CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 9 MAART 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De vraag die het Belgische Hof van Cassatie aan U stelt, heeft uitdrukkelijk en uitsluitend betrekking op artikel 67, lid 1, van 's Raads verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971. In feite wordt U gevraagd, wat de draagwijdte is van de voorwaarde aan het slot van dit lid.
Duidelijkheidshalve moge ik dit lid hier eerst in zijn geheel voorlezen:
„Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijdvakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.”
2.
De feiten in de onderhavige zaak kunnen als volgt worden samengevat: verzoekster in het hoofdgeding heeft eerst jarenlang in Italië als huisbediende gewerkt en heeft vervolgens in België korte tijd in andere hoedanigheid werk in loondienst verricht. Zij verzoekt thans om een uitkering onder de werkloosheidsverzekering in België, waartoe zij in verband met de korte tijdsduur van haar werkzaamheid in dat land de beide bovengenoemde arbeidstijdvakken wenst te zien samengeteld. Opgemerkt zij dat huisbedienden in België niet ex lege onder de werkloosheidsverzekering vallen.
Het Belgische Hof van Cassatie gaat blijkbaar ervan uit dat het recht op werkloosheidsverzekering in België wordt verkregen na vervulling van een bepaald verzekeringstijdvak; want als het een gewoon arbeidstijdvak voldoende had geacht, zou het hebben verwezen naar lid 2 van artikel 67 van verordening nr. 1408/71, dat betrekking heeft op de gevallen waarin de wettelijke regeling van een Lid-Staat de verkrijging van een recht op sociale uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van „tijdvakken van arbeid”. Aldus gezien, is de eigenlijke vraag, wat wordt bedoeld met de voorwaarde in artikel 67, lid 1, in fine, dat de tijdvakken van arbeid „als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd” indien zij waren vervuld onder de wettelijke regeling die door het aangezochte verzekeringsorgaan wordt toegepast (in casu de Belgische wetgeving).
3.
Het lijkt mij duidelijk dat deze voorwaarde alleen ziet op het geval dat het bevoegde orgaan voor de samentelling rekening moet houden met gewone arbeidstijdvakken die niet worden erkend als onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken.
Immers, het bovenaangehaalde lid 1 van artikel 67 doelt op twee gevallen: dat het bevoegde orgaan rekening houdt met de onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken, of dat het rekening houdt met de eveneens onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde arbeidstijdvakken. De slotvoorwaarde heeft in het zinsverband alleen betrekking op arbeidstijdvakken; er is geen enkele voorwaarde die betrekking heeft op verzekeringstijdvakken.
Het verschil tussen beide soorten tijdvakken komt duidelijk tot uiting in de onderhavige zaak, daar — zoals gezegd — in België een tijdvak van arbeid als huisbediende wel een arbeids- maar geen verzekeringstijdvak is, hetgeen ook in Italië zo was vóór de inwerkingtreding van het presidentieel decreet nr. 1403 van 31 december 1971. Ingevolge dit decreet zijn toen ook huisbedienden gerechtigden onder de werkloosheidsverzekering geworden, zodat een tijdvak van in Italië verrichte arbeid als huisbediende daarmede een „verzekeringstijdvak” werd.
In dit verband moge ik erop wijzen dat in artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71 „tijdvakken van verzekering” worden gedefinieerd als de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling of van arbeid welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld of geacht worden te zijn vervuld.
Hieruit blijkt dat, wanneer een tijdvak van arbeid volgens de wetgeving van de staat waar de arbeid wordt verricht, tevens als tijdvak van verzekering wordt beschouwd, de kwalificatie „tijdvak van verzekering” voorop staat. Derhalve dient bij de toepassing van artikel 67, lid 1, in het onderhavige geval acht te worden geslagen op de verwijzing naar de „tijdvakken van verzekering” en dus niet op de verwijzing naar de „tijdvakken van arbeid” die, zoals ik hierboven heb uiteengezet, moeten worden opgevat als gewone tijdvakken van arbeid zonder hiermee gepaard gaande verzekering. Bij gevolg is de slotvoonvaarde van artikel 67, lid 1, (die, nogmaals, alleen betrekking heeft op gewone arbeidstijdvakken) niet van invloed in het onderhavige geval.
4.
Samenvattend, concludeer ik dat U voor recht verklare:
„Artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71, op grond waarvan een Lid-Staat rekening moet houden met een krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervuld tijdvak van arbeid, op voorwaarde dat dit tijdvak van arbeid als tijdvak van verzekering zou zijn beschouwd, indien het krachtens de wettelijke regeling van eerstbedoelde Lid-Staat was vervuld, dient aldus te worden gelezen dat deze voorwaarde niet geldt, wanneer het tijdvak van arbeid in de andere Lid-Staat wordt beschouwd als tijdvak van verzekering.”
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy