CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 22 NOVEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het gaat in deze zaak om de prejudiciële uitlegging van artikel 14, lid 7 en lid 8 van's Raads verordening EEG nr. 543/69 van 25 maart 1969 tot „harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer” onderscheidelijk aanvullende casu quo wijzi gende bepalingen, vervat in de bijlage dier verordening en de nadien vastgestelde verordeningen nrs. 514/72 en 515/72 van 28 februari 1972.
Om mede met de verkeersveiligheid verband houdende redenen van sociale aard zijn in verordening nr. 343/69 nauwkeurige voorschriften gegeven betreffende de samenstelling der bemanningen van voertuigen en de rij- en rusttijden. Ten einde de naleving dier voorschriften te garanderen heeft men in artikel 14, lid 1, dier verordening bepaald dat „de bemanningsleden van een voertuig dat geen geregelde vervoerdienst onderhoudt, … een persoonlijk controleboekje bij zich [moeten] hebben dat conform is aan het in de bijlage voorkomende model”. Volgens lid 6 moeten „de bemanningsleden het persoonlijke controleboekje op elk verzoek van de met de controle belaste ambtenaren tonen”. In lid 7 wordt aan „iedere onderneming” de verplichting opgelegd een register van die boekjes bij te houden, dat eveneens op zodanig verzoek moet worden getoond; uit het register moet onder meer blijken op welke datum en aan welke onderneming de boekjes zijn afgegeven. Ook moeten ze volgens lid 8 gedurende tenminste een jaar na afsluiting door de onderneming worden bewaard. In lid 9 worden de Lid-Staten verplicht de nodige maatregelen inzake de afgifte en de controle der boekjes te nemen; de Belgische regering heeft daaraan gevolg gegeven bij het op 7 maart 1973 gewijzigd Koninklijk Besluit van 23 maart 1970.
De verordening speelt een rol in een strafzaak, in hoger beroep van de uitspraak van de politierechtbank te Charleroi de dato 19 januari 1977 bij de correctionele rechtbank aldaar dienende; de politierechtbank had de vennootschap Creyf's Interim te Charleroi en haar directeur B. Dufour schuldig verklaard aan niet-nakoming van de verplichting om aan de bestuurder van een vrachtauto een persoonlijk controleboekje uit te reiken.
De firma Creyf's Interim legt zich toe op de tijdelijke verhuur van arbeidskrachten. Zo had zij voor het tijdvak 16 juli — 26 augustus 1975 de heer André Gustin als chauffeur ter beschikking gesteld van de vennootschap „Daniel Construction International” te Brussel, die hem voor haar rekening als bestuurder op een in haar eigendom toebehorend vrachtmotorrijtuig inzette. Tijdens een door de politie gehouden controle bleek de heer Gustin bij het verrichten van die werkzaamheden niet in het bezit te zijn van het in vermelde communautaire rechtsvoorschriften bedoelde boekje (noch ook van het naar Belgisch recht toegelaten dagelijks werkblad dat volgens artikel 14bis, sub b, van verordening nr. 515/72 in plaats van het boekje mag worden gebruikt).
In hoger beroep heeft de heer Dufour verklaard dat zijn firma zich jegens de firma Daniel Construction alleen had verplicht haar een chauffeur, in het bezit van een geldig rijbewijs, te leveren. Waar Creyf's Interim ook geen eigen voertuigen bezat, achtte zij zich voor bij vervoersverrichtingen door een harer cliënten begane overtredingen niet strafrechter lijk aansprakelijk.
De rechtbank te Charleroi vroeg zich af of in een dergelijke casuspositie voor de vraag welke onderneming verplicht is het boekje aan de bemanningsleden van een voertuig te reiken, de hoedanigheid van werkgever (in het geval van een chauffeur, door een bedrijf dat arbeidskrachten verhuurt tijdelijk ter beschikking van een andere onderneming gesteld, kan dat slechts eerstbedoeld bedrijf zijn) de doorslag geeft dan wel de rechtspositie van degene die van de transportmogelijkheid gebruik maakt (zoals de ondernemer voor wiens rekening de chauffeur, zij het slechts tijdelijk, werkzaam is).
De rechtbank overwoog dat er in verordening nr. 543/69 geen omschrijving van de term onderneming wordt gegeven, evenals ook de verplichting het boekje aan de bemanning uit te reiken er niet in is omschreven, terwijl evenmin is aangegeven op wie zulk een verplichting zou moeten rusten. Omdat wij hier met strafrecht te maken hebben — zodat de toepasselijke bepalingen eng moeten worden geïnterpreteerd — hebben de rechters in het bodemgeschil gemeend het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de navolgende vragen te moeten stellen:
1.
Heeft het woord „onderneming” uitsluitend betrekking op de natuurlijke-of rechtspersoon die hetzij zelf, hetzij door middel van ondergeschikten, wegvervoer verricht, zelfs indien dit vervoer slechts een gedeelte van zijn beroepsbezigheden vormt?
2.
In geval bovengenoemd persoon gebruik maakt van de arbeid van iemand die hij heeft gehuurd om zijn voertuig(en) te besturen, is die persoon dan ontslagen van de verplichting het persoonlijk controleboekje aan elk bemanningslid te verstrekken en heeft het woord „onderneming” in dit geval betrekking op de natuurlijke- of rechtspersoon die arbeidskrachten verhuurt?
3.
Moet men aannemen dat het woord „onderneming” de betekenis heeft van „werkgever” en dat in dat geval de ondergeschiktheidsverhouding tussen de verhuurder van arbeidskrachten en de werknemer in stand blijft of tussen de huurder van arbeidskrachten en de werknemer tot stand komt?
2.
In feite behoeft men, ten einde de verwijzende rechter in staat te stellen uit te maken wie in de zin van de Belgische bepaling wegens schending van verordening nr. 543/69 aansprakelijk moet worden geacht, niet naar een algemene definitie van het begrip onderneming in de zin van artikel 14 der verordening te zoeken. Het gaat er juist om of, wanneer een onderneming een chauffeur voor transportwerkzaamheden inhuurt, de hierbedoelde verplichting op dezelfde onderneming rust — omdat zij bedrijfsmatig van zijn diensten gebruik maakt — dan wel op de onderneming waarvan hij afhankelijk is en die hem als werkkracht uitleent — of ook op elk van beide ondernemingen.
In de eerste plaats zij opgemerkt dat de verplichting om de chauffeur een boekje uit te reiken, zij het indirect, besloten ligt in genoemd artikel 14, lid 7, volgens hetwelk in een door iedere onderneming aan te houden register de namen moeten voorkomen van de bemanningsleden aan wie een boekje is afgegeven, alsook de „aftekening” voor ontvangst door betrokkenen. In de bijlage van verordening nr. 543/69, en wel in het gedeelte „gebruiksaanwijzing voor het persoonlijk controleboekje … voor de onderneming” is duidelijk gezegd dat er een boekje moet worden verstrekt „aan elk bemanningslid dat door de [betrokkene] is tewerkgesteld in de soorten van vervoer waarop het persoonlijk controleboekje van toepassing is”. Een meer synthetische formule is te vinden in de bijlage van verordening nr. 514/72, welke volgens haar artikel 6 voor de voormelde bijlage in de plaats is getreden. Daarin wordt aan de „onderneming” (die ook hier niet nader wordt gespecificeerd) de verplichting opgelegd een boekje te verstrekken „aan elk bemanningslid … overeenkomstig de in punt 1 aangegeven wetgeving(en)”. Deze laatste verwijzing betreft de nationale wettelijke regelingen ter uitvoering van het gemeenschapsrecht, waarin met name nadere, ten opzichte van het gemeenschapsrecht als aanvullend te beschouwen bepalingen kunnen zijn gegeven inzake de vorm, de inrichting en het bijhouden der boekjes (vgl. art. 14 lid 9, van verordening nr. 543/69, en nrs. 6 en 7 van het eerste gedeelte van de bijlage van verordening nr. 514/72 waarin algemene bepalingen betreffende het boekje worden gegeven).
In de tweede plaats dient er de aandacht op te worden gevestigd dat de rechtbank te Charleroi bij de redactie der vragen uiteraard de Franse tekst van artikel 14, lid 7 van verordening nr. 543/69 voor ogen heeft gehad, waarin alleen gesproken wordt van een „onderneming” (evenals er in de Duitse en Engelse tekst sprake is van „Unternehmen” en „undertakings”). Evenwel mag bij de uitlegging van het artikel de belangrijke aanwijzing, gelegen in het feit dat in de Italiaanse tekst sprake is van een „impresa di trasporto” (vervoersonderneming), niet buiten beschouwing worden gelaten. Wij zullen nog zien dat die aanwijzing coïncideert met andere in de desbetreffende communautaire regeling besloten liggende gegevens.
Ten slotte dient te worden opgemerkt dat tot staving van de stelling dat de hierbedoelde verplichting rust op degene die de chauffeur arbeid verschaft, een beroep kan worden gedaan op de in de bijlage van verordening nr. 514/72 voorkomende gebruiksaanwijzing betreffende het persoonlijke controleboekje — die tot de bemanning is gericht —. Daarin valt onder meer het navolgende te lezen: „Geef het controleboekje terug aan uw werkgever wanneer u de onderneming verlaat” (punt 7); „overhandig het wekelijks … aan uw werkgever …” (punt 8); „overhandig het vervolgens zo spedig mogelijk aan uw werkgever” (punt 9). Maar uit een en ander kan slechts worden afgeleid dat de auteurs van de communautaire rechtsregel ervan uitgingen dat normaliter de tot afgifte van het boekje verplichte onderneming met de werkgever van de bemanning moet worden geïdentificeerd.
Kortom, de Commissie heeft gelijk wanneer zij stelt dat de auteurs der hierbedoelde verordeningen in het geheel niet hebben gedacht aan een chauffeur die door een vervoeronderneming tijdelijk wordt ingehuurd. Ik zou daarom willen nagaan of er voor de oplossing van het probleem bruikbare gegevens kunnen worden ontleend aan het nationale recht der Lid-Staten dan wel aan 's Hofs jurisprudentie, om pas daarna opnieuw tot bespreking van het materieel gemeenschapsrecht — en van de in deze of gene richting wijzende bestanddelen van dat recht — over te gaan.
3.
Bij het onderzoek van de nationale voorschriften ter bescherming van de bij het wegvervoer betrokken chauffeurs blijkt dat in alle Lid-Staten de ondernemer die voor het vervoer van de diensten van de chauffeur gebruik maakt, wegens niet-inachtneming dier bepalingen aansprakelijk wordt gesteld, terwijl de rechtspositie van de onderneming welke alleen haar bedrijf maakt van het verhuren van arbeidskrachten, van rechtsorde tot rechts orde verschilt. In sommige rechtsorden wordt laatstgenoemde onderneming principaal, althans solidair met de vervoeronderneming, aansprakelijk gesteld — met name in het Duitse en in het Ierse recht schijnt dit het geval te zijn —; in de andere staten gaan de, verplichtingen betreffende de arbeidsduur uitsluitend de onderneming aan die van de diensten van de werkkracht gebruik maakt. Blijkens de wet 72-1 van 3 januari 1972 betreffende tijdelijke arbeid (Journal Officiel van de Franse Republiek van 5 januari 1972, blz. 141, art. 7) is dat het geval in het Franse recht; en in Italië, waar artikel 1 van de wet van 23 oktober 1960, nr. 1369, tussenkomst en bemiddeling bij de verschaffing van werkgelegenheid verbiedt, worden degenen die in strijd met genoemd verbod een arbeidskracht ter beschikking stellen, beschouwd als werknemers van de ondernemer aan wie hun verrichtingen zijn ten goede gekomen — met alle gevolgen van dien —. Ook in Denemarken — waar de wet ten deze niet geheel duidelijk is — zijn in de bepalingen inzake de arbeidstijden en de dagelijkse en wekelijkse arbeidsonderbrekingen (paragrafen 50 en 53 van wet 681 van 23 december 1975) alleen verplichtingen te lezen ten laste van de onderneming die voor haar rekening arbeid doet verrichten, en niet van de onderneming die de werkkracht heeft geleverd.
Volgens de studie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende tijdelijke arbeid (politiek-sociale reeks 1976, nr. 25) is ook naar Luxemburgs recht voor de nakoming van de voorschriften betreffende de veiligheid van de arbeid, verantwoordelijk de onderneming die zich van een tijdelijk te harer beschikking gestelde werkkracht bedient.
In het Belgische recht is volgens artikel 19 van de wet van 28 juni 1976 waarin de tijdelijke arbeid is geregeld (Staatsblad van 7 augustus 1976) degene die van de werkkracht gebruik maakt aansprakelijk voor de naleving van de bepalingen betreffende de tucht en de arbeidsbescherming geldende ter plaatse waar de arbeid wordt verricht, hetgeen met name met de voorschriften betreffende de arbeidsduur en de arbeidsonderbrekingen het geval is. Omdat hier een specifieke regeling voor de tijdelijke arbeid wordt gegeven, mag het ervoor worden gehouden dat bedoelde aansprakelijkheid een exclusief karakter draagt. Dat wil dan evenwel zeggen dat genoemde wet wijziging gebracht heeft in de tevoren bestaande regeling, bedoeld in de nationale jurisprudentie door de arbeidsauditeur in het geding in eerste aanleg aangehaald, en volgens welke personeel dat door een verhuurbureau ter beschikking van een andere onderneming wordt gesteld, geacht wordt in dienst van dat bureau te staan ofschoon het vooral wat de leiding van — en controle op — zijn werkzaamheden betreft, meer met bedoelde onderneming te maken heeft.
Nederland, ten slotte, schijnt ten deze nog geen algemene regeling te kennen, maar voor de toepassing van het gemeenschapsrecht is in artikel 28, lid 2, van het Rijtijdenbesluit 1971, zoals gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 5 juni 1974 (Schuurman & Jordens nr. 130), bepaald dat de bestuurder van de onderneming waarin een bemanningslid vervoer verricht, het werkboekje te zijner beschikking moet stellen.
Ofschoon deze aangelegenheid in de nationale wettelijke regelingen dus niet uniform of uitputtend is geregeld, kan toch worden opgemerkt dat de wetgevers in overwegende mate de onderneming waar de chauffeur zijn beroepswerkzaamheden verricht, aansprakelijk stellen, en niet het bedrijf dat de werkkracht uitleent.
4.
Het mag er niet voor worden gehouden dat het Hof in zijn arrest van 17 december 1970, gewezen in de zaak 35/70, Manpower (Jurispr. 1970, blz. 1251), zijn standpunt in tegengestelde zin heeft bepaald. Het Hof had te maken met een werkkracht die door een verhuurbureau was aangeworven, niet om in dienst van dat verhuurkantoor te worden tewerkgesteld, doch — als in casu — om bij ande re ondernemingen te worden geplaatst, wanneer zich de ogenblikkelijke behoefte aan geschoold werkvolk mocht doen gevoelen. Daartoe werden door de betrokken onderneming met bedoeld personeel arbeidscontracten aangegaan waarin, wat de onderneming en bedoeld werkvolk betreft, met betrekking tot de door die werkkrachten bij cliënten van hun werkgever te verrichten arbeid, de wederzijdse rechten en verplichtingen werden omschreven. Het Hof stelt vast dat de werknemer, ofschoon krachtens het contract verplicht zich te houden aan de arbeidsen tuchtvoorwaarden omschreven in het huishoudelijk reglement van het bedrijf waarnaar hij werd uitgezonden, niettemin de werknemer bleef van de onderneming die hem had aangenomen. In die onderneming — partij bij het contract met de werknemer èn bij dat met de ondernemer die werkkrachten bij haar betrok — komen de onderscheiden rechtsbetrekkingen samen. In verband hiermede overwoog het Hof dat ten behoeve van de hierbedoelde werknemer, ofschoon tewerkgesteld bij een onderneming in een andere Lid-Staat dan waar de onderneming die hem aanneemt is gevestigd, nochtans de sociale wetgeving van die onderneming moet worden toegepast. Het Hof kwam tot deze conclusie op grond van artikel 13, sub a van verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, waarin — juist ter vaststelling van de toepasselijke sociale wetgeving — de rechtspositie is geregeld van de werknemer, die in dienst van een op het grondgebied van de ene Lid-Staat gevestigde onderneming, door haar op het grondgebied van de andere Lid-Staat wordt tewerkgesteld, ten einde daar voor haar rekening arbeid te verrichten.
Bij die uitspraak liet het Hof zich voornamelijk leiden door praktische overwegingen, met name door de wens de complicaties de vermijden welke zich zouden voordoen indien bij het stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat werknemers zouden moeten worden ingeschreven die normaliter vallen onder de sociale wetgeving van de staat van de onderneming waarvan zij de ondergeschikten zijn — en die hen voor werkzaamheden van korte duur naar het buitenland uitzendt —. Daaraan zou ook voor de werknemer het ernstige bezwaar verbonden zijn geweest dat hij minder sociale zekerheid zou genieten dan waarvoor hij in aanmerking zou zijn gekomen indien de wettelijke regeling van zijn eigen staat voor hem was blijven gelden; het Hof heeft erop gewezen dat aan de nationale wettelijke regelingen in de regel op grond van korte verzekeringstijdvakken geen aanspraken op bepaalde sociale uitkeringen kunnen worden ontleend.
Maar de bedoeling de werknemer met zijn overgang van de ene naar de andere Lid-Staat verband houdende nadelen te besparen, behoeft in casu helemaal geen rol te spelen. Het gaat thans niet om de bescherming van de rechten van de migrerende werknemer op het gebied van de sociale zekerheid, doch om de vaststelling welke onderneming is te beschouwen als de adressaat van een verplichting die van meer dan uitsluitend sociale betekenis is (het Hof heeft hierop zelf gewezen in de overwegingen van zijn arrest van 25 januari 1977, gewezen in de zaak 65/77, Derycke, Jurispr. 1977, blz. 29 e. v.). De maatstaf welke in voormeld arrest Manpower ter uitlegging van een coördinatieregel der nationale wettelijke regelingen op het specifieke gebied der sociale zekerheid werd gehanteerd, kan derhalve niet ook worden gebruikt in gevallen waarin de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake de coördinatie van nationale wettelijke regelingen op het gebied der sociale zekerheid geen rol spelen en van migratie van werknemers uit de ene naar de andere Lid-Staat geen sprake is.
5.
Ik zou thans willen terugkeren tot de te interpreteren bepalingen van het gemeenschapsrecht. Ik wees er reeds op dat aan de Italiaanse tekst van artikel 14, lid 7, van verordening nr. 543/69 een belangrijk argument kan worden ontleend ten gunste van de stelling dat de ver plichting tot uitreiking van de boekjes geacht moet worden op de vervoeronderneming te zijn gelegd; ik wijs er nogmaals op dat aan ditzelfde lid 7 een verplichting tot uitreiking der boekjes pleegt te worden afgelezen. Daaraan dient te worden toegevoegd dat het redeverband van artikel 14 en de met betrekking tot het boekje aan de onderneming gegeven gebruiksaanwijzing vervat in de bijlagen van verordeningen nrs. 543/69 en 514/72, niet alleen de bevestiging inhouden dat de vervoer-onderneming tot afgifte van het boekje verplicht is te achten, doch er ook ten duidelijkste op wijzen dat onder „vervoeronderneming” is te verstaan iedere onderneming die, zij het slechts bij gelegenheid, vervoerwerkzaamheden verricht en van de diensten van chauffeurs gebruik maakt.
In voormelde gebruiksaanwijzing alsook in genoemd artikel 14, lid 7, is geen sprake van de afgifte van het boekje aan „de bemanning”. Het lijkt mij vanzelfsprekend dat de door een verhuurbureau van arbeidskrachten geleverde chauffeur pas de hoedanigheid van bemanningslid verwerft als de onderneming die bij het vervoer van zijn diensten gebruik maakt, hem ook het stuur van een bepaald motorrijtuig toevertrouwt. Hij is geen lid van de „bemanning” ten opzichte van de onderneming die hem aanwierf en uitleende; hij wordt het alleen maar in de bedrijfssfeer van de onderneming die hem inhuurt, en wel zulks krachtens de bepalingen welke deze laatste onderneming te hunnen aanzien heeft vastgesteld. Men dient voorts niet te vergeten dat in de bijlage van verordening nr. 543/69 (onder het reeds genoemde punt 2 van de gebruiksaanwijzing voor de onderneming) wordt gezegd: „… bemanningslid dat door u is tewerkgesteld in de soorten vervoer waarop het persoonlijke controleboekje van toepassing is”. Ook al blijft een uitgeleende werkkracht de ondergeschikte van het bedrijf dat hem uitleent, hij wordt tewerkgesteld door het bedrijf dat hem inhuurt, in casu de vervoeronderneming. In deze bepalingen ligt voorts implicite besloten dat de verplichting tot uitreiking van het controleboekje aan een chauffeur ontstaat op het tijdstip waarop hij deel gaat uitmaken van de bemanning van een voertuig als bedoeld in artikel 14, lid 1 („voertuig dat geen geregelde vervoerdienst onderhoudt”). Mijns inziens mag het er derhalve voor worden gehouden dat ook volgens het stelsel der hierbedoelde communautaire verordeningen — zo goed als volgens de hiervoor in het kort besproken nationale wettelijke regelingen inzake de sociale zekerheid — de ondernemer die voor het vervoer van de diensten van de chauffeur gebruik maakt, als adressaat van de verplichting tot uitreiking van het bedoelde boekje is te beschouwen.
6.
Op grond van het tot nu toe overwogene moet het logischerwijze als uitgesloten worden beschouwd dat een onderneming die van het verhuren van werkkrachten haar bedrijf maakt, in geval van schending van bedoelde verplichting, als de enig aansprakelijke zou moeten worden beschouwd — in plaats van de onderneming die ten behoeve van het vervoer van de diensten van de chauffeur gebruik maakt —. Wij dienen echter nog na te gaan of ook de stelling van de Commissie — dat de thans besproken voorschriften tot elk van beide ondernemingen gericht zijn — dient te worden verworpen.
Die stelling berust vooral op het argument dat in verordening nr. 543/69 een verplichting tot het bereiken van een bepaald resultaat is omschreven, zodat beide ondernemingen zouden moeten samenwerken: zij zouden er over en weer op hebben toe te zien dat het boekje aan de chauffeur wordt uitgereikt. De nationale wetgever zou echter — nog steeds volgens de Commissie — mogen uitmaken dat bedoelde verplichting op één hunner rust; alleen bij gebreke van nationale wettelijke voorschriften — alsook van een tussen beide ondernemingen uitdrukkelijk aangegaan beding — zouden zij als solidair tot nakoming van bedoelde verplichting gehouden zijn te beschouwen. Kortom, onder een „onder neming” in de zin van verordening nr. 543/69 zou zijn te verstaan hetzij de onderneming aan wie de chauffeur is uitgeleend, hetzij het uitleenbureau.
De praktische overwegingen welke de Commissie tot deze zienswijze brachten, liggen voor de hand. Juridisch valt er evenwel op het denkbeeld ener cumulatieve gehoudenheid tot nakoming van artikel 14 der verordening veel af te dingen. Ik wijs er allereerst op dat niet duidelijk is of de op beide ondernemingen rustende verplichting wel de in artikel 14, lid 7, bedoelde verplichting is — in welk geval elk van beiden verplicht zouden zijn het boekje aan de chauffeur uit te reiken — dan wel een soort bijkomende verplichting, namelijk die om er over en weer op toe te zien dat de ander het boekje uitreikt (van een dergelijke bijkomende verplichting vind ik in de verordening geen spoor). In de tweede plaats merk ik op dat niet valt in te zien krachtens welke bepaling van het gemeenschapsrecht de Lid-Staten eventueel hun keuze zouden mogen bepalen op de onderneming die tot nakoming die verplichting gehouden mag worden geacht. De aan die staten ingeruimde bevoegdheid maatregelen te treffen „voor de afgifte en de controle der boekjes” (artikel 14, lid 9) leent zich niet voor een zodanig extensieve uitlegging dat het de nationale wetgever zou vrijstaan het aantal adressaten van artikel 14, lid 7 (volgens de stelling van de Commissie zouden het er bij de verhuur van arbeidskrachten twee zijn) te wijzigen. Wanneer de werkingssfeer „ratione personae” van gemeenschapsrechtelijke bepalingen moet worden vastgesteld, dan is het overlaten dier vaststelling aan de afzonderlijke Lid-Staten — om niet te spreken van het overlaten van die vaststelling aan de wens der betrokken particulieren — mijns inziens onverenigbaar met de behoefte aan een uniform communautair rechtsstelsel; de betrokken ondernemingen zouden gevaar lopen al naar gelang van hun nationaliteit of de plaats van hun vestiging, ongelijk te worden behandeld, ofschoon het juist de bedoeling van verordening nr. 543/69 is tot harmonisatie van de bepalingen van sociale aard betreffende het wegvervoer te komen. Ten slotte dient niet te worden vergeten dat men door uitbreiding van het aantal adressaten der verplichtingen tevens uitbreiding zou geven aan de groep van personen op wie de strafsancties van het nationale recht — bedoeld om te verzekeren dat particulieren de krachtens het gemeenschapsrecht op hen rustende verplichtingen nakomen — kunnen worden toegepast. Ik behoef er wel niet aan te herinneren dat waar de strafwet niet extensief mag worden geïnterpreteerd, hetzelfde heeft te gelden voor bepalingen van gemeenschapsrecht die, ofschoon zelf niet strafrechtelijk van aard, ten slotte toch, via aanvullende nationale rechtsvoorschriften, op het terrein van het strafrecht tot bepaalde gevolgen leiden.
Mijns inziens draagt de verworvenheid der verschillende verplichtingen die in de hierbedoelde verordening worden opgelegd er — via de onmogelijkheid om ze over verschillende ondernemingen te verdelen (ook de Commissie heeft overigens niet beweerd dat zulks wèl mogelijk is) — toe bij te bewijzen dat de enige onderneming op welke deze verplichtingen rusten, de onderneming is die voor vervoerwerkzaamheden van de diensten van de chauffeur gebruik maakt. In het stelsel van het gemeenschapsrecht gaat de verplichting tot bijhouding van het register der boekjes gepaard met die tot afgifte en — later — die tot intrekking alsook die tot bewaring van gebruikte boekjes. Een en ander blijkt uit punt 6 van de gebruiksaanwijzing voor de onderneming, vervat in de bijlage bij verordening nr. 514/72, volgens welke de onderneming die het boekje inhoudt, de datum van het laatste dagelijkse werkblad in het register moet optekenen en de gebruikte boekjes tenminste twaalf maanden ter beschikking van de met de controle belaste ambtenaren moet houden (punt 6 valt in zoverre samen met de verplichting, opgelegd in artikel 14, lid 8, van verordening nr. 543/69). Zoals wij reeds zagen, is een en ander materieel slechts mogelijk aan de onderneming die rechtstreeks met de bemanning in contact staat, bij voorbeeld op het tijdstip waarop aan die bemanning een bepaald vervoer wordt opgedragen, alsook op het tijdstip waarop het vervoer eindigt. Dezelfde redenering geldt ten aanzien van punt 5 van de gebruiksaanwijzing voor de onderneming („controleer wekelijks of, bij verhindering, zo spoedig mogelijk, de dagelijkse werkbladen en de weekstaat. Onderteken de weekstaat”). En ook waar in de gebruiksaanwijzing voor de leden van de bemanning (voormelde bijlage bij verordening nr. 514/72) de „werkgever” ter sprake komt, lijdt het voor mij geen twijfel dat er slechts kan zijn gedacht aan de „onderneming” die als zodanig in de verordening wordt genoemd: men zie slechts punt 6 van de gebruiksaanwijzing voor de onderneming waarin incidenteel naar punt 9 wordt verwezen — een der punten waarin de werkgever wordt genoemd —. Het gebruik van de term „werkgever” in plaats van „onderneming” vindt, zoals gezegd, zijn verklaring in de overweging dat de casuspositie waaraan in de verordening is gedacht, die is waarin de onderneming die het vervoer verricht samenvalt met de onderneming waaraan de chauffeur ondergeschikt is.
Het kan voor de onderneming die arbeidskrachten verhuurt in materiële zin onmogelijk worden aan de voornaamste behoeften waardoor men zich in het gemeenschapsrecht heeft laten leiden — te weten vergemakkelijking van de controle der nationale gezagsorganen op de naleving van arbeidstijden en rusttijden — te voldoen. Men bedenke slechts dat de vestigingsplaats van de onderneming een andere kan zijn dan die van het vervoersbedrijf. Het is ook mogelijk (en de Commissie heeft het zelf toegegeven) dat de arbeidskrachten verhurende onderneming niet tijdig verneemt dat de door haar aan een derde uitgeleende chauffeur door die derde zal worden belast met een der werkzaamheden waarvoor men over het individuele controleboekje moet beschikken (het besturen van voertuigen anders dan bij wege van geregeld vervoer). Het ware, gezien deze mogelijkheid, onbillijk haar aansprakelijk te stellen wegens de niet-nakoming van een verplichting die is ingetreden onder omstandigheden welke haar niet bekend zijn.
Om al deze redenen ben ik van mening dat het op grond van de bestaande communautaire voorschriften niet mogelijk moet worden geacht een arbeidskrachten verhurende onderneming als partiële of solidaire adressaat te beschouwen van de verplichtingen welke het gemeenschapsrecht alleen voor de vervoeronderneming heeft voorzien.
De tegenwerping is geopperd dat wanneer men de onderneming die arbeidskrachten verhuurt niet mede tot afgifte — en bijhouding — van het controleboekje gehouden acht, zich het praktisch bezwaar zou voordoen dat de vervoeronderneming de naleving van de grenzen, aan de wekelijkse rijtijd gesteld, moeilijk in de hand kan houden in het veel voorkomende geval dat een arbeidskracht voor minder dan een week wordt ingehuurd.
Het wordt in zulke gevallen de vervoeronderneming evenwel nergens verboden te verlangen dat de chauffeur in het bezit is van een verklaring van de onderneming waar hij laatstelijk heeft gewerkt en waaruit blijkt welke arbeidstijden en rusttijden hij aldaar heeft gemaakt. Ook de verhurende onderneming is wellicht in staat deze inlichtingen te verstrekken.
Anderzijds is het al evenmin uitgesloten te achten dat een chauffeur na een arbeidsperiode van een week zijn dienstverband bij een vervoeronderneming beeindigt om bij een andere vervoeronderneming in dienst te treden. De gewraakte moeilijkheid doet zich dan voor buiten de verhuur van arbeidskrachten om, immers volgens punt 7 van de gebruiksaanwijzing voor het persoonlijke controleboekje dient de werknemer bij beëindiging van het dienstverband met een vervoeronderneming, dat boekje bij die onderneming in te leveren, ook al is het slechts gedeeltelijk gebruikt.
7.
Ik concludeer dat het Hof de prejudiciële vragen, door de correctionele rechtbank te Charleroi bij vonnis van 13 juni 1977 gesteld, in die zin zal beantwoorden dat de verplichtingen tot afgifte en bewaring van individuele controleboekjes en tot het bijhouden der desbetreffende registers, waaraan wordt gerefereerd in artikel 14, lid 7 en lid 8, van 's Raads verordening van 25 maart 1969 en de bijlage van 's Raads verordening nr. 514/72 van 4 februari 1972, uitsluitend rusten op de onderneming die onder de verordening vallende vervoerwerkzaamheden verricht, ook al maakt zij gebruik van werkkrachten die zijn ingehuurd van een onderneming welke er haar bedrijf van maakt arbeidskrachten te leveren voor werkzaamheden van tijdelijke aard.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy