CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
J.-P. WARNER
VAN 13 JULI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Verzoeker in deze zaak, Kuno Ditterich, is ambtenaar in de rang A 5 bij de wetenschappelijke en technische dienst van Euratom. Hij is ingenieur van beroep en was gedurende het in casu relevante tijdvak werkzaam bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het gebied van de Kernenergie (GCO) te Ispra.
In het onderhavige geding stelt hij twee onderscheiden vorderingen in tegen de Commissie: in de eerste plaats nietigverklaring van de lijst van de ambtenaren die het meest verdienstelijk zijn bevonden voor bevordering naar de rang A 4, op welke lijst zijn naam is weggelaten — ik zal dit verder vordering A noemen —, en in de tweede plaats nietigverklaring van het besluit van 20 januari 1977, waarbij hij tegen zijn wil is overgeplaatst naar een andere afdeling te Ispra — verder vordering B te noemen.
Vordering A
In het beginstadium van de procedure was het absoluut niet duidelijk van welke lijst verzoeker de geldigheid betwistte. Deels tengevolge van de hieruit voortvloeiende verwarring concludeerde de Commissie in haar verweerschrift dat vordering A niet ontvankelijk was. Later kwam tussen partijen vast te staan dat het om de lijst ging die als bijlage was gevoegd bij een besluit van 19 november 1976 van de heer Villani, directeur-generaal van het GCO en tevens het in casu tot aanstelling bevoegde gezag (bijlage 5 bij het verweerschrift). Aannemende dat dit inderdaad de litigieuze lijst was, heeft de Commissie, mijns inziens terecht, de exceptie van niet-ontvankelijkheid bij dupliek ingetrokken.
Om het hoe en waarom van de wordingsgeschiedenis van deze lijst te begrijpen, moet men de „Algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de bevorderingsprocedure voor het personeel bezoldigd uit de kredieten voor onderzoek” kennen die door de Commissie bij besluit van 6 december 1971 zijn vastgesteld en zijn gewijzigd bij besluit van 9 oktober 1973. (Bijlage 1 bij het verweerschrift). Ik zal deze verder kortweg aanduiden als de „Uitvoeringsbepalingen”.
Volgens artikel 1 van de Uitvoeringsbepalingen hebben deze ten doel:
„een adviesprocedure in te stellen welke vooraf zal gaan aan de bevordering van het personeel dat wordt bezoldigd uit de kredieten voor onderzoek, ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen en aan inrichtingen van het GCO verbonden functionarissen enerzijds en administratieve ambtenaren anderzijds, en waarbij rekening zal worden gehouden met de bijzondere eisen die in verband met dit personeel moeten worden gesteld en met het bestaan van geografisch verspreide standplaatsen”.
Artikel 2 sluit enkele, hier niet aan de orde zijnde, soorten bevorderingen uit van de toepassing van de Uitvoeringsbepalingen.
Volgens artikel 3, juncto artikel 7 a worden „twee paritaire bevorderingscomités in eerste aanleg” opgericht, één voor het GCO en één voor de activiteiten die niet onder het GCO ressorteren, alsmede „één paritair comité in tweede aanleg”. Voorzitter van het comité in eerste aanleg voor het GCO is de directeur-generaal van dit instituut. De leden zijn zeven vertegenwoordigers van de instelling en zeven personeelsvertegenwoordigers. Voorzitter van het comité in tweede aanleg is de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie. Ook hier zijn de leden zeven vertegenwoordigers van de diensten (waaronder de directeur-generaal van het GCO) en zeven van het personeel. In artikel 3 a wordt de taak van de comités in algemene zin omschreven als volgt: „de positie te onderzoeken van het personeel bezoldigd uit de kredieten voor onderzoek dat aan de statutaire voorwaarden inzake anciënniteit voldoet om in de loop van een bepaald jaar te worden bevorderd”.
Artikel 4 is een procedurevoorschrift.
Artikel 5 en 6 luiden, voor zover thans van belang:
„5.
Elk comité heeft tot taak om na vergelijking van de verdiensten van alle ambtenaren … die per 31 december van het lopende jaar voor bevordering kunnen worden voorgedragen, alsmede van de beoordeling die over hen gegeven is, de ontwerp-lijsten op te stellen van de ambtenaren … die het meest verdienstelijk worden bevonden voor bevordering.
De comités beschikken over de lijst van het personeel dat de in het statuut vereiste minimum-diensttijd vervuld heeft om voor bevordering in aanmerking te komen, de persoondossiers van genoemde personeelsleden en de gemotiveerde voorstellen van de desbetreffende chefs. Deze ontwerp-lijsten worden voor iedere groep per rang opgesteld…
Deze ontwerp-lijsten worden uitsluitend in alfabetische volgorde opgesteld. Zij worden vergezeld van een gemotiveerd rapport waarbij de oorspronkelijke bevorderingsvoordrachten worden gevoegd.
6.
Bij hun werkzaamheden beschikken de comités over de begrotingsgegevens welke noodzakelijk zijn voor het opstellen van de ontwerp-lijsten van ambtenaren… die het meest verdienstelijk worden bevonden voor bevordering. Het aantal ambtenaren… dat in vergelijking met de te verwachten bevorderingsmogelijkheden in iedere rang in deze ontwerp-lijsten dient te worden opgenomen, moet respectievelijk:
—
voor de comités in eerste aanleg ongeveer 50 %
—
voor het comité in tweede aanleg ongeveer 25 %
groter zijn dan de genoemde bevorderingsmogelijkheden.”
Artikel 7 b, sub 1, bepaalt, voor zover thans van belang, dat de voorzitters van de comités in eerste aanleg de door die comités opgestelde ontwerp-lijsten samen met de „rapporten en aangehechte documenten, waaronder met name de voorstellen tot bevordering, (doorzenden) aan de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, welke zorg draagt voor doorzending aan het comité in tweede aanleg.” Artikel 7 b, sub 2, bepaalt dat het comité in tweede aanleg de aanbevelingen van de comités in eerste aanleg opnieuw beziet en „daarmee rekening houdend” zijn eigen ontwerp-lijst opstelt.
De relevante gedeelten van de resterende artikelen zijn de volgende:
„8.
De ontwerp-bevorderingslijsten worden naar het tot aanstelling bevoegde gezag… gezonden, vergezeld van de gemotiveerde rapporten van de bevorderingscomités en de bevorderingsvoorstellen.
9.
Het tot aanstelling bevoegde gezag… stelt de lijsten van de ambtenaren… vast die het meest verdienstelijk worden bevonden voor bevordering.
Deze lijsten zijn gelding tot 31 december van het desbetreffende begrotingsjaar…
10.
Uitsluitend de op deze lijsten voorkomende ambtenaren… kunnen in de loop van het begrotingsjaar worden bevorderd…
11.
De op deze lijsten voorkomende ambtenaren… die op 31 december van het desbetreffende begrotingsjaar niet bevorderd zijn kunnen er geen aanspraak op maken ambtshalve op de lijsten van het volgende jaar te worden geplaatst.”
Twee algemene opmerkingen over de Uitvoeringsbepalingen lijken mij noodzakelijk:
Ten eerste: het Hof heeft de Commissie gevraagd om een toelichting met betrekking tot de rechtsgrondslag ervan. De Commissie verklaarde dat, hoewel de Uitvoeringsbepalingen nergens naar artikel 110 van hét Statuut van de ambtenaren verwijzen, de vaststelling van de oorspronkelijke tekst, bij besluit van de Commissie van 6 december 1971, is geschied overeenkomstig de bepalingen van dat artikel, dat wil zeggen na raadpleging van het personeelscomité en na advies van het comité voor het Statuut. De wijzigingen ingevoerd bij het besluit van de Commissie van 9 oktober 1973, schijnen echter zonder die raadpleging vooraf tot stand te zijn gekomen. Maar ik geloof niet dat dit verzuim van enig belang is, daar het enkel ging om een wijziging in de omschrijving van drie van de ambtenaren die de Commissie vertegenwoordingen in het comité in eerste aanleg voor de activiteiten die niet onder het GCO ressorteren, en van twee van haar vertegenwoordigers in het comité in tweede aanleg; deze veranderingen waren uitsluitend het gevolg van een reorganisatie van bepaalde afdelingen van de Commissie. Evenmin acht ik het van belang dat de Uitvoeringsbepalingen niet uitdrukkelijk naar artikel 110 verwijzen, hoewel het ongetwijfeld beter ware geweest als dit wel was gebeurd. Ik kom tot de conclusie dat de Uitvoeringsbepalingen terecht beschouwd kunnen worden als tot stand gekomen overeenkomstig artikel 110. (Uit bijlage 1 van het verweerschrift zelf blijkt dat ze „ter kennis van het personeel gebracht” zijn, zoals dit artikel dat eist. En volgens de Engelse versie van genoemde bijlage schijnt de oorspronkelijke tekst, in tegenstelling tot wat de Commissie verklaart wel gepubliceerd te zijn, namelijk op 8 december 1971.)
Mijn tweede algemene opmerking is deze. Het is duidelijk dat de opstellers van de Uitvoeringsbepalingen wilden verzekeren dat de daarin vastgelegde procedure een waarborg zou bieden voor de naleving van artikel 45 van het Ambtenarenstatuut en in het bijzonder van de eis dat bevordering alleen plaats vindt „na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken”. Ik moet echter bekennen er niet zo zeker van te zijn van deze bepalingen in andere opzichten verenigbaar zijn met het Statuut. Artikel 45 moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 4, 27 en 29 van het Statuut. Het komt mij voor dat deze artikelen tezamen een procedure voorschrijven voor de vervulling van vacatures door bevordering of aanstelling op andere wijze van degenen die daarvoor het meest bekwaam zijn. Een massale jaarlijkse selectie van voor bevordering in aanmerking komende personen, los van de eisen van enige specifieke functie, lijkt het mij niet in overeenstemming met deze procedure. De Commissie heeft nadrukkelijk betoogd dat het tot aanstelling bevoegde gezag, dat ingevolge artikel 9 van de Uitvoeringsbepalingen zijn eigen lijst opstelt, in zijn keuze niet is beperkt tot de ambtenaren wier namen voorkomen op de door de comités opgestelde ontwerp-lijsten. Maar heeft het zijn lijst eenmaal vastgesteld, dan mag het ingevolge artikel 10 gedurende het jaar waarvoor de lijst geldt, niemand bevorderen wiens naam daarop niet voorkomt. Wat gebeurt er nu als er een bepaalde post moet worden bezet en er op de lijst geen ambtenaar voorkomt die de voor die functie vereiste bekwaamheden bezit, terwijl er bij het personeel een ambtenaar is wiens naam niet op de lijst voorkomt, doch wiens bekwaamheden zodanig zijn, dat hij de aangewezen persoon is om tot die post te worden bevorderd? Moet het tot aanstelling bevoegde gezag, in weerwil van het Statuut, van zijn bevordering afzien en voor de vervulling van de vacature een vergelijkend onderzoek organiseren? De vraag of de Uitvoeringsbepalingen verenigbaar zijn met het Statuut, is echter in deze zaak niet opgeworpen en het zou onjuist zijn als ik mij hierover zou uitspreken. Voor de onderhavige zaak zal ik er daarom van uitgaan dat deze bepalingen in alle opzichten geldig zijn.
Ten aanzien van A 5-ambtenaren van de wetenschappelijke en technische dienst van het GCO werden de Uitvoeringsbepalingen in 1976 als volgt toegepast.
Om te beginnen publiceerde de Commissie op 8 maart 1976 lijsten van alle ambtenaren in dienst van het GCO, die werden bezoldigd uit kredieten voor onderzoek en die dat jaar voor promotie in aanmerking kwamen (bijlage 2 bij het verweerschrift — de daarop voorkomende datum 8. 3. 1974 is een zetfout), waarvan er één betrekking had op de in aanmerking komende A 5-ambtenaren; op deze lijst stonden 209 namen, waaronder die van verzoeker. Dit betekende uiteraard niet meer dan dat verzoeker en de 208 anderen op 31 december 1976 de minimumdiensttijd van twee jaar in de rang A 5 zouden hebben vervuld. In werkelijkheid had verzoeker al een anciënniteit van meer dan tien jaar in die rang.
Na de publikatie van deze lijsten volgde wat de Commissie heeft omschreven als voorbereidende selectieprocedures, waaraan instanties te pas kwamen met de merkwaardige namen „- 1 instantie” en „0 instanties”, de eerste op directoraats niveau en de tweede — als ik het goed heb begrepen — op instituutsniveau. Volgens de Commissie gaat het hierbij om extra-statutaire procedures, maar de Commissie heeft ons niet verteld of en zo ja, welk verband er bestaat tussen deze procedures en de voorbereiding van de, in artikel 5 van de Uitvoeringsbepalingen genoemde, „gemotiveerde voorstellen” van de chefs van de betrokken ambtenaren. Ik hoef echter niet verder op deze vraag in te gaan, nu verzoeker niet heeft gesteld dat deze procedures in enig opzicht onwettig waren.
De vereiste „gemotiveerde voorstellen” schijnen echter inderdaad te zijn opgesteld. Op 13 april 1976 kreeg verzoeker op het kantoor van zijn afdelingshoofd, de heer Hannaert, een lijst te zien met namen van vier A 5-ambtenaren van die afdeling, die voor bevordering zouden worden voorgedragen. Bijlage 2 a bij het verzoekschrift is een afschrift van deze lijst in, naar het lijkt, verzoekers handschrift. Op dat afschrift is verzoekers eigen naam doorstreept, met in de kantlijn de aantekening „Decisione della D.G.”.
Het comité in eerste aanleg voor het GCO kwam op 26 oktober 1976 te Ispra bijeen om de bevorderingen naar rang A 4 te bespreken. Ontwerp-notulen — maar geen goedgekeurde notulen — van deze vergadering zijn aan het Hof overgelegd (bijlage 3 bij het verweerschrift). Deze ontwerp-notulen vermelden onder meer dat de heer Villani, als directeur-generaal van het GCO, de vergadering voorzat; dat het comité beschikte over een gevoegde lijst van de bevorderingsvoorstellen van de verschillende instituten van het GCO, met de bijbehorende motivatie; en dat Villani de vergadering opende met te zeggen dat het haar taak was te beraadslagen over de resultaten van de, in elk instituut gehouden, vergaderingen van de „0 instanties”. De ontwerp-notulen vermelden dat Villani vervolgens meedeelde dat het GCO volgens de begroting slechts de beschikking had over 25 promotieplaatsen in de rang A 4 voor de wetenschappelijke en technische dienst, en de vergadering eraan herinnerde dat zij een lijst van geschikte kandidaten moest opstellen, die het te verwachten aantal beschikbare plaatsen met ongeveer 50 % zou overtreffen. Vervolgens stelden personeelsvertegenwoordigers Villani vragen over een benoeming in de rang A 4 van iemand van buiten de instelling, over een bevordering die niet overeenkomstig de Uitvoeringsbepalingen had plaatsgevonden, en over wat er stond te gebeuren met een bepaalde ambtenaar, Lubek genaamd.
Nadat Villani en een vertegenwoordiger van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer hun verontschuldigingen hadden aangeboden voor de twee eerstgenoemde voorvallen en beterschap hadden beloofd, schijnt de rest van de vergadering gewijd te zijn geweest aan de behandeling van het geval Lubek.
De ontwerp-notulen vermelden vervolgens dat „toutes les propositions ayant été examinées avec soin par les membres du Comité, ceux-ci décident de retenir sur la liste d'aptitude pour une promotion vers le grade A 4, le nom des fonctionnaires suivants”.
Hierna volgt onder het kopje „1re priorité”, een alfabetisch gerangschikte lijst van 28 ambtenaren, waaronder Lubek, en vervolgens, onder het kopje „2e priorité”, een lijst met acht ambtenaren, niet in alfabetische volgorde. Op geen van beide lijsten komt de naam van verzoeker voor.
De ontwerp-notulen vermelden niet dat aandacht zou zijn besteed aan een vergelijking van de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, of aan de over hen uitgebrachte rapporten.
In haar dupliek heeft de Commissie echter verklaard dat, hoewel de ontwerpnotulen daarvan geen gewag maken, het comité in eerste aanleg tijdens haar bijeenkomst beschikte over:
„—
la liste de tous les promouvables
—
les dossiers programmés indiquant la carrière compléte de chacun des promouvables
—
des tableaux indiquant pour chaque promouvable l'état actuel de sa carrière relatif à son grade et son âge
—
les rapports de notation 1971/73 et 1973/75 (sous réserve de leur caractère définitif)
—
des tableaux statistiques concernant les possibilités budgétaires par grade, Division, département, etc.”
„En plus”, voegde de Commissie hieraan toe, „et sur demande d'un membre du comité, un commis a assuré la présence du dossier personnel chaque fois qu'il a paru nécessaire d'y recourir” (dupliek blz. 13).
Op 3 november 1976 zond de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie aan de leden van het comité in tweede aanleg een nota met een ontwerp-lijst waarop de 28 namen van de eerste lijst van het comité in eerste aanleg en de eerste vijf namen van de tweede lijst voorkwamen. In zijn nota stelde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer voor de ontwerp-lijst goed te keuren „by the written procedure”, en hij verklaarde dat hij de lijst, behoudens bezwaren, goedgekeurd zou achten op de avond van 9 november 1976 (bijlage 4 bij het verweerschrift). Er schijnen geen bezwaren te zijn gemaakt en de door de directeur-generaal voorgestelde lijst werd aldus goedgekeurd.
Op 19 november 1976 stelde Villani in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, de lijst vast waarover het onderhavige geschil loopt, dat wil zeggen de lijst van ambtenaren van de wetenschappelijke en technische dienst, die het meest verdienstelijk waren bevonden voor bevordering tot de rang A 4 (bijlage 5 bij het verweerschrift). Deze lijst was identiek aan de eerste lijst van het comité in eerste aanleg. Na kennelijk nog eens over de zaak te hebben nagedacht, voegde Villani op 15 december 1976 de naam toe van de ambtenaar die als eerste op de tweede lijst van het comité in eerste aanleg was geplaatst; uiteindelijk telde de lijst dus 29 namen. Het vaststellingsbesluit van Villani begint met de volgende considerans:
„Le directeur général du centre commun de recherche
Considérant qu'il a eu la possibilité de consulter les dossiers individuels et d'examiner notamment les rapports de notation de tous les fonctionnaires susceptibles d'être promus;
Considérant qu'il a procédé à l'examen de la liste du Comité de première instance, de la procédure écrite du Comité de deuxième instance en date du 3 novembre 1976, des comptes-rendus des réunions de ces Comités, ainsi que des propositions de promotion établies par les supérieurs hiérarchiques compétents ;
Considérant qu'il a procédé à l'examen comparatif des mérites des fonctionnaires CCR de grade A 5 jugés les plus méritants pour obtenir une promotion vers le grade A 4 (cadre scientifique et technique)”.
Ik moet bekennen er niet helemaal van overtuigd te zijn dat bij de procedure die tot vaststelling van die lijst heeft geleid, aan alle vereisten van het Ambtenarenstatuut en de Uitvoeringsbepalingen is voldaan. Maar zonder nader getuigenverhoor, met name van Villani, valt dit niet met zekerheid vast te stellen.
In het inleidend verzoekschrift doet verzoeker zijn zaak mijns inziens in wezen steunen op twee gronden, te weten (1) het ontbreken van recent bijgewerkte rapporten over hem en (2) discriminatie ten gevolge van het feit dat enkele van zijn superieuren en collega's hem vijandig gezind waren. Als ik het goed begrijp, zou het Hof enkel deze twee gronden moeten onderzoeken.
Wat de eerste grond betreft, vestigt verzoeker de aandacht op twee gebeurtenissen van vóór 1976, waaruit zou blijken dat degenen die de rapporten over hem moesten opstellen en zijn persoonsdossier moesten bijhouden, in hun taak tekort zijn geschoten. Het eerste voorval betrof zijn rapporten over de perioden 1969-1971 en 1971-1973, die pas zijn opgesteld nadat hij een procedure bij dit Hof aanhangig had gemaakt om hun produktie af te dwingen (zaak 102/74). Beide rapporten werden ten slotte getekend op 22 juni 1975, waarop verzoeker zijn vordering introk. Het tweede voorval bestond hierin, dat tot april 1975 een weinig vleiend rapport over een andere ambtenaar met een bijna gelijkluidende naam in zijn persoonsdossier was opgeborgen en eerst na een formele klacht van verzoeker daaruit was verwijderd.
Afgezien van deze gebeurtenissen van vóór 1976, spelen er nog twee punten met betrekking tot de rapporten.
In de eerste plaats beweert verzoeker dat, toen hij op 19 november 1976 zijn persoonsdossier inkeek, dit geen enkel rapport over hem bevatte. De Commissie heeft ten deze gezegd dat het uiteraard praktisch onmogelijk is om te bewijzen dat een bepaald document op een bepaalde datum in het verleden in een dossier aanwezig was, maar dat verzoekers bewering weinig aannemelijk lijkt. Hiermee ben ik het eens. Verzoekers persoonsdossier bevat rapporten over hem die teruggaan tot 1966, en het valt moeilijk aan te nemen dat geen ervan in november 1976 aanwezig was. In zijn, aan deze procedure voorafgaande, administratieve klacht' heeft verzoeker trouwens enkel beweerd dat het rapport over de periode 1973-1975 ontbrak toen hij zijn dossier op 19 november 1976 inzag (zie bijlage 2 bij het verzoekschrift). Hoe dit ook zij, zoals de Commissie heeft opgemerkt komt het thans vooral aan op de vraag over welke rapporten de comités in eerste en tweede aanleg en het tot aanstelling bevoegde gezag konden beschikken, en niet welke rapporten zich in het persoonsdossier van de betrokken ambtenaar bevonden.
Ik kom nu toe aan het tweede punt, dat betrekking heeft op het rapport over verzoeker voor de periode 1973-1975, nauwkeuriger gezegd de periode 1 juli 1973-30 juni 1975.
Een eerste versie hiervan werd op 10 mei 1976 opgesteld door de heer Bishop, hoofd van de afdeling waartoe verzoeker behoorde, in overleg met de heer Hannaert (bijlage 1 bij de repliek). Op 25 mei 1976 gaf verzoeker zijn commentaar hierop (bijlage 1 bij de repliek), dat in hoofdzaak drie grieven bevatte. In de eerste plaats wees hij erop dat, hoewel zijn gedrag in de dienst werd beoordeeld als „hoger dan normaal”, een nadere toelichting op deze waardering ontbrak, in strijd met het bepaalde in de „Gids voor de beoordeling” van de Commissie. In de tweede plaats beklaagde hij zich over het feit dat zijn prestaties slechts normaal waren bevonden, terwijl ze in eerdere rapporten als „hoger dan normaal” waren beoordeeld en zijn produktie op zijn minst gelijk was gebleven, indien zij al niet was toegenomen. Ten derde protesteerde hij tegen de „algemene beoordeling” die Bishop van hem had gegeven en die luidde als volgt:
„Eprouve des difficultés à s'insérer dans le groupe actuel. Il serait peut-être plus utile de placer cet agent dans un entourage connaissant très bien sa specialité afin qu'il puisse s'épanouir.”
In verband met hetgeen ik verderop zal hebben te bespreken, kan het van belang zijn reeds hier op te merken dat verzoeker in zijn commentaar, zacht uitgedrukt, scherpe kritiek oefende op Bishop, zijn competentie en objectiviteit in twijfel trok en hem opzettelijk provocerend noemde.
Ten slotte herzag Bishop wederom in overleg met Hannaert het rapport in juni 1976 (zie bijlage 3 bij de repliek). Hij voorzag het van een toelichting waarin hij de beoordeling van verzoekers gedrag in dienst als „hoger dan normaal” rechtvaardigde. Deze toelichting luidde gezien het voorafgaande merkwaardigerwijs: „Très bon comportement vis-à-vis de ses collègues et de ses supérieurs”. Bishop veranderde ook de „algemene beoordeling” in: „Bon ingénieur. A publié quelques rapports dans le domaine de ses recherches en collaboration avec d'autres auteurs”. Maar de beoordeling van verzoekers prestaties veranderde hij niet. Daar verzoeker hiermee niet tevreden was, verzocht hij op 24 juni 1976 het eerste rapport voor te leggen aan het beoordelingscomité. Hannaert antwoordde hierop dat alleen de tweede versie als geldig moest worden beschouwd (bijlage 4 bij de repliek). Op 7 juli 1976 stuurde verzoeker een memorandum aan de heer Dinkespiler, directeur van het instituut te Ispra en tevens de in casu bevoegde „beoordelaar in beroep”; hij bestreed daarin dat een rapport anders dan via de in de „Gids voor de beoordeling” voorziene beroepsprocedure kon worden gewijzigd, stelde met nadruk dat het toekennen van een lagere waardering voor zijn prestaties een uiting was van discriminatie jegens hem, en verklaarde dat hij een dergelijke discriminatie met alle beschikbare middelen zou bestrijden (bijlage 4 a bij de repliek). Wat daarna gebeurd is, is onduidelijk, behalve dan dat verzoeker ons heeft meegedeeld dat hem toen hij naar de stand van zaken informeerde, was gezegd dat beide versies van het rapport waren zoekgeraakt. Op 1 december 1976 evenwel zond Bishop vier exemplaren van de tweede versie van het rapport aan verzoeker met een begeleidend schrijven waarin hij hem verzocht deze te tekenen, en hem meedeelde dat het hem uiteraard vrij stond te verlangen dat het rapport en zijn eventuele opmerkingen aan de beoordelaar in beroep zouden worden voorgelegd (bijlage 5 en 6 bij de repliek). Bij brief van 20 december 1976, deelde Dinkespiler, onder verwijzing naar verzoekers opmerkingen van 24 juni 1978, hem mee dat hij (Dinkespiler) had besloten het rapport niet te wijzigen, en hij wees verzoeker op zijn recht om in beroep te gaan bij het beoordelingscomité (bijlage 7 bij de repliek). Op 22 december 1976 stelde verzoeker een zodanig beroep in. Ter terechtzitting hebben wij gehoord dat het beoordelingscomité pas in februari 1978 tot een beslissing kwam, waarbij dan nog slechts werd besloten te vragen waarom verzoekers prestaties lager waren beoordeeld.
Verzoeker heeft opgemerkt dat hoewel er in de tijd dat de lijsten van de comités in eerste en tweede aanleg en van Villani werden opgesteld, een beroep liep over zijn rapport voor de periode 1973-1975, dit rapport niettemin aan die comités en aan Villani ter beschikking had moeten worden gesteld, met de aantekening dat een beroep aanhangig was. Daartegenover stelt de Commissie dat een rapport waarover beroep loopt, niet voor enig doel kan worden gebruikt, en ik meen dat de Commissie hier volkomen gelijk heeft.
Het blijft echter een feit dat er, zoals de Commissie heeft toegegeven, onnodige vertraging is geweest, allereerst doordat verzoekers rapport over de periode eindigend op 30 juni 1975 pas in mei 1976 is opgesteld, en ten tweede doordat zijn klachten van juni 1976 pas in december van dat jaar zijn behandeld. In zaak 29/74 (De Dapper, Jurispr. 1975, blz. 35) vernietigde het Hof benoemingsbesluiten voor bepaalde posten, op grond dat het tot aanstelling bevoegde gezag, vanwege gelijksoortige vertragingen, slechts over recente rapporten van sommige, maar niet van alle kandidaten had beschikt. De vraag is nu of dezelfde regel ook moet worden toegepast wanneer het niet gaat om een feitelijke bevordering, maar om een lijst zoals door Villani op 19 november 1976 is opgesteld.
Na enige aarzeling ben ik tot de conclusie gekomen dat het niet juist zou zijn een zo ruime uitlegging aan die regel te geven. Wij weten niet hoeveel bevorderingen er op basis van die lijst hebben plaatsgevonden; maximaal kunnen het er 29 zijn geweest. Evenmin weten wij welke eisen werden gesteld voor de posten waartoe de op de lijst geplaatste ambtenaren zijn bevorderd; wij weten dus niet of en zo ja, hoeveel functies er waren waarvoor verzoeker de bekwaamheden zou hebben bezeten. Aangenomen dat de geldigheid van de lijst voorwaarde is voor de geldigheid van die bevorderingen, zou nietigverklaring van die lijst derhalve kunnen leiden tot een onbillijkheid ten aanzien van de ambtenaren wier namen daarop voorkwamen, die alles bijeen genomen in geen verhouding zou staan tot het onrecht dat verzoeker is aangedaan. Het enige wat een ambtenaar wiens rapport met onnodige vertraging tot stand is gekomen, in een geval als het onderhavige kan doen, is mijns inziens een vordering tot schadevergoeding instellen, zoals net geval was in zaak 61/76 (Geist, Jurispr. 1977, blz. 1419). Verzoeker heeft echter geen schadevergoeding gevorderd.
Komen wij thans tot de tweede stelling die verzoeker aan vordering A ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat hij het slachtoffer zou zijn van discriminatie.
Als ik het goed heb begrepen, komt verzoekers betoog erop neer dat het weglaten van zijn naam van alle lijsten van ambtenaren die verdienstelijk werden bevonden voor bevordering, gezien zijn diensttijd en leeftijd alleen maar verklaarbaar is als men aanneemt dat men hem discrimineerde. Verzoeker suggereerde dat bewijzen van die discriminatie zouden zijn te vinden in een bepaald memorandum van Bishop en hij verzocht het Hof de Commissie te gelasten dit memorandum over te leggen. De reden van die discriminatie, zo suggereerde verzoeker voorts, zou rancune zijn, deels vanwege de procedure die hij had aangespannen en de klachten die hij had gehad over zijn rapporten, en deels vanwege conflicten die hij had gehad met een zekere Bresesti, coördinator van de groep onderzoekers waarvan verzoeker deel uitmaakte.
De Commissie verklaarde dat het betrokken memorandum door Bishop aan de Administratie en Personeelsafdeling te Ispra was geschreven nadat verzoeker, op 8 december 1976, de administratieve klacht had ingediend die aan deze procedure vooraf is gegaan, teneinde de Commissie te helpen bij het opstellen van een antwoord op die klacht. De Commissie maakte bezwaar tegen overlegging van dat memorandum, onder meer op grond van het vertrouwelijke karakter daarvan. Het Hof heeft geen overlegging gelast en ik kan dit punt dus verder laten rusten.
De overige door verzoeker naar voren gebrachte punten zijn mijns inziens bij lange na niet toereikend voor het bewijs van een geval van discriminatie. Ik denk niet dat het zinvol of nuttig is iets te zeggen over de gegevens waarover wij beschikken met betrekking tot de moeizame verhouding van verzoeker met zijn collega's en superieuren. Ook is het niet aan het Hof om te trachten een oordeel te geven over de verdiensten van verzoeker in vergelijking met die van de andere ambtenaren van zijn rang en anciënniteit die in 1976 in aanmerking kwamen voor promotie.
Resumerend concludeer ik dat vordering A moet worden afgewezen.
Vordering B
De voor deze vordering essentiële feiten zijn in grote lijnen de volgende.
Vanaf 1974 was verzoeker werkzaam geweest op de onderafdeling chemie van het natuurwetenschappelijk departement te Ispra, waar hij zich bezig hield met een onderzoekprogramma inzake beheer van radio-actief afval.
Op 13 september 1976 liet de heer Bresesti een memorandum rondgaan met een overzicht van de werkzaamheden die op genoemd gebied te Ispra werden en zouden worden verricht (bijlage 8 bij het verzoekschrift). Dit memorandum was in zo uitermate technische taal gesteld, dat niemand ook maar heeft getracht ons de strekking ervan te verduidelijken. Het bevatte een alinea die luidde als volgt:
„Teneinde het weinige beschikbare personeel doeltreffender te kunnen inzetten, hebben de directeuren van de drie afdelingen en van het directoraat projecten besloten de heer Schneider over te plaatsen naar de groep van de heer Volta en de heer Ditterich naar de groep van de heer Larisse. De groep van de heer Larisse zal de groep van de heer Volta een specifiek wiskundige ondersteuning verlenen.”
In zijn administratieve klacht van 8 december 1976 die aan dit geding voorafging, suggereerde verzoeker onder verwijzing naar dit memorandum dat dit een duidelijke voorbode was van de poging om „zijn zaak” op te lossen door hem naar een andere afdeling over te plaatsen. Hij voegde hieraan toe dat hij, daar hij geen goede gronden voor een dergelijke overplaatsing zag en op die datum ook nog geen formeel overplaatsingsbesluit had ontvangen, de personeelsafdeling om inlichtingen had verzocht, doch zonder succes (bijlage 2 bij het verzoekschrift).
Op 20 januari 1977 nam de heer Niemeyer, directeur algemeen beheer te Ispra, een formeel besluit waarbij verzoeker werd overgeplaatst naar de afdeling computers, wiskunde en systeem-analyse (zie bijlage 4 a bij het verzoekschrift). Dit besluit werd op 11 februari 1977 aan verzoeker meegedeeld.
Op 1 maart 1977 schreef verzoeker een memorandum aan Niemeyer, waarin hij zich over het besluit beklaagde en zei dat hij, gezien het nauwe verband tussen dit besluit en het onderwerp van zijn eerdere klacht, zou trachten de hele zaak via de procedure van artikel 90 van het Statuut tot klaarheid te doen brengen, tenzij er een voor hem aanvaardbare oplossing zou worden gevonden (bijlage 4 b bij het verzoekschrift). Op 23 maart 1977 stuurde verzoeker een afschrift van dit memorandum aan de secretaris-generaal van de Commissie met de opmerking dat dit een aanvulling („Ergänzung”) was op zijn klacht (bijlage 4 c bij het verzoekschrift).
Bij memorandum van 27 juni 1977 antwoordde Niemeyer verzoeker als volgt:
„U hebt om uitleg gevraagd ter zake van de redenen van Uw recente overplaatsing.
Ik acht het in deze context van belang U de volgende drie feiten in herinnering te brengen:
1.
Bij de voorbereiding van de uitvoering van het programma voor 1977-1980 heeft het directoraat zich vorig jaar aanzienlijke moeite getroost om de werkterreinen van de drie wetenschappelijke departementen, alsmede hun onderverdeling in afdelingen en secties vast te leggen.
2.
Om mensen met dezelfde wetenschappelijke specialisatie in dezelfde eenheden samen te brengen, heeft in de afgelopen 12 maanden een groot aantal overplaatsingen plaatsgevonden.
3.
Door Uw publikaties en ook anderszins heeft U duidelijk blijk gegeven van Uw belangstelling voor en deskundigheid op het gebied van systeem-analyse en wiskundige methodes. Het is daarom vrij logisch dat U tot de afdeling behoort die voor deze gebieden verantwoordelijk is”.
(bijlage 10 bij de repliek).
Op 5 juli 1977 maakte verzoeker het onderhavige geding aanhangig. Zoals ik al in het begin heb gezegd is vordering B een vordering tot nietigverklaring van het besluit van 20 januari 1977. Zij lijkt op drie gronden te zijn gebaseerd, te weten:
(1)
dat het besluit niet op de juiste wijze aan verzoeker is meegedeeld (daar het hem door de secretaresse van de heer Hannaert is overhandigd);
(2)
dat het onvoldoende met redenen is omkleed;
(3)
dat het in strijd is met het dienstbelang en in werkelijkheid is genomen vanwege zijn strubbelingen met Bresesti.
De Commissie stelt dat vordering B niet ontvankelijk is daar verzoekers formele klacht tegen het besluit eerst op 23 maart 1977 is ingediend; de termijn van 4 maanden, genoemd in artikel 90, lid 2, was dus nog niet verstreken toen het geding aanhangig werd gemaakt.
Verzoeker heeft niet gesteld dat het memorandum van 27 juni 1977 van Niemeyer beschouwd zou kunnen worden als een namens het tot aanstelling bevoegde gezag gegeven antwoord op zijn klacht. Wel heeft hij betoogd dat de klacht qua vorm en onderwerp zo nauw bij de eerdere klacht aansloot, dat zij als niet meer dan een aanvulling daarop moest worden beschouwd.
Mijnerzijds acht ik het niet noodzakelijk om mij uit te spreken over de vraag of vordering B ontvankelijk is, daar ik tot de conclusie ben gekomen dat ook deze op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen.
De eerste grond waarop zij is gebaseerd, berust duidelijk op een misvatting. Artikel 25 van het Statuut, waarnaar verzoeker verwijst, bepaalt dat een besluit dat ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, „schriftelijk” te zijner kennis dient te worden gebracht. Niet vereist is echter dat het document dat het besluit bevat, vergezeld gaat van een begeleidend schrijven.
Ten aanzien van de tweede grond: wat rechtens is met betrekking tot de motiveringsplicht van overplaatsingsbesluiten, valt af te leiden uit 's Hofs arresten in de zaken 18 en 35/65 (Gutmann, Jurispr. 1966, blz. 151), 35/72 (Kley, Jurispr. 1973, met name blz. 688-689) en de reeds genoemde zaak Geist. Waardevolle aanwijzingen zijn mijns inziens ook te vinden in Beginsel IV van de Beginselen die gehecht zijn aan de „Resolution on the Protection of the Individual in relation to the Acts of Administrative Authorities”, aangenomen door het comité van ministers van de Raad van Europa op 28 september 1977, en het commentaar daarop in de memorie van toelichting bij deze resolutie.
Het ten deze geldende recht kan mijns inziens worden samengevat als volgt. Er bestaat geen algemene regel dat besluiten om een ambtenaar over te plaatsen, moeten worden gemotiveerd. Dit laatste is slechts het geval wanneer het besluit tegen de wensen van de ambtenaar ingaat, want slechts dan is het een „voor hem nadelig” besluit in de zin van artikel 25 van het Statuut. Maar ook wanneer motivering vereist is, behoeft deze niet noodzakelijkerwijs in het besluit zelf te staan. Over het algemeen zal dit besluit worden voorafgegaan door mededelingen aan en gesprekken met de betrokken ambtenaar, zodat hij de motieven al zal kennen. Indien dat op zijn plaats is, met name om een ambtenaar in staat te stellen zijn recht uit te oefenen het besluit aan te vechten, dient hem de motivering ervan zo hij daarom vraagt, binnen een redelijke termijn op schrift te worden gegeven.
In het onderhavige geval had verzoeker het memorandum van Bresesti van 13 september 1976 ontvangen. Het stond hem vrij het daarin vervatte voorstel met zijn superieuren te bespreken als hij het er niet mee eens was. Hij schijnt zich echter te hebben beperkt tot het inwinnen van inlichtingen bij de personeelsafdeling. (Alinea 41, van het verzoekschrift wekte de indruk dat hij gesprekken met zijn superieuren had gevoerd, maar in alinea 119 van de repliek werd de verklaring uit het verzoekschrift zo omschreven, dat zij slechts betrekking leek te hebben op het onderhoud waarbij hij voor het eerst hoorde van het memorandum van Bishop. Dit gesprek vond plaats op 15 februari 1977 — zie het memorandum van verzoeker van 1 maart 1977). Hoe dit ook zij, toen verzoeker nadat hem het besluit was meegedeeld, naar de redenen daarvan had gevraagd, is hem de verlangde informatie verstrekt in Niemeyers memorandum van 27 juni 1977.
Wat voor mij de kern van verzoekers betoog vormt, is zijn stelling dat de door Niemeyer opgegeven redenen niet de ware zijn. De vraag of dit juist of niet, hangt samen met de vragen die rijzen in verband met de derde grond die verzoeker aan zijn vordering B ten grondslag heeft gelegd.
Uit de opmerkingen van Bishop in de eerste versie van verzoekers rapport over 1973-1975 weten wij dat deze het wenselijk achtte dat verzoeker zou worden overgeplatst naar een ander team, in verband met de „moeilijkheden” die hij bij het functioneren binnen het huidige team ondervond. Maar afgezien daarvan is er niet het minste bewijs voor de stelling dat verzoekers conflicten met Bresesti de ware reden voor zijn overplaatsing waren geweest. Het tegenovergestelde lijkt aannemelijker. Nadat van repliek was gediend,' legde verzoeker een memorandum van 13 januari 1978 over van zijn nieuwe afdelingshoofd, de heer Slesser, aan Bresesti, dat betrekking had op verzoekers werkprogramma. Dit laat vermoeden dat Bresesti ook na de overplaatsing nog steeds met het werk van verzoeker te maken had.
Uit de memories leek het alsof verzoekers wezenlijke klacht was dat zijn overplaatsing het einde zou betekenen van een waardevol research-programma waar hij aan had gewerkt. Ter terechtzitting verklaarde hij echter ronduit dat dat in werkelijkheid niet het geval was. Hoe dit ook zij, het is, zoals de Commissie heeft opgemerkt, noch aan de individuele technisch-wetenschappelijke ambtenaar noch aan dit Hof om uit te maken welke research-programma's als dan niet door het GCO moeten worden uitgevoerd.
Conclusie
Resumerend concludeer ik tot verwerping van het beroep met compensatie van kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy