CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 27 APRIL 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in deze zaak komt in hoofdzaak op tegen het besluit van de Commissie hem aan het eind van zijn proeftijd te ontslaan.
Verzoeker is Dr. D. A. P. D'Auria, van Britse nationaliteit. Hij is geboren te Londen in 1946 en kreeg daar zijn schoolopleiding. In 1968 ging hij naar Trinity College te Dublin, waar hij eerst de graad van „B. A. History and Fine Arts” behaalde, en vervolgens medicijnen ging studeren en de graad van Doctor in de medicijnen behaalde. Toen in 1974 zijn aanstelling bij de Commissie werd overwogen, legde hij goede getuig schriften over van vooraanstaande artsen en chirurgen, bij wie hij werkzaam was geweest in ziekenhuizen te Dublin en Cork.
Het ging om de post van hoofd van het laboratorium van de medische dienst van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) te Ispra. Hij had een sollicitatiegesprek met Dr. C. Vigan, het hoofd van die medische dienst. Op diens aanbeveling kreeg D'Auria de aanstelling en trad hij op 15 november 1974 in dienst als tijdelijk functionaris bij de Commissie in de rang A 6.
In mei 1975 stelde Dr. Vigan overeenkomstig artikel 14 van de „Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen” een beoordelingsrapport over D'Auria op (zie bijlage 1 bij het verweerschrift). Het was gunstig, zij het met enig voorbehouden. Dr. Vigan achtte het „begripsvermogen, aanspassingsvermogen en beoordelingsvermogen” van D'Auria „zeer goed”, doch merkte daarbij op: „Een voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van zijn aanpassingsvermogen”. Voorts waardeerde Dr. Vigan het „initiatief” van D'Auria als „zeer goed”, echter met de aantekening dat het „uitstekend was, voorzover constructief en realistisch”. Voorts merkte Dr. Vigan op dat D'Auria met taalmoeilijkheden had te kampen. (Eerlijkheidshalve moet hierbij worden opgemerkt dat D'Auria in het curriculum vitae dat hij bij zijn sollicitatie aan de Commissie had overgelegd, slechts had opgegeven „naast Engels, mijn moedertaal, ben ik vertrouwd met Italiaans, de taal van mijn voorouders, en in mindere mate met Frans”. Voorzover uit de stukken blijkt, is Dr. Vigans moedertaal Frans, doch spreekt hij goed Engels en sprak hij met D'Auria doorgaans Engels). Dr. Vigan besloot zijn rapport met de volgende „algemene opmerkingen”:
„Goede medische basisopleiding, die echter aanvulling behoeft door praktische ervaring in onze laboratoria.
Hij moet trachten in de toekomst een erkende titel in zijn specialisatie te behalen.
Van hem wordt verwacht een betere aanpassing aan de opvattingen en gewoonten in de afdeling en een goede invoeging in de groep. Dit zou worden vergemakkelijkt door een spoedige verbetering van zijn talenkennis”.
Uit een veel later document, namelijk het rapport van het Medisch Comité waarnaar D'Auria's geval naderhand werd verwezen onder omstandigheden waarop ik nog zal terugkomen, blijkt dat Dr. Vigan gaarne had gezien dat D'Auria een cursus klinische biologie te Pavia zou volgen, hetgeen hem enerzijds in staat zou stellen de door Dr. Vigan wenselijk geachte specialisatietitel te behalen en anderzijds zijn Italiaans te verbeteren (zie bijlage 5 bij het verweerschrift). Hoewel men uit dat stuk de indruk krijgt dat Dr. Vigan meende zijn verlangen kenbaar te hebben gemaakt aan D'Auria, blijkt nergens dat dit bij D'Auria, om zo te zeggen, ook is overgekomen. In zijn opmerkingen in de bijlage bij het rapport ging D'Auria alleen — zij het vrij uitvoerig — in op de moeilijkheid om in het Verenigd Koninkrijk een specialisatietitel te verkrijgen, en leek het hem het beste te trachten een diploma te behalen aan de nieuwe „Faculty of Community Medicine of the Royal College of Physicians”.
Hoe dit ook zij, korte tijd later publiceerde de Commissie kennisgeving van vergelijkend onderzoek/aankondiging van intern vergelijkend onderzoek COM/476/75 voor D'Auria's post. Hij solliciteerde naar de post en nam met succes deel aan het (uitsluitend mondelinge) vergelijkende onderzoek (met 28 op 40 punten).
Vooruitlopend op de wijziging van D'Auria's ambtelijke positie van tijdelijk functionaris tot ambtenaar op proef als gevolg van het vergelijkend onderzoek, schreef Dr. Vigan hem op 29 januari 1976 een lange brief, waarin hij uitdrukking gaf aan zijn bezorgdheid over D'Auria's aanpassing aan zijn nieuwe werkkring (bijlage 3 bij de repliek).
Per 1 maart 1976 werd D'Auria aangesteld als ambtenaar op proef. Gezien het bepaalde in artikel 34, lid 1, van het Statuut, hield dit in dat zijn proeftijd zou eindigen op 30 november 1976.
Het lijkt mij dienstig artikel 34 hier te citeren; het luidt:
„1.
Met uitzondering van hen die tot de rangen A 1 en A 2 behoren, dienen alle ambtenaren, alvorens in vaste dienst te kunnen worden aangesteld, een proeftijd te volbrengen. Deze proeftijd duurt voor ambtenaren van categorie A, de groep voor de talendienst en categorie B 9 maanden en voor de overige ambtenaren 6 maanden.
2.
Uiterlijk een maand voor het verstrijken van de proeftijd wordt ten aanzien van de ambtenaar op proef een beoordeling opgesteld betreffende zijn geschiktheid voor het vervullen van de hem uit hoofde van zijn functie opgedragen taken, alsmede betreffende zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst. Deze beoordeling wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die schriftelijk zijn opmerkingen hierover kan maken. De ambtenaar op proef die zich niet voldoende geschikt heeft getoond om in vaste dienst te worden aangesteld, wordt ontslagen.
Ingeval van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef kan op elk moment van de proeftijd een beoordeling worden opgesteld. Deze beoordeling wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die schriftelijk zijn opmerkingen hierover kan maken. Op basis van deze beoordeling kan het tot aanstelling bevoegde gezag besluiten, de ambtenaar op proef vóór het einde van de proeftijd, met een opzeggingstermijn van een maand, te ontslaan. Daarbij mag de diensttijd de normale duur van de proeftijd niet overschrijden.
Tenzij hij zijn werkzaamheden bij de dienst waartoe hij oorspronkelijk behoorde, onverwijld kan hervatten, geniet de ontslagen ambtenaar op proef een vergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris wanneer hij tenminste zes maanden in dienst is geweest en één maand basissalaris wanneer hij minder dan zes maanden in dienst is geweest.
Het bepaalde in dit lid is niet van toepassing op de ambtenaar die vóór het verstrijken van zijn proeftijd zelf ontslag neemt”.
In mei 1976 belastte Dr. Vigan D'Auria met de leiding van een kleine groep die door het GCO te Ispra naar Friuli werd gezonden om mee te helpen aan de reddingswerkzaamheden na de aardbeving aldaar. Dit leidde tot een notawisseling tussen Dr. Vigan en D'Auria (bijlagen 5 en 7 bij de repliek), waarin Dr. Vigan aan D'Auria verweet zonder overleg met hem (Dr. Vigan) naar Ispra te zijn teruggekeerd, en D'Auria in krachtige bewoordingen antwoordde waarom hij dit had gedaan.
Dit was trouwens niet de enige notawisseling tussen Dr. Vigan en D'Auria: zie de bijlagen 6, 8, 9 en 10 bij de repliek. Ik moet U bekennen dat ik, na lezing en herlezing van deze stukken, verbaasd sta dat twee vakgenoten zich genoopt hebben gevoeld ze aan elkaar te schrijven. Het is echter niet nodig er verder op in te gaan. Ik ben het met de raadsman van D'Auria eens dat zij blijk geven van een toenemende „incompatibilité d'humeur” tussen Dr. Vigan en D'Auria, en ik ben het met de raadsman van de Commissie eens dat zij blijk geven van D'Auria's onvermogen zich aan te passen aan Dr. Vigans zienswijzen.
Toen Dr. Vigan ten slotte een beoordelingsrapport aan het eind van de proeftijd van D'Auria moest opmaken (bijlage 2 bij het verweerschrift), luidde dit ongunstig. Het lijkt mij niet nodig in te gaan op de details. Dr. Vigan stelde voor D'Auria aan het eind van zijn proeftijd te ontslaan. Hij ondertekende het rapport op 25 oktober 1976, na eerst met de directeur Personeelszaken van de Commissie, de heer Baxter, overleg te hebben gepleegd over de vorm. Op 19 november 1976 voegde D'Auria zijn opmerkingen aan het rapport toe. Deze opmerkingen behelsden een puntsgewijze forse kritiek op het rapport en eindigde met de conclusie dat „het rapport in ieder opzicht onjuist is en meer op persoonlijke gevoelens dan op een objectief oordeel berust.”
Intussen wendde D'Auria zich bij memorandum van 29 oktober 1976 tot de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van de Commissie, bij wie het op 8 november 1976 is binnengekomen, met een klacht ex artikel 90 Statuut over het rapport, en het verzoek het daarin gedane voorstel te wijzigen.
Op 19 november 1976 zond Dr. Vigan het rapport tezamen met D'Auria's opmerkingen naar het directoraat-generaal waar het op 26 november is binnengekomen.
Op 8 december 1976 had Dr. D'Auria in Brussel een gesprek met de heer Baxter. Op verzoek van het Hof hebben zij beiden van het gesprek een schriftelijk verslag opgesteld, dat bij de mondelinge behandeling door beiden werd voorgelicht. Het doel van dit gesprek was tweeërlei: ten eerste wilde de heer Baxter zich naar zijn zeggen „een beeld vormen” van de redenen die hadden geleid tot het conflict tussen D'Auria en Dr. Vigan, en vervolgens wilde hij nagaan of de mogelijkheid bestond een formeel ontslag van D'Auria te voorkommen.
Over het eerste punt is blijkbaar weinig gezegd. D'Auria zegt dat het gesprek op dit punt zeer kort was en de heer Baxter zei dat het slechts een bevestiging opleverde van de indruk die hij uit de stukken had gekregen, namelijk dat de opvattingen van D'Auria en Dr. Vigan over het beheer van de medische dienst te Ispra onverenigbaar waren.
Wat over het tweede punt werd gezegd, vatte de heer Baxter in een nog dezelfde dag geschreven nota aan d'Auria (bijlage 3 bij het verweerschrift) samen als volgt:
„Naar aanleiding van ons gesprek van hedenmorgen moet ik U bevestigen dat Uw dossier met het voorstel om de arbeidsverhouding met U te beëindigen thans ter beslissing zal worden doorgezonden aan de voorzitter van de Commissie.
Wanneer U echter uiterlijk op vrijdag 17 december schriftelijk verzoekt om ontslag per uiterlijk 1 april 1977, kunnen wij deze procedure ongedaan maken.
Voorts zal ik U, na ontvangst van Uw ontslagbrief, bij afzonderlijk schrijven mededelen dat alle — na het rapport van mei 1975 — door Dr. Vigan over U opgestelde beoordelingsrapporten worden ingetrokken en vernietigd. Dat wil zeggen dat in Uw persoonsdossier alleen het rapport van mei 1975, Uw ontslagbrief van december 1976 en de schriftelijke aanvaarding daarvan door de Commissie bewaard zullen blijven. Deze laatste brief zal de gebruikelijke dankbetuiging voor Uw diensten aan de Commissie bevatten. Vanzelfsprekend is een voorwaarde voor deze gang van zaken dat U gelijktijdig de door U aangekondigde klacht ex artikel 90 Statuut intrekt”.
D'Auria ging op deze suggestie niet in.
Op 14 december 1976 zond de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer een nota aan de voorzitter van de Commissie, als het tot aanstelling bevoegde gezag, waarin hij voorstelde D'Auria te ontslaan (bijlage 4 bij het verweerschrift). Op 20 december 1976 besloot de voorzitter D'Auria per 1 januari 1977 te ontslaan (bijlage bij het verzoekschrift).
Op 19 januari 1977 hernieuwde D'Auria in een brief aan de „Leden van de Commissie” de klacht die hij bij memorandum van 29 oktober 1976 bij de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer had ingediend (bijlage bij het verzoekschrift).
D'Auria's klacht werd — naar het schijnt door toedoen van vakbondszijde — ter fine van advies voorgelegd aan een informeel medisch comité, bestaande uit zeven artsen in dienst van de Commissie. Dit comité kwam twee keer bijeen. D'Auria werd beide keren uitgenodigd, doch verscheen niet. Op 18 maart 1977 bracht het comité een — voor D'Auria ongunstig — rapport uit (zie bijlag 5 bij het verweerschrift).
Op dezelfde dag diende D'Auria een nieuwe klacht ex artikel 90, lid 2, Statuut in, ditmaal tegen het besluit van de voorzitter van de Commissie de dato 20 december 1976 (bijlage bij het verzoekschrift).
Op geen van beide klachten ontving D'Auria binnen de in artikel 90, lid 2, voorgeschreven termijn van 4 maanden antwoord en op 1 augustus 1977 stelde hij het onderhavige beroep in. Op 30 augustus 1977 zond de Commissie hem een brief met een gemotiveerde afwijzing van zijn klachten (bijlage 6 bij het verweerschrift).
D'Auria's grieven vallen uiteen in twee delen: in de eerste plaats ter zake van de geldigheid van het beoordelingsrapport en in de tweede plaats ter zake van de geldigheid van het besluit hem te ontslaan.
Tegen de geldigheid van het beoordelingsrapport brengt D'Auria twee bezwaren in.
Ten eerste dat Dr. Vigan, een ambtenaar van de rang A 3, niet gemachtigd was het rapport te ondertekenen, doch dat dit had moeten worden getekend door een ambtenaar van de rang A 2.
Ik ben bang dat D'Auria hier in dwaling is gebracht door een opmerking mijnerzijds in de zaak 92/75, Van de Roy/Commissie (Jurispr. 1976, blz. 353): „Volgens de regeling van de Commissie ter uitvoering van het Ambtenarenstatuut moet een beoordeling van een ambtenaar van de categorie A of LA worden ondertekend door, de betrokken directeur”. „Dat had ik afgeleid uit het door de Commissie voorgeschreven formulier voor beoordelingsrapporten, met name voetnoot 2 op bladzijde 3 van het formulier, waar duidelijk staat dat „de directeur bevoegd is ten aanzien van de ambtenaren op proef van de categorie A en van de groep van de talendienst onderhavig verslag op te stellen”. Ik was er van uitgegaan — naar thans blijkt ten onrechte — dat er voldoende grond voor deze mededeling bestond. In de zaak Van de Roy ging de discussie niet zozeer om dit punt, zodat daarop niet verder werd ingegaan.
Hier is het echter van zeer veel belang.
Het staat vast dat het Statuut zelf niet bepaalt wie een beoordelingsrapport moet ondertekenen. Eveneens staat vast dat dienaangaande geen regeling krachtens artikel 110 van het Statuut is getroffen. Als ik het goed begrijp, betoogt D'Auria in hoofdzaak dat, nu zodanige regeling, ten onrechte, niet is getroffen, de Commissie is gebonden aan bovengenoemde voetnoot. Hij wijst in dit verband op het adagium „patere legem quam ipse fecisti”. Afgezien echter van het feit dat het wat ver gaat een voetnoot te vergelijken met een „lex”, meen ik dat de Commissie op grond van artikel 110 niet verplicht was een regeling terzake te treffen. Het stond de Commissie vrij dit naar bevind van zaken langs administratieve weg af te doen.
Dat deed de Commissie dan ook. Zij stelde een informele „Guide à l'intention des notateurs des fonctionnaires-stagiaires” op. Op verzoek van het Hof werd een copie hiervan overgelegd. Het is zo informeel dat het door geen hogere functionaris dan de heer Baxter zelf werd getekend en blijkbaar alleen in het Trans bestaat. Op blz. 4 staat onder het opschrift „II — Commentaires sur le formulaire de stage et sur le formulaire de stage et sur le notateur”:
„1. Qui est „notateur”
Aucune réglementation spécifique n'existe à ce jour en ce domaine. Il est recommandé à ce jour en ce domaine. Il est recommandé de s'inspirer dans toute la mesure du possible des directives, arrêtées pour la notation périodique, à savoir:
—
pour les fonctionnaires de la catégorie A et ceux relevant du cadre linguistique: par le directeur compétent (ou le conseiller principal).
—
pour les fonctionnaires des autres catégories . . .”
Hieruit blijkt duidelijk dat er geen vaste regel bestond. De Commissie deelde mede dat beoordelingsrapporten in feite gewoonlijk worden opgesteld door een ambtenaar van de rang A 2, doch dat zij bij bepaalde kleine afzonderlijke diensten die worden geleid door ambtenaren van de rang A 3, door dezen worden opgesteld, omdat zij als enigen de betrokken ambtenaren op proef feitelijk kennen. Een voorbeeld hiervan is de medische dienst te Ispra. Als ander voorbeeld werd de dienst vertaling op lange en middellange termijn te Luxemburg genoemd.
Hoe juist dit gebruik is, blijkt in het onderhavige geval. D'Auria stelt dat zijn beoordelingsrapport had moeten zijn getekend door de heer Baxter, omdat de medische dienst te Ispra administratief valt onder het directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer. De heer Baxter had D'Auria echter vóór hun gesprek op 8 december 1976 nog nooit ontmoet. Hoe had hij dan ooit een beoordeling over hem kunnen opstellen?
Ik meen dan ook dat D'Auria's eerste grief moet worden verworpen. Ik hoop echter dat de Commissie de voetnoot die aanleiding heeft gegeven tot zoveel misverstand zal wijzigen.
D'Auria's tweede bezwaar tegen de geldigheid van zijn beoordelingsrapport is dat het berust op materiële onjuistheden. Hij verdeelt deze in drie groepen.
De eerste betreft het punt dat D'Auria zonder uitdrukkelijke toestemming van Dr. Vigan uit Friuli terugkeerde naar Ispra. Dit punt wordt echter in het beoordelingsrapport niet genoemd, terwijl nergens uit blijkt dat Dr. Vigan D'Auria's verklaring niet heeft aanvaard.
In de tweede plaats zou Dr. Vigan in dwaling verkeren omtrent de omvang en verscheidenheid van D'Auria's research werkzaamheden. Voor deze bewering wordt echter niet het nodige bewijs geleverd.
In de derde plaats wordt met verwijzing naar D'Auria's klachten ex artikel 90, lid 2, van het Statuut, gewezen op verschillende tegenstrijdige gedragingen van Dr. Vigan, met name de tegenstrijdigheid tussen de inhoud van de rapporten die hij in mei 1975 respectievelijk oktober 1976 over D'Auria opstelde. Uit de omstandigheid echter dat iemands oordeel over een jongere collega zich gedurende een dergelijk tijdvak verder heeft ontwikkeld, kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat hij daarbij in dwaling heeft verkeerd omtrent de feiten. De overige beweringen van D'Auria op dit punt houden bij nader inzien niet meer in dan de bewering dat Dr. Vigan hem onjuist had beoordeeld, zodat dit oordeel op onjuiste of onvolledige gegevens moest zijn gebaseerd.
Bij gevolg zou ik ook het tweede bezwaar willen afwijzen.
De geldigheid van het besluit van 20 december 1976 betwist D'Auria op vier gronden.
In de eerste plaats is het besluit volgens hem te laat genomen. U zult zich herinneren dat D'Auria's proeftijd begon op 1 maart 1976 en dus — bij een duur van negen maanden — eindigde op 30 november 1976. D'Auria stelt dat een ontslagbesluit na laatstgenoemde datum niet meer rechtsgeldig kon worden genomen.
Op het eerste gezicht is dat een opzienbarende bewering, omdat het Hof van Justitie in tenminste twee arresten heeft uitgemaakt dat het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt over een redelijke termijn na het einde van de proeftijd van een ambtenaar ten einde te beslissen of het hem wil aanstellen in vaste dienst ofwel ontslaan, namelijk in zaak 52/70, Nagels/Commissie, Jurisprudentie 1971, blz. 365, overwegingen 22 en 23, en de gevoegde zaken 10 en 47/72, Di Pillo/ Commissie, Jurisprudentie 1973-2, blz. 763, overwegingen 8-10.
Volgens D'Auria zijn deze uitspraken echter niet langer beslissend omdat de daarin bedoelde gebeurtenissen zijn voorgevallen vóór de wijziging van artikel 34 Statuut bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 1473/72 van de Raad van 30 juni 1972. In die verorde ning werd de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag om 1) in „uitzonderlijke gevallen” de proeftijd van een ambtenaar te verlengen afgeschaft en 2) een alinea ingelast, volgens welke „ingeval van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef” vóór het normale tijdstip een beoordeling kan worden opgesteld. Zoals U weet eindigt deze alinea met de bepaling dat „het tot aanstelling bevoegde gezag op basis van deze beoordeling kan besluiten de ambtenaar op proef vóór het einde van de proeftijd, met een opzeggingstermijn van een maand, te ontslaan”; waarbij echter „de diensttijd de normale duur van de proeftijd niet mag overschrijden”.
Op het feit van deze twee wijzigingen baseert D'Auria zijn mening dat de beslissingen in de zaken Nagels en Di Pillo sinds verordening nr. 1473/72 niet meer gelden.
Ik deel deze mening niet. Weliswaar werd bij eerstgenoemde wijziging de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag om de duur van de proeftijd te verlengen afgeschaft, doch dit gezag behield zijn volledige bevoegdheid om hetzij gedurende die periode hetzij binnen een redelijke termijn nadien over het lot van de ambtenaar op proef te beschikken. Bij de tweede wijziging werd een alleszins redelijke soepelheidsregeling ingevoerd, die uiteraard echter alleen in uitzonderingsgevallen toepassing kan vinden. Het laatste deel van de laatste zin houdt niet meer in dan dat de eis van een opzeggingstermijn van een maand op zichzelf niet kan leiden tot verlenging van de proeftijd.
Het onderhavige geval illustreert duidelijk tot welke ongerijmde gevolgen de re denering van D'Auria kan leiden. Dr. Vigan ondertekende zijn beoordelingsrapport op 25 oktober 1976, dus ruimschoots binnen de in artikel 34, lid 2, voorgeschreven termijn. Het in ditzelfde artikel 34 aan de betrokken ambtenaar op proef toegekende recht om schriftelijk zijn opmerkingen over het rapport te maken, is evenwel niet aan een tijdsbepaling gebonden. In casu oefende D'Auria dit recht uit op 19 november 1976. Geen enkele bepaling van het Statuut verbood hem echter dit uit te stellen tot 1 december 1976, op welke datum het tot aanstelling bevoegde gezag hem volgens zijn redenering niet meer zou kunnen ontslaan. Het rapport is tezamen met de door hem gemaakte opmerkingen, die volgens het Statuut een essentieel deel van het rapport vormen, in Brussel aangekomen op 26 november 1976. De heer Baxter ontving hem op 8 december. Qp 14 december 1976 werd het voorstel hem te ontslaan aan de voorzitter van de Commissie toegezonden, die het ontslagbesluit ondertekende op 20 december. Het is duidelijk dat, in alle rechtvaardigheid jegens D'Auria, een en ander niet sneller had kunnen gebeuren.
Ook op dit punt werd verwezen naar de zaak Van de Roy. D'Auria betoogde dat die zaak in zover anders lag omdat het Hof (in de 12e en 13e overweging van het arrest) alleen de datum van kennisgeving van het besluit noemde, en niet de datum van het besluit zelf. Dit moge waar zijn, doch ik geloof niet dat een beroep op de zaak Van de Roy nodig is om de onjuistheid van de onderhavige grief van D'Auria aan te tonen. Zoals ik heb aangetoond, zijn hiervoor ruim voldoende andere gronden. Ik wil echter niet nalaten op te merken dat in de zaak Van de Roy de datum van het besluit nimmer aan het Hof werd medegedeeld, zodat het volgens verzoeker in het arrest gemaakte onderscheid tussen de datum van het besluit en de datum van de kennisgeving daarvan niet kan worden geacht van enig belang te zijn geweest.
Derhalve meen ik verzoekers eerste argument met betrekking tot zijn tweede vordering in deze zaak te moeten afwijzen.
Zijn tweede argument voor de nietigheid van het besluit is dat het is genomen zonder dat het advies van het beoordelingscomité conform artikel 9, lid 5, van het Statuut was ingewonnen. Hiertegen kan worden aangevoerd dat de Commissie nooit een beoordelingscomité heeft opgericht, zodat artikel 9, lid 5, niet van toepassing is. In de reeds genoemde zaak Nagels, waar een soortgelijke redenering werd gevolgd, overwoog het Hof:
„Overwegende dat nu het instellen van een beoordelingscomité als bedoeld in artikel 9 van het Statuut niet verplicht gesteld is, aan de Commissie niet mag worden verweten van haar bevoegdheid daartoe nog geen gebruik te hebben gemaakt (overweging 21 van het arrest).”
D'Auria betoogde dat het gebruik van het woord „nog” meebracht dat naar het oordeel van het Hof de tijd zou aanbreken dat iedere instelling gehouden zou zijn een beoordelingscomité in te stellen en dat dit tijdstip in 1976 was aangebroken. Ik kan deze mening niet delen. De woorden „zonodig” in artikel 9, lid 1, sub a „éventuellement” in de Franse tekst) geven duidelijk aan dat iedere instelling de vrijheid heeft om te besluiten wanneer, zo ooit, het dienstig is een beoordelingscomité op te richten.
In de derde plaats acht verzoeker het besluit van 20 december 1976 nietig omdat het is gebaseerd op een ongeldig beoordelingsrapport. Wanneer overeenkomstig mijn mening de bezwaren tegen de geldigheid van D'Auria's beoordelingsrapport moeten worden verworpen, kan ook dit argument niet slagen.
Ten slotte wordt aangevoerd dat het besluit misbruik van bevoegdheid oplevert, daar het is genomen wegens het mislukken van de heer Baxters poging om D'Auria te bewegen ontslag te nemen. Wanneer — aldus verzoekers redene ring — het door de Commissie nagestreefde doel rechtmatig was geweest, zou die poging niet noodzakelijk zijn geweest. Het ware doel van deze poging der Commissie was drievoudig:
1)
de moeilijkheid weg te nemen dat zijn beoordelingsrapport door een daartoe niet bevoegd ambtenaar was getekend,
2)
de moeilijkheid weg te nemen dat de periode waarin het de Commissie vrijstond hem te ontslaan was verstreken en
3)
de twee maand basissalaris te besparen, waarop hij krachtens de voorlaatste alinea van artikel 34, lid 2, recht had.
Er bestaat echter geen enkele reden om aan te nemen dat de Commissie ooit twijfelde aan de bevoegdheid van Dr. Vigan om D'Auria's beoordelingsrapport te ondertekenen of aan de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag hem binnen een redelijke termijn na het einde van de proeftijd te ontslaan. Bovendien zou D'Auria, wanneer hij het voorstel van de heer Baxter had aanvaard, niet slechts twee maanden basissalaris, doch drie maanden volledig salaris met toelagen hebben kunnen ontvangen.
Men kan twijfelen over de oorbaarheid van het voorstel van de heer Baxter (met name voorzover daarin sprake was van de verwijdering van stukken uit D'Auria's dossier en het verstrekken van een document dat een toekomstige werkgever van D'Auria zou kunnen misleiden), doch niet over diens beweegredenen. Deze werden uiteengezet in een brief van de Commissie van 30 augustus 1977:
„Wat betreft de aan U gerichte brief van de directeur Personeelszaken de dato 8 december 1976, is de Commissie het niet met U eens dat deze een bewijs vormt van misbruik van bevoegdheid. Uit de brief blijkt duidelijk dat zij is geschreven ter bevestiging van een vertrouwelijk onderhoud, waarin met U werd gesproken over een mogelijkheid om Uw ontslag aan het eind van Uw proeftijd te voorkomen, namelijk door Uw ontslagaanvraag, die enerzijds natuurlijk voor U zou hebben geleid tot verlies van bepaalde financiële voordelen, doch waarbij anderzijds Uw beroepsreputatie geen nadeel zou lijden. Er werd echter geen morele of andere druk op U uitgeoefend. Tussen U en de directeur Personeelszaken werd een mogelijkheid geopperd, die U kon aannemen of verwerpen”.
Ook vermag ik niet te zien hoe enig onrechtmatig oogmerk dat wellicht ten grondslag heeft gelegen aan het voorstel van de heer Baxter, logischerwijs kan worden toegeschreven aan de voorzitter van de Commissie in dier voege dat diens beslissing misbruik van bevoegdheid zou kunnen opleveren.
Ook dit laatste argument dient naar mijn mening dan ook te worden verworpen.
Samenvattend concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van elk der partijen in haar eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy