CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 19 JANUARI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Voor het voorwerp van de prejudiciële procedure waarin ik thans heb te concluderen, kan ik verwijzen naar mijn conclusie in zaak 61/77, die op dezelfde problematiek betrekking had.
Op 16 februari 1977 stelde de Ierse minister van Visserij krachtens artikel 35 van de „Fisheries (Amendment) Act 1962” twee verordeningen vast, die op 10 april 1977 in werking traden. Ingevolge deze verordeningen was de visserij in een bepaald gedeelte van de Ierse wateren, waarvan de grenzen met lengteen breedtegraden waren aangeduid, slechts toegestaan aan schepen onder een bepaalde lengte en een bepaald motorvermogen.
Eind april 1977 visten tien Nederlandse schepen, die groter en sterker waren dan volgens de Ierse verordeningen was toegestaan, in strijd met de bepalingen op een afstand van 25-28 mijl van de Ierse kust. Een van die schepen werd daarom aangehouen en opgebracht naar de Ierse havenstad Cork; daarop voeren ook de andere negen schepen naar Cork.
Daar werd op 2 mei 1977 een strafvervolging tegen de schippers' van de schepen ingeleid, zulks op grond van de eerdergenoemde „Fisheries (Amendment) Act” en van de „Irish Fisheries Consolidation Act 1959”, waarbij het vreemde schepen verboden is te vissen in exclusieve Ierse wateren, dat wil zeggen sedert 1964 in de 12-mijlszone, en sedert december 1976, nadat de visserijzone door de regering was uitgebreid, in de 200-mijlszone.
De verdachten verdedigden zich door te stellen dat de twee eerder bedoelde Ierse verordeningen van 16 februari 1977 in strijd waren met het gemeenschapsrecht. In de eerste plaats zou Ierland ingevolge de artikelen 100 en 101 Toetredingsakte slechts binnen de 12-mijlszone de soevereiniteit bezitten; volgens de Toetredingsakte en verordening nr. 101/76 (PB 1976, L 20, blz. 19) zouden instandhoudingsmaatregelen buiten deze zone enkel door de Raad kunnen worden genomen. In de tweede plaats zouden de Ierse maatregelen tot een ongelijke behandeling van de vissersvloten van de verschillende Lid-Staten leiden, wat volgens artikel 2 van verordening nr. 101/76 verboden is.
Dit betoog werd door de vervolgende instantie verworpen. Haars inziens wordt noch door het Toetredingsverdrag en de daarbij behorende akten, noch door verordening nr. 101/76 Ierland de bevoegdheid ontzegd de litigieuze maatregelen te nemen. Evenmin zou er sprake zijn van discriminatie en in elk geval zou een eventueel verschillende uitwerking van de maatregelen op de vissersvloten van de Lid-Staten gerechtvaardigd kunnen worden.
Gelet op de aan het gemeenschapsrecht ontleende argumenten van de verdachten, heeft de bevoegde rechter bij beschikking van 7 juli 1977 het geding geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële beslissing gevraagd over de navolgende vragen :
a)
Staat het gemeenschapsrecht en inzonderheid artikel 7 EEG-Verdrag of artikel 2 van 's Raads verordening nr. 101/76, op zich of in samenhang met de artikelen 100 en 101 van de Toetredingsakte, eraan in de weg dat Ierland maatregelen neemt als vervat in de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” (S.I. nr. 38 1977) en/of de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) (Nr. 2) Order 1977” (S.I. nr. 39 1977)?
b)
Staat het gemeenschapsrecht en inzonderheid de artikelen 102 en 103 van de Toetredingsakte, op zich of in samenhang met artikel 4 van 's Raads verordening nr. 101/76, eraan in de weg dat Ierland maatregelen neemt als vervat in de „Sea-Fisheries (Conservation and Rational Exploitation) Order 1977” (S.I. nr. 38 1977) en/of de „Sea Fisheries (Conservation and Rational Exploitatin) (Nr. 2) Order 1977” (S.I. nr. 39 1977)?
c)
Zou een veroordeling van verweerders door dit Court terzake van de telastegelegde feiten, vermeld in bijlage II, onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht?
In mijn conclusie in zaak 61/77, betreffende het beroep dat wegens dezelfde maatregelen ex artikel 169 EEG-Verdrag tegen Ierland was ingesteld, ben ik ook ingegaan op argumenten die in de onderhavige zaak zijn aangevoerd. Met name wat deze argumenten betreft, moge ik naar genoemde conclusie verwijzen, zodat ik mij thans tot enkele korte opmerkingen kan beperken.
1.
Wat de tweede vraag van de Ierse rechter betreft, hebben wij gezien dat noch artikel 2 Toetredingsakte, noch artikel 4 van verordening nr. 101/76 in de weg staat aan nationale maatregelen tot instandhouding van de visbestanden. Ten deze behoeven wij slechts te verwijzen naar het arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer e.a., Jurisprudentie 1976, blz. 1279), bijlage VI van de resoluties van 's-Gravenhage van 3 november 1976 — in extenso geciteerd in conclusie 61/77 — en de considerans van verordening nr. 350/77 (PB 1977, L 48/28).
Overigens laten nationale maatregelen zich op deze grondslag alleen rechtvaardigen indien het echte instandhoudingsmaatregelen zijn die zich tot het allernoodzakelijkste beperken. In zaak 61/77 moesten wij vaststellen dat te dien aanzien ernstige twijfels zijn blijven bestaan. Een definitief oordeel kon evenwel achterwege blijven, omdat de Ierse maatregelen in andere opzichten met grotere stelligheid konden worden gekwalificeerd.
2.
Hiermee bedoel ik — en thans komen wij tot de eerste vraag van de Ierse rechter — de inbreuk op het discriminatieverbod dat met name in artikel 2 van verordening nr. 101/76 en in bijlage VI van de resoluties van 's-Gravenhage is neergelegd.
In zaak 61/77 is ten deze vastgesteld dat ook het discriminatieverbod van verordening nr. 101/76 niet slechts van toepassing is in de wateren die bij de inwerkingtreding der verordening onder de soevereiniteit van de Lid-Staten vielen, maar op alle wateren onder nationale jurisdictie, dus ook op de 200-mijlszone zoals deze overeenkomstig de resoluties van 's-Gravenhage is ingesteld.
Verder is geconstateerd dat de Ierse maatregelen in verschillende opzichten in strijd zijn met het discriminatieverbod. Terwijl namelijk de Ierse vloot die traditioneel in het betrokken gebied opereert, er nagenoeg geen hinder van ondervindt, worden de Franse en de Nederlandse vloot aanzienlijk in hun activiteit beperkt. Daarnaast treden discriminaties aan de dag wanneer men de uitwerking van de maatregelen op de vloten van de andere Lid-Staten — behalve Ierland — vergelijkt. Voor nadere bijzonderheden, met name wat de rechtvaardigingspogingen van de Ierse regering betreft, moge ik wederom naar mijn conclusie in zaak 61/77 verwijzen. Of nog op andere wijze inbreuk is gemaakt op genoemde verordening of op andere beginselen van gemeenschapsrecht, behoefde daarna niet meer te worden onderzocht.
3.
Omdat het discriminatieverbod van artikel 2 van verordening nr. 101/76 in een overeenkomstig artikel 189 van het Verdrag vastgestelde verordening is vervat, en duidelijk en zonder enig voorbehoud is geformuleerd, heeft het stellig rechtstreekse werking in de zin van de ten deze relevante rechtsspraak. Daaruit volgt — en hierover gaat de derde vraag van de Ierse rechter — dat ermee strijdige nationale bepalingen buiten toepassing dienen te blijven. Een veroordeling van onderdanen der Gemeenschap op grond van de Ierse maatregelen is dan ook stellig ongeoorloofd.
De vragen van het District Court te Cork kunnen mitsdien worden beantwoord als volgt:
a)
Het gemeenschapsrecht, en met name artikel 2 van verordening nr. 101/76, sluit nationale maatregelen uit die in de praktijk leiden tot ongelijke behandeling van de vissersvloten van de Lid-Staten en die hun geen gelijke toegang waarborgen tot de visgronden welke onder de soevereiniteit van de betrokken Lid-Staat vallen. Een nationale maatregel is met name onverenigbaar met het gebod van gelijke behandeling wanneer zij zonder dwingende biologische noodzaak de vissersvloten van andere Lid-Staten, die traditioneel in het onder de maatregel vallende zeegebied opereren, grotere beperkingen oplegt dan de eigen vloot.
b)
Het in artikel 2 van verordening nr. 101/76 vervatte gebod is een rechtstreeks werkend voorschrift van het gemeenschapsrecht. Nationale maatregelen die ermee in strijd zijn, kunnen geen toepassing vinden en mogen mitsdien ook niet de grondslag voor een strafrechtelijke veroordeling vormen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy