CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 5 OKTOBER 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij verordening van de Raad nr. 1473/72 (PB L 160 van 1972) zijn nieuwe standaardfuncties, waaronder die van adjunct-secretariaatsassistent (rangen B 5/B 4), ingevoerd en in bijlage I bij het Ambtenarenstatuut opgenomen.
Nadat de begrotingsautoriteit had besloten met toepassing van deze verordening een bepaald aantal C-posten bij de Commissie in B-posten om te zetten, schreef de Commissie in juli 1976 het intern vergelijkend onderzoek COM/BS/ 14/75 uit voor de vorming van een reserve van adjunct-secretariaatsassistenten in de loopbaan B 5/B 4. Selectie zou plaatsvinden op basis van schriftelijke bewijsstukken en eventueel — zo de jury hiertoe zou besluiten — op basis van een examen; tot dit laatste echter is het uiteindelijk niet gekomen. In de aankondiging waren zowel de toelatingsvoorwaarden aangegeven, te weten einddiploma's en beroepservaring, als enige factoren die de jury bij de opstelling van de lijst van geschikte kandidaten in aanmerking moest nemen.
Voor dit onderzoek kwamen 775 sollicitaties binnen. Tussen 22 september en 8 oktober 1976 werd, overeenkomstig het Statuut, een uit twee leden en een voorzitter bestaande jury gevormd. Deze ging allereerst na welke sollicitanten aan de toelatingsvoorwaarden voldeden. Dat waren — zoals blijkt uit een lijst van 13 oktober 1976 — 550 kandidaten, waaronder ook alle verzoeksters in het onderhavige geding met uitzondering van Wilhelmina Scheffelaar. Op 13 oktober 1976 benoemde de jury ook — en dit is het eerste punt van geschil in dit geding — een raad van bijzitters bestaande uit een voorzitter en tien leden — vijf van de zijde van de instelling en vijf van personeelszijde —, die bij de uitvoering van het onderzoek behulpzaam moest zijn. Deze bijzitters — op details over de vaststelling van de criteria en het door de jury uitgeoefende toezicht ga ik later in — onderzochten de binnengekomen sollicitaties allereerst volgens de zogenaamde objectieve criteria, zoals leeftijd, anciënniteit, einddiploma's en salarisgroep. Zoals begin november aan de jury werd meegedeeld, konden 247 sollicitanten op grond van deze criteria in aanmerking komen. Daarop aansluitend vond een onderzoek naar de „beroepskwaliteit” plaats. Hierbij speelden de persoonsdossiers en met name de krachtens artikel 43 van het Ambtenarenstatuut opgestelde rapporten een rol. Bovendien werd — ook dit is een punt van geschil in dit geding — bij de directoraten-generaal en de diensten waartoe de verschillende sollicitanten behoorden, navraag gedaan. Dit alles leidde tot een ontwerp-lijst van geschikte kandidaten welke, tezamen met een verslag van 2 december 1976, op 6 december 1976 aan de jury werd gestuurd. Nadat op 6, 7 en 8 december 1976 een afsluitend onderzoek had plaatsgevonden, deed de jury het tot aanstelling bevoegde gezag op 10 december 1976 een rapport over het vergelijkend onderzoek toekomen alsmede een lijst van geschikte kandidaten waarop de namen van 114 sollicitanten voorkwamen. Hiervan werden er 109 in november 1977 in de rang B 5 benoemd.
Daar verzoeksters niet op de lijst van geschikte kandidaten waren geplaatst, dienden zij in maart 1977 een formele klacht in bij het tot aanstelling bevoegde gezag. Zij eisten intrekking van het besluit van de jury tot vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten en van de benoemingsbesluiten die het tot aanstelling bevoegde gezag op basis van deze lijst had genomen. Nadat hun klacht bij schrijven van 12 juli 1977 was afgewezen, wendden zij zich op 10 oktober 1977 tot het Hof met verzoek
—
het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/BS/14/75 tot vaststelling van een lijst van geschikte kandidaten, nietig te verklaren
—
de door het tot aanstelling bevoegde gezag op grond van genoemde lijst genomen besluiten tot benoeming van adjunct-secretariaatsassistenten, nietig te verklaren.
Mijn standpunt ten aanzien van deze vorderingen is het volgende.
I —
Allereerst moet worden ingegaan op de ontvankelijkheidsvraag met betrekking tot het beroep van Scheffelaar.
De Commissie wijst in dit verband op het reeds genoemde feit dat zij niet tot de toegelaten sollicitanten behoorde. Het beroep blijkt echter niet tegen de toelatingsfase, maar slechts tegen de daarop volgende selectieprocedure van toegelaten sollicitanten te zijn gericht. Zo gezien kan men niet zeggen dat Scheffelaar enig belang bij haar beroep heeft, want zelfs als het beroep mocht slagen en de, in een later stadium in de procedure tot stand gekomen, lijst van geschikte kandidaten zou worden vernietigd, dan nog zouden haar getuigschriften niet getoetst kunnen worden.
Scheffelaar stelt daartegenover dat zij al op 5 november 1976 een klacht heeft ingediend omdat zij niet tot het vergelijkend onderzoek was toegelaten. Hierop heeft zij aanvankelijk geen antwoord gekregen. Pas in juli 1977 heeft zij tegelijk met de andere verzoeksters een antwoord ontvangen, dat inhoudelijk gelijk was aan het antwoord van het tot aanstelling bevoegde gezag op de klachten van de overige verzoeksters. Zij kon daaruit afleiden dat men was teruggekomen op het besluit haar niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, en dat zij dus tot de toegelaten sollicitanten behoorde. Zou dit niet zo zijn, dan ware de Commissie toch tenminste in de proceskosten te veroordelen daar zij verzoekster met haar schriftelijke antwoord van juli 1977 in dwaling heeft gebracht
Mijns inziens moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden gehonoreerd. In dit verband is van belang dat aan betrokkene direct na afloop van de toelatingsfase bij schrijven van 26 oktober 1976 is meegedeeld dat zij niet aan de toelatingsvoorwaarden voldeed. Ook moeten wij ervan uitgaan dat haar daartegen gerichte klacht — waarop kennelijk anders dan in de andere gevallen (vgl. het rapport van de jury van 10 december 1976) niet direct en uitdrukkelijk is beslist — geen succes heeft gehad. Mijns inziens is dit voldoende komen vast te staan door de desbetreffende verzekering van de Commissie tijdens deze procedure. Dat Scheffelaar niet is toegelaten, hoeft dus niet door overlegging van de lijst van toegelaten kandidaten of iets dergelijks te worden bewezen.
Daar het in deze zaak uitsluitend om de gang van zaken na de toelatingsfase gaat en deze fase zelf niet ter discussie staat, heeft partij Scheffelaar inderdaad geen werkelijk belang bij haar kritiek op het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek.
Met betrekking tot de vraag wie de kosten moet dragen, ben ik het echter met verzoekster eens. Naar aanleiding van haar klacht had men haar namelijk duidelijk kunnen meedelen dat deze wat de toelating tot het vergelijkend onderzoek betreft, was afgewezen. Dit is niet gebeurd; verzoekster heeft integendeel evenals de andere verzoeksters in juli 1977 uitsluitend het reeds genoemde antwoord ontvangen, waarin met geen woord wordt gerept over haar niet-toelating tot het vergelijkend onderzoek. Daaruit kon zij inderdaad concluderen dat men was teruggekomen op de beslissing om haar niet toe te laten, en dat men uitsluitend de kritiek op de daaropvolgende fase van het vergelijkend onderzoek van de hand had gewezen. Partij Scheffelaar is dus door de handelwijze van de Commissie in dwaling gebracht, hetgeen de aanleiding is geweest tot dit beroep. Volgens artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof ook de in het gelijk gestelde partij veroordelen tot vergoeding van de kosten van de wederpartij, indien het van oordeel is dat de in het gelijk gestelde partij deze nodeloos of op vexatoire wijze heeft veroorzaakt. Daar dit hier onmiskenbaar het geval is, moet de Commissie in ieder geval in de kosten van het beroep van Scheffelaar, dat op bovengenoemde gronden niet ontvankelijk kan worden verklaard, worden veroordeeld.
II —
Komen wij thans tot de hoofdzaak, waarin het — details daargelaten — allereerst gaat om de vraag of de jury zich door bijzitters kon doen bijstaan en zo ja, welke taken aan hen mochten worden gedelegeerd. Voorts speelt het beginsel van de gelijke behandeling van de sollicitanten een rol, met name in verband met de omstandigheid dat tijdens het vergelijkend onderzoek inlichtingen zijn ingewonnen bij de directoraten-generaal en de diensten waartoe de sollicitanten behoorden. Ten slotte moet worden nagegaan of het de jury kan worden tegengeworpen dat de door haar opgestelde lijst van geschikte kandidaten slechts de namen van 114 sollicitanten bevatte.
1. Het inschakelen van bijzitters
a)
Allereerst doet zich hier de vraag voor of dit bij een vergelijkend onderzoek op grond van schriftelijke bewijsstukken — een examen heeft, hoewel de mogelijkheid daartoe bestond, niet plaatsgevonden — ooit wel geoorloofd is.
Verzoeksters betwisten dit met klem en beroepen zich daarbij op artikel 3, tweede alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, dat luidt:
„Voor bepaalde examens kan de jury zich doen bijstaan door één of meer bijzitters die een raadgevende stem hebben.”
Gezien de i'n artikel 6 van bijlage III neergelegde eis van geheimhouding van de werkzaamheden van de jury en gelet op het beginsel van haar onafhankelijkheid, dat invloeden van buitenaf uitsluit, zijn zij ook van oordeel dat de hierboven aangehaalde bepaling eng moet worden uitgelegd. Daarom zouden enkel bij schriftelijke examens bijzitters mogen worden ingeschakeld; verder zouden hun hoogstens bepaalde uitvoeringshandelingen, zoals het geven van cijfers, gedelegeerd kunnen worden. Maar hoe dit ook zij, in casu zou het volstrekt niet noodzakelijk zijn geweest bijzitters in te schakelen. Waar de jury hier immers in staat was gebleken in minder dan 15 dagen meer dan 700 sollicitaties te onderzoeken en over de toelating tot het vergelijkend onderzoek te beslissen, kon moeilijk worden gezegd dat de taak om zelf de bewijsstukken van de resterende 550 sollicitanten te onderzoeken en vervolgens zonder hulp van buiten de lijst van geschikte kandidaten op te stellen, voor haar te zwaar was.
Op dit punt — laat ik dit meteen zeggen — deel ik niet het standpunt van verzoeksters, maar dat van de Commissie. Zoals bekend wijst deze een enge interpretatie van genoemde bepaling af met een beroep op het principe dat een jury bij de organisatie van haar werkzaamheden vrij en onafhankelijk moet zijn, en op de ratio van de bepaling die klaarblijkelijk heel in het algemeen de jury de mogelijkheid wil bieden zich in materieel moeilijke situaties in het kader van een vergelijkend onderzoek te doen bijstaan.
Inderdaad kan noch uit de eis dat de onafhankelijkheid van de jury gewaarborgd moet zijn, noch uit het vertrouwelijk karakter van haar werkzaamheden een beslissend argument worden geput. Beide beginselen worden door artikel 3 van bijlage III, dat inschakeling van bijzitters toelaat, duidelijk gerelativeerd en met name met betrekking tot de geheimhoudingsplicht kan dit hooguit betekenen dat ook de bijzitters daaraan zijn gebonden. Meer in het bijzonder kan uit artikel 3 niet worden afgeleid dat bijzitters alleen bij schriftelijke examens mogen worden ingeschakeld en dat hun taak daarbij is beperkt tot materiële uitvoeringshandelingen als die welke verzoeksters op het oog hebben. Niets wijst in die richting en zoiets zou ook niet zinvol zijn. Het is zonder meer duidelijk dat het inschakelen van bijzitters juist bij mondelinge examens aangewezen kan zijn, bij voorbeeld wanneer het gaat om bijzondere kennis van talen of op ander gebied. Ik kan mij niet goed voorstellen hoe hun rol daarbij tot zuiver uitvoerende taken beperkt zou kunnen blijven; het spreekt voor mij vanzelf dat in een dergelijk geval de deskundigheid van de bijzitters ook moet kunnen meespelen bij de waardering van kandidaten, waarbij de oordeelsvorming heel gecompliceerd kan zijn.
Wanneer wij nu de strekking van artikel 3 in principe in deze zin moeten opvatten — mijns inziens spreekt het vanzelf dat aan de bijzitters ook bij schriftelijke examens zeer moeilijke beoordelingstaken worden toevertrouwd —, dan valt niet in te zien hoe dit de conclusie kan rechtvaardigen dat een dergelijke hulp bij het onderzoek van schriftelijke bewijsstukken achterwege moet blijven. Ook hierbij kan het voorkomen — bij voorbeeld met betrekking tot nationale getuigschriften of kwalificaties — dat een deskundige beoordeling nodig is, waartoe de jury zelf niet in staat is. Daarnaast kan ook de omvang van de werkzaamheden een rol spelen. Zou men hiermee geen rekening houden, dan kan dat bij een groot aantal sollicitaties, zoals in het onderhavige geval, tot gevolg hebben dat een vergelijkend onderzoek, dat uitsluitend in handen van een uit drie leden bestaande jury is gelegd, buitengewoon lang duurt, hetgeen stellig noch in het belang van het personeel, noch in dat van de dienst is.
Stelt men zich, in aansluiting op wat verzoeksters betogen, bovendien nog de vraag of er in het onderhavige geval werkelijk aanleiding bestond om bijzitters in te schakelen, dan kunnen, na wat hierover tijdens de behandeling bekend is geworden, ten deze geen bedenkingen worden geopperd, te meer omdat wegens de discretionaire bevoegdheid van de jury de rechterlijke controle marginaal moet zijn. Wij behoeven er maar op te wijzen dat men de bewijsstukken en kwalificaties van een groot aantal sollicitanten uit verschillende landen moest onderzoeken en onderling vergelijken. Verzoeksters geven zeker een vertekend beeld van de situatie waar zij er in dit verband op wijzen dat de jury zelf over de toelating tot het vergelijkend onderzoek heeft beslist, daar deze taak, die aan de hand van de in de aankondiging, zelf vastgelegde toelatingsvoorwaarden kon worden uitgevoerd, duidelijk eenvoudiger en minder tijdrovend was dan het daaropvolgende inhoudelijke onderzoek en de onderlinge vergelijking van de schriftelijke bewijsstukken.
Bedenkt men ten slotte nog dat bij de aanstelling van de bijzitters gelet is op een paritaire samenstelling, die zo al geen grotere dan toch in ieder geval een gelijke garantie voor objectiviteit bood als de samenstelling van de jury, dan kan alleen maar worden vastgesteld dat er zeker geen aanleiding bestaat het vergelijkend onderzoek te wraken op grond van de eerste door verzoeksters aangevoerde grief.
b)
Vervolgens laken verzoeksters de wijze waarop de bijzitters aan de uitvoering van het vergelijkend onderzoek hebben deelgenomen. Het aanvankelijk gemaakte verwijt, dat de jury in aanwezigheid van een groep bijzitters zou hebben beraadslaagd, hebben zij kennelijk laten vallen nadat de Commissie had verze kerd dat er met de bijzitters geen overleg is gepleegd over individuele gevallen. Verzoeksters grief is nu in de eerste plaats dat men de bijzitters „andere elementen” heeft laten beoordelen, wat volgens de aankondiging niet geoorloofd was. Verder zijn verzoekers van oordeel dat er ongeoorloofde delegatie van beoordelingsbevoegdheden aan de bijzitters heeft plaatsgevonden. De jury zou de bijzitters feitelijk de criteria hebben laten vaststellen voor de vergelijking van de in de verschillende Lid-Staten verworven kwalificaties. Ook zouden de bijzitters de combinatie van objectieve criteria hebben vastgesteld, aan de hand waarvan de eerste keuze van 247 kandidaten heeft plaatsgevonden. Ten slotte zouden zij ook de objectieve en de subjectieve criteria tegen elkaar hebben afgewogen en, na op basis hiervan een volgorde te hebben vastgesteld, de ontwerp-lijst van geschikte kandidaten hebben ingediend. Dit alles is volgens verzoeksters zeker niet in overeenstemming met het arrest van 16 oktober 1975 (zaak 90/74, Deboeck, Jurispr. 1975, blz. 1123) volgens hetwelk bijzitters slechts een raadgevende stem kunnen hebben en de jury zowel de eindcontrole op de gang van zaken als haar de beoordelingsbevoegdheid moet behouden.
Voor zover de verwijten betrekking hebben op het feit dat de bijzitters ook „andere elementen” in hun beoordeling konden betrekken, is er zeker geen sprake van strijd met de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. De te beoordelen elementen zijn daarin namelijk niet limitatief opgesomd. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat de, aan het einde van de eerste zin van II.3. tussen haakjes geplaatste, opsomming met enige puntjes eindigt.
Maar ook afgezien daarvan kan, mede na alles wat in deze procedure uit de overgelegde documenten en vooral uit de mededelingen van de voorzitster van de jury naar voren is gekomen, niet worden volgehouden dat er sprake is van een ontoelaatbare delegatie van bevoegdheden aan de bijzitters, en kan worden gesteld dat de beginselen van het arrest 90/74 zijn nageleefd.
Het vergelijkend onderzoek is, zoals we hebben gehoord, op 13 oktober 1976 begonnen met een verzoek aan de bijzitters om geschikte beoordelingscriteria te ontwerpen. Enige dagen later vond er een gemeenschappelijke vergadering van jury en bijzitters plaats, waarop de algemene beoordelingscriteria door de jury zijn vastgesteld. Hierop sloot een eerste onderzoek aan de hand van objectieve criteria aan, dat leidde tot een voorlopige lijst van 247 kandidaten die in aanmerking kwamen. Reeds tijdens deze fase — hierover bestaat na de verklaring van de voorzitster van de jury geen twijfel meer — was er voortdurend en veelvuldig contact tussen de jury en de bijzitters, zowel over de toepassing van aanvullende criteria als over de combinatie en de weging van de te gebruiken criteria. Hierbij is de jury voorgelicht en zijn haar voorstellen gedaan, die zij na onderzoek heeft goedgekeurd; ook heeft de jury heel in het algemeen het verloop van de werkzaamheden gecontroleerd, gerezen problemen opgelost en, zo nodig, aanvullende aanwijzingen gegeven met betrekking tot de toepassing van de noodzakelijke beoordelingscriteria. Hetzelfde gebeurde tijdens de voortzetting van het onderzoek, waarbij de beroepskwaliteiten beoordeeld werden, wat blijkt uit het grote aantal juryvergaderingen in de loop van november. Ten slotte heeft de jury gedurende drie dagen (6 tot en met 8 november 1976) de verkregen resultaten opnieuw beoordeeld. Daarbij heeft zij ook trachten na te gaan of de toepassing van andere criteria, dan wel de keuze van een ander uitgangspunt voor de beoordeling, tot andere resultaten zou leiden. Nadat de jury aldus aan de hand van de beschikbare dossiers zelf een vergelijkend onderzoek van de schriftelijke bewijsstukken van alle sollicitanten had verricht, is ten slotte de lijst van geschikte kandidaten vastgesteld, die aan het tot aanstelling bevoegde gezag is gezonden.
Dit alles rechtvaardigt de verklaring in het rapport van de jury, dat de bijzitters enkel hebben geholpen bij de keuze van de beoordelingscriteria, maar dat deze uiteindelijk door de jury zelf zijn vastgesteld. Wanneer de bijzitters echter werkelijk onder controle van de jury hebben gewerkt en deze dus als het ware de teugels steeds vast in handen heeft gehouden en zelf de schriftelijke bewijsstukken heeft beoordeeld, kan toch bezwaarlijk worden gesproken van een ontoelaatbare delegatie van bevoegdheden die tot vernietiging van het vergelijkend onderzoek zou dwingen.
2. Schending van het gebod van gelijke behandeling en van de voorschriften over de geheimhouding van de werkzaamheden van een jury.
Na de eerste fase van het vergelijkend onderzoek, die — op grond van objectieve criteria — resulteerde in een voorlopige lijst van sollicitanten die in aanmerking konden komen, volgde het onderzoek naar de beroepskwaliteiten en de andere verdiensten van de sollicitanten. In deze context speelden de rapporten van artikel 43 van het Ambtenarenstatuut een rol; daarnaast werden inlichtingen gewonnen bij de directoraten-generaal en de diensten waartoe de verschillende sollicitanten behoorden, waarbij kennelijk het resultaat van het eerste onderzoek, voor zover dat betrekking had op dat directoraat-generaal of op die dienst, werd meegedeeld.
Begrijp ik het goed, dan gaan verzoeksters ervan uit dat het aanvullend onderzoek alleen heeft plaatsgevonden bij die sollicitanten wier namen op de eerste voorlopige lijst voorkwamen. Zij zien hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel, dat zou voorschrijven dat alle criteria gelijkelijk op alle sollicitanten worden toegepast. Daarenboven zijn zij van mening, dat door de inschakeling van de directoraten-generaal en de diensten het principe van de onafhankelijkheid van de jury is veronachtzaamd en, aangezien daarbij de resultaten van het eerste onderzoek bekend zijn gemaaakt, het beginsel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn, is geschonden.
a)
Ten aanzien van het eerste van de twee genoemde punten heeft de Commissie verklaard dat het onderzoek naar de beroepskwaliteiten niet enkel bij de volgens de objectieve criteria geselecteerde, doch bij alle toegelaten sollicitanten is verricht. In alle gevallen is rekening gehouden met de rapporten bedoeld in artikel 43 van het Ambtenarenstatuut, en is de betrokken directoraten-generaal en diensten om inlichtingen gevraagd.
Dit is tijdens de mondelinge behandeling ten stelligste door de voorzitster van de jury bevestigd. In verband hiermee kan ook worden gewezen op de omstandigheid dat na deze fase een hele reeks sollicitanten, wier namen niet op de eerste voorlopige lijst voorkwamen, op de lijst van geschikte kandidaten is geplaatst, en dit niet — zo werd ons verzekerd — uitsluitend ten gevolge van een verbetering van de eerste selectie aan de hand van objectieve criteria, waartoe de directoraten-generaal en de diensten eveneens waren uitgenodigd. Hiertegenover heeft een andersluidende mededeling in het Bulletin van het Personeelscomité van 27 februari 1977 zeker geen betekenis; deze berust klaarblijkelijk op een misverstand.
Stellig kan er dus geen sprake zijn van een schending van het gebod van gelijke behandeling en — dit behoeft wel geen nadere toelichting — dat geldt ook voor het feit dat van kandidaten die volgens het eerste onderzoek aan de hand van objectieve criteria niet in aanmerking kwamen, bijzondere beroepskwaliteiten of andere verdiensten werden verlangd voor een plaats op de lijst van geschikte kandidaten.
b)
Wat het tweede punt betreft — het inwinnen van aanvullende inlichtingen bij de directoraten-generaal en de diensten —, lijkt het mij dienstig eerst aan te geven wat dit nu eigenlijk inhield. De voorzitster van de jury heeft hierover tijdens het getuigenverhoor verklaard dat aan elk directoraat-generaal of dienst slechts de namen zijn genoemd van de daarbij werkzame sollicitanten met de mededeling dat zij met toepassing van de objectieve criteria al dan niet in aanmerking konden komen. Hen is bovendien verzocht de beoordeling op grond van 'objectieve criteria te verifiëren — hetgeen kennelijk tot een zekere correctie van de eerste voorlopige lijst heeft geleid. Verder is gevraagd om nadere inlichtingen over het niveau van de uitgeoefende functie en over eventuele bijzondere verdiensten. Men heeft dit enerzijds noodzakelijk geacht omdat de in artikel 43 van het Ambtenarenstatuut bedoelde rapporten niet altijd een toereikend beeld gaven, en anderzijds omdat bij de opstelling van de rapporten verschillende maatstaven bleken te zijn gehanteerd door de verschillende directoraten-generaal, ja zelfs binnen een zelfde directoraat-generaal. Bovendien was het juist een van de bedoelingen van dit vergelijkend onderzoek sollicitanten op te sporen die — gemeten naar C-functies — al een grote mate van verantwoordelijkheid droegen en tot nu toe niet hoger hadden kunnen worden ingeschaald.
aa)
Houdt men dit voor ogen, dan is het al aanstonds duidelijk dat het eerste verwijt van verzoeksters, dat het uitsluitend om een vergelijkend onderzoek op basis van schriftelijke bewijsstukken ging, dat niet had mogen worden vervalst door er andere elementen bij te betrekken, niet kan slagen.
Ik behoef in dit verband slechts te wijzen op het reeds geconstateerde feit dat de in aanmerking te nemen factoren geenszins limitatief in de aankondiging waren opgesomd, zoals duidelijk blijkt uit punt II.3., eerste alinea. Bovendien lijdt het voor mij geen twijfel dat ook bij een vergelijkend onderzoek waar in principe alleen schriftelijke bewijsstukken worden onderzocht, het geenszins ongeoorloofd is dat de jury eventuele leemtes of onduidelijkheden door het inwinnen van inlichtingen tracht aan te vullen, om zo een solide basis voor het van haar verlangde oordeel te krijgen.
bb)
Ik ben ook van mening dat de onafhankelijkheid van de jury op deze wijze niet in gevaar is gebracht en dat evenmin de deur is geopend voor een ontoelaatbare beïnvloeding van haar werkzaamheden. Zoals bekend, hebben verzoekers te dien aanzien gesteld dat de benaderde directoraten-generaal en diensten de benoemingskansen hadden kunnen beïnvloeden, aangezien het aantal beschikbare plaatsen bekend was en de verdeling daarvan over de directoraten-generaal officieus al vaststond.
Mijns inziens is in dit verband niet enkel van belang dat de benaderde diensten in werkelijkheid geen overzicht hebben gekregen, doch uitsluitend bepaalde feiten te horen hebben gekregen over de bij hen werkzame sollicitanten, maar vooral dat die diensten slechts een paar beoordelingsfactoren hebben verschaft. Gemeenschappelijk overleg met de jury heeft niet plaatsgevonden; zij heeft juist alléén — zo is ons verzekerd — aan de hand van alle verstrekte beoordelingsfactoren de verdiensten en kwalificaties van de sollicitanten onderling vergeleken en gewaardeerd.
cc)
Ten slotte zijn er mijns inziens ook met betrekking tot het aspect van de geheimhouding der jurywerkzaamheden geen serieus te nemen bedenkingen naar voren gebracht.
Wel kan worden toegegeven dat de benaderde diensten en directoraten-generaal een zeker inzicht is gegund in de voorbereidende werkzaamheden van de jury vóór de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten. Maar enerzijds kan hiervan worden gezegd dat dit verdedigbaar is, aangezien het slechts om een beperkt inzicht ging, en dat men van mening kon zijn dat een controle van de objectieve gegevens door de bevoegde directoraten-generaal en diensten wenselijk was. Anderzijds mag men niet vergeten dat de zin van de geheimhoudingsplicht enkel is, de onafhankelijkheid van de jury en een ordelijk verloop van het vergelijkend onderzoek te waarborgen. Zo bezien konden de door de jury gedane mededelingen het regelmatige verloop van de procedure niet in gevaar brengen en niet tot resultaten leiden die een kritische beschouwing niet zouden kunnen doorstaan. Ook al laten bepaalde bezwaren met betrekking tot de gevolgde procedure en de gebruikte methode zich niet geheel wegdenken, het zou daarom stellig buiten proportie zijn om te concluderen tot nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek op grond van schending van artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut.
3.
Tot slot maken verzoeksters bezwaar tegen het feit dat op de lijst van geschikte kandidaten de namen van 114 sollicitanten zijn geplaatst, dus ongeveer even veel als het aantal vacatures. Dit volgt uit een vergelijking met de aankondiging, waarin sprake is van ongeveer 100 vacatures, en met het aantal benoemingen na het vergelijkend onderzoek.
Neemt men aan dat dit op aanwijzing van het tot aanstelling bevoegde gezag is gebeurd, dan kan men dit verwijten dat het afstand heeft gedaan van zijn keuzerecht en daarmee zijn benoemingsbevoegdheid op ongeoorloofde wijze aan de jury heeft gedelegeerd. Als de jury zich echter eigener beweging een dergelijke beperking heeft opgelegd, dan kan haar schending van de bepalingen van het Ambtenarenstatuut worden verweten. Artikel 30 gaat er immers van uit dat op de lijst van geschikte kandidaten zoveel namen staan dat een keuze mogelijk is, want het bepaalt dat het tot aanstelling bevoegde gezag ter vervulling van de vacatures kandidaten kiest uit de lijst van geschikte kandidaten. Ook kan worden gewezen op artikel 5 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, bepalende dat het aantal van de op de lijst van geschikte kandidaten geplaatste sollicitanten zo mogelijk ten minste twee maal het aantal ambten moet bedragen die de inzet van het vergelijkend onderzoek vormen.
Naar aanleiding van deze grieven valt mijns inziens het volgende op te merken:
a)
Mijns inziens kan in het midden worden gelaten of de Commissie gelijk heeft waar zij stelt dat verzoeksters er geen belang bij hebben om te laten toetsen of de aangehaalde bepalingen zijn nageleefd: deze zouden niet dienen ter bescherming van sollicitanten, die immers niet meer garanties hadden gehad als de lijst van geschikte kandidaten meer namen zou hebben bevat.
Niettemin moet worden toegegeven dat, zou de lijst van geschikte kandidaten langer zijn geweest, daarop misschien ook de namen van verzoeksters hadden gestaan. Zij zouden dan een zekere kans op benoeming hebben gehad die zij nu niet hadden, daar volgens artikel 30 van het Ambtenarenstatuut slechts ambtenaren kunnen worden benoemd die op de lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst. Anderzijds kan men niet voorbijgaan aan het argument dat het bij een langere lijst van geschikte kandidaten noodzakelijk was geweest hen in volgorde van bekwaamheid te plaatsen en dat verzoeksters dan niet bovenaan waren komen te staan. En aangezien volgens de rechtspraak niet zonder bijzondere rechtvaardiging van een dergelijke volgorde mag worden afgeweken, valt in het onderhavige geval moeilijk in te zien hoe verzoeksters een benoemingskans zouden hebben gehad; immers, er moest een groot aantal gelijke posten voor gelijke functies worden bezet op basis van een imposante lijst van geschikte kandidaten, waarbij in elk geval rekening mocht worden gehouden met bijzondere vereisten, bij voorbeeld op het gebied van talenkennis.
b)
Met betrekking tot de vraag of de jury een bindende aanwijzing had gekregen over het aantal op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen sollicitanten, heeft de Commissie, daarbij tevens antwoordend op de vraag naar de geoorloofdheid van een dergelijke aanwijzing, nadrukkelijk verklaard dat een dergelijke aanwijzing, die de jury overigens ook niet had kunnen binden, niet is gegeven.
Ten deze moet worden opgemerkt dat geen bewijs voor een dergelijke instructie is geleverd. Dat in de antwoorden op de klachten van verzoeksters is uiteengezet dat het tot aanstelling bevoegde gezag zich in het belang van het personeel en van de dienst voorstander had getoond van een lijst van geschikte kandidaten met even veel namen als het aantal te bezetten posten, is daarvoor onvoldoende. Al even onvoldoende is dat een brief van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van juli 1976 aan de voorzitter van het Centrale Personeelscomité van de Commissie (waarvan de voorzitster van de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek een afschrift is toegestuurd) de mededeling bevat dat het wenselijk is de lijst van geschikte kandidaten een omvang te geven die in een redelijke verhouding staat tot het aantal beschikbare posten. Dit is zeker niet te beschouwen als een nauwkeurige aanwijzing, nog geheel afgezien van het feit dat voor de bezetting van de onderhavige posten genoemde directeur-generaal niet het tot aanstelling bevoegde gezag in de zin van het Ambtenarenstatuut is.
c)
Ook is er geen reden om het feit te wraken dat de jury geen omvangrijker lijst van geschikte kandidaten heeft opgesteld.
De beslissende bepaling is hier niet artikel 30 Ambtenarenstatuut, maar het reeds genoemde artikel 5 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut dat een gedetailleerde regeling bevat. Volgens dat artikel bestaat er geen onvoorwaardelijke verplichting om twee maal zoveel namen op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen als er posten beschikbaar zijn — dat zou ook niet in overeenstemming zijn met het principe van de onafhankelijkheid van de jury en de haar toekomende beoordelingsvrijheid —; er wordt slechts bepaald dat de jury „zo mogelijk” aldus te werk gaat. Dwingende aanwijzingen dat deze discretionaire bevoegdheid — want dat is het onmiskenbaar — in het onderhavige geval niet juist zou zijn gebruikt, kan ik niet ontdekken.
Men kan toch moeilijk volhouden dat de jury zich heeft laten leiden door het verlangen in ieder geval een examen te vermijden. Zie hiervoor bij voorbeeld de aankondiging, die hieromtrent opmerkt: „Au cas oü la liste des candidats admis sur titres comporterait un nombre de 30 % supérieur au nombre d'emplois disponibles, le jury peut décider, afin de départager les candidats retenus, de les soumettre aux épreuves ci-après: …” De jury had dus de vrijheid om al dan niet een examen te organiseren; om dit te vermijden hoefde zij er geenszins voor te zorgen de lijst van geschikte kandidaten zo klein mogelijk te houden.
Ook de omstandigheid dat in de eerste fase van het onderzoek een lijst was opgesteld met ongeveer 250 namen van sollicitanten die volgens objectieve criteria in aanmerking konden komen, kan niet tot een andere opvatting leiden. Van belang in dit verband is dat deze lijst uitsluitend als gevolg van een deelonderzoek tot stand was gekomen, en dus zeker niet het bewijs kan opleveren dat die kandidaten ook allen op grond van het noodzakelijke verdere onderzoek naar hun beroepskwaliteiten en andere verdiensten geschikt geacht moesten worden.
Ten slotte kan ook het feit niet van invloed zijn dat de jury — desgevraagd — naast de lijst van geschikte kandidaten een tweede lijst heeft opgesteld en aan het tot aanstelling bevoegde gezag heeft doen toekomen, met namen van sollicitanten wier papieren bij een volgend vergelijkend onderzoek voor gelijke functies van belang zouden kunnen zijn. Doorslaggevend hiervoor is de mededeling van de voorzitster van de jury, dat de kandidaten op de lijst van geschikte kandidaten een homogeen niveau hadden, dat zich gunstig onderscheidde van het niveau van de sollicitanten op de aanvullende lijst, hetgeen de reden was waarom laatstgenoemden niet in de lijst van geschikte kandidaten waren opgenomen.
Op de vraag of de jury de lijst van geschikte kandidaten had kunnen uitbreiden, hoeft mijns inziens niet verder te worden ingegaan. Anders loopt het Hof het risico zich te zeer in de details van het vergelijkend onderzoek te verdiepen en te treden in beoordelingen waartoe alleen de jury bevoegd is.
III —
Resumerend concludeer ik dat de ingestelde beroepen — met uitzondering van het beroep van Scheffelaar — ontvankelijk zijn, doch als ongegrond moeten worden verworpen. Wat de proceskosten betreft, moeten de aan Scheffelaar veroorzaakte kosten krachtens artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering aan de Commissie worden opgelegd. Voor het overige moet de uitspraak omtrent de kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering worden genomen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy