CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 28 FEBRUARI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak ben ik het zo volkomen eens met de redenering van de Raad dat ik deze tot de mijne zou willen maken. Met name wil ik verwijzen naar de analyse in de schriftelijke opmerkingen van de Raad — blz. 9 tot 20 — van 's Hofs rechtspraak betreffende het effect van de tweede alinea van artikel 173 EEG-Verdrag.
's Raads verordening (EEG) nr. 1692/77 — waarvan verzoeksters de geldigheid betwisten — zou iedereen hebben geraakt die te eniger tijd tussen 29 juli 1977 (datum van inwerkingtreding der verordening) en 31 december 1977 (vervaldatum) motorrijwielen met een cilinderinhoud van 380 cc of meer uit Japan in Italië wenste in te voeren. Het feit — zo het een feit is — dat wel niemand anders dan verzoeksters zulks wenste te doen, volstaat niet ter rechtvaardiging van de conclusie dat dit besluit, „hoewel genomen in de vorm van een verordening” in werkelijkheid een beschikking was die verzoeksters „rechtstreeks en individueel raakte”; zo min als het feit — indien het al een feit is — dat niemand anders dan verzoeksters op het moment dat de verordening in werking trad, een aanvrage hiertoe had ingediend overeenkomstig de Italiaanse wettelijke regeling betreffende de controle van het handelsverkeer.
Ik concludeer derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en tot verwijzing van verzoeksters in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy