CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 23 FEBRUARI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het inzamelen en recycleren van gebruikt materiaal, met name van „oude metalen”, is een van de gevolgen van de schaarste van bepaalde grondstoffen. Met name bij de aluminiumproduktie werd voor een niet te verwaarlozen deel van gebruikt materiaal en van resten of afvallen gebruik gemaakt; in de Bondsrepubliek bedroeg dit aandeel een vierde in 1970, het jaar waarin de invoertransacties hebben plaatsgehad welke de Bundesfinanzhof tenslotte aanleiding gaven Uw Hof om een prejudiciële uitspraak te verzoeken inzake de uitlegging van hoofdstuk 76 van het gemeenschappelijk douanetarief, en wel met name inzake de tariefering van metaalprodukten die in de regel als „aluminium-pellets” worden omschreven.
In augustus 1970 heeft de firma Oehlschlager op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland twee partijen van dit produkt — omschreven als aluminium slijpsel en -vijlsel — ingevoerd.
Blijkens de feitelijke gegevens van het dossier van de douane wordt het ingevoerde produkt verkregen door gebruikte aluminiumkabels en afvallen van kabels in een daartoe bestemde installatie stuk te hakken — tot stukken van ongeveer 5 cm lengte —, nadat de ijzerdeeltjes langs magnetische weg zijn afgescheiden. De kabelstukken worden door roterende scharen tot onregelmatige korrels verbrijzeld, terwijl de isolatiestoffen van de aluminiumdraden worden gescheiden en fijngemaakt. Ten slotte is luchttoevoer voldoende om de verschillende elementen van het aldus behandelde produkt op grond van hun soortelijk gewicht te scheiden en te isoleren.
De aldus verkregen „pellets” zijn lichtgrijze, glanzende korrels met een hoog aluminiumgehalte, waarin andere stoffen slechts in geringe mate voorkomen.
Dit zijn de autonome vaststellingen waartoe de Bundesfinanzhof ten aanzien van de feiten is gekomen, en Uw Hof is er, ongeacht hetgeen dienaangaande door verzoekster in het hoofdgeding ten processe mag zijn betoogd, aan gebonden.
Het geding vindt zijn oorsprong in het feit dat het centrale bureau van de Duitse douane te Emmerich, nadat de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt te Keulen een desbetreffend advies had uitgebracht, het produkt heeft gebracht onder de onderverdeling 76.01 A, „ruw aluminium”, waarvoor een zelfstandig douanerecht van 10 % geldt, terwijl de importeur meent dat de waar valt onder de onderverdeling 76.01 B II, „afvallen van aluminium” en derhalve van rechten zou zijn vrijgesteld.
De douane heeft haar beschikking gehandhaafd, waarna de firma Oehlschlager zich tot het Finanzgericht te Düsseldorf heeft gewend met een beroepschrift dat op 3 september 1974 werd verworpen. Tegen die uitspraak heeft verzoekster zich voorzien bij de Bundesfinanzhof, die U de navolgende vragen stelt:
1.
Moet post 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook een produkt valt dat uit stukgehakte, lichtgrijze, glanzende aluminiumdraad bestaat en in zogenaamde shredder-installaties door het verbrijzelen van gebruikte aluminiumkabels en het grotendeels verwijderen van de isolatiestoffen is vervaardigd?
2.
Zo neen, behoort een dergelijk produkt dan tot post 76.01 A?
De probleemstelling aldus inperkend, heeft de Bundesfinanzhof onzes inziens een juiste analyse gegeven van de algemene opzet van hoofdstuk 76 (aluminium), waarin drie categorieën van produkten wordt onderscheiden:
—
enerzijds het metaal in ruwe toestand, als ook resten en afvallen van aluminium: post 76.01,
—
anderzijds halffabrikaten als staven, profielen, platen, bladen en strippen: posten 76.02 tot en met 76.05,
en ten slotte:
—
eindprodukten en andere werken van aluminium: posten 76.06 tot en met 76.16.
Anders dan het Finanzgericht te Düsseldorf, wil het hoogste rechtscollege van de Bondsrepubliek van indeling der waar onder de posten 76.02 tot en met 76.16 niet weten.
Met de Commissie achten wij dit standpunt juridisch juist omdat het een indeling bij aluminium — halffabrikaten of — eindprodukten, ook bij de produkten, welke in post 76.16 als „andere werken van aluminium” worden aangeduid — uitsluit: bij zulke werken kan het, blijkens het redeverband van hoofdstuk 76 en de aldaar gebezigde terminologie, slechts gaan om in aluminium vervaardigde waren, hetgeen wil zeggen dat aluminium als basismateriaal een verwerking of bewerking heeft ondergaan tot een produkt dat niet onder een andere post van het gemeenschappelijk douanetarief valt. De juistheid van die uitlegging blijkt ook uit de toelichtingen betreffende post 76.16 van de Internationale Douaneraad, waarin aan indeling bij bedoelde post de voorwaarde wordt gesteld dat de ruwe aluminium op enigerlei wijze, onverschillig hoe, moet zijn behandeld of verwerkt.
De werkelijke — en enige — vraag waarover U zich zult hebben uit te spreken, is derhalve of de in casu bedoelde produkten, vervaardigd uit gebruikte aluminiumkabels die ontegenzeggelijk slechts als afvallen kunnen worden aangemerkt omdat zij niet langer bruikbaar zijn voor het doel waarvoor zij aanvankelijk hebben gediend, na recyclage nog onder de onderverdeling 76.01 B II kunnen worden gebracht, dan wel of ze op grond van zodanige recyclage tot ruwe aluminium moeten worden gerekend.
Vanuit die gezichtshoek zal allereerst moeten worden gezocht naar de bestanddelen waaruit de term „afvallen” in het gemeenschappelijk douanetarief is opgebouwd.
In het algemeen betreft deze term praktisch waardeloze metaalresten die, afkomstig van stukgeraakte, gebruikte of onherstelbare metalen voorwerpen, niet meer voor hun aanvankelijke bestemming kunnen worden gebruikt. Voorzover er een restwaarde aan toekomt, is dat de materiaalwaarde van het metaal zelf, dat dan evenwel voor nieuw gebruik moet kunnen worden „gerecupereerd”.
Om die recuperatiemogelijkheid van metaal gaat het trouwens in aantekening 6 van afdeling XV van het gemeenschappelijk douanetarief:
„Als, resten en afvallen van metaal of van werken van metaal' worden aangemerkt resten en afval, welke uitsluitend geschikt zijn voor het recupereren van het metaal, dan wel om daaruit chemikaliën te vervaardigen”.
Wordt in deze aantekening de nadruk uitsluitend op de bestemming van de waar gelegd — met terzijdelating van objectieve kwaliteitskenmerken zoals die in de tekst der bepaling besloten liggen —, dan nog zij erop gewezen dat het gemeenschappelijk douanetarief weliswaar in bepaalde gevallen met fabricagemethoden of de bestemming van de goederen rekening houdt, doch dat het „omwille van de rechtszekerheid en een gemakkelijke controle in het algemeen en bij voorkeur gebruik [maakt] van indelingscreteria gebaseerd op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten, die bij de inklaring kunnen worden geverifieerd” (arrest van 16 december 1976, Industriemetall Luma, zaak 38/76, Jurispr. blz. 2027).
Met de Commissie menen wij dan ook dat, wat de definitie van metaalresten en metaalafvallen betreft, alleen met het criterium van de bestemming van bedoelde resten, „uitsluitend geschikt … voor het recupereren van het metaal”, kan worden gewerkt.
Met het aanleggen van die maatstaf kan niet worden volstaan; het is slechts een aanwijzing. Om onder de post voor resten en afvallen te worden gebracht, moet de waar er ook objectief, naar buiten toe, als „resten” of „afvallen” uitzien. Daarmede is, ongeacht de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel betreffende post 73.03 (versleten of gebroken werken van gietijzer, van ijzer of van staal, welke onbruikbaar zijn geworden voor hun oorspronkelijk doel, alsmede afvallen daarvan verkregen door stukslaan of stuksnijden) duidelijk dat oude aluminiumkabels of resten van zulke kabels als afvallen dienen te worden ingedeeld.
Anderzijds is het al evenzeer duidelijk dat bij inklaring een ingevoerde waar, verkregen door een ingewikkelde behandeling ter recuperatie van de aluminium en ter verwijdering van ander materiaal als ijzer of isolerende stoffen, douanerechtelijk niet op dezelfde wijze kan worden behandeld, immers er is dan sprake van een nieuw produkt, dat van gebruikte kabels wel dient te worden onderscheiden en niet meer de objectieve kenmerken van „afvallen” vertoont.
Het produkt kan dan ook niet meer onder de onderverdeling 76.01 B II worden gebracht. De eerste vraag van de Bundesfinanzhof dient derhalve in ontkennende zin te worden beantwoord.
Dient de waar derhalve onder de onderverdeling 76.01 A (ruw aluminium) te worden gebracht?
Wij zagen dat in de opzet van hoofdstuk 76 van het douanetarief — in zoverre overeenkomende met de andere hoofdstukken van afdeling XV (metalen en werken daarvan) — de term „ruw aluminium” wordt gebruikt voor het nog niet bewerkte metaal als zodanig, dat wil zeggen de grondstof welke aanleiding geeft de produkten onder verschillende verdelingen c.q. onderverdelingen van het tarief te brengen.
Maar het douanetarief geeft geen omschrijving van de natuur- of scheikundige samenstelling van ruw aluminium.
Derhalve dient te worden te rade gegaan met de technisch-wetenschappelijke terminologie, waarin — naar zuiverheidsgraad — vier soorten aluminium worden onderscheiden:
—
Al 99,
—
Al 99,6
—
Al 99,8 en
—
Al 99,9
Het gaat er dus om of de als voormeld uit gebruikte kabels verkregen aluminiumkorrels met een van vorengenoemde aluminiumsoorten mag worden gelijkgesteld.
Volgens de uitspraak van het Finanzgericht te Düsseldorf komt de scheikundige samenstelling van die korrels „ten naaste bij overeen met de minst zuivere aluminiumsoort, Al 99 H”, dat wil zeggen met uit bauxiet verkregen en uit electrolyse-ovens getapte 99 %-gietaluminium.
Waar de bewoordingen van onderverdeling 76.01 A ons geen uitsluitsel geven, zal moeten worden gewerkt met „algemene bepaling 2 b” voor de toepassing van de nomenclatuur van het douanetarief:
„Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen”.
Toepassing van deze bepaling brengt, waar aluminium — 99 % — het kenmerkend bestanddeel van het produkt (mengsel) vormt, mede dat het — bij ge breke van specifieke bepalingen in andere zin — slechts als ruw aluminium in de zin van onderverdeling 76.01 A kan worden ingedeeld.
Het doet dus weinig ter zake dat de ingevoerde waar, zoals verzoekster in het hoofdgeding stelt, een aanvullende recyclage heeft te óndergaan alvorens als „gerecupereerd” aluminium te kunnen worden gebruikt.
Bovendien blijkt uit de toelichtingen van de Internationale Douaneraad op post 76.01 dat de post „ruw aluminium” ook „korreltjes” van aluminium dekt, dat wil zeggen de vorm van de omstreden waar. Deze toelichting staat los van de vraag naar het technisch procédé dat op de gebruikte aluminiumkabels is toegepast. De toelichting betreft de korrelvorm van het produkt dat door stukhakken en verbrijzelen wordt verkregen; de aard van die behandeling doet op zich zelf niet ter zake.
Ten slotte heeft deze uitlegging bevestiging gevonden in een indelingsadvies van het comité voor de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, gedagtekend 18 mei 1972.
Ofschoon dit na de onderhavige feiten gepubliceerd advies niet rechtstreeks de litigieuse waren betreft, wordt daarin, naar het ons voorkomt, een juiste uitlegging gegeven aan onderverdeling 76.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief, in dier voege dat het comité zelf heeft erkend dat uit de behandeling welke op de gebruikte aluminium werd toegepast, een nieuw produkt werd verkregen dat, qua korrelvorm en qua bestemming, met aluminium mag worden gelijkgesteld.
Wij concluderen dat Uw Hof zal verklaren voor recht:
1.
Onderverdeling 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief is niet in die zin te verstaan dat daaronder ook een produkt valt dat uit stukgehakte, lichtgrijze, glanzende aluminiumdraad bestaat en in zogenaamde shredder-installaties door het verbrijzelen van gebruikte aluminiumkabels en het grotendeels verwijderen van de isolatie is vervaardigd;
2.
Zulk een waar moet, zowel op grond van haar scheikundige samenstelling als naar korrelvorm en bestemming, als met ruw aluminium gelijk te stellen, onder de onderverdeling 76.01 A worden gebracht.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy