CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 MAART 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
In dit geding gaat het om de uitvoering van communautaire maatregelen op metrologisch gebied, gericht op een harmonisatie van nationale voorschriften waardoor bepaalde aan het handelsverkeer in de weg gelegde obstakels zouden kunnen worden weggenomen.
Grosso modo gaat het om de volgende richtlijnen:
—
's Raads richtlijn nr. 71/316 van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende voor meetmiddelen en metrologische controlemethoden geldende algemene bepalingen (PB nr. L 202 van 1971, blz. 1 — het is een kader-richtlijn, die reeds in de onlangs behandelde zaak 95/77 een rol heeft gespeeld —);
—
's Raads richtlijn nr. 71/317 van 26 juli 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake blokvormige gewichten voor gewone weging van 5 tot 50 kg en cylindrische gewichten voor gewone weging van 1 g tot 10 kg (PB nr. L 202 van 1971, blz. 14);
—
's Raads richtlijn nr. 71/318 van 26 juli 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gasmeters (PB nr. L 202 van 1971, blz. 21);
—
richtlijn nr. 74/331 van de Commisie van 12 juni 1974 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de richtlijn van 26 juli 1971 van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gasmeters (PB nr. L 189 van 1974, blz. 9);
—
's Raads richtlijn nr. 71/347 van 12 oktober 1971 betreffende de onder linge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de meting van het natuurgewicht van granen (PB nr. L 239 van 1971, blz. 1 — deze richtlijn heeft ook in de reeds genoemde zaak 95/77 een rol gespeeld -);
—
's Raads richtlijn nr. 71/349 van 12 oktober 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de inhoudsbepaling van scheepstanks (PB nr. L 239 van 1971, blz. 15);
—
's Raads richtlijn nr. 71/354 van 18 oktober 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake meeteenheden (PB nr. L 243 van 1971, blz. 29);
—
's Raads richtlijn nr. 73/360 van 19 november 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake niet-automatische weegwerktuigen (PB nr. L 335 van 1973, blz. 1);
—
's Raads richtlijn nr. 73/362 van 19 november 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake stoffelijke lengtematen (PB nr. L 335 van 1973 blz. 56), alsook
—
's Raads richtlijn nr. 74/148 van 4 maart 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gewichten van 1 mg tot en met 50 kg die een hogere nauwkeurigheid hebben dan de gewichten van de klasse gewone weging (PB nr. L 84 van 1974, blz. 3).
In de negen genoemde richtlijnen van de Raad wordt bepaald dat de Lid-Staten binnen achttien maanden na kennisgeving van de telkens bedoelde richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen invoeren om aan het in de telkens bedoelde richtlijn bepaalde te voldoen. In genoemde richtlijn van de Commissie was daartoe een termijn van 12 maanden gesteld.
Met betrekking tot de Italiaanse Republiek — verweerster in het onderhavige geding — staat blijkens de verklaringen der Commissie vast, dat deze termijnen tussen 29 januari 1973 en 6 september 1975 zijn verstreken. Tevens staat vast dat de verlangde aanpassing van de Italiaanse wetgeving op bedoelde tijdstippen niet tot stand was gekomen.
De Commissie heeft er de Italiaanse regering, soms al heel vroeg, aan herinnerd dat ten deze de nodige maatregelen moesten worden getroffen. Voor een eerste groep richtlijnen, te weten de richtlijnen nrs. 71/316, 71/317, 71/318, 71/347, 71/349 en 71/354, is het gebeurd bij mededelingen van 22 november 1972, 1 februari 1973 en 26 februari 1974, voor de andere richtlijnen (73/360, 73/362, 74/148 en 74/331) bij mededelingen van 19 en 20 maart 1975 en 3 juni 1975.
Toen daaraan niet werd voldaan, besloot de Commissie tot inleiding van een procedure ex artikel 169 van het EEG-Verdrag. Op 14 februari 1975 richtte zij zich, wat de eerste groep richtlijnen betreft, tot de Italiaanse regering met de eis zich binnen een maand over de rechtens bestaande situatie uit te spreken. De Italiaanse regering heeft daarop alleen gereageerd met een verzoek om verlenging van de termijn, dat ook wordt ingewilligd. Vervolgens kwam op 22 december 1975 een formeel advies als bedoeld in artikel 169 van het EEG-Verdrag, waarin een termijn van één maand voor het treffen van de nodige maatregelen werd gesteld. Van Italiaanse zijde werd slechts de ontvangst van dit advies bevestigd; binnen de gestelde termijn kwam het evenwel niet tot vaststelling van de verlangde nationale voorschriften.
Voor een tweede groep richtlijnen werd een procedure ex artikel 169 van het EEG-Verdrag ingeleid bij brief van 15 oktober 1975, waarin de Italiaanse regering eveneens een termijn van één maand werd gelaten om haar standpunt te bepalen. Ook in dit geval werd het verzoek van de Italiaanse regering om verlenging van de termijn ingewilligd. Op 22 januari 1976 deelde de permanente vertegenwoordiging van Italië aan de Commissie mede dat de nodige wetsontwerpen ter uitvoering van de richtlijnen bij het Parlement waren ingediend. De Commissie nam daarmede evenwel geen genoegen en bracht op 4 juni 1976 een formeel advies als bedoeld in artikel 169 van het EEG-Verdrag uit, waarin een termijn van één maand werd gesteld, binnen welke de nodige maatregelen dienden te worden genomen. Ook in dit geval lieten de nodige wettelijke voorschriften op zich wachten. In een brief van de permanente vertegenwoordiging van Italië dd. 22 juli 1976 werd alleen medegedeeld dat de ingediende wetsontwerpen als gevolg van de tussentijdse beëindiging van de zesde zittingsperiode van het Parlement niet hadden kunnen worden afgehandeld. De gestelde termijn diende derhalve te worden verlengd, waarna de desbetreffende aangelegenheden ten spoedigste zouden worden geregeld.
De Commissie heeft zich toen op 2 augustus 1977 tot het Hof van Justitie gewend. Zij wenst te zien vastgesteld dat de Italiaanse regering in strijd heeft gehandeld met volgens bedoelde richtlijnen op haar rustende verplichtingen door niet binnen de gestelde termijnen de nodige voorschriften ter uitvoering van 's Raads richtlijnen nrs. 71/316, 71/318, 71/347, 71/349, 71/354, 73/360, 73/362 en 74/148, alsook van richtlijn nr. 74/331 van de Commissie, vast te stellen.
Een formeel verweerschrift werd niet ingediend. De Italiaanse regering deelde in een op 16 september 1977 bij het Hof ingekomen korte brief alleen mede dat ze zich voorstelde de reeds ingeleide procedures tot vaststelling van de nodige maatregelen zoveel mogelijk te bespoedigen.
Nadat deze feiten hedenmorgen op de mondelinge behandeling zijn besproken, kan ik thans als volgt summier mijn standpunt bepalen.
Het staat buiten twijfel dat genoemde richtlijnen aan de Italiaanse regering, evenals aan de andere Lid-Staten, ondubbelzinnig de verplichting opleggen om binnen bepaalde termijnen nationale voorschriften vast te stellen. Daarbij zijn, wat het vrije verkeer van meetinstrumenten betreft, belangrijke beginselen in het geding, welker niet-inachtneming ertoe leidt dat de gemeenschappelijke markt in zoverre niet overeenkomstig de bedoeling kon worden verwezenlijkt.
Juist over de uitvoering van richtlijnen binnen de gestelde termijnen heeft het Hof van Justitie zich meermalen ondubbelzinnig uitgesproken. Ik verwijs naar 's Hofs arrest in de zaken 79/72 (Commissie t. Italiaanse Republiek, arrest van 21 juni 1973, Jurispr. 1973, blz. 667), 52/75 (Commissie t. Italiaanse Republiek, arrest van 26 februari 1976, Jurispr. 1976, blz. 227) en 10/76 (Commis sie t. Italiaanse Republiek, arrest van 22 september 1976, Jurispr. 1976, blz. 1359). Sinds lang staat ook vast dat een Lid-Staat waaraan de niet-inachtneming van communautaire rechtvoorschriften als in casu bedoeld wordt verweten, zich ter rechtvaardiging niet mag' beroepen op het nationale recht dan wel op moeilijkheden welke dat nationale recht, wat de uitvoering van richtlijnen betreft, doet rijzen. De Italiaanse regering weet dat zeer wel en is daarom zelfs niet met verontschuldigingen wegens de niet-tijdige uitvoering der richtlijnen komen aandragen.
Nu het Hof van uitstel der behandeling — in afwachting van een spoedige vaststelling van Italiaanse uitvoeringsvoorschriften — niet heeft willen weten, zit er derhalve niets anders op dan de vordering der Commissie toe te wijzen. Ook de toezegging der Italiaanse regering dat het reeds eerstdaags of binnen de komende weken tot een decreto legge zal komen, vermag daaraan niets te veranderen, immers rechtens dient de tijdens de mondelinge behandeling bestaande situatie de doorslag te geven.
Daarom zal moeten worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, die met de nodige voorschriften ter uitvoering van 's Raads richtlijnen nrs. 71/316, 71/317, 71/318, 71/347, 71/349, 71/354, 73/360 en 74/148, alsook van richtlijn nr. 74/331 van de Commissie in gebreke is gebleven, de volgens die richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Bovendien dient de Italiaanse Republiek, in voege als gevorderd, in de kosten van het geding te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy