CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 16 MAART 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
I — Inleiding
Het onderhavige geding betreft de benoeming — bij wege van bevordering — van het hoofd der Afdeling C/3 „Technologie van het vervoer en van het verkeer” van het directoraat-generaal Vervoer, waartoe de Commissie zelf, als het tot aanstelling bevoegde gezag, heeft besloten.
Wellicht is het dienstig hier in het kort aan te duiden hoe het directoraat-generaal Vervoer (hierna te noemen „het DG VII”) is ingericht. Het omvat drie directies:
Het eerste heeft tot taak de ontwikkeling van het in de artikelen 74 en volgende van het EEG-Verdrag bedoelde gemeenschappelijk vervoerbeleid en zijn coördinatie met de andere vormen van gemeenschappelijk beleid.
Het tweede is belast met de ordening van de markt voor vervoer te land, ter zee en door de lucht.
De bevoegdheden van het derde directoraat ten slotte strekken zich uit tot al hetgeen de financiële regelingen voor het vervoer betreft, tot zijn infrastructuur en het geheel der met zijn ordening samenhangende technische vraagstukken.
Dit laatste directoraat, directoraat C, bestaat uit vier afdelingen:
1.
Infrastructuur en uitrusting,
2.
Tariefregeling voor het gebruik van de infrastructuur,
3.
Technologie van het vervoer en van het verkeer,
4.
Overheidsmaatregelen.
In casu gaat het om de post van hoofd der afdeling C/3. Toen deze post in 1976 openviel, werd op 4 oktober van dat zelfde jaar een kennisgeving van vacature (COM/643/76) gepubliceerd.
In de kennisgeving werd de aan deze post verbonden functie als volgt omschreven :
„Het leiden van een administratieve eenheid belast met de technologie van het vervoer en het verkeer”
en met name het dragen van de verantwoordelijkheid voor de volgende taken:
„—
vraagstukken op het gebied van de harmonisatie, standaardisatie en normalisatie van vervoermaterieel;
—
het vervoer van gevaarlijke stoffen en van kernmateriaal;
—
technische kenmerken van het materieel;
—
vervoer en industriebeleid;
—
verkeer en veiligheid in het vervoer;
—
onderzoek en ontwikkeling op vervoergebied.”
Ten slotte werd nader verklaard dat het hoofd der afdeling C/3 mede tot taak had „het geven van technisch advies aan de directeur-generaal ten behoeve van de andere diensten van het directoraat-generaal Vervoer”. Hij diende derhalve in zekere zin op het gehele gebied van zijn bevoegdheid de technisch raadgever van de directeur-generaal te zijn.
Een en ander wordt bevestigd in een nota van 6 december 1976 welke door die directeur-generaal was opgesteld inzake de respectieve verdiensten der kandidaten voor het onderhavige ambt en waaruit wij hier enkele punten doen volgen:
„De afdeling C/3 is de dienst waarin de ervarig en de kennis van het DG VII op het gebied van technische engineering in hoofdzaak centraal zijn ondergebracht. Tot de verantwoordelijkheid van het afdelingshoofd behoort het geven van advies over deze technische aspecten, voor zoveel daaraan bij alle diensten van het directoraat-generaal behoefte bestaat en voorts over alle uitdrukkelijk onder de competentie van zijn afdeling vallende vragen.
Onder de rechtstreeks tot de bevoegdheid van de afdeling C/3 behorende vragen zijn er verschillende van zeer complexe bestuurlijke aard met politiek uiterst gevoelige aspecten, … bij voorbeeld:
—
gewicht en afmetingen van commerciële voertuigen,
—
het communautaire rijbewijs; de voor het verkrijgen daarvan te stellen eisen,
—
het vervoer van gevaarlijke stoffen.”
Voorts noemt het rapport de twee belangrijke eigenschappen waaraan voor het vervullen van de functie van afdelingshoofd moet worden voldaan:
„(a)
het optreden voor de Commissie als geloofwaardig en vakkundig erkend contactpunt met hoge vertegenwoordigers van de technische en vakwereld, van de nationale Ministeries van Verkeer en van sectoriële en industriële organisaties, met wie het werk in hoofdzaak wordt verricht. Dit houdt in dat zij de vakbekwaamheid van het hoofd der betrokken afdeling als ingenieur erkennen en respecteren: het niveau van genoemde bekwaamheid dient van zodanige aard te zijn dat hij ontwijfelbaar hun vertrouwen en achting waard is;
(b)
het vertolken van technische vakproblemen in onmiddellijk voor het algemeen bestuur en de Commissie verstaanbare termen en het in passende technische middelen omzetten der op meer algemene en politieke basis ontworpen richtlijnen.”
Dit zijn de taken en de vereiste hoedanigheden van het bewuste afdelingshoofd.
Bezien wij thans in welke bewoordingen de kennisgeving van vacature de voor de benoeming op de post A 3 verlangde kwalificaties omschrijft:
1.
volledige universitaire opleiding (graad van ingenieur weg- en waterbouw, werktuigbouwkunde of elektrotechniek) of gelijkwaardige beroepservaring;
2.
kennis van de internationale organisaties en het gemeenschappelijk vervoerbeleid;
3.
grondige kennis van de technische problematiek van het vervoer;
4.
geschiktheid om een belangrijke administratieve eenheid te leiden;
5.
een gedegen voor de functie bruikbare ervaring;
6.
grondige kennis van een der talen der Gemeenschappen en behoorlijke kennis van een andere taal der Gemeenschappen.
Voor de voorziening in de vacante post had de bevoegde instelling de keus tussen verschillende procedures. Zij kon dit doen door middel van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling ofwel van een algemeen onderzoek waaraan ook externe kandidaten konden deelnemen; ook kon zij overeenkomstig artikel 45, lid 1, tot een bevordering overgaan, dat wil zeggen de benoeming van een ambtenaar in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort. Zodanige bevordering kan slechts worden toegekend door het tot aanstelling bevoegde gezag: in casu de Commissie. Zij geschiedt uitsluitend bij keuze uit de ambtenaren die een minimum diensttijd in hun rang hebben en na een vergelijkend onderzoek der verdiensten van hen die voor die bevordering in aanmerking komen en van de over hen uitgebrachte rapporten. Met deze laatste term worden zonder twijfel de in artikel 43 van het Statuut genoemde periodieke beoordelingsrapporten bedoeld; zij betreffen de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van iedere ambtenaar met uitzondering evenwel van de rangen A 1 en A 2.
II — De voor de selectie gevolgde procedure
Alvorens de Commissie, het tot aanstelling bevoegde gezag voor een post van de rang A 3, zich zelf uitsprak — zoals wij later zullen zien — ging zij over tot een voorselectie uit de veertien kandidaten die zich hadden gemeld en waartoe met name de heer Thomas Mulcahy, verzoeker, en de — door de Commissie benoemde — heer Leonardi behoorden.
Allereerst werd iedere kandidaat persoonlijk door een groep van hoge ambtenaren van het DG VII gehoord: de directeur-generaal, de heer Le Goy, de adjunct-directeur-generaal, de heer Wissels, en de directeur van het directoraat C, de heer Dousset. In dit aanvangsstadium was het de bedoeling tot een waardering te komen van de geschiktheid van elke kandidaat om de functie van afdelingshoofd te vervullen en wel gezien zijn bekwaamheden als administrateur, organisator en als bevoegd representant voor het vervoerbeleid. Deze inleidende gesprekken moesten er voorts toe dienen de bevoegdheid van ieder der kandidaten als ingenieur te onderzoeken.
Daar het DG VII echter over geen enkele beroepsingenieur beschikte, moest een beroep worden gedaan op een groep van drie andere ambtenaren van andere directoraten die deze hoedanigheid wèl bezaten; zij kwam op 30 november onder voorzitterschap van de heer Dousset bijeen.
Wat was nu het resultaat — of, beter gezegd, het negatief resultaat — van deze inleidende procedure?
Dit weten wij uit de nota van 6 december 1976 welke de directeur-generaal heeft gericht tot de vice-president van de Commissie, de heer Scarascia Mugnozza die in het bijzonder met het vervoerbeleid is belast.
Wat de geschiktheid der kandidaten in het algemeen betreft, werden zeven van hen, waaronder verzoeker, geacht enkele voor benoeming in het vacante ambt vereiste kwalificaties te bezitten; ten aanzien van de zeven overigen, waaronder de heer Leonardi, oordeelde de groep van hoge ambtenaren van DG VII dat hun kwalificaties minder gedegen waren.
Met betrekking tot hun bijzondere bekwaamheden als ingenieur werden de kandidaten in drie categorieën ondergebracht:
1.
zij die de hoedanigheid van ingenieur bezaten en in aanmerking konden komen;
2.
de kandidaten-ingenieurs die niet in aanmerking kwamen;
3.
de kandidaten die geen ingenieur waren en reeds op grond hiervan buiten beschouwing moesten blijven.
Verzoeker behoorde tot de eerste categorie.
Maar reeds nu dienen drie opmerkingen te worden gemaakt:
a)
De gespecialiseerde groep van ingenieurs moest — en kon ook slechts — de bekwaamheden van de kandidaten als civiel-, werktuigbouwkundig of elektrotechnisch ingenieur beoordelen (om de terminologie van de kennisgeving van vacature te bezigen).
b)
De groep was niet competent en beschikte evenmin over de middelen om over het criterium van gelijkwaardige beroepservaring te bevinden. Zij kon nog minder de andere in de kennisgeving van vacature verlangde kwalificaties beoordelen en met name die welke naar onze mening het belangrijkste was, namelijk de geschiktheid een belangrijke administratieve eenheid te leiden.
c)
Van wezenlijk belang is het ten slotte dat de gespecialiseerde groep zelfs met betrekking tot de drie kandidaten met de titel van ingenieur „die in aanmerking konden komen” een uitdrukkelijk voorbehoud formuleerde in die zin, dat het „profiel van ieder dezer kandidaten geenszins beantwoordde aan de voor het vacante ambt gestelde eisen”.
In ieder geval kon deze procedure om tot een voorselectie te geraken nauwelijks tot positieve conclusies leiden en — het zij thans reeds gezegd — evenmin het tot aanstelling bevoegde gezag binden.
In zijn aan de Commissie over deze procedure uitgebracht rapport oordeelde de directeur-generaal dan ook dat, naar het hem voorkwam, geen der kandidaten geacht kon worden „bepaaldelijk gekwalificeerd te zijn en in staat om aan de voor de functie gestelde eisen te voldoen”.
Hij stelde derhalve voor ter zake van de vacante post zowel tot een intern als extern vergelijkend onderzoek over te gaan.
Op haar bijeenkomst van 20 december 1976 besloot de Commissie bij haar aanvankelijke oplossing te blijven, namelijk die van bevordering overeenkomstig artikel 29, lid 1, eerste alinea, van het Statuut.
Van deze zitting werd een proces-verbaal opgemaakt dat bij het dossier werd gevoegd. Voor de beoordeling van de verzoeker voorgedragen middelen dienen wij te onderzoeken of de wijze waarop de instelling — op het gezamenlijk voorstel van haar voorzitter de heer Ortoli en van de heer Scarascia Mugnozza — uiteindelijk besloot de heer Leonardi op de vacante post te benoemen, beantwoordt zowel aan de toepasselijke bepalingen van het Statuut als aan de daarvan door Uw Hof gegeven interpretatie.
Na de benoeming van de gekozen kandidaat en diens bevordering naar de rang A 3 per 1 januari 1977, heeft de heer Mulcahy op 10 februari 1977 overeenkomstig artikel 90 van het Statuut een klacht ingediend waarbij werd gevorderd dat de benoeming van de heer Leonardi tot hoofd van de afdeling C/3 van het DG VII ongedaan zou worden gemaakt.
Toen de Commissie deze klacht langer dan vier maanden onbeantwoord liet, heeft verzoeker, binnen de procestermijn, bij Uw Hof een beroep ingesteld tot nietigverklaring van het door de verwerende instelling genomen benoemingsbesluit.
III — De procesbeweringen
Alvorens de door verzoeker ingeroepen middelen te onderzoeken, komt het ons noodzakelijk voor te wijzen op de grenzen waarbinnen Uw Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen op het stuk van de bevordering van een ambtenaar ener instelling tot een hogere rang, alsmede op de verplichtingen ten deze van het tot aanstelling bevoegde gezag.
In de eerste plaats dient de kennisgeving van vacature de belanghebbenden zo juist en nauwkeurig mogelijk over de voor de uitoefening van het desbetreffende ambt gestelde voorwaarden te informeren teneinde hen in staat te stellen te beoordelen of er voor hen aanleiding is te solliciteren (arrest van 30 oktober 1974, zaak 188/73, Grassi/Raad, Jurispr. 1974, blz. 1111).
Vervolgens, en volgens dit zelfde arrest, geldt de regel dat het tot aanstelling bevoegde gezag weliswaar over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij het vergelijken van de verdiensten der kandidaten alsmede van de te hunnen aanzien gegeven beoordelingen — bevoegdheid welke zij moet uitoefenen om tot een benoeming op de vacante post te geraken — doch dat bedoeld gezag zulks dient te doen binnen het kader van de kennisgeving van vacature waaraan het zich zelf gebonden heeft.
In dit kader staat het met name aan het bevoegde administratieve gezag — onder de controle van Uw Hof — te beslissen over de bijzondere aard van de vereiste kundigheden voor het vervullen van een ambt (arrest van 29 oktober 1975, zaken 81 tot 88/74, Marenco e.a./ Commissie, Jurispr. 1975, blz. 1247).
Voorts behoort dit gezag discretionair de geschiktheid der kandidaten voor het uitvoeren van bepaalde taken te onderzoeken. Wat de rechter betreft, hij heeft de wegen en middelen te controleren welke het bevoegde gezag mogelijk tot deze waardering hebben geleid (arrest van 19 juli 1955, zaak 1/55, Kergall tegen Vergadering EGKS, Jurispr. Deel II 1955/56, blz. 9 en arrest van 12 december 1956, zaak 10/55, Mirossevitch/ Hoge Autoriteit EGKS, Jurispr. Deel II, 1955/56, blz. 389). In dezelfde zin kan eveneens het arrest van 27 juni 1973 worden geciteerd (Kley/Commissie, zaak 35/72, Jurispr. 1972, blz. 690).
Van belang is ten slotte nog dat het niet aan het Hof staat te controleren of een ambtenaar werkelijk een bepaalde vakbekwaamheid bezit wanneer zodanige waardering complexe Waardeoordelen medebrengt (arrest van 5 december 1963, zaken 35/62 en 16/63, Leroy/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1963, blz. 417).
Deze jurisprudentie leert ons dat, zo het tot aanstelling bevoegde gezag gebonden is aan de bepalingen van de kennisgeving van vacature die het zelf heeft vastgesteld, Uw Hof zijn waardering niet mag stellen in de plaats van die van het bevoegde bestuursgezag: Uw taak beperkt zich anderzijds tot het controleren van de regelmatigheid der gevolgde bevorderingsprocedure, van de materiële juistheid der feiten waarvan het administratieve gezag is uitgegaan en van de vraag of er mogelijk sprake is geweest van misbruik van bevoegdheid.
Na deze inleidende opmerkingen kunnen wij thans overgaan tot de behandeling van de door verzoeker voorgedragen middelen ter ondersteuning van zijn vordering tot nietigverklaring van de benoeming van de heer Leonardi in het litigieuze ambt.
Het eerste middel houdt in dat de bewoordingen van de kennisgeving van vacature werden geschonden waar daarin onder de vereiste kwalificaties het bezit werd genoemd van het diploma ingenieur (civiel-, werktuigbouwkundig of elektrotechnisch) dan wel, bij gebreke daarvan, een gelijkwaardige beroepservaring.
Het is niet betwist dat verzoeker een dergelijk diploma bezit, terwijl de heer Leonardi, aan wie de Commissie boven hem de voorkeur heeft gegeven en die aan de universiteit van Genua een diploma economie en handelswetenschappen heeft behaald, niet de titel van ingenieur voert.
Derhalve dient te worden onderzocht of hij door zijn eigen ervaring de kennis heeft verworven die gelijkwaardig is te achten met die van een ingenieur en wel in dier voege, dat hij in staat was de specifieke technische vragen op het gebied van de vervoersengineering te behandelen hetgeen de aard der functie van het hoofd van afdeling C/3 met zich brengt, en in dit opzicht de verschillende diensten van het DG VII van raad en advies te dienen.
Wij zullen ons hier niet begeven in beschouwingen over de rechtsoverwegingen van het arrest Alvino/Commissie (zaken 18 en 19/64, Jurispr. 1965, blz. 837) welke op andere feiten berusten dan die van het onderhavige geding. Maar er zij hier op gewezen dat de beoordeling van de gelijkwaardigheid van een beroepservaring met het bezit van een bepaald universitair diploma aan het tot aanstelling bevoegde gezag staat.
Wat zegt ons verweerster op dit punt?
De heer Leonardi behoort sinds 1962 tot het DG VII. Hij bekleedde daar verschillende posten en zijn ervaring omvatte de uitoefening van het merendeel der bevoegdheden van dit directoraat-generaal. Met name was hij van 1 juli 1973 tot 30 juni 1975 werkzaam bij de afdeling C/3 welke hij ad interim gedurende de vele en langdurige absenties van het afdelingshoofd heeft geleid.
Hoewel het waarnemen van een functie ad interim geen enkel recht tot benoeming in het desbetreffende ambt geeft, is het niettemin een element waarop bij een bevordering onder meer acht mag worden geslagen (arrest van 19 maart 1975, zaak 189/73, van Reenen/Commissie, Jurispr. 1975, blz. 445).
De verschillende gebieden waarop hij gedurende die periode werkzaam was, betroffen juist de meest technische aspecten van de bevoegdheden der afdeling C/3. Wij mogen U op dit punt verwijzen naar het door de heer Dousset opgestelde beoordelingsrapport van 18 december 1975, dat met het verweerschrift werd overgelegd.
De op deze terreinen door de heer Leonardi verkregen ervaring nu achtte de Commissie gelijkwaardig aan de kennis verbonden aan het bezit van een ingenieursdiploma. Deze waardering berust niet op materieel onjuiste feiten; zij vertoont geen enkel klaarblijkelijke dwaling; misbruik van bevoegdheid is zelfs niet gesteld.
Het middel ontleend aan een schending van de kennisgeving van vacature lijkt mij derhalve ongegrond, dit te meer daar — gelijk wij nog zullen zien — de Commissie inderdaad tot een onderzoek van de respectieve verdiensten van ieder der veertien kandidaten, gezien in verband met de karakteristieke eisen voor de te bezetten post, is overgegaan en daarbij acht heeft geslagen op de persoonsdossiers, de beoordelingsrapporten der kandidaten en de adviezen der hiërarchische meerderen gelijk Uw Hof in het arrest van 7 juli 1964 heeft geëist (zaak 97/63, de Pascale/Commissie, Jurispr. 1964, blz. 1061).
Er valt geen enkele onregelmatigheid te constateren in de door de Commissie gevolgde procedure; zij beschikt bij haar waardering — gelijk reeds gezegd — over een ruime discretionaire bevoegdheid.
Wat betreft de middelen inhoudende enerzijds schending van artikel 7, lid 1, Statuut, krachtens hetwelk het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaar bij wege van aanstelling of overplaatsing uitsluitend in het belang van de dienst benoemt … in een tot zijn categorie of groep behorend ambt, en anderzijds schending van artikel 27, achten wij deze niet terzake dienend en ondeugdelijk, daar tot de bestreden benoeming werd besloten alleen op grondslag van de artikelen 29 en 45 van het Statuut, te weten bij wege van bevordering.
Op dit gebied nu stond het de Commissie, gelijk gezegd, geheel vrij voor de bezetting van de vacante post met toepassing van artikel 29 de oplossing van bevordering te kiezen zonder daarbij gebonden te zijn aan de voorstellen van de directeur-generaal van het DG VII die het houden van een vergelijkend onderzoek had aanbevolen. Ten deze moge ik de aandacht vestigen op Uw arrest van 5 december 1974 (zaak 176/73, van Belle/Raad, Jurispr. 1974, blz. 1361).
Anderzijds wordt voor de toepassing van artikel 45 geen andere uitvoeringsmaatregel gevorderd dan die voorzien in artikel 43, waarnaar artikel 45 impliciet verwijst, namelijk het inwinnen van adviezen en het vergelijken der ten aanzien van de kandidaten uitgebrachte beoordelingsrapporten. Zie in deze zin met name de arresten van 19 maart 1964 (zaak 27/63, Raponi/Commissie, Jurispr. 1964, blz. 263) en van 9 juni 1964 (zaken 94 en 96/63, Bernusset/Commissie, Jurispr. 1964, blz. 615).
Gelijk gezegd, heeft de Commissie zich voor haar keus gebaseerd op het vergelijkend onderzoek van de persoonsdossiers en de zojuist genoemde beoordelingsrapporten. Verzoeker kan derhalve niet met vrucht betogen dat zij een klaarblijkelijke fout heeft begaan door respectievelijk verzoekers verdiensten en die van de heer Leonardi niet te onderzoeken. Het middel kan derhalve niet slagen.
Ons blijft thans nog het laatste middel te behandelen, namelijk schending van artikel 3 van het Statuut, hetwelk bepaalt: „In het besluit tot aanstelling van de ambtenaar wordt de datum bepaald, waarop de aanstelling ingaat; deze datum mag in geen geval een vroegere zijn dan die waarop de betrokkene in dienst treedt”.
Verzoeker betoogt dat de Commissie zich niet heeft gehouden aan de in artikel 45, lid 1, tweede alinea, gestelde voorwaarde dat de voor een bevordering vereiste minimum diensttijd van een ambtenaar in zijn rang uitsluitend zes maanden bedraagt voor hen die in de aanvangsrang van hun categorie of groep zijn benoemd. Dit minimum bedraagt voor de overige ambtenaren evenwel twee jaar.
Allereerst zij opgemerkt dat er geen noodzakelijke samenhang bestaat tussen de bepalingen van artikel 3, welke op de aanvangsbenoemingen in een bepaald ambt zien, en die van artikel 45, lid 1, welke op de bevorderingen slaan.
Volgens verzoeker zou de heer Leonardi pas een A 4-verantwoordelijkheid zijn gaan dragen vanaf 20 november 1974. Derhalve moet zijn bevordering naar een ambt van de rang A 3, hetwelk bij de kennisgeving van vacature van 4 oktober 1976 in ontwerp aan het personeel werd aangekondigd, als nietig worden beschouwd, daar betrokkene toen nog geen diensttijd van twee jaar in de rang A 4 had.
Zodanig betoog achten wij zowel verwarrend als kleingeestig.
Het middel is allereerst feitelijk niet gegrond, want de minimum diensttijd van dé heer Leonardi in rang A 4 moet niet worden bepaald naar de dagtekening der kennisgeving van vacature, maar naar de datum zijner bevordering welke op zijn vroegst bij besluit van de Commissie van 20 december 1976 plaats vond.
Met andere woorden: zelfs al zou de heer Leonardi pas op 20 november 1974 A 4 zijn geworden, dan had hij wel degelijk twee jaar anciënniteit in die rang op de datum van zijn bevordering.
Maar er is meer: betrokkene werd bij besluit van 2 december 1974 in de rang A 4 benoemd met terugwerkende kracht tot 1 januari 1974.
Terwijl het Statuut bevordering met terugwerkende kracht niet uitdrukkelijk verbiedt, is deze bevordering in overeenstemming met de praktijk welke algemeen wordt gevolgd, althans wat de bevordering binnen een zelfde loopbaan betreft.
Deze praktijk, aldus de Commissie, wordt verklaard uit het feit dat, zo de voor de bevorderingen nodige kredieten in beginsel aan het begin van ieder begrotingsjaar beschikbaar zijn, hun juiste bedrag eerst in de loop van dat jaar bekend wordt. Het is dus normaal dat, wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag in de loop van een jaar tot de bevorderingen besluit die het desbetreffende hoofdstuk der begroting toelaat, het tegelijkertijd de datum van ingang dier bevorderingen op 1 januari van het begrotingsjaar bepaalt.
Daar deze praktijk zonder onderscheid op alle voor bevordering in aanmerking komende en in de loop van het jaar werkelijk bevorderde ambtenaren wordt toegepast, blijft het gelijkheidsbeginsel in acht genomen.
Het middel kan derhalve niet slagen.
Wij concluderen tot verwerping van het beroep met bepaling dat ieder der partijen haar eigen kosten zal dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy