CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 29 JUNI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in deze zaak, Claude Jaquemart, is een gewezen ambtenaar van de Commissie. Hij trad in november 1966 in dienst in de rang A 3 en werd in maart 1972 bevorderd tot de rang A 2. Bij brief van 25 maart 1976 (bijlage 1 bij het verweerschrift) vroeg hij de Commissie, overeenkomstig artikel 48 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ontslag per 1 september 1976. Hij schijnt dit gedaan te hebben, omdat hij om persoonlijke redenen wilde terugkeren in de overheidsdienst van zijn eigen land, de Franse Republiek. Momenteel is hij werkzaam bij de Direction Générale des Douanes te Parijs.
Artikel 48 bepaalt, voor zover hier van belang:
„Ontslag op verzoek wordt slechts verleend, indien de ambtenaar schriftelijk de ondubbelzinnige wens te kennen geeft zijn werkzaamheden bij de instelling definitief te beëindigen.
Het besluit waarbij het ontslag wordt verleend, dient door het tot aanstelling bevoegde gezag binnen een maand na ontvangst van de ontslagaanvraag te worden genomen . . .
Het ontslag wordt van kracht op de door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgestelde datum; deze datum kan niet worden gesteld op een tijdstip dat, . . ., meer dan drie maanden, … na de door de ambtenaar in de ontslagaanvraag voorgestelde datum valt.”
Bij besluit van 29 april 1976 aanvaardde de Commissie het ontslag van Jacquemart per de door hem voorgestelde datum, 1 september 1976 (bijlage 2 bij het verweerschrift). Hij werd bij brief van 25 mei 1976 van het besluit in kennis gesteld (bijlage 3 bij het verweerschrift).
Voor de ambtenaren van de Gemeenschap geldt een pensioenregeling die is neergelegd in bijlage VIII bij het Statuut. Artikel 12 van deze bijlage voorziet in bepaalde betalingen aan ambtenaren in de positie van Jacquemart, dat wil zeggen ambtenaren die de 60-jarige leeftijd nog niet hebben bereikt en wier dienst anders dan door overlijden of wegens invaliditeit eindigt, zonder dat zij aanspraak kunnen maken op ouderdomspensioen of gebruik kunnen maken van één van de regelingen voor overdracht van pensioenrechten. Bedoelde bepalingen omvatten ingevolge artikel 12, sub c, „een uitkering bij vertrek evenredig aan de werkelijk volbrachte diensttijd na het in werking treden van het Statuut, berekend op basis van anderhalve maand van het laatste aan inhouding onderworpen basissalaris per dienstjaar . . .” voor amtenaren die niet „tuchtrechtelijk” zijn ontslagen.
In de tijd dat het ontslag van Jacquemart werd verzocht en verleend, waren de basissalarissen voor de ambtenaren van de Gemeenschap vastgelegd in artikel 66 van het Statuut, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening van de Raad (EEG, Euratom, EGKS) nr. 3191/74 van de Raad van 17 december 1974. Tezelfdertijd golden „aanpassingscoëfficiënten” welke door de Raad zouden zijn vastgesteld ingevolge artikel 65, lid 2, van het Statuut. De aanpassingscoëfficiënt voor België, waar Jacquemart werkte, was 148,7 — zie verordening van de Raad (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2998/75 van 17 november 1975 —. Deze situatie was in overeenstemming met het bekende „systeem” dat op 21 maart 1972 voor een proefperiode van drie jaar door de Raad was aanvaard en dat in de zaak 81/72, Commissie t. Raad (Jurispr. 1973, blz. 575) en opnieuw in de zaak 70/74, Commissie t. Raad (Jurispr. 1975, blz. 795) aan het oordeel van het Hof werd onderworpen. Volgens dit systeem zouden de inkomens van de ambtenaren der Gemeenschap telkens aldus worden aangepast dat de algemene stijging van het reële inkomensniveau in de Gemeenschap, en met name van de toegenomen koopkracht van ambtenaren in de Lid-Staten, zou worden verwerkt in de basissalarissen, terwijl wijzigingen in de kosten van levensonderhoud zouden worden verwerkt door middel van aanpassingscoëfficiënten.
Op grond van de ervaring met dit proefsysteem stelde de Raad op 29 juni 1976 een nieuwe methode vast voor de aanpassing van de ambtenarensalarissen. Deze nieuwe methode werd nader uiteengezet in een speciaal „interinstitutioneel” nummer van de „Personeelskoerier” (bijlage 7 bij het verzoekschrift). Voor ons is het belangrijkste punt van de nieuwe methode, dat de Raad op grond van het in artikel 65, lid 1, van het Statuut voorgeschreven jaarlijkse onderzoek een besluit zou nemen tot aanpassing van de basissalarissen van artikel 66 met dien verstande dat de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg steeds 100 zou zijn en dat in de aanpassingscoëfficiënten van de overige landen de verhouding tot uitdrukking zou komen tussen de indexcijfers van de kosten van levensonderhoud in die landen ten opzichte van het indexcijfer in Brussel — zie afdeling II onder 6, punt c, van de desbetreffende publikatie. Onder II, punt 6, sub d, wordt bepaald dat het besluit van de Raad „van kracht wordt op 1 juli van het jaar waarin het einde valt van de referentieperiode die wordt gebruikt voor het onderzoek naar het bezoldigingspeil van de ambtenaren”. Onder III en IV wordt bepaald:
„III — Tussentijdse aanpassing van de bezoldigingen (Artikel 65, lid 2, van het Statuut)
Indien de Raad, op een voorstel van de Commissie, dat is gebaseerd op artikel 65, lid 2, van het Statuut, besluit om de bezoldigingen aan te passen in verband met een aanzienlijke stijging van de kosten van levensonderhoud in één of meerdere landen, geschiedt dit door wijziging van de betrokken aanpassingscoëfficiënt of -coëfficiënten. Deze aanpassingen worden in mindering gebracht bij het besluit in het kader van het volgende jaarlijkse onderzoek.
IV — Overgangs- en slotbepalingen
Bij het jaarlijkse onderzoek naar het bezoldigingspeil voor de referentieperiode van 1 juli 1975 tot en met 30 juni 1976 wordt de huidige aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg verwerkt in de salarisschalen op de wijze als omschreven in afdeling II, punt 6, sub c; de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg zal aldus 100 gaan bedragen, terwijl die voor de andere landen van tewerkstelling dienovereenkomstig worden aangepast.”
Op dezelfde dag, 29 juni 1976, stelde de Raad verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 1592/76 vast, waarin de aanpassingscoëfficiënten met terugwerkende kracht tot 1 januari 1976 werden aangepast. De aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg werd daarbij met terugwerkende kracht verhoogd tot 157,8.
Na het jaarlijkse onderzoek over de referentieperiode 1 juli 1975 tot en met 30 juni 1976 stelde de Raad op 21 december 1976 verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 3177/76 vast „houdende aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen”. In tegenstelling tot wat men volgens de uiteenzetting van de „nieuwe methode” in afdeling IV van de publikatie zou verwachten, werd in verordening nr. 3177/76 de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg niet per 1 juli 1976 maar pas per 1 januari 1976 opgenomen in de salarisschalen. Weliswaar werden voor de periode 1 juli 1976 tot en met 31 december 1976 nieuwe salarisschalen ingevoerd, maar de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg bleef 157,8. Deze salarisschalen werden per 1 januari 1977 weer vervangen door nieuwe, waarin de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg was verwerkt en bijgevolg werd teruggebracht tot 100. Dit resulteerde uiteraard in een forse verhoging van de basissalarissen. Zo steeg het maandelijkse basissalaris van een ambtenaar in de rang A 2, salaristrap 3, zoals Jacquemart, van BFR 107412 tot BFR 182735.
Jacquemart schreef de Commissie op 13 januari 1977 dat het zijns inziens onbillijk was zijn uitkering bij vertrek te berekenen op basis van zijn laatste basissalaris zonder toepassing van enige aanpassingscoëfficiënt. Desalniettemin baseerde de Commissie de definitieve berekening van zijn uitkering bij vertrek, blijkens een document van 27 januari 1977 (bijlage 6 bij het verzoekschrift), op zijn laatste basissalaris van BFR 107412 per maand zonder aanpassingscoëfficiënt. In een brief van 14 februari 1977 liet het lid van de Commissie, verantwoordelijk voor personeelszaken, aan Jacquemart weten dat de berekening van de Commissie gehandhaafd moest blijven, daar het Statuut geen mogelijkheid bood om bij de berekening van een uitkering bij vertrek een aanpassingscoëfficiënt toe te passen.
Op 22 februari 1977 diende Jacquemart bij de Commissie een formele klacht ex artikel 90, lid 2, van het Statuut in over de wijze waarop zijn uitkering bij vertrek was berekend (bijlage 2 bij het verzoekschrift).
Op 25 februari 1977 richtte hij tot de voorzitter van de Raad een schriftelijk verzoek om hetzij verordening nr. 3177/76 te wijzigen hetzij de Commissie te kennen te geven dat, met betrekking tot het „besluit” van 29 juni 1976, artikel 12, sub c, van bijlage VIII bij het Statuut aldus moet worden gelezen dat over de tijd van 1 juli 1976 tot 1 januari 1976 bij de berekening van de uitkering bij vertrek de voor het desbetreffende basissalaris geldende aanpassingscoëfficiënt moet worden toegepast (bijlage 3 bij het verzoekschrift). Op deze brief antwoordde de secretaris-generaal op 15 maart 1977 in het kort gezegd, dat de zaak, onder de gegeven omstandigheden geheel ter beoordeling van de Commissie stond (bijlage 4 bij het verzoekschrift).
Op 12 juli 1977 (dus na afloop van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van vier maanden) verzond de Commissie aan Jacquemart een gemotiveerde afwijzing van diens klacht (bijlage 1 bij het verzoekschrift).
Op 22 september 1977 maakte Jacquemart het onderhavige geding aanhangig zowel tegen de Commissie als, voor zover nodig, tegen de Raad. Bij beschikking van 18 januari 1978 verklaarde het Hof het tegen de Raad gerichte beroep niet-ontvankelijk. De zaak wordt alleen tegen de Commissie voortgezet.
Jacquemart vordert in hoofdzaak het volgende:
a)
Toekenning van het verschil tussen de ontvangen uitkering bij vertrek en een uitkering bij vertrek berekend met inachtneming van de aanpassingscoëfficiënt 157,8 door toepassing hiervan hetzij op zijn laatste basissalaris hetzij op de uitkering bij vertrek zelf;
b)
toekenning van moratoire interessen ad 6 % 's jaars vanaf 21 januari 1977 (de datum van de betwiste berekening) over het bedrag, in voege als bovenstaand te bepalen door het tot aanstelling bevoegde gezag (dat wil zeggen de Commissie); en
c)
terugverwijzing van de zaak naar het tot aanstelling bevoegde gezag om met inachtneming van het bovenstaande te worden afgedaan.
Jacquemart doet zijn vordering steunen op twee hoofdstellingen:
—
primair dat hij mag afgaan op het besluit van de Raad van 29 juni 1976 waaraan hij ofwel direct rechten kan ontlenen of waardoor verordening nr. 3177/76 onwettig wordt voor zover de bepalingen daarvan onverenigbaar zijn met genoemd besluit. Deze stelling wordt gebaseerd op het reeds genoemde arrest van het Hof in de zaak 81/72.
—
subsidiair dat het Statuut, los van het besluit van 29 juni 1976, aldus gelezen moet worden dat in een geval als het zijne rekening moet worden gehouden met de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg bij de berekening van de uitkering bij vertrek.
Mede gelet op de respectieve standpunten van partijen, komt het mij voor dat zich in deze zaak een fundamentele vraag voordoet over de interpretatie van de artikelen 64 en 65 van het Statuut. De vraag namelijk of, zoals de Commissie stelt, deze artikelen de Raad een volledige discretionaire bevoegdheid geven om wijzigingen in de kosten van levensonderhoud in België en Luxemburg te verwerken hetzij in de basissalarissen hetzij in de aanpassingscoëfficiënt voor deze landen, of, zoals Jacquemart stelt, dat deze artikelen de Raad de verplichting opleggen om de basissalarissen telkenjare zodanig aan te passen dat de aanpassingscoëfficiënt voor België en Luxemburg 100 blijft en slechts van 100 mag afwijken — overeenkomstig artikel 65, lid 2, — voor perioden van minder dan een jaar tussen twee jaarlijkse onderzoeken. De vraag, met andere woorden, of het experimentele systeem dat werd ingevoerd bij besluit van de Raad van 21 maart 1972 en de nieuwe me thode die bij zijn besluit van 29 juni 1976 werd ingevoerd, gelijkelijk rechtmatig zijn, of dat, integendeel, met laatstgenoemd besluit de rechtmatigheid werd hersteld.
De kern van Jacquemart's betoog is dat de derde alinea van artikel 62 van het Statuut een definitie van het begrip „bezoldiging” bevat voor de toepassing van dit Statuut. Genoemde alinea luidt:
„Deze bezoldiging omvat een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard.”
„Bezoldiging” in de enge zin des woords omvat derhalve, aldus Jacquemart, geen aanpassingscoëfficiënten; deze vormen een in artikel 64 voorziene aanvulling op de bezoldiging van de ambtenaar. Hieruit volgt dat artikel 65, lid 1, dat de Raad verplicht jaarlijks „een onderzoek in te stellen naar het bezoldigingspeil van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen”, slechts slaat op de basissalarissen, gezinstoelagen en toelagen van andere aard. De bevoegdheid van de Raad om aanpassingscoëfficiënten te wijzigen staat daar los van en vindt haar grond in artikel 64 zelf en artikel 65, lid 2.
De redenering is aantrekkelijk, niet in de laatste plaats omdat de bepalingen van artikel 12, sub c, van bijlage VIII en ook de overeenkomstige bepalingen van artikel 73, lid 2, van het Statuut betreffende uitkeringen bij overlijden en invaliditeit aldus een zinvolle werking krijgen. Een uitkering bij vertrek, overlijden of invaliditeit zou worden gerelateerd aan zijn laatste basissalaris, waarin de kosten van levensonderhoud in België en Luxemburg zijn verwerkt. Voor een ambtenaar die bijvoorbeeld de dienst bij de Gemeenschappen heeft verlaten, zou een aanpassingscoëfficiënt waarin de kosten van levensonderhoud van het land waar hij in dienst is geweest, zijn verwerkt, onjuist zijn. Op gemeenschapspensioenen wordt, ingevolge artikel 82, lid 1, van het Statuut een aanpassingscoëfficiënt toegepast, niet voor het land waar de betrokken ambtenaar heeft gewerkt, maar voor het land waar hij — of degenen die te zijnen laste komen en pensioengerechtigd zijn — verklaart zich te zullen vestigen. Dit is passend bij een lopende uitkering, zoals een pensioen dat is geïndexeerd. Maar bij een uitkering ineens zoals een uitkering bij vertrek, overlijden of invaliditeit, is dat niet het geval. De maatstaf waarnaar een dergelijke uitkering wordt berekend, moet noodzakelijkerwijs voor alle gevallen gelijk zijn en het is alleszins redelijk deze te relateren aan de kosten van levensonderhoud in België en Luxemburg, waar de overgrote meerderheid van gemeenschapsambtenaren werkt. Ik moge hier opmerken dat Jacquemart niet vraagt om zijn uitkering bij vertrek aan te passen naar de coëfficiënt voor Frankrijk, het land waarnaar hij is teruggekeerd na de Commissie te hebben verlaten.
Niettemin ben ik tot de slotsom gekomen dat verzoekers redenering indruist tegen de bewoordingen van het Statuut, in het bijzonder van de artikelen 62 tot en met 70.
Ten eerste zijn deze artikelen in het Statuut samengevat onder de afdeling „Bezoldiging”; al hetgeen in die artikelen wordt behandeld, is derhalve onder dit verzamelbegrip te brengen.
In de tweede plaats heeft de derde alinea van artikel 62 meer weg van inleidende bepaling dan van een definitie; zij luidt: „deze bezoldiging omvat een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard” en niet „voor de toepassing van dit statuut wordt onder bezoldiging verstaan, basissalaris etc. . . .”.
Ten derde bevatten de artikelen 62 tot en met 70 een aantal verwijzingen naar „bezoldiging” in contexten die het hoogst onaannemelijk maken dat met deze term alleen werd bedoeld bezoldiging vóór de toepassing van een aanpassingscoëfficiënt. Zo zegt artikel 62, tweede alinea, dat een ambtenaar van zijn recht op bezoldiging geen afstand kan doen; de tweede alinea van artikel 63 bepaalt dat de bezoldiging „wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent”; en de eerste alinea van artikel 70 bepaalt dat bij overlijden van een ambtenaar de overlevende echtgenoot of de kinderen te zijnen laste de totale bezoldiging van de overledene tot en met de derde maand na de maand van overlijden ontvangen.
Ten vierde luidt de eerste alinea van artikel 64, waarin de aanpassingscoëfficiënten voor het eerst worden genoemd, als volgt:
„Op de bezoldiging van een ambtenaar, uitgedrukt in Belgische franken, wordt, na aftrek van de verplichte inhoudingen genoemd in dit statuut of in de ter toepassing daarvan vastgestelde verordeningen, een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 % toegepast, naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling.”
Afgezien van de verwijzing naar Belgische franken als berekeningsvaluta (dit is te zien in verband met de eerste alinea van artikel 63) „De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitgedrukt in Belgische franken” kent deze bepaling België en Luxemburg geen speciale plaats toe onder de „verschillende plaatsen van tewerkstelling”. Bovendien valt uit de zinsnede dat op de bezoldiging „een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 wordt toegepast”, af te leiden dat de aanpassingscoëfficiënt in wezen niet meer is dan een factor die bij de definitieve berekening van de bezoldiging van een ambtenaar moet worden toegepast, en geenszins een extra salariselement naast en boven de bezoldiging, zoals uit de redenering van Jacquemart zou volgen.
Ten slotte bevat de tweede alinea van artikel 64, waarin eerst aan de Raad de bevoegdheid wordt toegekend om aanpassingscoëfficiënten „vast te stellen” zonder enige, voor de onderhavige vraagstelling relevante, beperking, een tweede zin die luidt:
„De aanpassingscoëfficiënt, van toepassing op de bezoldiging van ambtenaren die in de voorlopige zetels der Gemeenschappen zijn tewerkgesteld, is op 1 januari 1962 gelijk aan 100”.
Er wordt niet verder verwezen, wat men zou verwachten als de redenering van Jacquemart juist zou zijn, naar enige verplichting van de Raad om, jaarlijks of wanneer ook, terug te keren naar dit uitgangspunt.
Ik meen dan ook dat de Commissie terecht van oordeel was dat op de Raad niet een dergelijke verplichting rustte.
Het is wel een feit dat, aldus gezien, artikel 12, sub c, tot zeer willekeurige resultaten kan leiden. (Ik laat artikel 73, lid 2, verder buiten beschouwing, daar het hier niet direct om dit artikel gaat en het slechts terloops ter sprake is gekomen). Zoals deze zaak illustreert, kan het voor de hoogte van de uitkering bij vertrek van een ambtenaar een groot verschil uitmaken of zijn dienstverband eindigt in een periode waarin de Raad heeft gekozen voor aanpassing van de bezoldiging van ambtenaren door een wijziging van de basissalarissen dan wel door een wijziging van de aanpassingscoëfficiënten. De uitkering bij vertrek van een ambtenaar, die overigens in alle opzichten in dezelfde omstandigheden verkeerde als Jacquemart, maar wiens ontslag was ingegaan op of na 1 januari 1977, zou zijn berekend op een veel royalere grondslag dan op 1 september 1976 voor Jacquemart mogelijk was volgens artikel 12, sub c. Nu brengt een wetgeving waarbij de positie van deze of gene groep mensen wordt verbeterd, uiteraard mee dat zij degenen wier rechten nadien worden vastgesteld, begunstigt boven degenen die onder de oude regeling vielen. Doch discriminaties als deze zijn niet enkel te wijten aan de wijziging van de wetgeving maar aan een gebrek in het systeem zelf.
Dit gebrek werd al in 1969 door de Commissie onderkend. Op 28 maart van dat jaar legde de Commissie aan de Raad een ontwerp-verordening voor tot wijziging van het Statuut waarbij, onder meer, een alinea aan artikel 12 van bijlage VIII zou worden toegevoegd bepalend dat op uitkeringen bij vertrek de aanpassingscoëfficiënt „voor Brussel” zou worden toegepast (PB C 83 van 28 juni 1969, blz. 4 en blz. 17). Dit voorstel is door de Raad echter niet overgenomen.
Het is de vraag of de Raad bevoegd was een regeling te treffen die tot een dergelijke onbillijkheid leidde.
De bevoegdheid van de Raad om het Statuut vast te stellen, ligt besloten in artikel 24, lid 1, van het Fusieverdrag. Deze bevoegdheid is mijns inziens gebonden aan de beperkingen die de algemene beginselen van gemeenschapsrecht meebrengen. Eén dier beginselen is het zogenaamde „gelijksheidsbeginsel” of beginsel van „gelijke behandeling”. Dat dit beginsel evenzeer bij personeelsaangelegenheden als op andere terreinen geldt, is reeds uitgemaakt — zie bij voorbeeld de zaak 48/70, Bernardi t. Europees Parlement, Jurispr. 1971, blz. 175). Ik meen dat het Statuut, voor zover het de door mij beschreven onbillijkheid meebrengt, met dit beginsel in strijd is.
Dit alleen al moet tot de conclusie leiden dat Jacquemart in zijn actie behoort te slagen. Na deze bevinding acht ik het niet noodzakelijk een nader standpunt te bepalen ten aanzien van zijn eerste stelling, welke is gebaseerd op het besluit van de Raad van 29 juni 1976 en het arrest van het Hof in de zaak 81/72. Ik moet echter erkennen dat het mij moeilijk lijkt deze stelling staande te houden. Het arrest in de zaak 81/72 ging uit van het beginsel dat het „rechtmatig vertrouwen” of „rechtmatige verwachtingen” opgewekt door handelingen van een publiekrechtelijk lichaam, behoren te worden gehonoreerd. Inherent aan dit beginsel is, dat het niet kan worden ingeroepen door iemand die niet heeft gehandeld in vertrouwen op aldus opgewekte verwachtingen. In casu heeft Jacquemart zijn ontslag ingediend in maart 1976, toen het besluit van de Raad nog lang niet was genomen, laat staan gepubliceerd. Er is ook geen enkele aanwijzing dat hij vervolgens op enigerlei wijze heeft gehandeld in vertrouwen op dat besluit. Bovendien is het, zoals de Commissie heeft opgemerkt, niet helemaal duidelijk dat de Raad voornemens was zich door dit besluit vast te leggen om de „nieuwe methode” met ingang van 1 juli 1976 toe te passen.
Rest de vraag of aan Jacquemart interessen moeten worden toegekend, en zo ja, hoeveel. Hij vordert, zoals gezegd, moratoire interessen vanaf 21 januari 1977, de datum van de definitieve berekening van zijn uitkering bij vertrek.
Ten deze heeft Uw Hof krachtens artikel 91 van het Statuut „volledige rechtsmacht”. Dit betekent uiteraard niet dat U hier een arbitraire bevoegdheid hebt. Het betekent dat U ten deze een eigen rechterlijke bevoegdheid hebt uit te oefenen in overeenstemming met de door U zelf ontwikkelde beginselen.
Mijns inziens spelen hier de volgende relevante beginselen:
Moratoire interessen zijn een soort schadevergoeding die kan worden toegekend als er sprake is van verwijtbare vertraging — zie zaak 101/74, Kurrer t. Raad, Jurispr. 1976, blz. 259 (overwegingen 31 en 32 van het arrest) en zaak 115/76, Leonardini t. Commissie van16 maart 1978 (nog niet gepubliceerd). Een enkele rechtsdwaling bij de instelling die het Statuut toepast, is echter geen fout van dien aard dat zij aanleiding kan geven tot toekenning van schadevergoeding — zie zaak 23/69 Fiehn t. Commissie, Jurispr. 1970, blz. 547 en zaak 79/71, Heinemann t. Commissie, Jurispr. 1972, blz. 579. Anderzijds kan het Hof, als het een geldelijke vergoeding voor een dergelijke dwaling toekent, bevelen dat over het bedrag van die vergoeding gewone rente betaald wordt. Gewoonlijk zal het Hof dit niet doen, wanneer de vergissing is ontstaan bij de normale berekening van het maandsalaris van een ambtenaar — zie zaak 106/76, Gelders t. Commissie, Jurispr. 1977, blz. 1623. Evenmin heeft het Hof ooit rentevergoeding toegekend vanaf een datum gelegen vóór die datum waarop de betrokken ambtenaar een klacht had ingediend ex artikel 90, lid 2, van het statuut — zie zaak 11/63, Lepape t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1964, blz. 127, zaak 58/75, Sergy t. Commissie, Jurispr. 1976, blz. 1139 en de reeds genoemde zaak Leonardini t. Commissie.
In deze zaak is er geen sprake van verwijtbare vertraging zijdens de Commissie. Het lijkt mij dan ook rechtvaardig Jacquemart rente toe te kennen over de hoofdsom waarop hij recht heeft vanaf de datum van zijn formele klacht, dus 22 februari 1977 (in feite slechts een maand en een dag later dan de door hem voorgestelde datum). Het rentepercentage vormt geen punt.
Samenvattend concludeer ik:
1.
tot veroordeling van de Commissie om Jacquemart een bedrag te betalen gelijk aan het verschil tussen de aan hem in feite uitbetaalde uitkering bij vertrek en een uitkering berekend met toepassing van een aanpassingscoëfficiënt van 157,8 op zijn laatste basissalaris;
2.
tot vergoeding over dit bedrag van rente ad 6 % per jaar vanaf 22 februari 1977 tot de dag van betaling; en
3.
tot verwijzing van de Commissie in de kosten van dit geding.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy