CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 25 JANUARI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige prejudiciële zaak is aan het Hof voorgelegd door de Nederlandse Tariefcommissie, alwaar de directeur van de Universiteitskliniek voor Hart- en Vaatchirurgie van het Academisch Ziekenhuis te Utrecht beroep had ingesteld tegen een beschikking van de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Utrecht tot betaling van rechten op grond van het gemeenschappelijk douanetarief bij de invoer van een instrument ten behoeve van de Universiteitskliniek. Het instrument was vervaardigd door Beckman Instruments International SA te Genève (hierna genoemd „Beckman”) en wordt omschreven als een „ACTA M-VI ultraviolet spectrofotometer”. Het is bestemd voor het analyseren van bloedmonsters in het biochemisch laboratorium van de Universiteitskliniek. Het geding voor de Tariefcommissie gaat in feite om de vraag of dit instrument in aanmerking komt voor vrijstelling van invoerrechten op grond van de gemeenschapsregelingen betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor „voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard”, namelijk verordening (EEG) nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 en verordening (EEG) nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975.
In de preambule van bedoelde verordening van de Raad wordt verwezen naar de Overeenkomst inzake de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, algemeen bekend onder de naam „Overeenkomst van Florence” en totstandgekomen onder auspiciën van de UNESCO. Bij deze op 21 mei 1952 in werking getreden overeenkomst zijn — behalve Ierland — alle Lid-Staten van de Gemeen schap partij. Naar de Commissie mededeelde, zal binnenkort waarschijnlijk ook Ierland tot deze overeenkomst toetreden.
Volgens de preambule heeft de Overeenkomst van Florence ten doel „de vrije uitwisseling van boeken, publikaties en materiaal van opvoedkundige, wetenschappelijke en culturele aard te bevorderen”, alsmede „de vrije uitwisseling van denkbeelden en kennis, en in het algemeen, de verbreiding op zo ruim mogelijke schaal van de verschillende manieren waarop de beschavingen zich kenbaar maken”, welke worden omschreven als „van het allergrootste belang voor de intellectuele vooruitgang en voor een goede internationale verstandhouding en mitsdien voor het handhaven van de wereldvrede”.
In artikel 1 van de overeenkomst verplichten de overeenkomstsluitende staten zich geen douanerechten of andere heffingen te doen gelden op of in verband met de invoer van — onder andere — voorwerpen van wetenschappelijke aard, opgesomd in bijlage D van de overeenkomst, welke vervaardigd zijn in een andere overeenkomstsluitende staat, behoudens de bepalingen neergelegd in die bijlage. Bijlage D is getiteld „Wetenschappelijke instrumenten en apparaten” en luidt als volgt:
„Wetenschappelijke instrumenten en apparaten, uitsluitend bestemd voor opvoedkundige doeleinden of zuiver wetenschappelijk onderzoek, onder voorwaarde :
(a)
dat de bedoelde wetenschappelijke instrumenten en apparaten bestemd zijn voor openbare of particuliere wetenschappelijke of opvoedkundige instellingen, die toestemming hebben van de bevoegde autoriteiten van het land van invoer om deze voorwerpen vrij van rechten in te voeren, en dat zij gebruikt worden onder controle en verantwoordelijkheid van deze instellingen;
(b)
dat instrumenten en apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde niet in het land van invoer worden vervaardigd.”
Uit de preambule en de bepalingen van verordening nr. 1798/75 van de Raad blijkt — en de Commissie heeft er reeds op gewezen — dat de verordening hoofdzakelijk is gebaseerd op de Overeenkomst van Florence. Zij heeft onder meer ten doel bij de verlening van douanevrijdom voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard in de gehele Gemeenschap uniform te werk te gaan en de Gemeenschap als één land te behandelen met betrekking tot de bepaling dat wetenschappelijke instrumenten en apparaten niet voor vrijstelling in aanmerking komen wanneer instrumenten of apparaten met dezelfde wetenschappelijke waarde „in het land van invoer” worden vervaardigd. Wat dit laatste betreft, heeft de Commissie bij de mondelinge behandeling medegedeeld dat de Overeenkomst van Florence niet formeel was aangepast, doch dat zij het punt naar voren had gebracht bij de onderhandelingen over een nieuw protocol bij de overeenkomst (besprekingen in verband met de overeenkomst worden namelijk thans namens de Gemeenschap door de Commissie gevoerd). Gezien het contrast tussen de welbepaalde term „overeenkomstsluitende staten” in de tekst van de overeenkomst en de vagere term „land van invoer” in bijlage D, kan men immers zeggen dat de behandeling van de Gemeenschap ten deze als eenheid gerechtvaardigd is onder de huidige bepalingen van de overeenkomst. Ik hoef echter niet verder op dit punt in te gaan, omdat het in deze zaak niet relevant is.
De bepaling waarvan in casu uitlegging wordt gevraagd, is artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75, PB nr. L 184 van 15. 7. 1975, blz. 1, luidende:
„De invoer van … wetenschappelijke instrumenten en apparaten, die uitsluitend worden ingevoerd voor het onderwijs of zuiver wetenschappelijk onderzoek, geschiedt met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, wanneer:
a)
zij bestemd zijn:
—
hetzij voor openbare instellingen of instellingen van openbaar nut, wier voornaamste bezigheid het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek is, en voor de diensten die onder een openbare instelling of een instelling van openbaar nut ressorteren en wier voornaamste bezigheid het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek is;
—
hetzij voor particuliere wetenschappelijke of onderwijsinstellingen die als zodanig toestemming hebben van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten om deze goederen vrij van rechten in te voeren;
en wanneer
b)
geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd.”
Artikel 3, lid 2, heeft betrekking op de invoer met vrijstelling van rechten van delen, reservedelen en toebehoren van de instrumenten of apparaten die zelf ingevolge artikel 3, lid 1, met vrijstelling van rechten kunnen worden ingevoerd.
Artikel 3, lid 3, omschrijft „zuiver wetenschappelijk onderzoek” als „het onderzoek dat voor niet-commerciële doeleinden wordt verricht”. Het bevat ook uitvoerige definities — waarop ik hier niet hoef in te gaan — van „gelijkheid van de wetenschappelijke waarde” en van de voorwaarden waaronder instrumenten of apparaten worden beschouwd in de Gemeenschap te worden vervaardigd.
Artikel 3, lid 4, luidt:
„In elk geval zijn de gebruikelijke voor uitrusting bestemde materialen van vrijstelling uitgesloten, tenzij deze bepaalde kenmerken vertonen die in de Gemeenschap vervaardigde materialen niet bezitten.”
Dit lid 4 is niet zo duidelijk. Blijkbaar vat de Commissie het zo op dat „wetenschappelijke” instrumenten en apparaten moeten worden onderscheiden van „gebruikelijke voor uitrusting bestemde materialen”, doch dat ook voor deze laatste vrijstelling kan worden verleend wanneer „zij bepaalde kenmerken vertonen die de in de Gemeenschap vervaardigde materialen niet bezitten”. Een andere uitlegging zou zijn dat „wetenschappelijke” instrumenten en apparaten zelf „gebruikelijk” ofwel „uitzonderlijk” zijn en dat slechts deze laatste in aanmerking komen voor vrijstelling. Een derde mogelijkheid — waaraan ik de voorkeur geef — is dat artikel 3, lid 4, is bedoeld als een hulpmiddel bij de uitlegging van artikel 3, lid 1, en zelf niets toe- of afdoet aan de inhoud van die bepaling.
Zoals U ziet en zoals reeds door de Commissie is opgemerkt, moeten materialen aan vier voorwaarden voldoen om op grond van artikel 3 in aanmerking te komen voor invoer met vrijstelling van rechten, te weten:
1.
het. moeten „wetenschappelijke instrumenten of apparaten” zijn;
2.
zij mogen uitsluitend zijn ingevoerd voor onderwijsdoeleinden of voor zuiver wetenschappelijk onderzoek, dat wil zeggen onderzoek voor niet-commerciële doeleinden;
3.
zij moeten bestemd zijn voor een instelling als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub a;
4.
in de Gemeenschap mogen geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde worden vervaardigd.
In dit verband wil ik er al dadelijk op wijzen dat uit de bevindingen van de Ta riefcommissie blijkt dat wij ervan kunnen uitgaan dat in casu aan de voorwaarden 2, 3 en 4 is voldaan. De Tariefcommissie verkeert alleen in onzekerheid omtrent voorwaarde 1.
Alvorens in te gaan op de aard van deze onzekerheid en op de eigenlijke vragen van de Tariefcommissie wil ik opmerken dat in de artikelen 7 en 8 van verordening nr. 1798/75 een „Comité voor vrijdom van douanerechten” is ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie; dit comité heeft tot taak „elke aangelegenheid betreffende de toepassing van deze verordening, die door zijn voorzitter… aan de orde wordt gesteld” te onderzoeken. Artikel 9 voorziet in een procedure analoog aan de bekende „beheerscomitéprocedure”, voor de vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van een aantal artikelen der verordening, waaronder artikel 3. Volgens deze procedure werd verordening nr. 3195/75 van de Commissie vastgesteld.
De artikelen 4 en 5 van deze verordening voorzien in een uitvoerige procedure om bij verzoeken tot vrijstelling krachtens artikel 3 der verordening uit te maken of feitelijk is voldaan aan de voorwaarden 1 en 4, indien de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat over onvoldoende gegevens beschikt om zelf te bepalen of dit met betrekking tot beide voorwaarden of een daarvan het geval is. In zeer moeilijke en grensgevallen kan deze procedure leiden tot een verwijzing naar een groep deskundigen, bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten, die bijeenkomt in het kader van het Comité voor vrijdom van douanerechten, waarna de Commissie een beschikking geeft. (De beslissing of in voorkomend geval aan de voorwaarden 2 en 3 is voldaan wordt aan de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat overgelaten). Het lijkt mij niet nodig hier in te gaan op de redenen waarom die procedure in casu niet is gevolgd. Zij blijken duidelijk uit de verwijzingsbeschikking van de Tariefcommissie. Het belang van die procedure voor de onderhavige zaak is dat de Tariefcommissie in haar beschikking verwijst naar twee door de Commissie volgens die procedure genomen beschikkingen en dat de Commissie heeft verwezen naar dezelfde twee beschikkingen en enkele andere, die volgens haar steun bieden bij de vaststelling welke maatstaven moeten worden gehanteerd ter beantwoording van de vraag of een bepaald materiaal al dan niet een wetenschappelijk instrument of apparaat is, ofschoon de Commissie uiteraard niet heeft beweerd dat deze beschikkingen in enig opzicht bindend waren voor het Hof.
Naar mijn mening bieden zij slechts weinig steun. Het zijn alle ad hoc beschikkingen, genomen op grond van de feiten van een bepaald geval. De motivering is steeds zeer summier gehouden.
In de beschikkingen waarbij de vrijstelling werd verleend, houdt deze motivering hoogstens in dat bij voorbeeld bedoeld materiaal „specifiek voor het wetenschappelijk onderzoek geëigend” is, of „duidelijk bestemd is om voor wetenschappelijk onderwijs gebruikt te worden”, of een „speciaal apparaat, ingericht voor het onderwijs en het zuiver wetenschappelijk onderzoek” op een bepaald gebied is. Ofschoon deze formuleringen ongetwijfeld een juiste beschrijving geven van bedoelde instrumenten in de gevallen waarin zij werden gebruikt, toch kunnen zij niet worden geacht een definitie te geven van wat een „wetenschappelijk” instrument of apparaat is. Zouden zij als definitie worden beschouwd, dan zou voorwaarde 1 overbodig zijn, daar zij niet verder zou gaan dan hetgeen reeds met voorwaarde 2 wordt bereikt.
De afwijzende beschikkingen zijn minder talrijk. In een daarvan wordt overwogen „dat het betrokken apparaat een injectiepers is van normaal gebruik, duidelijk bruikbaar op elk gebied van de handelsproduktie van gietwerk door middel van injectie” en „dat het zelf ten aanzien van de specifieke aanwending voor wetenschappelijke doeleinden geen enkele bijzondere inrichting bevat” (beschikking nr. 76/545/EEG van 1 juni 1976); in een andere wordt overwogen „dat het door het ontbreken van een bijzondere voorziening met het oog op een uiteindelijk specifiek wetenschappelijk gebruik niet mogelijk is dit apparaat te onderscheiden van die welke in gebruik zijn bij ondernemingen met industriële of handelsdoeleinden” (beschikking nr. 76/881/EEG van 5 oktober 1976); in een derde wordt overwogen dat „deze apparaten zelf geen bijzondere voorzieningen hebben met het oog op hun specifiek wetenschappelijk gebruik” doch „dat het daarentegen gaat om apparaten die gebruikt worden op alle gebieden van handels- of industriële doeleinden” (beschikking nr. 77/61/ EEG van 22 december 1976). Hoe weinig houvast de motivering van deze beschikkingen biedt, zelfs als leidraad voor de opvattingen van de Commissie zelf, blijkt wel uit de opmerking van de Commissie voor het Hof dat volgens haar het enkele feit dat een instrument of apparaat kan worden gebruikt voor commerciële of industriële doeleinden nog niet inhoudt dat het geen wetenschappelijk instrument of apparaat is. Het feit dat een instrument of apparaat op grote schaal voor industriële of commerciële doeleinden wordt gebruikt, kan volgens de Commissie hoogstens een indicatie vormen dat het waarschijnlijk is ontworpen voor andere dan wetenschappelijke doeleinden, hetgeen echter in concreto moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve eigenschappen. Anders zou ook hier voorwaarde 1 slechts een herhaling van voorwaarde 2 zijn.
De Inspecteur heeft voor de Tariefcommissie betoogd dat de hierbedoelde spectrofotometer niet kan worden beschouwd als een wetenschappelijk instrument of apparaat, omdat het een „meer algemene gebruiksmogelijkheid” heeft. Hij verwijst hiertoe naar een prospectus van Beckman. De Tariefcommissie was zo behulpzaam het Hof met de processtukken een copie van deze prospectus te zenden. Deze bevat een beschrijving van drie soorten door Beckman vervaardigde spectrofotometers, namelijk de „ACTA M-IV”, de „ACTA M-VI” en de „ACTA M-VII”. Van alle drie wordt vermeld dat zij bestemd zijn voor „the sophisticated experimenter and researcher in industry, education, forensics, biomedecine, and water quality”. Van de hierbedoelde „ACTA M-VI” wordt vermeld: „In industrial and quality control laboratories the ACTA M-VI finds significant use in analysis of chemicals, pharmaceuticals, water and air pollutants, synthetic materials, and most other materials. Hospitals and bio-medical laboratories will find the ACTA M-VI particularly useful in protein and nucleic acid studies, specimen analysis, and other sophisticated medical applications not requiring near-infra red operation”. Kennelijk is de Inspecteur op deze passages afgegaan.
Zoals gezegd, ben ik het met de Commissie eens dat het feit dat een instrument of apparaat kan worden gebruikt voor andere doeleinden dan voor onderwijs of zuiver wetenschappelijk onderzoek niet meebrengt dat het niet als „wetenschappelijk” in de zin van voorwaarde 1 kan worden aangemerkt. Reeds het bestaan van voorwaarde 2 houdt in dat een „wetenschappelijk” instrument of apparaat voor andere dan die doeleinden kan worden gebruikt. Ik ben dan ook van mening dat de twijfel van de Tariefcommissie aan de houdbaarheid van de redenering van de Inspecteur ten volle gerechtvaardigd was.
Doch er is meer. Verzoeker is niet verschenen voor de Tariefcommissie, doch de Tariefcommissie neigde zelf tot de opvatting dat artikel 3 van de verordening van de Raad wellicht moet worden uitgelegd in die zin, dat bij bepaalde importen alleen aan de voorwaarden 2, 3 en 4 behoeft te worden voldaan, om voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking te komen. Volgens de Tariefcommissie wordt bij deze uitlegging een „subjectief criterium” gehanteerd.
In verband hiermee verzoekt de Tarief-commissie het Hof om een prejudiciële uitspraak over de volgende vragen (kort samengevat):
„1.
Ligt aan artikel 3 van verordening nr. 1798/75 uitsluitend een subjectief criterium op het stuk van het wetenschappelijk gebruik van een wetenschappelijk apparaat ten grondslag?
2.
Zo neen, is dan de enkele omstandigheid van gebruik van het apparaat in de industrie, althans elders, voor commerciële doeleinden, prohibitief voor een aanspraak op vrijstelling als vorenomschreven?
3.
Zo neen, zijn dan andere of nadere criteria in voormelde verordening aanwezig, aan welke de aanspraak op de vrijstelling als vorenomschreven behoort te worden getoetst?”
Met betrekking op vraag 1 wil ik allereerst opmerken, dat het gebruik van termen als „subjectief” en „objectief” mij in dit verband gevaarlijk voorkomt, omdat daaraan, wanneer zij niet nauwkeurig worden toegelicht, door verschillende personen een verschillende betekenis kan worden toegekend. Voorts is, naar ik meen, buiten kijf dat voor een vrijstelling zowel aan voorwaarde 1 als aan de voorwaarden 2, 3 en 4 moet zijn voldaan. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zijn niet alle in laboratoria gebruikte uitrustingsstukken „wetenschappelijke” instrumenten of apparaten. Als voorbeeld kunnen worden genoemd potloden, schrijfblocs, geisers, accumulatoren en batterijen, laboratoriumjassen, bergkasten etcetera. Bovendien kunnen wetenschappelijke instrumenten en apparaten van gisteren zich vandaag hebben ontwikkeld tot industriële machines of zelfs tot produkten die in ieder huis te vinden zijn, evenals wat vandaag als wetenschappelijke instrumenten of apparaten wordt aangemerkt morgen wellicht een industriële machine of een consumptiegoed is. Dit proces vindt onophoudelijk voortgang. Waarschijnlijk zou voorwaarde 4 in de meeste gevallen in de weg staan aan toekenning van vrijstelling van rechten bij invoer van dergelijke algemeen gebruikte artikelen. Volgens artikel 3 van de verordening van de Raad wordt echter conform de Overeenkomst van Florence geen vrijdom van rechten verleend voor niet-weten-schappelijke materialen, zelfs wanneer deze worden ingevoerd voor onderwijsdoeleinden of zuiver wetenschappelijk onderzoek door een instelling als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub a, en al worden zodanige artikelen in de Gemeenschap niet vervaardigd.
Op vraag 1 zou ik derhalve willen antwoorden dat de in artikel 3 van verordening nr. 1798/75 verleende vrijstelling niet geldt voor andere dan „wetenschappelijke” instrumenten of apparaten.
Over vraag 2 is naar ik meen al voldoende gezegd. Het antwoord daarop moet ontkennend luiden.
De moeilijkheden liggen bij vraag 3. Op het eerste gezicht is noch in de Overeenkomst van Florence noch in de gemeenschapsverordeningen enig criterium te vinden, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een bepaald instrument of apparaat al dan niet „wetenschappelijk” is. Er valt iets te zeggen voor het standpunt dat de vraag steeds van feitelijke of graduele aard moet zijn en met het gezond verstand moet worden benaderd. Dat is stellig goeddeels het geval, doch dit antwoord lijkt mij niet volledig. Evenmin bevredigt mij het antwoord dat door de Commissie wordt voorgesteld, namelijk dat onder „wetenschappelijke” instrumenten of apparaten dienen te worden verstaan instrumenten of apparaten, die bijzondere eigenschappen bezitten welke ze geschikt maken voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Dit antwoord is niet alleen tamelijk vaag en voor overheidsorganen en rechterlijke instellingen moeilijk toepasbaar, doch daarbij wordt bovendien buiten beschouwing gelaten dat artikel 3 van verordening nr. 1798/75 zowel spreekt van onderwijsdoeleinden als van wetenschappelijk onderzoek.
Het komt mij voor dat kenmerkend voor een „wetenschappelijk” instrument of apparaat is dat het alleen door of onder leiding van wetenschapsmensen kan worden gebruikt. Men behoeft slechts de prospectus van Beckman te lezen om te zien dat de hierbedoelde spectrofoto-meters niet bestemd zijn voor gebruik door leken. Wetenschapsmensen kunnen zich bezighouden met onderwijs, zuiver wetenschappelijk onderzoek of beide. Zij kunnen elders werkzaam zijn, bij de overheid, de industrie, de landbouw, et-cetera. In dit laatste geval is invoer voor hun gebruik uitgesloten van vrijdom op grond van voorwaarde 2, doch niettemin is het invoer van een „wetenschappelijk” instrument of apparaat, indien dat instrument of apparaat van dien aard is dat slechts een wetenschapsman het kan gebruiken. Het hiermee gegeven criterium heeft het dubbele voordeel dat het ruim is en tevens voldoende concreet om door overheidsinstanties en door rechterlijke instanties van de Lid-Staten te worden toegepast.
Mitsdien concludeer ik dat op vraag 3 worde geantwoord dat een „wetenschappelijk” instrument of apparaat in de zin van artikel 3 een instrument of apparaat is waarvan het gebruik wetenschappelijke kennis vereist.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy