CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 11 APRIL 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De kern van de vraag waarover in casu uitspraak zal moeten worden gedaan, is of er bij invoer in de ene Lid-Staat van uit de andere Lid-Staat afkomstig wei in poedervorm, monetaire compenserende bedragen mogen worden geheven.
Duidelijkheidshalve zij gememoreerd dat wei in vloeibare toestand een bij de kaasmakerij verkregen restprodukt is. Omdat er 10 à 12 % albumine in voorkomt, is het voor veevoederdoeleinden van belang. De in de Gemeenschap verkregen wei wordt dan ook gedeeltelijk zonder meer als veevoeder gebruikt. Vanwege de geringe houdbaarheid kan het produkt evenwel slechts worden afgenomen door landbouwbedrijven die in de nabijheid van de kaasmakerijen zijn gelegen. Om vervoer en gebruik op een later tijdstip mogelijk te maken, wordt ongeveer de helft der weiproduktie tot poeder verwerkt.
Bezien wij thans de feiten welke tot het onderhavig geschil hebben geleid. Het douanekantoor te Saarbrücken heeft de firma Milac in 1975 op grond van verordening 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975 over haar importen van in Frankrijk aangekochte wei in poedervorm in de Bondsrepubliek Duitsland, tot betaling van compenserende bedragen aangeslagen. Na hiertegen eerst tevergeefs bij het douanekantoor te hebben gereclameerd, heeft de firma Milac zich gewend tot het Finanzgericht des Saarlandes, stellende bedoelde oplegging van compenserende bedragen onrechtmatig te achten op grond van de aan het stelsel der monetaire compenserende bedragen ten grondslag liggende verordening 974/71 van de Raad van 12 mei 1971. In de eerste plaats was er haars inziens sprake van schending van artikel 1, lid 2, b, dier verordening, volgens welke bepaling er alleen compenserende bedragen mogen worden geheven over produkten waarvan de prijs zich richt naar die van de produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten interventiemaatregelen zijn voorzien. In de tweede plaats acht zij de laatste alinea van het artikel geschonden, volgens hetwelk er met compenserende bedragen slechts mag worden gewerkt voor zover de toepassing van nationale monetaire maatregelen verstoringen in de handel in landbouwprodukten zou veroorzaken.
Vervolgens heeft de Commissie in haar verordening 1824/77 van 4 augustus 1977 per 5 September 1977 de heffing van monetaire compenserende bedragen op wei in poedervorm beëindigd op grond dat „kan worden verwacht dat in de huidige toestand het ontbreken van compenserende bedragen geen verstoringen in het handelsverkeer zal veroorzaken”.
Bij beschikking van 26 oktober 1977 heeft het Finanzgericht het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1.
Is artikel 1 van verordening 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975, voor zover daarbij voor wei in poedervorm compenserende bedragen zijn vastgesteld, strijdig met artikel 1, lid 2, sub b, van verordening 974/71 van de Raad van 12 mei 1971, aangezien de prijs voor wei in poedervorm zich niet naar die van magere melk in poedervorm richt?
Zo neen,
2.
Is artikel 1 van verordening 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975 in strijd met artikel 1, lid 3, van verordening 974/71 van de Raad van 12 mei 1971, volgens hetwelk de voorschriften van lid 1 (heffing en toekenning van compenserende bedragen) slechts van toepassing zijn voor zover de toepassing der aldaar genoemde monetaire maatregelen verstoringen in de handel in landbouwprodukten zou veroorzaken, dan wel zijn compenserende bedragen
a)
strikt noodzakelijk om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten (in casu magere melk in poedervorm), wanneer de marktprijs voor wei in poedervorm tot of onder het niveau van de produktiekosten daalt, dan wel
b)
strikt noodzakelijk ten einde monetair geconditionneerde verstoringen van de handel te vermijden, ook wanneer de marktprijs van het produkt naar tijd en niveau zodanig schommelt dat monetaire maatregelen geen effect sorteren?”
Blijkens de redengeving der beschikking is de verwijzende rechter er van uitgegaan dat de in de verschillende Lid-Staten aan sterke schommelingen onderhevige prijs van wei in poedervorm zich niet naar de melkprijs richt. Volgens het Finanzgericht behoeft er geen enkele betekenis te worden toegekend aan de markt voor wei in vloeibare toestand, welk produkt vóór de vaststelling der milieuwetgeving blijkbaar in de regel in stromend water werd afgevoerd, voor zover het niet onmiddellijk voor veevoeder kon worden gebruikt. Uit de door verzoekster overgelegde memorie welke de Commissie in de zaak 28/76 op 29 juli 1976 bij het Hof heeft ingediend, leidt de Duitse rechter af dat de prijzen van wei in poedervorm in de verschillende Lid-Staten alleen maar door de produktiekosten worden bepaald. De verwijzende rechter trekt dan ook in twijfel of de voorwaarden waaronder volgens verordening 974/71 op bedoeld produkt monetaire compenserende bedragen mogen worden toegepast, wel vervuld zijn.
2.
In verband met de tweede vraag zij eraan herinnerd dat in het aangehaalde artikel 1 van verordening 974/71 onder meer de mogelijkheid is voorzien monetaire compenserende bedragen in te voeren voor de invoer in Lid-Staten met een in opwaartse richting tenderende munteenheid, van produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten interventiemaatregelen zijn voorzien (lid 2, a) dan wel waarvan de prijzen van die van voornoemde produkten afhankelijk zijn en die onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen (lid 2, b).
Ten aanzien van wei — en derivaten van wei — zijn in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten geen interventiemaatregelen vastgesteld.
Ten betoge dat wei in poedervorm behoort tot produkten waarvoor monetaire compenserende bedragen mochten worden vastgesteld, zal men anderzijds slechts behoeven aan te tonen dat de prijs van dit produkt van de grondstof, namelijk melk, een produkt waarvoor interventiemaatregelen zijn vastgesteld, afhangt. De firma Milac wil van zulk een afhankelijkheidsverhouding niet weten, en wel zulks om de eenvoudige reden dat er bij wei in vloeibare toestand, zoals het voor de produktie van wei in poedervorm gebruikt wordt, niet van een prijs, van een marktwaarde, zou mogen worden gesproken. In die zin heeft, naar wij zagen, ook de verwijzende rechter het opgevat. Verzoekster in het hoofdgeding heeft nader verklaard dat de kaasfabrikanten die zich van wei ontdoen, slechts nu en dan een bedrag van ten hoogste een halve pfennig per liter incasseren, maar dat bedrag zou niet als verkoopprijs zijn te beschouwen, doch slechts als een vergoeding van de kosten aan het vergaren en klaarzetten van het produkt verbonden.
De Commissie is daarentegen van mening dat bedoeld bedrag wel als weiprijs is te beschouwen, doch erkent dat het niet steeds wordt betaald. Vooral wanneer het afnemende bedrijf op zekere afstand van het wei-producerend bedrijf is gelegen, wordt de vloeibare wei aan eerstbedoeld bedrijf kosteloos ter beschikking gesteld.
Laat ons een ogenblik aannemen dat het bedrag dat de wei gebruikende onderneming door de kaasfabriek in rekening wordt gebracht, als een werkelijke weiprijs is te beschouwen. Ook dan zou moeten worden vastgesteld of die prijs wel van de melkprijs afhangt. Dit laatste zou slechts het geval zijn indien er een constante verhouding tussen beide prijzen zou kunnen worden vastgesteld, in die zin dat met wijzigingen van de melkprijs, althans voor zover zij een bepaald percentage teboven gaan, overeenkomstige en gelijkgerichte wijzigingen van de prijs van vloeibare wei corresponderen. Daarvan is evenwel niet gebleken. Hetzelfde kan worden gezegd van de wijzigingen van de melkprijs, vergeleken met die van de prijs van wei in poedervorm.
Beziet men de zaak uit de gezichtshoek van de verhouding tussen de prijs van het betrokken produkt en die van de grondstof, dan komt het mij voor dat bezwaarlijk kan worden staande gehouden dat eerstbedoelde van laatstbedoelde prijs afhangt.
Het is in de zin van genoemd artikel 1, lid 2, b, van verordening 974/71 evenwel voldoende wanneer de prijs van een produkt dat niet onder de interventieregeling valt, afhangt van die van een ander produkt waarvoor wel interventiemaatregelen zijn getroffen (en dat onder de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten valt); en dit laatste produkt behoeft niet de grondstof te zijn waaruit het andere produkt wordt verkregen. Het kan ook gaan om concurrerende produkten, indien tenminste kan worden vastgesteld dat de prijzen van het buiten de interventieregeling gebleven produkt op grondslag van de prijzen van het andere produkt tot stand komen.
De Commissie gaat ervan uit dat de prijs van wei in poedervorm in een zekere afhankelijkheidsrelatie staat tot de prijs van magere-melkpoeder (welke laatste als gevolg van de overschotsituatie in de Gemeenschap met de interventieprijs samenvalt). Er zou wat deze beide produkten betreft, van een — beperkte — concurrentie kunnen worden gesproken omdat wei in poedervorm bij de vervaardiging van veevoeder magere-melkpoeder steeds meer gaat vervangen.
Deze stelling is pertinent bestreden door de firma Milac, die hier van substitutiemogelijkheden in het geheel niet wil weten en heeft gewezen op de moeilijkheden verband houdende met het vrij hoge lactosepercentage (70 à 75 %) van wei in poedervorm. De Commissie heeft daar weer tegen ingebracht dat moderne technieken de mogelijkheid bieden dat lactosepercentage te verlagen en aan wei in poedervorm andere bestanddelen toe te voegen, waardoor het voor 60 % bij de vervaardiging van veevoeders wordt gebruikt.
Het gaat er derhalve maar om of de prijs van wei in poedervorm van die van magere-melkpoeder afhangt. Twee aspecten zijn hier mijns inziens van belang. In de eerste plaats heeft de Commissie zelf erkend dat de prijs van wei in poedervorm vooral door de produktie-kosten wordt bepaald, en die produktie-kosten zouden hoger zijn dan die aan de produktie van magere-melkpoeder verbonden. In de tweede plaats erkent de Commissie dat fluctuaties van de prijs van melkpoeder niet automatisch en geregeld doorwerken in de prijs van wei in poedervorm. Deze laatste prijs die, anders dan die van melkpoeder, de steun van een interventiestelsel ontbeert, is een vrije marktprijs die in ruime mate de invloed van vraag en aanbod ondergaat.
Dit volgt ook duidelijk uit een door de Commissie overgelegde tabel betreffende de ontwikkeling van de prijzen der beide produkten in het tijdvak 1971-1977. Er blijkt bij voorbeeld uit dat in 1974, toen de interventieprijs voor melkpoeder 66 r.e per 100 kg bedroeg, de Duitse marktprijs van wei in poedervorm 20,68 r.e per 100 kg bedroeg; terwijl in 1975 tegenover een belangrijk gestegen interventieprijs voor eerstgenoemd produkt (88,70 r.e.) een veel lagere marktprijs voor laatstgenoemd produkt (15 r.e.) stond. En bedroeg de prijs van wei in poedervorm op de Duitse markt in 1971 een derde van de interventieprijs van magere melkpoeder, in 1977 was dit percentage tot minder dan een vijfde gedaald.
Het is onbevredigend dat de Commissie dit punt ontoereikend heeft toegelicht, te meer waar de afhankelijkheidsrelatie tussen de prijzen van wei in poedervorm en magere-melkpoeder niet alleen door de betrokken onderneming is ontkend, doch ook door de verwijzende rechter die er, blijkens de formulering van de eerste vraag, als feitelijk onomstotelijk van schijnt uit te gaan dat zodanige verhouding niet bestaat.
Ik ben van mening dat de eerste vraag van het Finanzgericht van Saarland op grond van dit feitelijk gegeven — in aanmerking genomen dat de prijs van het produkt, naar hiervoor werd overwogen, niet van die van de grondstof, de melk, afhangt —, zonder meer bevestigend zal moeten, worden beantwoord: artikel 1 van verordening 539/75 van de Commissie schijnt, voor zover er over de importen van wei in poedervorm compenserende bedragen worden geheven, in strijd te komen met artikel 1, lid 2, b, van 's Raads verordening 974/71. De brede kloof tussen de standpunten van de firma Milac en de Commissie leidt er evenwel toe dat wij ons desondanks gesteld zien voor een reeks technische vragen, waarbij aan de hand van het dossier nader kan worden stilgestaan. Ik zou dan thans willen overgaan tot bespreking van het probleem dat in de tweede vraag van de Duitse rechter aan de orde wordt gesteld; brengen wij het tot oplossing, dan behoeft de eerste vraag geen verdere bespreking.
3.
Ik stel voor te beginnen met dat gedeelte van de tweede vraag van het Finanzgericht, waarin het erom gaat of de toepassing van compenserende bedragen op produkten welker afgeleide marktprijs op of beneden het niveau der produktiekosten is gelegen, dan wel zich in zodanige mate en zo frequent wijzigt dat monetaire maatregelen tot niets leiden, zich met artikel 1, laatste alinea, van 's Raads voornoemde verordening 974/71 verdraagt.
Ik moge eraan herinneren dat er volgens genoemde bepaling alleen compenserende bedragen mogen worden opgelegd wanneer de toepassing der in lid 1 bedoelde monetaire maatregelen — hetgeen wil zeggen dat de wisselkoers de fluctuatiegrens welke bij de internationale regeling is toegelaten, in bovenwaartse richting overschrijdt — „verstoringen in de handel in landbouwprodukten” zou vervoorzaken.
De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden dat het betrokken produkt om met objectieve marktomstandigheden samenhangende redenen normaliter wordt verkocht tegen een prijs die op of beneden het niveau der produktiekosten is gelegen, sluit mijns inziens de mogelijkheid om met compenserende bedragen te werken niet zonder meer uit. Aan die bedragen ligt namelijk niet de veronderstelling ten grondslag dat aan de onderneming een zekere „profijtelijke” marge wordt gelaten; men heeft alleen maar verstoringen van het handelsverkeer — en dus: van de goede werking van de interventiemechanismen — als gevolg van wijzigingen van de feitelijke koers tussen de munteenheden der Lid-Staten in samenhang met het feit dat er bij de vaststelling van de gemeenschappelijke landbouwprijzen ongelijke verhoudingen worden aangehouden —, willen voorkomen. De compenserende bedragen ontlenen hun naam juist aan het feit dat zij een dergelijk verschil tussen de werkelijke ruilvoet van de munteenheid en de verhouding van die ruilvoet tot de landbouwkoers willen compenseren.
Ook wanneer een landbouwprodukt beneden de kostprijs wordt verkocht, blijft de mogelijkheid bestaan dat de valutaschommelingen welke de uitvoer van een bepaald produkt uit staten met een zwakke munteenheid naar andere staten met een sterke munteenheid aantrekkelijk maken, zich in het ruilverkeer en in de werking van het interventiemechanisme zodanig doen gevoelen dat het tot verstoringen komt.
Deze zelfde overweging brengt ook mede dat een produkt niet reeds aan het stelsel van de compenserende bedragen mag worden onttrokken omdat de verkoopprijzen, resulterende uit het vrije spel van vraag en aanbod, sterk fluctueren.
Veel belangrijker acht ik dan ook het eveneens in de tweede vraag opgeworpen probleem of er met betrekking tot wei in poedervorm kan worden gesproken van het gevaar dat het onder invloed van nationale monetaire maatregelen tot verstoringen van het handelsverkeer komt.
Tot goed begrip van de draagwijdte der bepaling waarin dat gevaar ter sprake komt (genoemde laatste alinea van artikel 1 van 's Raads verordening 974/71) verdient het aanbeveling ook te rade te gaan met de laatste overweging van de considerans der verordening, waarin de Raad stelt dat „de compenserende bedragen niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen” en dat zij „slechts van toepassing dienen te zijn in die gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken”. De nadruk valt op het exceptioneel karakter dat de communautaire wetgever aan bedoelde maatregelen had toegekend, hetgeen medebracht dat het toepassingsgebied zoveel mogelijk diende te worden begrensd. Deze aspecten vinden wij in 's Hofs jurisprudentie terug. De uitzonderlijke aard van het stelsel der monetaire compensatie en de ermede samenhangende noodzaak ener restrictieve toepassing, vonden bevestiging in 's Hofs arrest van 24 oktober 1973, gewezen in de zaak 43/72, Merkur (Jurispr. 1973, blz. 1056, met name blz. 1073, ov. 23) en in 's Hofs arrest van 15 mei 1975, gewezen in de zaak 74/74, CNTA (Jurispr. 1975 , blz .534, met name blz. 546, ov. 20). In laatstgenoemde zaak had de advocaat-generaal Trabucchi, na de werking en kenmerken van het stelsel te hebben besproken, erop gewezen dat „de compenserende bedragen, hun handhaving ten spijt, ook in de toekomst moeten worden beschouwd als een afwijking van het systeem en … — in afwachting van een meer ontwikkeld communautair stelsel waarmee de nadelen zowel van koersschommelingen als van de compenserende bedragen kunnen worden opgevangen — slechts gerechtvaardigd [zijn] voor zover zij onmisbaar zijn om erger te voorkomen, dit wil zeggen verstoring van de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening door koersschommelingen” (Jurispr. 1975, blz. 555). Reeds eerder had het Hof overwogen dat deze bedragen „ten doel hebben de ontwrichting van het in de communautaire regeling vervatte interventiestelsel in de betrokken Lid-Staten te voorkomen; dat het overigens niet gaat om door de Lid-Staten eenzijdig vastgestelde heffingen, doch om communautaire maatregelen die, gelet op de toenmalige buitengewone omstandigheden, in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aanvaardbaar zijn” (arrest van 24 oktober 1973, gewezen in de zaak 5/73, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1973, blz. 1092, met name blz. 1114, ov. 29).
Bekend is dat valutaschommelingen zich, althans op korte termijn, in het handelsverkeer afspiegelen in meer importen uit landen met een opwaarts tenderende valuta en, in samenhang daarmede, in meer uitvoer uit landen met een in benedenwaartse richting tenderende valuta. Deze natuurlijke tendens is voor de goede werking van communautaire mechanismen van bijzonder belang, wanneer het gaat om produkten waarvoor interventiemaatregelen zijn vastgesteld. Bij gebreke van een elastische relatie tussen de nationale valuta's en de rekeneenheid waarin de gemeenschappelijke landbouwprodukten worden uitgedrukt, draagt de toepassing van compenserende maatregelen bij in- of uitvoer ertoe bij te voorkomen dat de interventiebureaus van een staat met opgewaardeerde munteenheid te maken krijgen met een veel te groot aanbod uit andere Lid-Staten, vooral uit staten met gedeprecieerde valuta.
Er zijn ten aanzien van wei in poedervorm evenwel geen interventiemaatregelen genomen, en in zoverre dreigt dan ook niet het gevaar dat bij voorbeeld de Franse producenten de Duitse interventiebureaus met speculatieve verkopen komen belagen.
De Commissie heeft getracht haar maatregel te rechtvaardigen met de stelling dat zonder toepassing van compenserende bedragen op wei in poedervorm, de monetaire maatregelen tot verstoringen in het handelsverkeer zouden hebben geleid welke uiteindelijk de goede werking van het interventiestelsel voor melkpoeder in gevaar zouden hebben gebracht.
Zich verschansend achter de discretionaire bevoegdheid, waarover zij beschikt wanneer het risico van verstoring van het handelsverkeer in landbouwprodukten als gevolg van monetaire maatregelen moet worden beoordeeld (vgl. voormeld arrest-CNTA, Jurispr. 1975, blz. 547, ov. 21), doet de Commissie haar — simpele — bewering niet gepaard gaan van een toelichting betreffende de gegevens waarop haar oordeel berust.
Na het verzoek van een nationale rechter die de rechtsgeldigheid van een handeling der Commissie ernstig in twijfel trekt, hadden wij van die instelling mogen verwachten, dat zij ter rechtvaardiging van haar handelwijze, ruimschoots met argumenten was komen aandragen. Wij zullen ons dan ook onvermijdelijk op glad ijs moeten begeven, wanneer wij willen nagaan of de genomen maatregel, getoetst aan het daarmede officieel nagestreefde doel — het voorkomen van verstoringen van het handelsverkeer —, wel door de beugel kan.
4.
Waar er zowel in Frankrijk als in Duitsland een structureel overschot aan magere-melkpoeder bestaat, mag het ervoor worden gehouden dat de produktie van elk van beide landen grotendeels naar de plaatselijke interventiebureaus gaat. Dat maakt het moeilijk denkbaar dat het, zonder compenserende bedragen voor wei in poedervorm, in het handelsverkeer in magere-melkpoeder tussen de Lid-Staten tot verstoringen had kunnen komen.
Het gevaar waarop de Commissie zinspeelt, schijnt in wezen de werking van het interventiemechanisme in de sector melkpoeder te betreffen. Men dient zich derhalve af te vragen hoe het effect van monetaire maatregelen op de afzet van magere-melkpoeder, een bedreiging voor die werking kan opleveren.
Laat ons aannemen dat het stijgend gebruik van wei in poedervorm bij de vervaardiging van veevoeders — waarover de Commissie sprak — tot een afnemend gebruik van magere-melkpoeder voor dat zelfde gebruik leidt, en derhalve tot een vertraagde afzet van de voorraden die bij de interventiebureaus zijn opgeslagen. In zoverre zou er verband bestaan tussen de invoer van wei in poedervorm in Duitsland en de goede werking van de Duitse interventiebureaus wat de sector magere-melkpoeder betreft. Van de toepassing van een monetair compenserend bedrag kan dan een beschermende functie uitgaan, waarvan dan niet de Duitse fabrikanten van magere-melkpoeder — die immers voor de gegarandeerde interventieprijs in aanmerking komen —, doch de interventiebureaus van de Bondsrepubliek profiteren.
Zou dat een geldige reden voor de toepassing van monetaire compenserende bedragen zijn? Wie die vraag wil beantwoorden, dient zich nogmaals te laten zeggen dat het stelsel van de monetaire compenserende bedragen alleen kan worden toegepast om aan dreigende moeilijkheden voor het handelsverkeer en voor de goede werking van de interventiebureaus als gevolg van het effect der monetaire maatregelen op de prijs der basisprodukten, het hoofd te bieden, en niet om bepaalde produkten minder concurrerend te maken vergeleken met bepaalde excedentaire produkten die een last voor de interventiebureaus betekenen, en wel zulks ongeacht of er tussen de prijzen van eerstgenoemde en die van laatstgenoemde produkten een specifieke afhankelijkheidsrelatie bestaat.
In feite is evenwel niet gebleken dat van toepassing der compenserende bedragen een ontmoedigend effect op de communautaire produktie van wei in poedervorm is uitgegaan. Die produktie is van 414 miljoen ton in 1973 geleidelijk tot 527 miljoen ton in 1976 gestegen; en in de Bondsrepubliek van 75 miljoen in 1973 tot 101 miljoen in 1976, ten naastebij in hetzelfde tempo — en met dezelfde percentages — als in de Gemeenschap het geval was. Daaruit volgt mijns inziens dat het stelsel der compenserende bedragen het produktieniveau niet heeft beïnvloed.
Anderzijds doen zich de verstoringen van het handelsverkeer waarvoor de communautaire wetgever beducht was — en die hij met compenserende bedragen heeft willen verhelpen — nog steeds gelden in de vorm van die onvoorziene massale goederenbewegingen naar staten met een opgewaardeerde valuta, waarbij vooral speculatieve beweegredenen, met de koersverschillen der valuta's verband houdende, een rol spelen; bewegingen die door hun omvang en snelheid niet alleen op de geldmiddelen der Gemeenschap drukken, doch ook de gestie der interventiebureaus ernstig kunnen belemmeren.
In casu is niet gebleken dat er zonder compenserende bedragen een onevenredige groei van de exporten van wei in poedervorm uit Frankrijk naar Duitsland zou dreigen, dan wel dat de gestie van de Duitse interventiebureaus, wat de afzet van de voorraden magere melkpoeder betreft, ernstige belemmeringen te wachten zouden staan.
Ten slotte dient men zich blijkens de laatste overweging van de considerans van verordening 974/71, wat de compenserende bedragen betreft, te beperken tot die maatregelen welke strikt noodzakelijk zijn om de doorwerking van valutaschommelingen in de prijzen der basisprodukten, waarvoor interventiemaatregelen zijn voorzien, te compenseren. Dit ligt in de lijn van artikel 1, lid 2, b, dier zelfde verordening: er moet verband bestaan tussen de prijs van het betrokken produkt en de prijs van het basisprodukt waarvoor interventiemaatregelen werden genomen.
In casu kwamen wij reeds tot de conclusie dat de prijs van wei in poedervorm niet van de melkprijs afhangt. Bovendien zagen wij dat wei in vloeibare vorm, ook indien tegen een geringe vergoeding afgestaan, vergeleken met het effect der produktiekosten, in de prijs van het eindprodukt slechts in zeer geringe mate doorwerkt. Bedenkt men dat er voor de produktie van een kilo wei in poedervorm 16 liter vloeibare wei nodig zijn, dan bedraagt de kostprijs van de grondstof bij de vervaardiging van wei in poedervorm niet meer dan 10 mark per 100 kg. Uit de tabel van de compenserende bedragen voor dit produkt in de jaren 1974-1977 (vgl. memorie van de Commissie, blz. 11) blijkt wel dat het niveau dier bedragen de kostprijs van de grondstof vrij aanzienlijk te boven gaat. Zij zouden dus veel hoger liggen dan ter compensatie van het effect van de monetaire maatregelen op de prijs van het basisprodukt noodzakelijk mocht worden geacht.
5.
Bij al deze overwegingen, die de noodzaak van de gewraakte maatregel, getoetst aan artikel 1, laatste alinea, van 's Raads verordening 974/71 reeds ondergraven, komt het feit dat de Commissie in voormelde verordening 1824/77 de heffing van het compenserend bedrag op wei in poedervorm per 5 september 1977 heeft stopgezet. Ik merkte reeds op dat de Commissie dit gemotieveerd heeft met de overweging dat „kan worden verwacht dat in de huidige toestand het ontbreken van compenserende bedragen geen verstoringen in het handelsverkeer zal veroorzaken”. Er is geen enkele reden de juistheid daarvan te ontkennen; er zijn bovendien goede redenen om de juistheid van de afwijkende beoordeling waarvan de Commissie in haar eerdere verordening 539/75 was uitgegaan, in twijfel te trekken.
De firma Milac heeft, reeds voor de nationale rechter, betoogd dat zich met betrekking tot het hier bedoelde produkt, waarvoor de Commissie achtereenvolgens haar beide maatregelen heeft genomen, tussen 1975 en 1977 niet een wezenlijk andere economische en monetaire situatie heeft voorgedaan. De Commissie heeft geen enkel gegeven verschaft dat de juistheid van die stelling zou kunnen weerleggen. Uit hetgeen de Commissie ten processe heeft gesteld, volgt mijns inziens dat zij ten deze met haar recente beslissing voor het betrokken produkt van de toepassing van compenserende bedragen af te zien, haar beleid heeft gewijzigd. Is die conclusie juist, dan mag het er voor worden gehouden dat wei in poedervorm, ook toen verordening 539/75 werd vastgesteld, niet noodzakelijkerwijze onder de hierbedoelde regeling behoefde te worden gebracht.
Waar bij de toepassing van het stelsel van compenserende bedragen, gezien de exceptionele en afwijkende aard van dat stelsel, strenge grenzen in acht moeten worden genomen, brengt het feit dat de toepassing welke met verordening 539/75 met betrekking tot wei in poedervorm aan het stelsel werd gegeven niet strikt noodzakelijk was te achten, mede dat de verordening in zoverre niet als rechtsgeldig is te beschouwen.
6.
Op grond van een en ander geef ik Uw Hof in overweging de vragen, door het Finanzgericht des Saarlandes bij beschikking van 26 oktober 1977 gesteld, in die zin te beantwoorden dat artikel 1 van verordening 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975, voor zover daarbij compenserende bedragen voor de import van wei in poedervorm zijn vastgesteld, niet rechtsgeldig is.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy