CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 5 JULI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In het kader van een op 28 mei 1969 goedgekeurd algemeen programma voor de opheffing van de technische belemmeringen van het handelsverkeer die het gevolg zijn van verschillen tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten (PB C 76 van 1969, blz. 1) stelde de Raad op 4 maart 1974 richtlijn nr. 74/150/EEG vast inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PB L 84, van 1974, blz. 10). Bij deze richtlijn werd voor landbouw- of bosbouwtrekkers op luchtbanden met twee assen en een maximumsnelheid tussen 6 en 25 km/h naast de nationale typegoedkeuring een „EEG-goedkeuring” ingevoerd. Luidens artikel 2, sub b, der richtlijn is de EEG-goedkeuring „een handeling waardoor een Lid-Staat constateert dat een type trekker voldoet aan de technische voorschriften van de bijzondere richtlijnen en aan de controles, voorgeschreven in het EEG-goedkeuringsformulier waarvan het model in bijlage II is opgenomen.
Aan het systeem van de EEG-goedkeuring ligt ten grondslag het beginsel van de wederzijdse erkenning van de door de bevoegde nationale instanties verrichte controles alsmede het certificaat van overeenstemming dat de voertuigen vergezelt en waarmee deze in de Gemeenschap vrij in het verkeer kunnen worden gebracht en verhandeld.
In aanvulling op de kaderrichtlijn nr. 74/150/EEG zijn onder meer nog vier andere richtlijnen vastgesteld:
—
richtlijn nr. 74/151/EEG van 4 maart 1974 betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van trekkers (toegestaan totaalgewicht — plaats en aanbrenging van achterste kentekenplaten — reservoirs voor vloeibare brandstof — extra gewichten — geluidssignaalinrichting — toegestaan geluidsniveau en uitlaatinrichting) (PB L 84 van 1974, blz. 25);
—
richtlijn nr. 74/152/EEG van 4 maart 1974 betreffende de maximumsnelheid en laadplatforms (PB L 84 van 1974, blz. 33);
—
richtlijn nr. 74/346/EEG van 25 juni 1974 betreffende achteruitkijkspiegels (PB L 191 1);
—
richtlijn nr. 74/347/EEG van 25 juni 1974 betreffende het zichtveld en de ruitewissers (PB L 191 van 1974, blz. 5).
Op grond dat de Italiaanse Republiek niet binnen de in de richtlijnen gestelde termijnen de nodige maatregelen had ingevoerd om aan het bepaalde in die richtlijnen te voldoen, leidde de Commissie bij brief van 14 april 1976 de verzuimprocedure ex artikel 169 EEG-Verdrag in, gevolgd door haar ten slotte op 6 juni 1977 ingestelde beroep met de conclusie dat het den Hove behage:
1.
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te hebben ingevoerd om te voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen nrs. 74/150/EEG, 74/151/EEG, 74/152/EEG, 74/346/EEG en 74/347/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende landbouwof bosbouwtrekkers op wielen, een der krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2.
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van het geding.
Verweerster voert aan dat zich hier bijzondere moeilijkheden hebben voorgedaan, daar het onderwerp der richtlijnen volgens haar nationale rechtsorde onder de bevoegdheid van verschillende ministeries valt. Ook kon een eerste wetsontwerp niet worden aangenomen wegens het voortijdige einde van de legislatuurperiode 1976. Thans was echter op 26 augustus 1977 wet nr. 572 van 8 augustus 1977 van kracht geworden, waarbij de kaderrichtlijn nr. 74/150/EEG werd verwerkt in de Italiaanse rechtsorde en de procedure werd geregeld om de reeds verschenen en nog komende richtlijnen ten uitvoer te leggen. Ingevolge artikel 3 van deze wet stelt de president van de Republiek, op een door de minister van Verkeer in overleg met de overige betrokken ministers in te dienen voorstel, bij decreet de nodige technische voorschriften vast. Daarmede was althans wat de kaderrichtlijn nr. 74/150/EEG betreft, de hoofdzaak afgedaan. Voor het overige was van een werkelijke schending van het beginsel van het vrije handelsverkeer gen sprake.
In confesso is dat verweerster ook binnen de nadere termijn van een maand, welke was gesteld in het met redenen omklede advies van 1 oktober 1976, niet de nodige maatregelen heeft getroffen ter voldoening aan haar verplichtingen ingevolge de onderhavige richtlijnen. Daarmede waren ook op de datum van het beroep, dat eerst op 6 juni 1977 werd ingesteld, de voorwaarden voor een veroordeling van verweerster — overeenkomstig verzoeksters conclusies — wegens niet-nakoming van het Verdrag vervuld.
De door verweerster vermelde moeilijkheden, verband houdend met de bevoegdheid van verschillende ministeries en de voortijdige ontbinding van het parlement, vermogen daaraan niets af te doen. Volgens Uw constante rechtspraak, die ik hier mijns inziens niet meer in extenso behoef aan te halen, is de op grond van artikel 169 EEG-Verdrag gedaagde staat aansprakelijk voor vertragingen en moeilijkheden die voortvloeien uit het nationale recht.
Voorzover verweerster zich beroept op de inwerkingtreding op 26 augustus 1977, dus in de loop van de schriftelijke behandeling, van wet nr. 572 van 8 augustus 1977, heeft ook verzoekster tijdens de mondelinge behandeling niet betwist dat, wat de kaderrichtlijn nr. 74/150/EEG — maar ook alleen deze — betreft, de verdragsschending een einde heeft genomen. Hoewel verzoekster hierin geen aanleiding zag haar conclusies aan te passen, ben ik toch van mening dat inzoverre als gevolg van een gebeurtenis vóór afloop van de mondelinge behandeling, de hoofdzaak is afgedaan en dat verweerster deswege niet kan worden veroordeeld wegens niet-nakoming van het Verdrag. Dit vloeit reeds voort uit artikel 171 EEG-Verdrag, volgens hetwelk een wegens niet-nakoming van het Verdrag veroordeelde Lid-Staat is gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. Is echter de maatregel, gelijk in casu, nog tijdens de verzuimprocedure genomen, dan heeft een veroordeling mijns inziens geen zin meer, daar de Lid-Staat dan ook geen maatregelen meer kan nemen. Ik beroep mij hiertoe op Uw arrest van 13 juli 1972 in de zaak 48/71, Commissie t. Italiaanse Republiek (Jurispr. 1972, blz. 529). Hoewel in die zaak pas na afloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling een einde was gekomen aan het gewraakte verdragsverzuim, heeft Uw Hof toen in het arrest afgezien van een veroordeling wegens niet-nakoming van het Verdrag en slechts ter kennis genomen dat de Italiaanse Republiek een einde had gemaakt aan het verzuim harer verplichtingen. Wel is de Italiaanse Republiek toen in de kosten verwezen, daar het beroep tot na de afloop van de mondelinge behandeling gegrond was. In het onderhavige geval geldt mijns inziens hetzelfde. Ook al acht ik de hoofdzaak in zoverre afgedaan, toch zal verweerster in de proceskosten moeten worden verwezen, omdat zij de toestand van verzuim pas na de instelling van het beroep tijdens de schriftelijke behandeling heeft beëindigd.
Verweersters betoog dat door de vertraging bij de uitvoering der richtlijnen het beginsel van het vrije goederenverkeer niet wezenlijk is geschonden, kan geen steek houden alleen al omdat het verdragsverzuim reeds daarin is gelegen dat de richtlijnen niet binnen de gestelde termijn zijn getransformeerd in nationaal recht. Overigens heeft verzoekster tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat de Italiaanse fabrikanten ook nu nog, na het verschijnen van wet nr. 572, uiterst moeilijk een certificaat van overeenstemming voor hun voertuigen kunnen krijgen, wanneer zij zich naar de nog steeds geldende Italiaanse technische voorschriften richten. Ik wil in het midden laten of, zoals verzoekster enigszins in tegenspraak met haar overige argumenten meent, de technische richtlijnen van de Raad reeds thans rechtstreeks geldend recht zijn in die zin dat ook de fabrikanten zich daarop kunnen beroepen. Naar mijn mening verlangt alleen al de rechtszekerheid dat de technische richtlijnen worden getransformeerd tot nationaal recht om ter algemene kennis van de betrokkenen te kunnen komen en ook metterdaad door alle lagere autoriteiten te kunnen worden toegepast. Deze mening wordt kennelijk ook door de Italiaanse wetgever en de Italiaanse regering gedeeld blijkens artikel 3 van wet nr. 572 en het betoog van verweerster bij de mondelinge behandeling. Het staat echter buiten kijf dat het Italiaanse recht nog niet volgens de procedure van artikel 3 van wet nr. 572 is aangepast aan de vier in het beroepschrift genoemde technische richtlijnen. In zover duurt de toestand van verdragsschending nog voort.
Samenvattend concludeer ik mitsdien dat
1.
Worde vastgesteld dat de Italiaanse Republiek een krachtens het Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te hebben getroffen om te voldoen aan de richtlijnen nrs. 74/151/EEG, 74/152/EEG, 74/346/EEG en 74/347/EEG van de Raad.
2.
Voor het overige de hoofdzaak afgedaan worde verklaard.
3.
Verweerster worde verwezen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy