CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 16 FEBRUARI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De in de onderhavige prejudiciële procedure gestelde vragen hebben be trekking op de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief en in het bijzonder van hoofdstuk 78 inzake lood. In wezen gaat het erom een criterium te vinden voor de afbakening van het begrip ruw lood ten opzichte van het begrip afvallen van lood.
Allereerst een samenvatting van de feiten. In mei 1974 voerde de firma Blei-industrie te Hamburg vanuit Denemarken een partij metalen staven in, welke door middel van smelting uit letterafval waren vervaardigd en voor ongeveer 84 % bestonden uit lood, voor 4 % uit tin en voor 12 % uit antimoon. Nieuwe staven van deze legering worden bij drukkerijen gebruikt in letterzetmachines, zoals „linotypes”. Soms smelten de drukkerijen zelf de gebruikte letters om tot staven voor hun linotypes. Doch door veelvuldig gebruik voor het drukken wordt het materiaal verontreinigd, zodat het op een gegeven ogenblik niet meer geschikt is om zonder voorafgaande raffinering in de drukkerij te worden omgesmolten voor de vervaardiging van drukletters.
De bovengenoemde uit Denemarken ingevoerde staven waren nu het restant van typografisch smeltmateriaal dat te-zeer was verontreinigd om nog rechtstreeks in de drukkerijen te worden gebruikt.
Een maand later voerde de firma Blei-industrie uit de Verenigde Staten een aantal staafstukken van dezelfde legering in, welke echter niet waren verontreinigd; het ging hier om nieuwe staven voor potvulling die per ongeluk waren gebroken.
De Duitse douaneautoriteiten deelden deze produkten in onder tariefpost 78.01-A-II, omvattende ruw lood dat niet minstens 0,02 gewichtspercenten zilver bevat. Na tegen dit besluit tevergeefs verzet te hebben gedaan bij het Hauptzollamt Hamburg-Waltershof, kwam de firma in beroep bij het Finanzgericht Hamburg. Zij wenste de betrokken produkten te zien ingedeeld onder letter B van tariefpost 78.01, welke betrekking heeft op resten en afvallen van lood. Volgens verzoekster verhindert de om-smelting van gebruikte en voor automatische potvulling verder ongeschikte druk letters niet de aldus verkregen staven in te delen als afval van lood, aangezien zowel de staaf zelf als het materiaal waaruit deze bestaat, zonder raffinering onbruikbaar zijn voor drukkerijdoeleinden. Trouwens, ook de nieuwe gebroken staven moeten eerst worden omgesmolten alvorens in de gietmachine te kunnen worden gebracht. In beide gevallen dient volgens betrokkene derhalve te worden gesproken van „afval” en niet van „ruw materiaal”.
Volgens het Duitse douanekantoor daarentegen is het onderscheid tussen de onderverdelingen 78.01-A en 78.01-B enkel gelegen in de uiterlijke vorm van de waar. Daarom is het omsmelten in staven van de uit Denemarken ingevoerde drukletterresten voldoende om dit materiaal niet meer te beschouwen als „afvallen”. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt niet of het douanekantoor een andere redenering heeft gevolgd voor de uit de Verenigde Staten ingevoerde stukken nieuwe staaf, die ook duidelijk het uiterlijk hadden van staafstukken ontstaan door breuk.
In het kader van dit geschil heeft het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 25 augustus 1977, ingeschreven ter griffie van het Hof op 14 september 1977, krachtens artikel 177, tweede alinea, van het EEG-Verdrag de volgende vragen gesteld:
„1.
Worden onder post 78.01-A ook versmolten afvallen van lood begrepen, die de vorm hebben van een — niet meer bruikbare — zetmachine-staaf voor automatische potvulling?
2.
Worden onder post 78.01-A ook gebroken zetmachinestaven begrepen of moeten deze worden ingedeeld onder de posten 78.01-B of 78.02?”
2.
Zoals gezegd, bestaan de betrokken produkten uit een legering van verschillende metalen; derhalve dient te worden verwezen naar de regel van aantekening 3b onder afdeling XV van het gemeenschappelijk douanetarief, welke betrekking heeft op legeringen, andere dan ferrolegeringen en cuprolegeringen, omschreven in de hoofdstukken 73 en 74, en welke als volgt luidt: „Andere legeringen van onedele metalen worden ingedeeld als legeringen van het metaal, waarvan het gewichtspercentage dat van elk der andere metalen van die legeringen overtreft”.
Bij beide onderhavige waren is het gewichtspercentage in lood duidelijk hoger dan dat van de andere elementen. Het lijdt dan ook geen twijfel dat zij moeten worden ingedeeld onder hoofdstuk 78 van het gemeenschappelijk douanetarief, dat juist betrekking heeft op lood. De vraag is alleen welke posten van dit hoofdstuk in casu in aanmerking kunnen komen.
Partijen hebben in het hoofdgeding alleen gesproken over de indeling van de betrokken waren onder post 78.01. Het Finanzgericht heeft in zijn tweede vraag echter ook tariefpost 78.02 in aanmerking genomen, welke betrekking heeft op „staven, profielen en draad, massief, van lood”.
De term „staven van lood” schijnt inderdaad te passen bij de onderhavige produkten. Echter, in aantekening 1b van hoofdstuk 78 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt het begrip staven en profielen van tariefpost 78.02 aldus gedefinieerd: „Massieve produkten, gewalst, getrokken, geperst of gesmeed, waarvan de grootste afmeting der dwarsdoorsnede 6 mm overtreft en waarvan, voor zover het vlakke produkten betreft, de dikte één tiende van de breedte overtreft. Als staven en profielen worden eveneens aangemerkt, gegoten of gesinterde produkten met dezelfde vormen en afmetingen, welke verder zijn bewerkt dan enkel grof afgebraamd”. Volgens de Commissie hebben staven die zijn vervaardigd door omsmelting van oude drukletters, geen enkele oppervlaktebehandeling ondergaan, zodat deze niet kunnen worden ingedeeld onder tariefpost 78.02.
Bovendien zij opgemerkt dat de verwijzende rechter tariefpost 78.02 alleen heeft genoemd in verband met de gebroken staven. Het lijkt mij duidelijk dat stukken staaf niet onder deze tariefpost kunnen worden gebracht, indien, zoals de Commissie meent en ook aannemelijk is, dezelfde ongebroken en niet verontreinigde staven niet daaronder konden vallen, omdat deze na het smelten geen enkele nadere bewerking hebben ondergaan.
De indeling van de betrokken waren dient derhalve te worden opgelost binnen de tariefpost 78.01. Het alternatief blijft dan: ruw lood of afvallen van lood? Overeenkomstig de strekking van de vragen van het Finanzgericht lijkt het mij echter nuttig duidelijker dan partijen onderscheid te maken tussen het produkt dat wordt verkregen door omsmelting van oude druklétters tot staven (het uit Denemarken ingevoerde produkt) en de stukken nieuwe zetmachinestaven (het uit de Verenigde Staten ingevoerde produkt).
Hoewel de twee produkten immers zijn samengesteld uit een legering van dezelfde metalen, verschillen zij toch in belangrijke mate zowel in chemische samenstelling, aangezien alleen het eerste is verontreinigd doordat het lettermateriaal waaruit het bestaat langdurig voor drukwerk is gebruikt, alsook wat betreft de gebruiksmogelijkheden: weliswaar gaat het in beide gevallen om een legering voor drukkerijdoeleinden, doch het eerste produkt is hiervoor niet bruikbaar zonder voorafgaande raffinering, terwijl het tweede produkt slechts hoeft te worden omgesmolten voor de vervaardiging van nieuwe gehele zetmachinestaven.
Voor beide produkten dient derhalve de bovengenoemde tariefindelingsvraag afzonderlijk te worden onderzocht.
3.
Allereerst zal ik ingaan op de indeling van de door omsmelting van drukletters vervaardigde staven die wegens de mate van verontreiniging zonder voorafgaande raffinering niet verder bruikbaar zijn voor de „voeding” van gieterijmachines.
De Commissie wil aannemen dat gebruikte drukletters loodafvallen vormen, doch de door de enkele smelting hiervan verkregen staven dienen alleen op grond van hun uiterlijke vorm te worden ingedeeld als „ruw lood”; deze staven presenteren zich immers noch als oud materiaal noch als opnieuw te gebruiken materiaal. Wanneer de letters eenmaal zijn gesmolten, is er sprake van reeds herwonnen metaal. Volgens de Commissie is het niet van belang dat het aldus herwonnen metaal niet rechtstreeks zonder voorafgaande raffinage kan worden gebruikt voor de vervaardiging van nieuwe drukletters met linotypes. Daar het betrokken produkt een staafvorm heeft, kan het volgens de Commissie worden beschouwd als ruw lood en niet als afval; ook is niet van belang dat de betrokken metaallegering niet rechtstreeks kan worden gebruikt voor het doel waarvoor zij is bestemd.
Wanneer men echter geen enkele betekenis hecht aan het criterium van de objectieve bestemming van het produkt, dan gaat men mijns inziens voorbij aan aantekening nr. 6 van de reeds genoemde afdeling XV van het gemeenschappelijk douanetarief, waarin wordt bepaald: „als, resten en afvallen van metaal of van werken van metaal' worden aangemerkt, resten en afval, welke uitsluitend geschikt zijn voor bet recupereren van het metaal, dan wel om daaruit chemicaliën te vervaardigen”.
Ongetwijfeld zijn de betrokken staven bestemd voor recuperatie van het metaal. Anderzijds wordt volgens de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel op tariefpost 73.03 een metaal over het algemeen juist door smelting gerecupereerd. Dit houdt echter niet in dat bij elke smelting van afvallen het recuperatieproces ten einde is. Dit is zeker niet het geval, wanneer — zoals in casu — het door smelting van oude druklet ters verkregen metaal evenals die letters niet geschikt zijn voor gebruik in de drukkerij, en de recuperatie nog. een aanvullende chemische bewerking verlangt.
Bovendien bedenke men dat de toelichtingen van Brussel met betrekking tot post 73.03 volgens de toelichtingen bij post 78.01„mutatis mutandis” van toepassing zijn op afvallen van lood, d.w.z. rekening houdend met de verschillen die zich kunnen voordoen. Het is nu geenszins zeker dat de smelting van afvallen van lood zoals hier bedoeld, zonder meer kan worden gelijkgesteld met het smelten van afvallen van ijzer of van staal, waarop genoemde aantekening bij post 73.03 betrekking heeft. Wellicht zal een door smelting van ijzer- of staalafvallen verkregen staaf kunnen dienen voor doeleinden waarvoor het oorspronkelijke afval niet geschikt was, doch wij weten dat er in dit opzicht geen enkel verschil bestaat tussen de oude drukletters waarom het hier gaat, en de door smelting daarvan verkregen staven, die als zodanig ongeschikt zijn voor gebruik in de drukkerij.
4.
Het is de vraag of een opmerkelijk precedent uit de rechtspraak van Uw Hof — arrest van 16 december 1976 in de zaak 38/76, Luma (Jurisprudentie 1976, blz. 2028) — argumenten vóór of tégen het criterium van de bestemming van het produkt voor een bepaald gebruik oplevert. In die zaak ging het om de omvang van het begrip ferrolegeringen in tariefpost 73.02. De verwijzende rechter had gevraagd of de uitdrukking „ferrolegeringen” slechts sloeg op produkten vervaardigd uit nieuwe metalen of ertsen, of ook op omgesmolten materialen welke voldoen aan de vereisten van de aantekening bij hoofdstuk 73. Het Hof maakte uit dat het douanetarief omwille van de rechtszekerheid en een gemakkelijke controle „in het algemeen en bij voorkeur” gebruik maakt van indelingscriteria gebaseerd op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten, die bij inklaring geverifieerd kunnen worden. Het Hof gaf dus de voorrang aan de samenstelling van de waar en overwoog dat indien een produkt vanwege zijn samenstelling onder een bepaalde tariefpost kan worden gebracht, er geen grond bestaat voor een beroep op. andere methoden, welke volgens de regels betreffende de uitlegging van de Nomenclatuur slechts dienen te worden toegepast voor goederen welke onder geen tariefpost vallen. Hiermee sluit het Hof niet de mogelijkheid uit rekening te houden met de fabricagewijze of de bestemming van het produkt (het Hof wijst er integendeel op dat het douanetarief soms verwijst naar een van beide mogelijkheden), doch het stelt toch het criterium van de materiële samenstelling van de waren voorop, althans voorzover hiermee het indelingsprobleem kan worden opgelost.
In het onderhavige geval echter geeft het criterium van de materiële samenstelling van de waren geen doeltreffende oplossing. De gebruikte drukletters die ongetwijfeld het karakter van afval hebben, bevatten hetzelfde metaalgehalte als de door smelting daarvan vervaardigde stayen en de nog niet gebruikte zetmachinestaven. Indien voorts ook rekening wordt gehouden met de verontreiniging, blijkt hieruit duidelijk dat de betrokken staven identiek zijn met de afval waaruit ze zijn gemaakt, en dat er een duidelijk verschil bestaat met nieuwe staven.
Mijns inziens dient echter vooral belang te worden gehecht aan het criterium van de bestemming der waren, dat ten grondslag ligt aan de genoemde aantekening nr. 6 van afdeling XV van het gemeenschappelijk douanetarief.
Wij weten dat de betrokken legering (lood, antimoon en tin in de bovengenoemde verhouding) als zodanig uitsluitend geschikt is voor drukkerijgebruik. Ook weten wij dat de staven die zijn vervaardigd door smelting van gebruikte drukletters welke niet meer geschikt zijn voor rechtstreeks gebruik in de drukkerij wegens de verontreiniging ervan, materieel niet verschillen van de oude letters waaruit zij zijn gemaakt. Deze laatste worden immers uitsluitend met het oog op een gemakkelijker vervoer omgesmolten tot staven, doch het materiaal behoudt dezelfde eigenschappen. Of dit nu de vorm heeft van een aantal loden zetregels, dan wel of deze stukken zijn samengeperst of, zoals in casu, samengesmolten tot staven, het gaat altijd om gebruikt materiaal, waarvan de eindbestemming door de aard van de legering de drukkerij is, zij het eerst na smelting — in de twee eerste gevallen — en in elk geval na raffinering. Kortom, het gaat in al deze gevallen (losse drukletters, tot blokken samengeperste letters, tot staven omgesmolten letters), om materialen „welke uitsluitend geschikt zijn voor het recupereren van het metaal”, overeenkomstig de in genoemde aantekening nr. 6 van afdeling XV gegeven definitie van afval. Op grond van het aan deze definitie ten grondslag liggende criterium van de bestemming van het produkt tot een bepaald gebruik dienen de betrokken staven derhalve als afval te worden beschouwd.
5.
Wat voert de Commissie nu tegen deze stelling aan? Volgens haar kan de betrokken waar alleen daarom niet als afval worden ingedeeld omdat zij zich presenteert in de vorm van staven en niet in de van de delen die hebben gediend voor de vervaardiging ervan. Uiterlijk heeft het betrokken produkt dezelfde vorm als de staven die worden gebruikt voor „voeding” van de zetmachines. Kan echter de bedoeling om het werk van de douane te vergemakkelijken, wel rechtvaardigen dat elke mogelijkheid om de tariefindeling te baseren op de intrinsieke, objectief te toetsen eigenschappen en kenmerken van het produkt wordt uitgesloten en dat uitsluitend wordt afgegaan op de uiterlijke kenmerken?
Hoewel de uiterlijke vorm ongetwijfeld van belang is, mag hieraan toch geen zo overwegend belang worden toegekend, alsof dit het belangrijkste kenmerk is van een produkt als het onderhavige. De bedoeling om het werk van de douane te vergemakkelijken, mag niet zover gaan dat de uiterlijke vorm prevaleert boven de werkelijke hoedanigheid van het produkt, ook daar waar die hoedanigheid makkelijk kan worden bewezen. Zulks temeer omdat, zoals verzoeksters advocaat ter terechtzitting heeft opgemerkt, het dan voor de betrokkenen niet moeilijk zou zijn de waar de vorm van „afval” te laten behouden, zij het ook in samengeperste vorm ter wille van het transportgemak.
Doordat de betrokken staven verontreinigd zijn, hetgeen uitsluitend te wijten is aan het herhaald gebruik in de drukkerij, onderscheiden zij zich duidelijk van nieuwe drukkerijstaven en meer in het algemeen van de niet geraffineerde grondstof, welke in geen geval dit soort verontreinigingen die ontstaan door het gebruik van het materiaal als drukletters, dus als eindprodukt, zou kunnen vertonen. De Commissie ontkent niet dat bij analyse de aanwezigheid van deze verontreiniging objectief aantoont dat de betrokken staven oorspronkelijk oud drukkerijmateriaal waren; zij betwist evenmin dat de mate van verontreiniging waardoor het materiaal ongeschikt is geworden voor zijn oorspronkelijke bestemming, kan worden bepaald aan de hand van objectieve criteria. In geval van twijfel is het betrokken produkt door een eenvoudige analyse te bepalen, ook wanneer dit eenzelfde vorm heeft als zetmachinestaven voor automatische potvulling.
Ik moge hier wijzen op Uw arrest van 12 december 1973 in de zaak 149/73, Witt (Jurisprudentie 1973, blz. 1587), waarin U overwoog dat de gelijkheid van bepaalde waren niet wegneemt dat men op grondslag van andere objectieve factoren die ten tijde van de inklaring kunnen worden bewezen, tot een ver schillende behandeling kan komen. In dat geval verwees Uw Hof in het bijzonder naar de certificaten van oorsprong, ten bewijze dat het hier ging om vlees van wilde rendieren en niet van gedomesticeerde rendieren. A fortiori kan dan worden verwezen naar certificaten met de analyseresultaten over de samenstelling van een produkt en eventueel ook naar rekeningen waaruit de marktwaarde van het produkt blijkt.
De uiterlijke vorm, waarop de Commissie afgaat, lijkt mij derhalve een te oppervlakkig criterium om hier te kunnen hanteren. Hoogstens ware te aanvaarden dat de douaneautoriteiten prima facie van dit criterium gebruik maken om praktische redenen, zulks echter met behoud van de mogelijkheid voor de importeur om een tegenbewijs te leveren, naar analogie met hetgeen in genoemd arrest 149/73 is gezegd met betrekking tot de tariefindeling van kariboevlees.
6.
Rest dan nog de vraag hoe de uit de Verenigde Staten ingevoerde stukken gebroken zetmachinestaaf dienen te worden ingedeeld. Volgens de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel betreffende tariefpost 78.01 worden onder andere als afvallen beschouwd de produkten welke onbruikbaar zijn geworden voor hun oorspronkelijk doel als gevolg van het breken. Naar het schijnt, zou deze waar dus ook moeten worden ingedeeld onder post 78.01-B. De Commissie is echter van mening dat de genoemde definitie alleen geldt, wanneer het gehele produkt is bewerkt met het oog op een bepaald gebruik en hiervoor niet meer kan worden gebruikt als gevolg van breuk. In het onderhavige geval daarentegen zou de nieuwe, ongebroken zetmachinestaaf in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief eenvoudig worden ingedeeld als ruw lood (hierboven heb ik uiteengezet waarom de indeling als loden staven is uitgesloten).
Dit vooropgesteld, zou men kunnen menen dat het feit dat een metaal niet de vorm heeft van hele staven doch van stukken staven, niet van invloed kan zijn op de aard van het ruwe metaal. Ik heb echter reeds gewezen op het belang van de bestemming ook voor de betrokken staven, die een legering hebben waardoor zij alleen geschikt zijn voor gebruik in de drukkerij. Dit feit van de samenstelling en van de daaruit voortvloeiende gebruiksbestemming lijkt mij sterker dan het argument dat het produkt niet voldoende zou zijn bewerkt om het geschikt te maken voor een specifiek gebruik. Van de andere kant heb ik ook reeds uiteengezet dat één van de onderscheidende kenmerken van afval is dat het moet worden gesmolten (ook al is smelting alleen soms niet voldoende) alvorens opnieuw te kunnen worden gebruikt. Dit geldt zeker voor stukken loden drukkerijstaven, welke alleen kunnen dienen als voeding voor linotypes, nadat zij zijn omgesmolten tot gehele staven (welverstaan zonder dat een raffinering noodzakelijk is). Al bij al, zie ik derhalve minstens twee gronden om de aanwijzing van de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel met betrekking tot tariefpost 78.01 te volgen.
7.
Samenvattend concludeer ik dat op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 25 augustus 1977 gestelde vragen om uitlegging worde geantwoord:
1.
Door omsmelting van resten drukkerijlegering verkregen staven, die wegens een steeds verdere verontreiniging als gevolg van herhaald gebruik voor de drukkerij, niet meer rechtstreeks kunnen worden gebruikt als voeding voor automatische potvulling, dienen te worden beschouwd als afvallen van lood in de zin van tariefpost 78.01-B;
2.
Gebroken zetmachinestaven van lood dienen eveneens te worden beschouwd als afvallen van lood in de zin van tariefpost 78.01-B.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy