CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 9 MAART 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
De heer Ganzini, in 1953 door de EGKS bij arbeidsovereenkomst als bode bij de publikatiedienst aangeworven, werd in 1956 overeenkomstig het toen geldende Statuut tot ambtenaar in vaste dienst benoemd in de rang 13 van categorie C. Met ingang van 1 januari 1958 werd hij bevorderd naar rang 12 (hulpbeambte).
Vervolgens werd hij ingevolge zijn verzoek, gestaafd met een medisch attest, met ingang van 26 juni 1961 overgeplaatst naar de interne dienst als bodereceptionist.
In zijn herindeling bij de inwerkingtreding van het voor de drie Gemeenschappen gezamenlijk geldende Statuut van de ambtenaren vindt dit geding zijn verre oorsprong.
Verzoeker werd namelijk — met ingang van 1 januari 1962 — opnieuw ingedeeld, ditmaal in de nieuw gecreëerde categorie D, en aangesteld als bode in de rang 2, salaristrap 7.
Maar een jaar later kende het directoraat-generaal „Algemeen Beheer en Financiële Zaken” hem op grond van de door hem verkregen rechten uitdrukkelijk een aanspraak toe op overplaatsing of bevordering naar een vacature in de categorie C waarvoor hij eventueel belangstelling zou hebben.
Tussen 1963 en 1971 heeft de administratie in antwoord op zijn herhaalde verzoeken om opheldering over hetgeen de heer Ganzini voortdurend als een „nadelige” terugzetting bleef beschouwen, steeds doen weten dat hij zonder vergelijkend onderzoek naar een post van de categorie C kon worden overgeplaatst of bevorderd.
Desniettegenstaande bleef verzoeker in de categorie D, waarin hij op 1 november 1975 werd bevorderd naar de rang D 1 (hoofdbode).
Toen echter de kennisgeving van vacature nr. COM/726/76 voor een post van beambte (loopbaan C3/C2) bij het directoraat-generaal IX te Luxemburg, dienst „Verzending”, werd gepubliceerd, solliciteerde de heer Ganzini naar die post evenals de heer Sauvage Gustave die toen was ingedeeld in de rang C 4.
Beide sollicitaties waren ontvankelijk overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a) — bevordering of overplaatsing binnen de instelling —.
Maar, na een vergelijkende beoordeling van de kwalificaties der kandidaten, werd de heer Sauvage verkozen boven verzoeker, daar hij niet alleen de beste kwalificaties bezat, doch in het bijzonder ook over een langere en meer recente ervaring op het gebied van de „verzending” bleek te beschikken dan de heer Ganzini.
En het is inderdaad deze kandidaat die bij besluit van 7 december 1976 naar de vacante post van beambte werd bevorderd.
De omstandigheden waaronder verzoeker van het bevoegde afdelingshoofd de mededeling ontving dat zijn kandidatur was afgewezen, houden rechtstreeks verband met het U voorgelegde geschil.
De nota van het afdelingshoofd luidde als volgt:
„Ik heb de eer U te berichten dat het tot aanstelling bevoegde gezag niet heeft kunnen ingaan op Uw sollicitatie naar de te bezetten post”. In de Italiaanse tekst heette het: „non ha potutoaccogliere alla sua candidatura per l'impiego resosi vacante . . .”.
Verzoeker heeft de zin van deze nota verkeerd begrepen en wendde zich op 1 maart 1977 tot het bevoegde gezag, enerzijds, met een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut om zijn administratieve positie nog vóór zijn pensionering te regelen door benoeming in de rang C 3, en anderzijds met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, op grond dat zijn benoeming op de post van beambte „niet kon worden aanvaard” en derhalve „zonder meer was geweigerd”.
Op deze klacht werd niet binnen de termijn van vier maanden geantwoord en het is tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing als gevolg van het uitblijven van een beantwoording door de Commissie dat de heer Ganzini op 2 augustus 1977 bij het Hof beroep heeft ingesteld.
Eerst op 29 september 1977 heeft de heer Tugendhat, lid van de Commissie, alsnog op verzoekers administratieve klacht geantwoord en het valt eens te meer te betreuren, dat de diensten der Commissie hebben verzuimd verzoeker tijdig te beantwoorden, daar het schijnt dat het misverstand dan gemakkelijk had kunnen worden opgehelderd; het komt mij voor dat men hem toch gemakkelijk had kunnen uitleggen dat zijn sollicitatie niet zonder meer terzijde was gesteld, maar tezamen met die van een andere kandidaat volgens de procedure van artikel 29, lid 1, sub a) van het Statuut was onderzocht.
In ieder geval beweert verzoeker de door de heer Tugendhat ondertekende brief nimmer te hebben ontvangen en, stelt hij nader, al had hij die wèl ontvangen, dan zou dit schrijven toch te laat gekomen zijn, daar het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht op 1 juni 1977 een feit was geworden en het beroep in rechte op 2 augustus daaropvolgende was ingesteld.
Verzoeker erkent dat, indien men hem tijdig een uitdrukkelijk en duidelijk gemotiveerd antwoord had gezonden, het proces niet zou hebben plaatsgevonden en in zijn conclusie van repliek voegt hij hieraan toe, dat de Commissie voor dit proces verantwoordelijk is en dat hij hoogstens afstand van instantie zou kunnen verzoeken indien verweerster zich bereid verklaart de proceskosten voor haar rekening te nemen.
In de huidige stand van het geding moet Uw Hof evenwel uitspraak doen op het beroep.
Het eerste middel werd ontleend aan het feit, dat het besluit verzoekers sollicitatie niet te „aanvaarden”, niet met redenen is omkleed.
Gelijk wij reeds zagen, mist dit middel feitelijke grondslag, daar het besluit slechts kan worden geïnterpreteerd in die zin dat de administratie op deze sollicitatie niet kon ingaan na een vergelijkende beoordeling van de bekwaamheden en verdiensten van elk der beide kandidaten overeenkomstig de in artikel 29, lid 1, sub a), van het Statuut geregelde procedure voor bevordering of overplaatsing. Met andere woorden, het middel berust op een onjuiste interpretatie van het bestreden besluit. Erkend moet worden dat de administratie niets heeft gedaan om dit besluit toe te lichten, maar, gezien de later verschafte verklaringen, meen ik toch dat het tot aanstelling bevoegde gezag zijn beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden; zijn keuze beantwoordde aan het dienstbelang.
Het tweede middel steunt op de beweerde onregelmatigheid van de kennisgeving van vacature. Ook hier redeneert verzoeker — althans in zijn inleidend verzoekschrift — alsof zijn sollicitatie niet werd onderzocht. Ik zeide reeds dat dit niet het geval is.
Bovendien, de kennisgeving van vacature beantwoordt volkomen aan de door het Statuut geëiste specificaties: zij geeft nauwkeurig de te bezetten post aan, alsmede de aard der functie en de vereiste kwalificaties. Voorts wordt daarin verklaard dat deze post overeenkomstig artikel 29 zal worden bezet bij wege van bevordering of overplaatsing.
Het derde middel is gegrond op misbruik van bevoegdheid. Op dit punt wordt betoogd dat de administratie geweigerd heeft de vraag te onderzoeken of net geval van de heer Ganzini zich onderscheidt van dat der andere ambtenaren die tegelijk met hem bij de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut te laag werden ingedeeld, en dat haar streven de gelijkheid tussen allen te bewaren haar de gebiedende plicht uit het oog deed verliezen, artikel 7, lid 1, van dat Statuut in acht te nemen, krachtens hetwelk ieder besluit tot aanstelling uitsluitend door het belang van de dienst wordt bepaald.
Ik moet bekennen dat dit middel mij niet geheel duidelijk is. Slechts twee sollicitaties waren bij de administratie binnengekomen: die van verzoeker en die van de heer Sauvage die reeds in de categorie C zat. Zij behoefde slechts — hetgeen zij ook heeft gedaan — de kwalificaties en de verdiensten van elk der kandidaten te vergelijken. Ik zie in casu geen enkele overweging op grond waarvan zij had moeten onderzoeken in hoeverre de situatie van verzoeker zich al of niet kon onderscheiden van die der andere bij de inwerkingtreding van het gemeenschappelijke Statuut in de categorie D „te laag ingedeelde” ambtenaren.
Bovendien verleent geen enkel gegeven van het dossier steun aan de bewering dat er sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid in die zin dat de administratie het belang van de dienst zou hebben veronachtzaamd.
Ik meen, integendeel, dat zij zich daarnaar heeft gericht door de kandidaat te benoemen die haar uit hoofde van zijn ervaring de beste scheen te zijn van de ambtenaren die gesolliciteerd hadden.
Ik concludeer dan ook dat het beroep zal worden verworpen, doch dat overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering de Commissie wegens haar optreden in het onderhavige geval, het geheel der kosten zal dragen.
( 1 ) Vertaald uit ha Frans.
Full & Egal Universal Law Academy