CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 16 MAART 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De Arbeidsrechtbank te Brussel heeft bij vonnis van 25 oktober 1977 Uw Hof een vraag gesteld inzake de uitlegging van artikel 76 van 's Raads verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971. Deze bepaling luidt als volgt:
„Het recht op krachtens de artikelen 73 of 74 verschuldigde gezins-of kinderbijslagen wordt geschorst indien krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, op grond van verrichte beroepswerkzaamheden eveneens gezins- of kinderbijslagen verschuldigd zijn”.
Verzoeker in het hoofdgeding, de heer Ragazzoni, verricht in België arbeid in loondienst en verzocht voor zijn drie ten laste komende kinderen die met de moeder in Italië zijn gebleven om kinderbijslag. Het bevoegde Belgische orgaan wees dit verzoek af met een beroep op genoemd artikel 76, op grond dat de echtgenote van verzoeker eveneens arbeid in loondienst verricht in Italië en derhalve — aldus dit orgaan — recht heeft op uitkering van kinderbijslag in Italië. Tegen deze stelling werd ingebracht dat de tijdens het ontstaan van het geschil bestaande Italiaanse wettelijke regeling aan de moeder die niet gescheiden leefde van of was verlaten door haar echtgenoot niet de hoedanigheid van gezinshoofd toekende, het recht van deze moeder op kinderbijslag uitsloot en de kinderen bleef beschouwen als ten laste komende van de buitenslands werkende vader. Opgemerkt zij, dat deze rechtstoestand, voortvloeiend uit de artikelen 1 en 3 van decreet nr. 797 van de President van de Italiaanse Republiek van 30 mei 1955, door de Belgische rechter bij de formulering van de aan U voorgelegde vraag, als een feitelijk gegeven werd aanvaard. Ik wil hieraan toevoegen dat, zoals de Arbeidsrechtbank te Brussel terecht heeft opgemerkt, Ragazzoni geen aanspraak had op de uitkering van kinderbijslag in Italië in de zin van genoemde wet welke bepaalt dat de kinderbijslag toekomt „aan de gezinshoofden die op het grondgebied van de Republiek arbeid in loondienst verrichten”. Daarom kon in feite, gelet op de tot december van het afgelopen jaar geldende Italiaanse regeling, de kinderbijslag voor de echtelieden Ragazzoni — indien deze niet werd uitgekeerd door het bevoegde Belgische orgaan — in geen geval in Italië worden verlangd.
2.
Onderzoeken wij thans de functie en de betekenis van artikel 76 van verordening nr. 1408/71. Mijns inziens zijn hierbij drie overwegingen van belang:
a)
Deze bepaling moet worden gelezen in de context van hoofdstuk VII van de verordening („Gezins- en kinderbijslagen voor werknemers en werklozen”) en vooral in samenhang met artikel 73, hetwelk bepaalt dat de werknemer op wie de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan Frankrijk van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht heeft op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden. Het is duidelijk, dat deze bepaling het beginsel vormt dat steeds moet worden toegepast wanneer de gezinsleden van een werknemer in een andere Lid-Staat wonen dan die waar de werkzaamheid wordt verricht. Er dient op te worden gewezen dat artikel 73 in casu volkomen past op de toestand van de heer Ragazzoni, terwijl het niet toepasselijk is op de toestand van mevrouw Ragazzoni, die voor haar echtgenoot — het enige gezinslid in het buitenland — die uiteraard niet te haren laste komt niet om gezinsbijslagen verzoekt of zou kunnen verzoeken.
Ten opzichte van artikel 73 vormt artikel 76 een uitzondering; nauwkeuriger gezegd bevat het, zoals de titel uitdrukkelijk aangeeft, „prioriteitregels bij samenloop van rechten op gezins- of kinderbijslagen krachtens de artikelen 73 of 74 en op grond van verrichte beroepswerkzaamheden in het land waar de gezinsleden wonen”.
b)
De in casu door de Belgische regering verdedigde stelling, dat artikel 76 de uitsluitende bevoegdheid om kinderbijslag uit te keren toekent aan de Staat van verblijf van het gezin van de geëmigreerde werknemer in alle gevallen waarin een der gezinsleden in die Staat een beroepswerkzaamheid verricht, acht ik niet gegrond. Tegen deze stelling pleiten zowel de zoëven genoemde titel van artikel 76 die de aard daarvan als anti-cumulatieregel bevestigt, als de omstandigheid dat de enkele uitoefening van een beroepswerkzaamheid in de Staat van verblijf van de gezinsleden niet volstaat om het in artikel 73 toegekende recht te schorsen, maar dat het bovendien nodig is dat de gezinsbijslagen ingevolge de wet van deze Staat zijn verschuldigd. Voorts zij opgemerkt dat de voorrang van het uit artikel 73 voortvloeiende beginsel ook wordt weergegeven in de bewoordingen van artikel 76, met name door het gebruik van het begrip „schorsing” van het in artikel 73 bedoelde recht.
c)
Evenzo ongegrond lijkt mij de door de Italiaanse regering verdedigde stelling dat artikel 76 alleen van toepassing is wanneer gezins- of kinderbijslagen in de Staat waar de gezinsleden wonen verschuldigd zijn op grond van verrichte beroepswerkzaamheden door de geëmigreerde werknemer zelf die in een andere Lid-Staat recht heeft op deze gezins- of kinderbijslag. Afgezien van het zeldzame geval dat eenzelfde persoon tegelijkertijd twee betrekkingen in twee verschillende Lid-Staten heeft en daardoor in beide landen het recht op kinderbijslag kan verwerven, blijft toch het feit dat artikel 76, waarin sprake is van „verrichte beroepswerkzaamheden”, zonder nader aan te geven door wie, en in een verband waarin wordt verwezen naar de gezinsleden van de werknemer, stellig het veel meer voor de hand liggende geval omvat, dat de beroepswerkzaamheid is verricht door een der gezinsleden van de werknemer. In deze zin heeft zich ook de administratieve commissie voor de migrerende werknemers uitgelaten, zoals blijkt uit een toelichting in punt 3 van het procesverbaal van haar 143e vergadering.
3.
Voor de beantwoording van de vraag van de Arbeidsrechtbank te Brussel is het hier voldoende de betekenis van de tweede der beide in artikel 76 gestelde voorwaarden voor de schorsing van het recht op gezins- of kinderbijslagen te belichten. Ik heb reeds opgemerkt dat de eerste dezer voorwaarden is dat een der gezinsleden een beroepswerkzaamheid verricht in de Lid-Staat waar de gezinsleden wonen. De tweede voorwaarde is dat de gezins- of kinderbijslagen krachtens de wet van deze Staat „verschuldigd” zijn. Ik geloof niet dat men het standpunt van verzoeker kan delen, dat de uitdrukking „verschuldigd” moet worden opgevat als een equivalent van „uitgekeerd”. De betrokken voorwaarde strekt zich niet zo ver uit dat feitelijke betaling van de gezins- of kinderbijslag vereist is. Ik geloof veeleer dat, om de kinderbijslag als verschuldigd te kunnen beschouwen, de wet van de Staat waar de gezinsleden wonen het recht op kinderbijslag moet toekennen aan de persoon die in die Staat werkt, en dat alle voorwaarden in concreto moeten zijn vervuld opdat dit recht door de betrokken persoon geldend kan worden gemaakt.
4.
Indien deze uitlegging juist is, dan lijkt zij mij ook dienstig te zijn ter oplossing van het probleem, dat is ontstaan doordat in Italië een nieuwe regeling betreffende het recht van de echtgenote op kinderbijslag is vastgesteld. Ik doel met name op artikel 9 van wet nr. 903 van 9 december 1977, in werking getreden op 18 december 1977, krachtens hetwelk de kinderbijslag facultatief aan de werkende vrouw kan worden uitbetaald, doch — bij een verzoek van beide ouders — in elk geval aan de ouder bij wie het kind leeft, moet worden uitbetaald.
Aangezien deze bepaling circa drie jaar na de aanvang van de beroepswerkzaamheid van Ragazzoni in België werd vastgesteld, en vooral gezien het feit dat de feitelijke toestand waarvan de Arbeidsrechtbank te Brussel uitgaat wordt beheerst door de vóór genoemde wet nr. 903 van 1977 bestaande Italiaanse wettelijke regeling, zou men voor de onderhavige zaak de recente wetswijziging in Italië zonder meer buiten beschouwing kunnen laten. Ik wil er echter op wijzen dat ingevolge de genoemde bepaling, het recht op kinderbijslag voor de vrouw die getrouwd is met een buitenslands werkende werknemer die op zijn beurt recht heeft op kinderbijslag voor de ten laste komende kinderen, slechts zal ontstaan voor zover daartoe een verzoek door de werkneemster of eventueel door beide ouders is gedaan; het ontstaat in elk geval niet indien het verzoek om kinderbijslag alleen door de vader is ingediend. In het tweede geval is de kinderbijslag derhalve niet op grond van genoemd artikel 9 van wet nr. 903 van 1977 aan de werkende moeder verschuldigd, in de zin van artikel 76 van verordening nr. 1408/71.
5.
Ik concludeer mitsdien dat Uw Hof de door de Arbeidsrechtbank te Brussel gestelde vraag beantwoorde als volgt:
De in artikel 76 van verordening nr. 1408/71 bedoelde schorsing van het recht op kinderbijslag geldt niet, wanneer de vader buitenslands in een Lid-Staat tewerk is gesteld, terwijl de moeder in het land waar de overige gezinsleden wonen arbeid in loondienst verricht en ingevolge de wet van dit land geen recht op kinderbijslag heeft verworven, hetzij omdat de hoedanigheid van gezinshoofd alleen aan de vader wordt toegekend, hetzij omdat in elk geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning aan de moeder van het recht op kinderbijslag.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy