CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 25 JANUARI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige prejudiciële zaak, welke naar het Hof is verwezen door het Finanzgericht Hamburg, is verzoekster in het hoofdgeding de firma Kühlhaus Zentrum AG en verweerder het Hauptzollamt Hamburg-Harburg.
Verzoekster is eigenares van een douanedepot te Hamburg en als zodanig had zij voor een afnemer de rechten te betalen, die op 12 november 1975 bij de uitslag van een uit Argentinië ingevoerde partij van 2760 kg bevroren rundvlees uit haar depot verschuldigd waren. Deze partij was ingevoerd onder een tariefcontingent dat door de EEG was geopend in het kader van de GATT. Als gevolg hiervan was het vlees vrijgesteld van de heffing bij invoer, al bleef het wel onderhevig aan invoerrechten ad 20 % op grond van het gemeenschappelijk douanetarief en aan een monetair compenserend bedrag. Het geding tussen partijen gaat over de juiste hoogte van dit compenserende bedrag. Verweerder had dit bedrag overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2195/75 van 22 augustus 1975„betreffende de monetaire compenserende bedragen in de sector rundvlees” vastgesteld op DM 67,64 per 100 kg, zijnde in totaal DM 1866,80.
Zoals U zich herinnert, is de heffing bij invoer, in het algemeen gesproken, bedoeld ter overbrugging van het verschil tussen de wereldmarktprijzen en de gemeenschapsprijzen — zie voor rundvlees de artikelen 10 en 13 van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968„houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees”. Deze heffingen zijn vastgesteld in rekeneenheden. Bij toepas sing in een bepaald geval dienen zij te worden omgerekend in de valuta van de betrokken Lid-Staat. Sedert de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 475/75 van de Raad van 27 februari 1975„betreffende de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen” vindt die omrekening telkens plaats naar de van tijd tot tijd voor de Raad vastgestelde „representatieve koers” (de „groene” koers) van die valuta. Zoals algemeen bekend, komen de aldus vastgestelde representatieve koersen van de valuta der Lid-Staten doorgaans niet overeen met hun feitelijke waarde op de markt.
In de eerste tijd van de monetaire compenserende bedragen, van 1971 tot 1973, placht de Commissie verschillende compenserende bedragen vast te stellen voor de handel met derde landen en voor de handel tussen Lid-Staten. Sinds 1973 heeft zij echter ter vereenvoudiging en voor een betere hanteerbaarheid van het stelsel één enkel monetair compenserend bedrag vastgesteld voor elk produkt en voor iedere Lid-Staat, ten aanzien waarvan is voldaan aan de in verordening (EEG) nr. 974/71 van de Raad neergelegde voorwaarden voor de toepassing van monetaire compenserende bedragen. Zij berekende de compenserende bedragen door op de gemeenschapsprijzen het percentage toe te passen, dat is voorgeschreven in artikel 2, lid 1, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1112/73 van de Raad, dat wil zeggen bij een valuta „in de slang” — wat de DM uiteraard is — het verschil in procenten tussen, voorzover hier van belang, haar „representatieve koers” en haar „spilkoers”.
Hieruit volgt dat, althans in theorie, ingeval van een import uit een derde land waarvoor een heffing geldt, het bedrag verkregen door toepassing van dat percentage op het bedrag der heffing, zonder nadere correctie dubbel telt: ten eerste bij het monetaire compenserende bedrag (aangezien de gemeenschapsprijs) in theorie gelijk is aan de wereldmarktprijs plus de heffing) en vervolgens bij de omrekening der heffing uit rekeneenheden in de nationale valuta tegen de „representatieve” koers. In een dergelijk geval wordt op de heffing dan ook een correctie toegepast in de vorm van een coëfficiënt die wordt afgeleid van het percentage waarvan bij de berekening van het monetaire compenserende bedrag wordt uitgegaan. Het bedrag der heffing wordt met deze coëfficiënt vermenigvuldigd. De coëfficiënten worden door de Commissie van tijd tot tijd vastgesteld. Op de hier relevante datum (12 november 1975) was die 0,9 voor de DM; zie bijlage II bij verordening (EEG) nr. 2147/75 van de Commissie van 14 augustus 1975„tot wijziging van de monetaire compenserende bedragen”.
Op die datum waren de desbetreffende voorschriften vervat in verordening (EEG) nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 (PB L 139 van 30. 5. 1975, blz. 37) „houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen”. Artikel 4 bepaalt, voorzover hier van belang:
„1. Voor elke Lid-Staat en voor elk produkt waarvoor aan de toepassingsvoorwaarden voor de monetaire compenserende bedragen wordt voldaan, wordt een monetair compenserend bedrag vastgesteld.
Het bedrag wordt berekend op de grondslag van de gemeenschappelijke prijs …
2. Het bedrag dat overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid is vastgesteld, is van toepassing in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en in dat met derde landen.
3. Voor de in lid 1 bedoelde produkten worden echter:
a)
in het handelsverkeer met de nieuwe Lid-Staten, de in rekeneenheden vastgestelde compenserende bedragen „toetreding” en de vaste elementen,
b)
in het handelsverkeer met derde landen, de in rekeneenheden vastgestelde belastingen bij invoer, restituties en heffingen bij uitvoer,
met een coëfficiënt vermenigvuldigd. Deze coëfficiënt wordt afgeleid van het percentage dat is toegepast voor de berekening van het monetaire compenserende bedrag en wordt door de Commissie tegelijk met dit bedrag vastgesteld.
…
4. Indien de heffing of de restitutie moet worden vermeerderd respectievelijk verminderd met compenserende bedragen „toetreding” en monetaire compenserende bedragen, en tevens met een coëfficiënt moet worden vermenigvuldigd dienen de volgende bewerkingen te worden uitgevoerd:
a)
de heffing of restitutie wordt verminderd, respectievelijk vermeerderd met het compenserende bedrag „toetreding”,
b)
de uitkomst hiervan wordt met de coëfficiënt vermenigvuldigd,
c)
het aldus verkregen bedrag wordt, na te zijn omgerekend in de nationale munteenheid, verminderd respectievelijk vermeerderd met het monetaire compenserende bedrag.”
Hieruit blijkt dat de coëfficiënt niet van toepassing is op de monetaire compenserende bedragen. Indien, zoals in dit geval, geen heffing geldt en het invoerrecht een ad valorem-recht is (en niet vastgesteld in rekeneenheden), blijft de coëfficiënt buiten spel.
Niettemin heeft verzoekster zowel voor het Finanzgericht als ten onzent hardnekkig staande gehouden dat in een geval als het onderhavige de monetaire compenserende bedragen dienen te worden verminderd met het bedrag waarmee de heffing — indien verschuldigd — zou zijn verminderd door toepassing van de coëfficiënt; dit bedrag begroot verzoekster hier op DM 1483,20. Zij betoogt dat verordening nr. 1380/75 aldus dient te worden gelezen dat een dergelijke aftrek is toegelaten, subsidiair dat de verordening, indien zij die aftrek niet zou toelaten, ongeldig is.
Het Finanzgericht had enig gevoel voor dit betoog en gaf in de verwijzingsbeschikking te kennen dat, naar verweerder had verklaard, ook het Bondsministerie hiervoor gevoelig zou zijn. De twijfel van het Finanzgericht heeft eerder betrekking op de geldigheid dan op de uitlegging der verordening.
Het college legt Uw Hof de volgende vragen voor:
„1.
Moet verordening (EEG) nr. 1380/75 aldus worden verstaan dat bij de invoer uit derde landen in de Lid-Staten van waren, waarvoor wel een heffing is vastgesteld doch de oplegging is geschorst, en waarvoor een monetair compenserend bedrag wordt geheven, het monetaire compenserende bedrag door vermenigvuldiging met een coëfficiënt wordt verminderd?
2.
Bij bevestigende beantwoording van vraag 1:
Moet het monetaire compenserende bedrag worden verminderd met het bedrag waarmee de heffing, indien opgelegd, door toepassing van de in verordening (EEG) nr. 2147/75 vermelde coëfficiënt zou moeten worden verminderd?
3.
Bij ontkennende beantwoording van vraag 1:
Is verordening (EEG) nr. 1380/75 nietig in zover in het geval dat een heffing in rekeneenheden is vastgesteld doch de oplegging is geschorst, het monetaire compenserende bedrag bij importen uit derde landen in de Bondsrepubliek niet door toepassing van een coëfficiënt wordt verlaagd?”
Verzoeksters betoog steunt nu, wanneer ik het juist heb, op de volgende redenering die, zoals reeds gezegd, tot op zekere hoogte gehoor vond bij het Finanzgericht: indien geen heffing wordt opgelegd, werken de „monetaire maatregelen” in de zin van verordening nr. 974/71, voor zover het de importeur betreft, alleen door in de wereldmarktprijs; zo was in het onderhavige geval de revaluatie van de DM alleen van invloed op de omrekening in DM van de „wereldmarktprijs” zoals door de Commissie vastgesteld (in rekeneenheden) voor de berekening van de monetaire compenserende bedragen. Derhalve, zo zegt verzoekster, dient elke monetaire compensatie die betrekking heeft op dat deel van de „gemeenschappelijke prijs” der Gemeenschap dat overeenkomt met een fictieve heffing, te vervallen. Anders zou zich volgens haar een tweeledige discriminatie voordoen: ten eerste tegenover importen in de Bondsrepubliek vanuit derde landen, in vergelijking met importen uit andere Lid-Staten, en ten tweede tegenover importen in de Bondsrepubliek vanuit derde landen, in vergelijking met dergelijke importen in Lid-Staten met een gedevalueerde munteenheid. De eerstgenoemde discriminatie zou zich voordoen, omdat dezelfde monetaire compenserende bedragen dan zouden worden toegepast in onderling afwijkende gevallen, en de laatstgenoemde omdat Lid-Staten met een gedevalueerde munt monetaire compenserende bedragen bij importen zouden toekennen. In hun geval zou het ontbreken van een correctief erop neerkomen dat het monetaire compenserende bedrag hoger is dan het behoort te zijn.
Ik kan het met het Finanzgericht eens zijn dat, zo deze redenering ergens toe leidt, dan zulks tot de conclusie dat de desbetreffende gemeenschapsregeling gebrekkig is en niet dat verordening nr. 1380/75 anders dan naar haar bewoordingen kan worden uitgelegd.
Op het punt van de interpretatie leunt verzoekster zwaar op de zevende overweging van de verordening, welke luidt:
„Overwegende dat de in rekeneenheden vastgestelde compenserende bedragen, toetreding’, de vaste elementen in de zin van artikel 61 van de Toetredingsakte, de belastingen bij invoer, de restituties en alle andere in het handelsverkeer met derde landen te heffen of toe te kennen bedragen, evenals de prijzen in de betrokken Lid-Staten in de munteenheden van deze Lid-Staten worden omgerekend met gebruikmaking van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgestelde koersen; dat het derhalve noodzakelijk is voor de berekening van het monetaire compenserende bedrag slechts het verschil aan te houden tussen het prijspeil en het betrokken in rekeneenheden uitgedrukte bedrag; dat, ter vereenvoudiging van de regeling en om toepassing van een zelfde compenserend bedrag in het handelsverkeer van een gegeven Lid-Staat met elk van de andere Lid-Staten en met derde landen mogelijk te maken, de compenserende bedragen, toetreding’, de vaste elementen, de belastingen bij invoer, de restituties en alle andere in het handelsverkeer met derde landen te heffen of toe te kennen bedragen gecorrigeerd moeten worden met behulp van een coëfficiënt die de situatie weergeeft van de munteenheid van de Lid-Staat die het monetaire compenserende bedrag moet toepassen.”
Verzoekster baseert zich vooral op de laatste zin. Naar mijn mening dient echter de verwijzing daarin naar „alle andere in het handelsverkeer met derde landen te heffen of toe te kennen bedragen” te worden gelezen in verband met het voorgaande. Hiermee kan alleen zijn gedoeld op „te heffen of toe te kennen bedragen in rekeneenheden” en niet tevens op de monetaire compenserende bedragen die in nationale munteenheden zijn vastgesteld.
De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen toegegeven dat de in verordening nr. 1380/75 voorgeschreven wijze van berekening van de monetaire compenserende bedragen bij toepassing in gevallen als het onderhavige theoretisch onvolmaakt is. Volgens de Commissie zijn dit echter slechts geringe onvolmaaktheden, vooral gezien de wijze waarop monetaire compenserende bedragen voor rundvlees in feite werden berekend. De onvoldoende correctie in het onderhavige geval zou niet meer dan DM 193,46 belopen; een correctie van DM 1483,20 zoals door verzoekster gesteld, zou volstrekt ongerechtvaardigd zijn.
In deze opmerkingen ging de Commissie vooral uit van de stelling dat geen enkel systeem voor de berekening van monetaire compenserende bedragen ooit meer dan vrij globaal kan zijn. Perfectie zou alleen zijn te bereiken bij een afzonderlijke berekening van het monetaire compenserende bedrag voor elke transactie, op basis van de bij die transactie betaalde prijs. De Commissie verwees naar zaken waarin Uw Hof die stelling had aanvaard: zaak 5/73, de eerste Balkan-zaak (Jurispr. 1973, blz. 1091; vooral de overwegingen 39-41), zaak 154/73, Becker (Jurispr. 1974, blz. 19; vooral de overwegingen 6-8), en de zaak 55/75, de tweede Balkan-zaak (Jurispr. 1976, blz. 19). Ook verwees zij naar bepalingen in verordeningen van de Raad, waarbij elementen van willekeur in het systeem waren gebracht, zoals de bij artikel 5 van verordening nr. 475/75 aangebrachte beperking in artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 974/71, waardoor — na de wijziging bij artikel 4 van verordening nr. 557/76 — de eerste 1,5 punt devaluatie van de munteenheid van een Lid-Staat wordt verwaarloosd.
Ik ben het uiteraard eens met de Commisie dat het stelsel van monetaire compenserende bedragen, wil het hanteerbaar zijn, welhaast onvermijdelijk een element van willekeur zal bevatten. De door de Commissie ten deze genoemde uitspraken moge ik nog aanvullen met die in de zaak 7/76, de IRCA-zaak (Jurispr. 1976, blz. 1213). Maar volgens mij ligt hier niet de sleutel op de onderhavige zaak.
Bij de mondelinge behandeling is de Commissie, als ik het goed zie, teruggekomen op de erkenning in haar schriftelijke opmerkingen; zij verklaarde dat er geen „economisch” bezwaar kon zijn tegen de toepassing van het volle monetaire compenserende bedrag in een geval als het onderhavige. Ik ben het daarmee eens. Dat onder het betrokken contingent vrijstelling van heffing werd verleend, was een onlogische afwijking van de gemeenschapsregeling voor de vaststelling van de prijzen van rundvlees. Het alsnog verschuldigde gedeelte van het monetaire compenserende bedrag vloeide in geen enkel opzicht logisch uit die regeling voort. Dit blijkt al heel duidelijk uit het feit dat, zoals de Commissie verklaarde, onder een ander deel van hetzelfde contingent importen waren vrijgesteld van het volle monetaire compenserende bedrag. In werkelijkheid hangt de vraag of bepaalde importen onder het contingent in het geheel niet ofwel gedeeltelijk ofwel volledig zijn vrijgesteld van het normaliter te heffen compenserende bedrag, uitsluitend af van hetgeen door de Gemeenschap in het kader van de GATT is overeengekomen, en niet van een of ander logisch beginsel dat zou zijn af te leiden uit verordening nr. 974/71 of uit iets anders.
Bovendien, om tot een — zij het gedeeltelijke — ongeldigverklaring van verordening nr. 1380/75 te kunnen komen, zal verzoekster aannemelijk moeten maken dat de bepalingen daarvan onverenigbaar zijn met een hogere, de Commissie bindende rechtsregel. De enige door verzoekster ingeroepen hogere rechtsregel is het gelijkheidsbeginsel, zoals dit met name is neergelegd in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, waar „discriminatie tussen producenten of verbruikers in de Gemeenschap” wordt uitgesloten.
Dit beginsel verbiedt echter geenszins een minder gunstige behandeling van importen uit derde landen dan van importen uit andere Lid-Staten. In de tweede Balkan-zaak heeft het Hof in verband met de vaststelling van monetaire compenserende bedragen zelfs uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het algemene beginsel van gemeenschapspreferentie een verschillende behandeling van uit een andere Lid-Staat afkomstige produkten ten opzichte van die uit een derde land rechtvaardigt (overweging 15).
Wat de andere door verzoekster genoemde vorm van discriminatie betreft, is het duidelijk dat importeurs in landen met een gerevalueerde munt (zoals de Bondsrepubliek Duitsland) niet op dezelfde wijze door de monetaire compenserende bedragen worden getroffen als importeurs in landen met een gedevalueerde munt. De eerstgenoemden worden erdoor belast en de laatstgenoemden gesteund. Deze importeurs bevinden zich derhalve in een verschillende positie; een verschillende behandeling van hen levert geen ontoelaatbare discriminatie op — zie overweging 26 van Uw arrest in de zaak 126/76, Dietz (nog niet gepubliceerd).
Samenvattend concludeer ik dat op de vragen van het Finanzgericht worde geantwoord:
1.
Verordening (EEG) nr. 1380/75 is niet aldus te verstaan dat, wanneer uit een derde land ingevoerde goederen zijn vrijgesteld van een heffing die anders verschuldigd zou zijn, een vermindering moet worden toegepast op een over deze goederen te heffen monetaire compenserende bedrag;
2.
Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van deze verordening.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy