CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 9 MAART 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren rechters,
In de onderhavige zaak acht ik het niet gerechtvaardigd, mijn conclusie tot een latere datum uit te stellen. De door U te beantwoorden vraag is te eenvoudig en het antwoord te duidelijk.
De vijfde overweging van 's Hofs arrest in de zaak 1/77 (Jurispr. 1977, blz. 1473) luidt als volgt:
„Overwegende dat artikel 3 slechts spreekt van de octrooien met gebruikmaking waarvan de goederen worden vervaardigd, daarmee blijkbaar de octrooi- en welke de werkwijze voor het gebruik van dat goed betreffen, uitsluitend;
dat dit onderscheid evenwel geen zin heeft wanneer er tussen het vervaardigde voorwerp en de werkwijze voor het gebruik een dusdanig nauw verband bestaat, dat beide in een en hetzelfde goed zijn belichaamd;
dat immers een uitlegging van artikel 3 in overeenstemming met de doelstellingen van het in artikel 1 der verordening neergelegde beginsel noopt tot de zienswijze dat een geoctrooieerde werkwijze in het goed is belichaamd wanneer, enerzijds, het goed alleen met toepassing van die werkwijze economisch zinvol kan worden gebruikt en, anderzijds, de werkwijze slechts toepasbaar is met gebruikmaking van het goed.”
Dit kwam overeen met wat ik zelf in mijn conclusie had gesteld (zie Jurispr. 1977, 1490 e.v.).
De moeilijkheid is ontstaan omdat de woorden „en, anderzijds, de werkwijze slechts toepasbaar is met gebruikmaking van het goed” in het dictum van het arrest niet werden herhaald.
Naar mijn mening moet echter het dictum van een arrest van Uw Hof altijd worden uitgelegd in het licht van de voorafgaande overwegingen.
Ik ben derhalve evenals de Commissie van mening dat de door het Finanzgericht Hamburg thans aan Uw Hof voorgelegde vraag moet worden beantwoord in de door verzoekster voorgestane zin.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy