CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 31 JANUARI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters
Verzoekster in het hoofdgeding legt zich in haar bedrijf in Italië toe op de produktie van eieren en de teelt van leghennen. Zij brengt eieren, eendagskui-kens en mesthennen op de markt. Het bedrijf is gelegen op een deels aan eiseres in eigendom toebehorend, deels gepacht terrein van 3 ha, dat gedeeltelijk wordt bebouwd; het bedrijf heeft er echter niet genoeg aan, zodat ook van elders voeders moeten worden betrokken.
Volgens verzoekster werden zulke bedrijven voor de sociale verzekering steeds als agrarische bedrijven beschouwd, en wel zulks blijkbaar op grond van een in artikel 2135 van de Co-dice Civile voorkomende omschrijving die evenwel voor bedrijven als hierbedoeld in de jurisprudentie niet steeds op dezelfde wijze wordt uitgelegd. Dienovereenkomstig worden de bijdragen in de sociale verzekering van de in het bedrijf werkzame arbeiders naar het voor de landbouw geldende lagere percentage aan de Servizio Contributi Agricoli Unificati betaald, hetgeen bedoelde dienst trouwens ook juist acht.
Nadat het bedrijf was gemoderniseerd wilde evenwel het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale de bijdragen toucheren, en wel bijdragen berekend volgens het voor industriële bedrijven geldende hogere percentage. Pluimveeteelt is volgens het Istituto alleen als veeteelt in de zin van artikel 2135 van de Italiaanse Codice Civile te beschouwen zolang de bodemexploitatie er een rol bij speelt — waardoor bedoelde pluimveeteelt een bijkomende agrarische bedrijvigheid wordt —, doch niet wanneer de nodige veevoeders worden ingekocht.
Verzoekster heeft het Istituto Nazionale daarop in rechte betrokken, vorderende dat zij voor de sociale verzekeringsbijdragen als landbouwonderneming zou worden beschouwd, zodat zij haar bijdragen aan de Servizio Contributi Agricoli zou hebben te betalen. Zij beroept zich daartoe op de Italiaanse wet nr. 419 van 3 mei 1971 betreffende de toepassing van de (communautaire) verordeningen 1619/68 (PB L 258 van 21. 10. 1968, blz. 1) en 95/69 (PB L 13 van 18. 1. 1969, blz. 13) over de verhandeling van eieren, volgens welke verordeningen het aantal tewerkgestelde personen de doorslag geeft. Voorts verwijst zij naar een 24 oktober 1972 gedagtekend advies van de Raad van State over de behandeling van pluimveeteeltbedrij-ven voor de sociale verzekering. Volgens dat advies is als veeteelt in de zin van artikel 2135 van de Codice civile de teelt van dieren in het algemeen — en derhalve ook de pluimveeteelt — te beschouwen. Verzoekster acht het van bijzonder belang dat in het advies ook naar artikel 38 van het EEG-Verdrag — en de daarop berustende lijst van agrarische produkten — is verwezen. Ook verzoekster is namelijk van mening dat de vraag of er van een landbouwbedrijf mag worden gesproken, in het belang van de ene gemeenschappelijke markt allereerst aan de hand van gemeenschapsrechtelijke definities dient te worden beantwoord, waarbij niet in de laatste plaats enige regelingen van afgeleid gemeenschapsrecht in aanmerking behoren te worden genomen. Hieromtrent dient haars inziens klaarheid te worden geschapen, niet alleen omdat de bijdrageplicht in de sociale verzekering erdoor bepaald wordt, doch ook omdat er andere voordelen, bijvoorbeeld op het gebied van belastingrecht of op dat der subsidies, en faciliteiten bij de verstrekking van bankkredieten, prijsverlagingen voor brandstof en elektrische energie en lagere bijdragen in de kosten der milieuhygiëne, mee gemoeid zijn. De concurrentiepositie der hierbedoelde bedrijven wordt dus zeer wezenlijk door de omstreden kwalificatie beïnvloed.
De Italiaanse rechter heeft, nadat de dagvaarding aan de Servizio Contributi Agricoli Unificati was betekend, bij beschikking van 19 mei 1977 het geding geschorst en verstaan dat om een prejudiciële beslissing ex artikel 177 van het EEG-Verdrag zou worden verzocht.
In de verwijzingsbeschikking wordt verzocht om uitlegging van de artikelen 38, leden 1, 3 en 4, van het EEG-Verdrag juncto bijlage II (lijst bij artikel 38 van het EEG-Verdrag), van verordening 70 van 14 juni 1966, geplaatst in het Publi-katieblad van de Europese Gemeenschappen nr. 112 van 24 juni 1966, uitsluitend met betrekking tot de navolgende punten:
… wordt verstaan onder: landbouwbedrijf: de ruimtelijk begrensde technisch-economische eenheid die onder één beheer geplaatst is en … voortbrengt: granen, groenten, … [alsook onder meer] de navolgende dieren: runderen, buffels, schapen, geiten, varkens … kippen en mestkuikens, overig pluimvee; konijnen, gefokt wild, zijderupsen, bijen en een-dagskuikens (artikel 2A en bijlage 1), alsook … landbouwbedrijven met een oppervlakte cultuurgrond van minder dan 1 ha, hierbij inbegrepen de bedrijven zonder oppervlakte cultuurgrond … (artikel 3 a) en 3 b));
alsook van verordening 91/66/EEG van 29 juni 1966, geplaatst in het Publikatie-blad van de Europese Gemeenschappen nr. 121 op 4 juli 1966 — uitsluitend met betrekking tot het navolgende punt:
… Is een landbouwbedrijf een ruimtelijk begrensde bedrijfseconomische eenheid, die onder één beheer is geplaatst en die … voortbrengt: granen, … kippen en mestkuikens, overig gevogelte, …, eendagskuikens.
Voorts wordt om beantwoording van de navolgende vragen verzocht:
1 a)
Heeft de term landbouwbedrijf, die in het Verdrag uitdrukkelijk wordt gebezigd voor de produkten, welker verkrijging de ontplooiing onderstelt van een ondernemersactiviteit die volgens de verordeningen niet behoeft te zijn gebonden aan een bepaalde oppervlakte cultuurgrond (daar immers ook landbouwbedrijven zijn voorzien met minder dan 1 ha dan wel zonder cultuurgrond), alleen intern belang voor de instellingen van de EEG, en is zij derhalve niet bindend voor de Lid-Staten, die bijgevolg vrij zouden zijn landbouwbedrijven te identificeren met gebruikmaking van criteria welke afwijken van of indruisen tegen die van het EEG-Ver-drag en de aangehaalde verordening?
1 b)
Heeft de Gemeenschap aan het begrip landbouwbedrijf een gemeenschappelijke inhoud gegeven welke in de afzonderlijke Lid-Staten gelding heeft ter identificatie van zodanige bedrijven, en zijn mitsdien de Lid-Staten verplicht daarbij gebruik te maken van de in het Verdrag en de aangehaalde verordeningen gebezigde terminologie zodat op zulke bedrijven — ook op het gebied van de sociale zekerheid — zowel de communautaire als de nationale rechtsbeginsel moeten worden toegepast?
—
Ingeval vraag 1 b) bevestigend wordt beantwoord:
2 a)
Kunnen de afzonderlijke staten afwijkende bepalingen vaststellen dan wel een afwijkende gedragslijn volgen?
2 b)
Moet bij de toepassing van communautaire en Italiaanse wettelijke bepalingen met het in het Verdrag en de verordeningen bedoelde begrip landbouwbedrijf worden gewerkt en is die term voor de doelstellingen der communautaire voorschriften en de Italiaanse rechtsorde aldaar rechtstreeks toepasselijk?
—
Ingeval vraag 2 b) bevestigend wordt beantwoord:
3)
Worden door de gemeenschapsrechtelijke, en in de interne rechtsorden der Lid-Staten gerecipieerde term landbouwbedrijf voor de als zodanig omschreven en geïdentificeerde ondernemingen met die klassering in verband te brengen subjectieve rechten geschapen welke door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd?
—
Zo ja:
4)
Staat tegenover die subjectieve rechten een verplichting van de Lid-Staten om de landbouwbedrijven geen lasten op te leggen die naar nationaal recht aan een landbouwbedrijf wezensvreemd zijn — in de zin van de criteria van het Verdrag en de gemeenschapsverordeningen —, en die in elk geval de Italiaanse landbouwondernemers die zich toeleggen op het fokken van pluimvee, ook op het gebied van de sociale zekerheid ten opzichte van overeenkomstige ondernemers in de andere Lid-Staten discrimineren?
Nu wij willen trachten ten deze ons standpunt te bepalen, verdient het aanbeveling de problemen welke in al deze vragen aan de orde komen, als volgt te rangschikken: allereerst dient te worden nagegaan welke gegevens met betrekking tot het begrip „landbouwonderneming” aan het EEG-Verdrag en het afgeleide gemeenschapsrecht kunnen worden ontleend. Vervolgens zal moeten worden onderzocht of dat begrip ook voor de Lid-Staten bindend en rechtstreeks toepasselijk is, in die zin dat er voor de indeling der bedrijven subjectieve rechten aan kunnen worden ontleend. Een wezenlijk probleem is voorts, of dit ook op het gebied van de sociale verzekering geldt. Ten slotte zal moeten worden ingegaan op enkele door verzoekster tot staving van haar standpunt aangedragen overwegingen, die het discriminatieverbod, de doeleinden van artikel 39 van het EEG-Verdrag en de verdragsbepalingen betreffende steunmaatregelen (artikelen 92 e.v.) betreffen.
1.
Het begrip „landbouwonderneming” wordt nergens in het Verdrag met zoveel woorden omschreven. Hooguit kunnen aan het Verdrag, en wel aan deel II, Titel II, enige indicaties worden ontleend betreffende de begripsinhoud die men in het Verdrag met die term heeft willen dekken.
Daarbij staat artikel 38 op de voorgrond, waarin wordt bepaald dat de gemeenschappelijke markt ook de landbouw en de handel in landbouwprodukten omvat, welke produkten met verwijzing naar bijlage II worden omschreven. Uit een en ander kan worden geconcludeerd dat met de term „landbouw” op de producenten van bedoelde produkten wordt gedoeld. En omdat op die uitvoerige lijst ook vissen en de veeteelt — zonder meer — worden genoemd, staat daarmede tevens vast dat voor landbouw in bedoelde zin bodembewerking niet onontbeerlijk is.
Een zekere bevestiging daarvan is voorts te vinden in de artikelen 39 en 42 van het Verdrag. Als in artikel 39, dat de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbedrijf omschrijft, de termen „produktiviteit van de landbouw” en „landbouwproduktie” een belangrijke rol spelen, dan kan daaruit worden geconcludeerd dat onder landbouw de produktie van bepaalde — in artikel 38 genoemde — produkten is te verstaan. Volgens artikel 42 zijn de bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging, op de voortbrenging van — en de handel in — landbouwprodukten slechts van toepassing voor zover zulks door de Raad zal worden bepaald. Ook dit voorschrift kan slechts de producenten der in artikel 38 genoemde produkten betreffen.
Meer kan echter — voor de hierbedoel-de definitie — aan het Verdrag niet worden afgelezen.
2.
Anders ziet het er uit op het terrein van het afgeleide gemeenschapsrecht, waar wij een lange reeks deels zeer gedetailleerde definities aantreffen. Ten dele zijn ze in de verwijzingsbeschikking reeds opgesomd; ten processe werd ons nog een reeks andere definities genoemd.
In de volgorde waarin de desbetreffende regelingen het licht zagen, kunnen worden genoemd:
—
's Raads verordening 79/65 van 15 juni 1965 tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de EEG (artikel 4) (PB 1965 van 23. 6. 1965, blz. 1859);
—
's Raads verordening 70/66 van 14 juni 1966 betreffende de organisatie van een basisenquête in het kader van een enquêteprogramma inzake de structuur van de landbouwbedrijven (artikelen 2 en 3) (PB 1966 van 24. 6. 1966, blz. 2065);
—
verordening 91/66 van de Commissie van 29 juni 1966 met betrekking tot de keuze van de bedrijven met boekhouding voor het constateren van de inkomens van de landbouwbedrijven (artikel 1) (PB 1966 van 4. 7. 1966, blz. 2249);
—
's Raads richtlijn 72/159 van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven (artikel 2) (PB L 96 van 23. 4. 1972, blz. 1);
—
's Raads richtlijn 75/108 van 20 januari 1975 betreffende de organisatie van een structuurenquête 1975 in het kader van een enquêteprogramma inzake de structuur van de landbouwbedrijven (artikel 2) (PB L 42 van 15. 2. 1975, blz. 21);
's Raads richtlijn 75/268 van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (artikel 6) (PB L 128 van 19. 5. 1975, blz. 1);
—
beschikking 75/682 van de Commissie van 2 oktober 1975 houdende vaststelling van de bij de lijst van kenmerken behorende definities en van de lijst van landbouwprodukten voor de struktuurenquête 1975 in het kader van een enquêteprogramma inzake de structuur van de landbouwbedrijven — met de daarbij gevoegde bijlage I (PB L 301 van .20. 11. 1975, blz. 8) —;
—
's Raads verordening 1035/76 van 30 april 1976 betreffende de organisatie van een enquête naar de verdiensten van vaste arbeiders die werkzaam zijn in de landbouw (artikel 2) (PB L 118 van 5. 5. 1976, blz. 3) alsmede
—
's Raads verordening 3228/76 van 21 december 1976 houdende organisatie van een enquête inzake de structuur van de landbouwbedrijven 1977 (artikel 3) (PB L 366 van 31. 12. 1976, blz. 1).
Belangrijk is evenwel dat in deze regelingen geenszins van dezelfde definities blijkt te worden uitgegaan. Ik wil ze niet allemaal citeren; men vergelijke echter slechts enerzijds verordeningen 70/66, 91/66, 3228/76 en richtlijn 75/108, anderzijds verordening 1035/76 en richtlijn 75/268. Van wezenlijk belang is ook dat in een aantal van deze regelingen met zoveel woorden is bepaald dat de nationale wetgever de nodige definities heeft op te stellen dan wel nadere voorschriften en maatstaven kan geven (zo bij voorbeeld: richtlijnen 72/159 en 75/268).
Het mag er dan ook niet voor worden gehouden dat aan het secundaire gemeenschapsrecht één enkel begrip landbouwbedrijf — met een steeds sluitende definitie — kan worden afgelezen, terwijl al evenmin kan worden gezegd dat bij zodanige begripsbepaling de bewerking van de bodem niet ter zake doet.
3.
Liggen deze beide eerste vaststellingen voor de hand, ik verbind er de besprekingen aan van de mede opgeworpen vraag of gemeenschapsrechtelijke definities van de term „landbouwonderneming”, voor zover daarvan zou mogen worden gesproken, voor de Lid-Staten bindend zijn in die zin dat zij rechtstreeks kunnen worden toegepast wanneer particulieren er subjectieve rechten aan willen ontlenen. Ik kan hierover kort zijn; waarom, zal vanzelf blijken.
Wat het ter sprake gebrachte afgeleide gemeenschapsrecht betreft: een positieve beantwoording van de gestelde vraag zou ik niet willen uitsluiten, althans voor zover men te maken krijgt met duidelijke en ondubbelzinnige voorschriften, waaraan de Lid-Staten geen discre-tionaire bevoegdheden kunnen ontlenen.
Anderzijds hangt, wat betreft de inhoud van het begrip dat achter de artikelen 38, 39 en 42 van het Verdrag schuilgaat, beantwoording van de gestelde vraag af van de stoffen waarvoor het begrip wordt gebezigd. Wij komen daarop aanstonds nader te spreken. Bovendien is in ieder geval van belang of de voorschriften waarin ermee wordt gewerkt — c.q. waarin het rol speelt — op grond van hun normatieve inhoud rechtstreeks toepasselijk zijn en de grondslag van subjectieve rechten van particulieren vormen.
Hiermede kan, wat deze vraag betreft, mijns inziens worden volstaan.
4.
Wij willen thans overgaan tot een bespreking van hetgeen, mijns inziens, in de prejudiciële beschikking centraal staat, dat wil zeggen de vraag of het gemeenschapsrechtelijke begrip „landbouwonderneming” — voor zover het zich laat bepalen — ook geldt voor het sociale verzekeringsrecht der Staten, wanneer daarin — zoals in het Italiaanse recht — tussen landbouwondernemingen en andere ondernemingen wordt onderscheiden.
Dit is, zoals men weet, de opvatting van verzoekster in het hoofdgeding. Zij wijst er op dat er op haar terrein — pro-duktie van eieren en leghennen — twee gemeenschappelijke marktordeningen (verordeningen 2771/75 en 2777/75, PB L 282 van 1. 11. 1975, blz. 49 en blz. 77) bestaan. Het zou er daarom voor mogen worden gehouden dat de legislatieve bevoegdheden in zoverre geheel aan de Gemeenschap zijn overgedragen en dat er van een concurrerende bevoegdheid der Lid-Staten, wat betreft regelingen welke de concurrentieverhoudingen op de markt voor eieren en pluimvee beïnvloeden, geen sprake kan zijn. Bovendien verwijst zij tot staving van haar standpunt naar 's Hofs jurisprudentie. In zaak 34/70 (Syndicat na-tional du commerce extérieur des céréa-les e.a. tegen Office national interprofes-sionnel des céréales — Minister van Landbouw, arrest van 17 december 1970, Jurispr. 1970, blz. 1233) zou zijn uitgemaakt dat de term „houder” (sc. van granen) in gemeenschapsrechtelijke zin dient te worden verstaan, terwijl in het arrest 131/73 (Grosoli, arrest van 12 december 1973, Jurispr. 1973, blz. 1555), waarin het ging om een communautair contingent voor bevroren rundvlees, zou zijn overwogen dat de Lid-Staten de economische bestemming der contingenten niet mogen regelen, zodat de nationale overheden zich, wat de verkoop van het produkt betreft, van beperkingen hebben te onthouden.
Ik wil al aanstonds zeggen dat deze argumenten mij niet hebben overtuigd.
Om te beginnen wil ik er — met betrekking tot de in het afgeleide gemeenschapsrecht gehanteerde begrippen — op wijzen dat daaraan slechts met betrekking tot het onderwerp der onderscheiden regelingen betekenis toekomt. Het wordt in de desbetreffende communautaire handelingen soms uitdrukkelijk gezegd, soms kan het er op zijn minst ondubbelzinnig aan worden afgelezen. Ik verwijs voor het ogenblik slechts naar verordeningen 70/66, 91/66 en 3228/76, alsook naar richtlijnen 72/159 en 75/108. Voor zover uit de desbetreffende regeling niet ondubbelzinnig blijkt dat aan de daarin gegeven definitie alleen voor de regeling zelf betekenis mag worden gehecht, geldt hier mijns inziens ten minste al hetgeen met betrekking tot de algemene term „landbouwonderneming” uit het Verdrag kan worden afgeleid.
Men dient er naar mijn overtuiging van uit te gaan dat dit begrip in beginsel slechts relevant is voor de regelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat wil zeggen voor de door Deel II, Titel II bestreken gebieden. Dit blijkt om te beginnen afdoende uit artikel 38, lid 2, van het Verdrag — volgens hetwelk de regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt op de landbouwprodukten van toepassing zijn, voor zover in de artikelen 39 tot en met 46 niet anders is bepaald —.
Daarom faalt mijns inziens ook de stelling dat men slechts op grond van een gemeenschapsrechtelijk begrip landbouwonderneming tot een juiste toepassing zou kunnen komen van verordeningen inzake de subsidiëring van landbouwondernemingen, zoals die in 1969 en 1973 ten gunste van de Duitse en de Nederlandse landbouw zijn vastgesteld ('s Raads verordening 2464/69 van 9 december 1969, PB L 312 van 12. 12. 1969, blz. 4, en 's Raads verordening 3141/73 van 19 november 1973, PB L 321 van 22. 11. 1973, blz. 1). Men bedenke dat het hierbij gaat om twee in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgestelde verordeningen.
Om dezelfde reden heeft verzoekster ook niets aan de beide door haar genoemde arresten, met name niet aan het arrest in de zaak 34/70. Ook daarin ging het om maatregelen in het kader van een gemeenschappelijke marktordening (de interventieregeling van verordening 1028/68), waarvoor — naar zonder meer duidelijk is — een enkel gemeenschapsrechtelijk begrip „houder” (sc. van granen) heeft te gelden, dat door de Lid-Staten niet mag worden veranderd of ingeperkt. Met name voor het sociale verzekeringsrecht — waarom het in het hoofdgeding gaat — kan aan het systeem van het Verdrag ten duidelijkste worden afgelezen dat de daarbij geschapen ordening — en dus ook de vaststelling van de nodige criteria — in beginsel zaak van de Lid-Staten is. In zoverre kan ook worden gewezen op artikel 118 van het EEG-Verdrag, dat slechts een enge samenwerking tussen de Lid-Staten met betrekking tot sociale vragen, maar geen eenvormigheid of harmonisatie voorziet, terwijl er op dit terrein blijkens de verklaringen van de Commissie ook nog geen communautaire voorschriften zijn vastgesteld. Voorts is er artikel 51 van het Verdrag dat slechts, een coördinatie van het sociale zekerheidsrecht voor de vergemakkelijking van het vrije verkeer voorziet en derhalve van het voortbestaan van verschillende nationale systemen van sociale verzekering uitgaat. In de considerans van verordening 1408/71 (PB L 149 van 5. 7. 1971, blz. 2) wordt dan ook van het (voort)bestaan van belangrijke verschillen tussen de nationale wetgevingen betreffende de sociale zekerheid gesproken. Bovendien staan in de verordening uitkeringen van sociale zekerheid centraal, alsook de wens verlies van rechten op het terrein der sociale zekerheid te vermijden, terwijl de bijdragen door de verordening slechts tot op zekere hoogte worden bestreken, zoals in artikel 91 — volgens hetwelk van een werkgever niet de betaling van hogere bijdragen kan worden verlangd op grond van het feit dat zijn woonplaats of de plaats van vestiging van zijn onderneming in het gebied van een andere dan de ten deze bevoegde Lid-Staat is gelegen —.
Op grond van een en ander kan worden vastgesteld dat op het terrein van de sociale zekerheid — waar in beginsel de Lid-Staten regelend hebben op te treden — het communautaire begrip „landbouwonderneming” niet de doorslag dient te geven. Voor onder de gemeenschappelijke marktordening vallende bedrijven heeft dit weliswaar consequenties, omdat een kwalificatie van bedoelde bedrijven in deze of gene zin de kostprijs beïnvloedt. De Commissie heeft evenwel terecht betoogd dat zulk een situatie niet op één lijn mag worden gesteld met in de jurisprudentie (bij voorbeeld in het arrest 77/76, Firma Gebr. Cucchi tegen Avez S.p.A., arrest van 25 mei 1977, Ju-rispr. 1977, blz. 987) behandelde gevallen van nationale maatregelen die rechtstreeks — en „gericht” — de prijsvorming betreffen en derhalve, juist omdat zij in de prijsvormingsmechanismen van het gemeenschapsrecht ingrijpen, aan dat recht en aan de in dat recht gestelde eisen moeten worden getoetst.
5.
Wij zijn hiermede evenwel nog niet aan het einde van ons onderzoek gekomen. Zoals reeds aangekondigd, dienen nog enige nadere punten van overweging te worden besproken die door verzoekster in het hoofdgeding alsnog zijn voorgedragen tot staving van haar opvatting dat er een enkel, voor de Lid-Staten bindend begrip landbouwonderneming zou hebben te gelden: aan iedere andere beoordeling zou het gevaar van ernstige discriminatie zijn verbonden; de doelstellingen van artikel 39 zouden in gevaar komen, indien men het trekken van grenzen — en dus een differentiatie van de sociale verzekeringsbijdragen — aan de Lid-Staten zou overlaten, en aan zulk een differentiatie zou slechts in het kader van de steunvoorschriften van artikel 92 — onder de aldaar genoemde voorwaarden — mogen worden gedacht.
Ik zou dienaangaande nog het volgende willen opmerken:
a)
Met betrekking tot het discriminatieverbod kunnen de artikelen 7 en 40, lid 3, stellig niet worden ingeroepen.
In artikel 7 wordt discriminatie naar nationaliteit verboden. Het Italiaanse sociale verzekeringsrecht differentieert ten deze niet. Voor zover bedrijven ongelijk worden behandeld naar gelang er al dan niet exploitatie van de bodem plaatsvindt, speelt de nationaliteit kennelijk geen rol. Voor zover bepaalde Italiaanse bedrijven, vergeleken met bedrijven in andere Lid-Staten, ongelijk mochten worden behandeld, is dat een gevolg van de beperkte gelding van het nationale recht en van het feit dat het gemeenschapsrecht niet op unificatie van het sociale verzekeringsrecht gericht is. En de aan dit een en ander verbonden consequenties staan ook geheel los van de ons thans interesserende vraag naar de kwalificatie van landbouwondernemingen met het oog op de berekening der bijdragen.
Volgens artikel 40, lid 3, moet de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkt zich tot het nastreven van de doeleinden van artikel 39 beperken en elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten. Het geldt dus slechts voor de gemeenschappelijke marktordeningen. Hoogstens mag het ervoor worden gehouden dat het voorschrift ook tot de Lid-Staten gericht is, voor zover er in de gemeenschappelijke marktordeningen aan overheidsbureaus bepaalde functies zijn toegedacht, voor zover een nationaal interventiesysteem een gemeenschappelijke marktordening completeert dan wel voor zover overheidsmaatregelen bedoeld zijn om de werking van gemeenschappelijke marktordeningen te beïnvloeden — en zodanige werking benadelen —. Ik kan in dit verband verwijzen naar de arresten in de zaken 51/74 (Van der Hulst's Zonen tegen Produkt-schap voor Siergewassèn, arrest van 23 januari 1975, Jurispr. 1975, blz. 79) en 60/75 (Russo tegen Azienda di Stato per gli Interventi sul Mercato Agricolo, arrest van 22 januari 1976, Jurispr. 1976, blz. 45) alsook naar mijn conclusie in de zaak 52/76 (Benedetti tegen Munari F.lli s.a.s., arrest van 3 februari 1977, Jurispr. 1977, blz. 163). Dat zulk een casuspositie zich niet voordoet wanneer wij te maken krijgen met een regeling op gebieden welke aan de Lid-Staten zijn voorbehouden — en dat er in zoverre slechts van een zeker effect op de kostprijs van onder de marktordeningen vallende produkten kan worden gesproken —, lijkt mij zonneklaar.
Maar ook met een beroep op het algemene beginsel van gelijke behandeling, zoals het ook in de Italiaanse Constitutie is verankerd en in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 (Ruckdeschel & Co. en Hansa-Lagerhaus Ströh & Co. tegen Hauptzollamt Hamburg-St. An-nen en Diamalt AG tegen Hauptzollamt Itzehoe, arrest van 19 oktober 1977) met betrekking tot een met een marktordening in verband staande communautaire regeling ter sprake kwam, komt verzoekster niet verder. Het gaat er volgens dit beginsel maar om dat vergelijkbare situaties niet ongelijk worden behandeld zolang er voor differentiatie geen zakelijke gronden kunnen worden aangevoerd. In gevallen als in bedoelde zaken werden behandeld — en waarbij het om maatregelen voor bepaalde produkten ging — kan dat betekenen dat bij de verlening van faciliteiten voor vergelijkbare produkten geen onderscheid mag worden gemaakt. Het wil echter niet zeggen dat bij een andersoortige regeling als die betreffende de berekening van bijdragen voor de sociale verzekering — waarbij van het begrip onderneming wordt uitgegaan — de last niet van grootte, structuur en factoren als de bodemexploitatie afhankelijk zou mogen worden gesteld. In ieder geval wil het mij voorkomen dat niet per sé al hetgeen voor het landbouwrecht als landbouwonderneming is te beschouwen, ook voor de sociale verzekering gelijk dient te worden behandeld.
b)
Voor zover verzoekster voorts betoogt dat er, gezien die niet ondubbelzinnige uitlegging van het Italiaanse recht — artikel 2135 van de Codice Ci-vile — en gezien de in artikel 5 van het Verdrag aan de Lid-Staten opgelegde verplichting, aanleiding zou bestaan aan bestaande communautaire begrippen vast te knopen en voor zover zij er op wijst dat de door verweerster juist geachte kwalificatie van haar onderneming als niet-agrarisch haar in meer dan één opzicht zwaarder belast — hetgeen met de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag niet verenigbaar zou zijn —, zij om te beginnen opgemerkt dat tot een „vastknopen” aan een communautair begrip — in casu ontbréékt het zelfs aan een uniform communautair begrip — slechts voldoende aanleiding bestaat op terreinen waarvoor de desbetreffende definitie werd opgesteld. Voor het begrip „landbouwonderneming” gaat zulks echter, naar wij zagen, op het gebied van het sociale verzekeringsrecht niet op.
Anderzijds acht ik het — wat betreft het ingeroepen artikel 39 van het EEG-Ver-drag, dat onder a) spreekt van het doen toenemen van de produktiviteit van de landbouw, bevordering van de technische vooruitgang, verzekering van de rationele ontwikkeling van de landbouw-produktie alsook een optimaal gebruik van de produktiefactoren — niet slechts dubieus of de verwezenlijking van die doelstellingen door de kwalificatie van verzoeksters bedrijf in het raam van het Italiaanse sociale verzekeringsrecht — waarom het ten deze alleen mag gaan — wel wordt benadeeld. Van wezenlijk belang is voorts dat het gaat om een doelstelling die via het gemeenschappelijke landbouwbeleid moet worden gerealiseerd, en wel om één van meer doelstellingen die niet allemaal tegelijkertijd en in dezelfde mate kunnen worden nagestreefd. Het wil er bij mij niet in dat men via bedoeld beginsel tot niet-toepas-selijkheid van een nationaal voorschrift, gegeven op een aan de Lid-Staten voorbehouden terrein, zou kunnen komen. Mochten op de geschetste wijze nochtans communautaire belangen in gevaar geraken, dan zou men die belangen beter via artikel 169 van het EEG-Verdrag recht kunnen doen wedervaren.
c)
Voor zover verzoekster de voorschriften betreffende steunmaatregelen (artikelen 92 e.v. van het Verdrag) ter sprake brengt: het moet mij van het hart dat ik verzoekster maar moeilijk kan volgen. In de eerste plaats zie ik niet in welk belang verzoekster er bij heeft deze bepaling ter sprake te brengen, immers mocht dit voorschrift werkelijk toepasselijk zijn en er bovendien van overtreding kunnen worden gesproken, dan zou zij op zijn best bereiken dat ook op andere naar Italiaans recht als agrarisch te beschouwen ondernemingen de lage bijdragen in de sociale verzekering niet van toepassing zijn — en niet dat die lagere bedragen ook voor haar zullen gelden —.
Afgezien daarvan wil ik er in dit verband nog op wijzen dat het door verzoeker ingeroepen arrest 173/73 (Italiaanse Republiek/Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 2 juli 1974, Jurispr. 1974, blz. 709) ten deze niet relevant lijkt, omdat de casuspositie destijds een andere was. Het ging om een gedeeltelijke vrijstelling van de op ondernemingen in een bepaalde tak van industrie gelegde openbare lasten, en wel van lasten — sociale bijdragen voor gezinstoeslagen — resulterende uit een normale toepassing van het algemeen belastingstelsel. Daarom werd de regeling aan artikel 92 van het Verdrag getoetst. In casu blijkt er evenwel op het terrein der sociale verzekeringen een afzonderlijke regeling voor de landbouw te zijn geschapen. Hoe men dan, doelend op de bijzondere berekening der percentages, van een met staatsmiddelen bekos tigde steunmaatregel zou willen spreken, zie ik niet in. Met name begrijp ik niet in hoeverre bij de afgrenzing van deze bijzondere regeling — leidende tot uitsluiting van verzoekster — de beginselen en regelen van artikel 92 een rol zouden kunnen spelen. Artikel 92 biedt voor het bodemgeschil geen enkel hou-
6.
Op grond van een en ander zullen de vragen van de Tribunale Civile te Rome mijns inziens als volgt moeten worden beantwoord:
Het gemeenschapsrecht kent geen alom toepasselijk algemene definitie van het begrip „landbouwonderneming”. Op gebieden waar de communautaire definities — zoals ze aan artikel 38 van het Verdrag kunnen worden afgelezen of in bijzondere verordeningen voor de landbouwsector zijn geformuleerd — niet verbindend zijn, met name ook op het gebied van het sociale verzekeringsrecht, zijn de Lid-Staten derhalve vrij dit begrip zelf te omschrijven en bepaalde bedrijven, ook wanneer er agrarische produkten in de zin van het Verdrag worden vervaardigd, als industriële ondernemingen aan te merken.
( 1 ) Venaald uil het Duits,
Full & Egal Universal Law Academy