CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 15 MAART 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
In het Publikatieblad C 24 van 1 februari 1977 publiceerde het Europese Parlement een aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek ter vorming van een aanwervingsreserve van Duitstalige administrateurs (rang A 7/A 6). Deze aankondiging (referentie PE/ 19/A) werd voorafgegaan door een mededeling betreffende de algemene bepalingen met betrekking tot algemene vergelijkende onderzoeken. Hierin heette het onder meer:
„De sollicitanten dienen een door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgesteld formulier in te vullen; in voorkomende gevallen kunnen van hen documenten of nadere inlichtingen worden verlangd.”
Onder het hoofd „Indiening van de sollicitaties” werd voorts bepaald:
„Voor het indienen van hun sollicitaties moeten de sollicitanten gebruik maken van het sollicitatieformulier dat in dit Publikatieblad voorkomt. Dit formulier moet ingevuld aan het in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek genoemde adres worden gezonden. Zij worden verzocht hieraan een curriculum vitae toe te voegen, dat zonodig aanvullende of nadere gegevens behelst.
…
Deze bewijsstukken kunnen in geen geval worden teruggegeven. Zij dienen derhalve in de vorm van voor kopie conform gewaarmerkte afschriften van de originele stukken te worden ingeleverd.
Fotocopieën worden slechts aanvaard indien daarop, niet gefotocopieerd, de waarmerking voor eensluidend afschrift voorkomt. Voor de diploma's of getuigschriften verdient het aanbeveling uitsluitend een kopie in te zenden van documenten die betrekking hebben op het hoogste bereikte studieniveau.”
In de aankondiging was uitdrukkelijk meegedeeld dat het vergelijkend onderzoek zou plaatsvinden op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen. Onder het hoofd „Vereiste diploma's of getuigschriften” werd een voltooide universitaire studie in bepaalde vakken of een gelijkwaardige beroepservaring gevraagd.
Onder punt IV, „Selectie aan de hand van schriftelijke bewijsstukken”, was een waardering met 0-40 punten vastgesteld; hieromtrent werd verder opgemerkt :
„Na vaststelling van de criteria op grond waarvan de schriftelijke bewijsstukken van de sollicitanten zullen worden beoordeeld, zal de jury deze bewijsstukken voor elke sollicitant afzonderlijk onderzoeken.
Om tot het examen te worden toegelaten moeten de kandidaten ten minste 6/10 van het aantal punten voor de schriftelijke bewijsstukken hebben behaald.”
Naast 1110 andere sollicitanten meldde ook verzoekster in de onderhavige zaak zich voor dit vergelijkend onderzoek aan. Zij was in december 1975 in dienst van de Commissie getreden als adjunctassistent (rang B 5) en had in die maand ook het diploma economische wetenschappen van de Universiteit te München behaald. Tegelijk met het sollicitatieformulier zond zij een kopie van dat diploma in, evenals haar diploma's lager en hoger middelbaar onderwijs „Mittlere Reife” en „Abitur”). Daarop werd haar meegedeeld dat zij tot het vergelijkend onderzoek was toegelaten — evenals trouwens 970 andere sollicitanten. Bij het onderzoek van de schriftelijke bewijsstukken aan de hand van de door de jury vastgestelde criteria — zoals ons tijdens de behandeling is meegedeeld, ging het daarbij om vier criteria — behaalde verzoekster evenwel maar 22 punten en zij kon dus niet tot het schriftelijk examen worden toegelaten. Dit werd haar bij brief van 3 juni 1977 meegedeeld.
Na op 9 juni 1977 telefonisch contact te hebben opgenomen met de voorzitter van de jury om de redenen van haar afwijzing en de door de jury toegepaste criteria te vernemen, en na op 14 juni ook nog een brief aan de voorzitter van de jury te hebben geschreven, stelde zij op 29 juni 1977 beroep in bij het Hof. In haar verzoekschrift vroeg zij het Hof
—
het besluit van 3 juni 1977 nietig te verklaren, en
—
het Parlement te verplichten alle bewijzen van verzoeksters bekwaamheid op te vragen en na onderzoek daarvan een nieuw besluit te haren aanzien te nemen.
1.
Alvorens de gegrondheid van dit beroep te onderzoeken, dien ik eerst in te gaan op de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. Ten deze zijn twee middelen aangevoerd :
—
het Parlement merkt op dat verzoekster kritiek heeft op de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Daar dit echter een handeling van het tot aanstelling bevoegde gezag is, kan zij niet rechtstreeks, dat wil zeggen zonder voorafgaande administratieve klacht, in rechte worden betwist, hetgeen wel mogelijk is ten aanzien van besluiten van de jury;
—
verder kan verzoekster zich volgens het Parlement niet op een te beschermen rechtsbelang beroepen. Zij heeft immers verzuimd een curriculum vitae bij het sollicitatieformulier te voegen en de voorgelegde fotocopie van het universitair diploma bevat enkel een mede gefotocopieerde waarmerking voor eensluidendheid. Zij heeft zich dus niet aan de bepalingen van de aankondiging gehouden en haar sollicitatie had reeds op deze grond moeten worden afgewezen, zodat de vraag of de jury haar op goede gronden de toelating tot het schriftelijk examen heeft geweigerd, in het geheel niet aan de orde kan komen.
In dit verband wil ik het volgende opmerken:
a)
Of een beroep ontvankelijk is, hangt af van de conclusies van de verzoekende partij. Deze hebben in casu duidelijk betrekking op een besluit van de jury — de uitsluiting van verzoekster van het schriftelijk examen — en strekken ertoe te doen vaststellen dat de jury alsnog bepaalde stukken moet onderzoeken. Daarom behoefde verzoekster volgens de ten deze relevante rechtspraak niet eerst een klacht in te dienen bij het tot aanstelling bevoegde gezag, aangezien dit toch niet in de gang van een vergelijkend onderzoek kan ingrijpen. Het feit evenwel dat in de motivering van het beroep ook formuleringen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek een rol spelen, is mijns inziens niet van belang. Waarop het namelijk aankomt, is dat het verwijt van onduidelijkheid niet ertoe dient indirect de aankondiging van vergelijkend onderzoek nietig te doen verklaren, maar enkel een argument is voor de stelling van verzoekster dat de jury vanwege de misleidende tekst van de aankondiging verplicht was alsnog de ontbrekende getuigschriften van verzoekster op te vragen.
b)
Ook het tweede bezwaar van het Parlement moet worden afgewezen. Weliswaar staat vast dat verzoekster zich in tweeërlei opzicht niet heeft gehouden aan de algemene bepalingen van het vergelijkend onderzoek, maar daartegenover staat dat de jury daarin geen aanleiding heeft gezien om haar sollicitatie af te wijzen. Verzoekster is uitdrukkelijk tot het vergelijkend onderzoek toegelaten, wat enkel kan betekenen dat de jury de bedoelde gebreken niet van wezenlijk belang heeft geacht, en in elk geval zijn zij door het besluit van de jury gedekt. Dit moet thans ons uitgangspunt zijn en stellig kan het tot aanstelling bevoegde gezag niet op het oordeel van de jury terugkomen. Daarom meen ik dat aan verzoekster een rechtmatig belang bij haar actie, die tegen andere, op dat oordeel steunende besluiten is gericht, niet kan worden ontzegd op de grond dat zij a priori niet tot het vergelijkend onderzoek had mogen worden toegelaten.
2.
Komen wij thans tot de zaak zelf, waarin het gaat om de vraag of verzoekster in de eerste fase van het vergelijkend onderzoek — de beoordeling van de schriftelijke bewijsstukken — ten onrechte is geëlimineerd.
a)
Verzoekster stelt daartoe allereerst dat het onderzoek onvolledig is geweest. Gezien de bepalingen van de aankondiging en de tekst van het Ambtenarenstatuut had zij er namelijk van mogen uitgaan dat niet alle relevante getuigschriften meteen behoefden te worden ingediend, maar tezijnertijd door de jury zouden worden opgevraagd. Dit is echter niet gebeurd en daarom is in haar geval bij de beoordeling geen rekening gehouden met getuigschriften betreffende talenkennis, een onderwijsstage en haar bij de Commissie volbrachte proeftijd.
Voor de beoordeling van dit geschilpunt — daarin heeft het Parlement gelijk — is allereerst van belang dat het in casu een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en van een examen betreft. Hieruit volgt dat de schriftelijke bewijsstukken in de eerste fase van de procedure zeer belangrijk waren, en reeds daarom moest het voor een sollicitant vanzelfsprekend zijn om alle documenten die ook maar enige betekenis als bewijsstuk konden hebben, tegelijk met de sollicitatie in te zenden.
Hiervóór, en tegen de stelling dat de sollicitanten een desbetreffend verzoek van de jury konden afwachten, pleit bovendien niet enkel de omstandigheid dat zo'n verzoek achteraf, gezien het grote aantal sollicitanten waarop bij de vorming van een aanstellingsreserve moest worden gerekend, aanzienlijke technische problemen en veel tijdverlies zou, hebben veroorzaakt. Eerder nog kan ten deze worden gewezen op bepaalde formuleringen van de algemene bepalingen betreffende vergelijkende onderzoeken en op de betrokken aankondiging zelf. Veelzeggend is met name dat steeds het meervoud wordt gebruikt, zowel in de algemene bepalingen, waar van diploma's en getuigschriften wordt gesproken en wordt aanbevolen kopieën in te zenden, als in de aankondiging, waarin wordt gezegd dat de jury de criteria voor de beoordeling van de schriftelijke bewijsstukken vaststelt en deze bewijsstukken voor elke sollicitant afzonderlijk onderzoekt.
Anderzijds kan bezwaarlijk veel gewicht worden toegekend aan de argumenten die verzoekster ten deze heeft voorgedragen.
Dit geldt in de eerste plaats voor haar opmerking dat in de aankondiging enkel sprake is van diploma's of getuigschriften betreffende een voltooide universitaire studie in bepaalde vakken. Men mag namelijk niet uit het oog verliezen dat deze eis is gesteld in het kader van de minimaal te vervullen toelatingsvoorwaarden. Gelet op de overige formuleringen van de aankondiging, kon daaruit dus niet worden geconcludeerd dat alleen zulke getuigschriften moesten worden overgelegd.
Het geldt ook voor verzoeksters beroep op de aanbeveling in de algemene bepalingen, om kopieën in te zenden van diploma's en getuigschriften die betrekking hebben op het hoogste bereikte studieniveau. De bedoeling van deze aanbeveling is mijns inziens volstrekt duidelijk: de sollicitanten nodeloze onkosten besparen en voorkomen dat de dossiers onnodig dik worden, want diploma's die door het hoogste bereikte studieniveau worden voorondersteld, zijn natuurlijk niet van belang. Het was echter onjuist daaruit af te leiden dat niet alle belangrijke getuigschriften meteen moesten worden ingezonden en dat daarvoor een verzoek van de jury kon worden afgewacht. In dit verband zij trouwens opgemerkt dat verzoekster zelf niet overeenkomstig haar eigen opvatting van die aanbeveling heeft gehandeld: zij heeft immers wel meteen andere diploma's ingezonden, bij voorbeeld die betreffende de „mittlere Reife” en het „Abitur”, welke dus in het geheel niet relevant waren.
Van weinig gewicht is ten slotte ook haar verwijzing naar artikel 2, tweede alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, bepalende — en deze formulering vinden wij ook in de algemene bepalingen betreffende vergelijkende onderzoeken — dat „andere documenten of nadere inlichtingen van (de sollicitanten) kunnen worden verlangd.” Reeds de tekst van deze bepaling verhindert er een verplichting tot het opvragen van andere documenten in te lezen. Het is niet meer dan een facultatieve bepaling die, wanneer de jury dat in bepaalde bijzondere gevallen nodig acht, eventueel toepassing kan vinden.
Mijns inziens kan derhalve de jury niet worden verweten geen andere documenten te hebben opgevraagd en ten onrechte een onvolledig dossier als grondslag voor haar beoordeling te hebben gebruikt. Als het dossier al onvolledig was, dan was dat vanwege een verzuim waarvan enkel verzoekster een verwijt kan worden gemaakt.
En ofschoon het voor de beslissing van de zaak niet doorslaggevend is, wil ik hieraan nog toevoegen dat de door verzoekster eerst later ingediende getuigschriften van dien aard lijken ze zijn, dat ze bezwaarlijk van invloed hadden kunnen zijn op het besluit van de jury. Wij kunnen dit met name zeggen nu wij kennis hebben genomen van de criteria die de jury bij de beoordeling van de schriftelijke bewijsstukken heeft toegepast.
Wat de getuigschriften betreffende de talenkennis van verzoekster aangaat, moet erop worden gewezen dat de talenkennis — afgezien van de in de aankondiging gestelde minimumeisen — in de eerste fase van de beoordeling van de sollicitaties nog geen rol speelde. Volgens het Parlement zou dit aspect eerst bij het mondelinge examen ter sprake zijn gekomen.
Hetzelfde moet wel worden aangenomen voor verzoeksters verklaring dat zij ook een lerarenopleiding heeft gevolgd en in dit verband een stage aan een inrichting voor voortgezet onderwijs heeft volbracht. Ten deze kan het van belang zijn erop te wijzen dat het daarbij niet om een bijzondere opleiding ging, maar om een onderdeel van de studie die verzoekster op haar sollicitatieformulier heeft vermeld. Daarenboven valt moeilijk in te zien hoe het getuigschrift betreffende een stage van één maand, waarin verzoekster lessen heeft bijgewoond en zelf twee proeflessen heeft gegeven, al was het maar in agogisch opzicht relevant kan zijn voor een sollicitatie naar een A 7/A 6-post bij de Gemeenschap.
Wat ten slotte de omstandigheid betreft dat verzoekster werkzaamheden op het terrein van de economische wetenschappen heeft verricht bij het Directoraat-generaal Krediet en Investeringen van de Commissie en na haar proeftijd aldaar een beoordeling heeft gekregen, kunnen wij mijns inziens volstaan met op te merken dat het daarbij om een B 5-post ging, waarvoor volgens artikel 5, lid 1, derde alinea, van het Ambtenarenstatuut geen universitaire opleiding is vereist. In het kader van het onderhavige vergelijkend onderzoek konden die werkzaamheden dus niet als gelijkwaardige beroepservaring worden beschouwd. Bovendien was deze functie van verzoekster aan de jury bekend — zij het als feitelijk gegeven, want aan een waardering ervan was zij in dit stadium van de procedure nog niet toegekomen —, aangezien een en ander duidelijk op het sollicitatieformulier was vermeld.
b)
Tot nu toe zijn er dus geen punten aan de dag getreden ten aanzien waarvan kritiek mogelijk is op de handelwijze van de jury. Wel dien ik nog in te gaan op de stelling van verzoekster dat de regelmatigheid van het vergelijkend onderzoek der schriftelijke bewijsstukken om ten minste twee andere redenen in twijfel kan worden getrokken.
In de eerste plaats zegt verzoekster het niet goed te begrijpen dat de jury vier criteria heeft toegepast, terwijl het praktisch om de beoordeling van slechts één diploma ging, aangezien immers de gegevens die zij op het sollicitatieformulier had vermeld, als subjectieve elementen buiten beschouwing moesten blijven. Verder beweert zij dat een andere sollicitant wel tot het schriftelijk examen is toegelaten, ofschoon hij zijn universitaire studie met minder goede cijfers had afgesloten dan zijzelf. Hieruit en uit ander soortgelijke gevallen — waarvoor geen nader bewijs is aangebracht — zou zijn af te leiden dat voor de toelating tot schriftelijk examen andere aspecten dan de diploma's een rol hebben gespeeld.
Gelet op het verweer van het Parlement alsmede op het juryrapport betreffende de selectieprocedure, kan ten deze het volgende worden opgemerkt.
—
Wij kennen thans de criteria aan de hand waarvan de jury de schriftelijke bewijsstukken heeft beoordeeld. Er werden niet enkel punten gegeven voor een met een diploma afgesloten universitaire studie of voor gelijkwaardige beroepservaring, maar daarnaast ook voor verdere examens, zoals het „Zweite Staatsexamen” of een doctorstitel, voor studies of ervaring die betrekking hadden op de Europese instellingen, en voor specifieke beroepservaring. Niet enkel het universitaire diploma speelde dus een rol, maar ook andere gegevens die op het sollicitatieformulier of in het curriculum vitae waren vermeld. Het komt mij dus volstrekt begrijpelijk voor dat de jury vier beoordelingscriteria heeft gehanteerd. Ik heb ook niet de indruk dat zij daarmee de haar toekomende discretionaire bevoegdheid heeft overschreden. Met name zie ik geen reden voor kritiek op het feit dat, naast de diploma's, ook andere gegevens in de beoordeling zijn betrokken; het ging daarbij immers om volstrekt objectieve gegevens, waarvoor het niet ter zake deed hoe deze door de sollicitanten zelf, subjectief, werden gewaardeerd.
—
Met betrekking tot de toelating van een sollicitant die minder goede examencijfers zou hebben gehad dan verzoekster, kan ik genoegen nemen met de verklaring van het Parlement, dat de jury in de eerste fase van de procedure die cijfers bij gebreke van een geschikte vergelijkingsmaatstaf geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Het feit dat er verschillen in de cijfers bestaan, bewijst dus niet dat irrelevante overwegingen eventueel een rol hebben gespeeld bij de toelating tot het schriftelijk examen. Veeleer had moeten worden aangetoond dat er in werkelijkheid geen grond bestond die andere sollicitant wegens laatstbedoelde aspecten meer punten toe te kennen en aldus tot het schriftelijk examen toe te laten. Nu dit niet is aangetoond, kunnen wij slechts constateren dat het vermoeden van verzoekster als zou de eerste selectie niet objectief zijn verlopen — voor andere beweringen is verder geen bewijs aangevoerd —, onvoldoende is gemotiveerd om haar kritiek op het vergelijkend onderzoek ernstig te nemen.
c)
Dit alles dwingt tot de conclusie dat het door verzoekster ingestelde beroep in geen enkel opzicht als gegrond kan worden beschouwd.
3.
Mitsdien concludeer ik dat het beroep weliswaar ontvankelijk is, doch als ongegrond dient te worden verworpen, kosten rechtens.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy