekend naar het loonbedrag en de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken?
Komt de minimumuitkering in dit geval overeen met het volgens artikel 46, lid 2, sub a, der verordening berekende, theoretische pensioenbedrag'?”
Op deze vragen wil ik slechts antwoorden dat, indien de wettelijke regeling van een Lid-Staat geen minimumuitkering voorschrijft, artikel 50 van verordening nr. 1408/71 niet van toepassing is.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy