CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 3 MEI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In 1975 werden in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en met derde landen de oorspronkelijk bij 's Raads verordening nr. 974/71 van 12 mei 1971 (PB L 106 van 1971, blz. 1) ingestelde en uit vele andere procedures bekende monetaire compenserende bedragen toegepast, onder meer voor tafelwijn van de tariefposten 22.05 C I en 22.05 C II van het gemeenschappelijk douanetarief.
Aanvankelijk gold hiervoor verordening nr. 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975 (PB L 57 van 1975, blz. 2), die in deel 6 van bijlage I voor de verschillende Lid-Staten toepasselijke bedragen vermeldde. Deze verordening werd vervolgens bij verordening nr. 722/75 van de Commissie van 19 maart 1975 (PB L 71 van 1975, blz. 24) gewijzigd waarna per 24 maart 1975 onder meer de monetaire compenserende bedragen voor wijn van de tariefposten 22.05 C I en II „in alle Lid-Staten behalve in Duitsland” werden afgeschaft. Bij verordening nr. 2021/75 van de Commissie van 31 juli 1975 (PB L 205 van 1975, blz. 1) werd verordening nr. 539/75 per 4 augustus 1975 geheel ingetrokken. In bijlage I van verordening nr. 2021/75 werden de monetaire compenserende bedragen voor iedere Lid-Staat opnieuw vastgesteld. In deel 6 van bijlage I werd evenals in de bij verordening nr. 722/75 gewijzigde verordening nr. 539/75 slechts voorzien in de heffing van monetaire compenserende bedragen ten aanzien van wijnimporten in Duitsland; de vastgestelde bedragen waren dezelfde als die van verordening nr. 539/75.
Bedoelde regeling werd toegepast toen verzoekster ten principale, een firma uit Bingen am Rhein, in september 1975 Joegoslavische tafelwijn van tariefpost 22.05 C I b uit haar open douanedepot in het vrije verkeer bracht. Verzoekster tekende hiertegen bezwaar aan en nadat dit ongegrond was verklaard, wendde zij zich tot het Finanzgericht Rheinland-Pfalz.
Volgens haar is de bij verordening nr. 722/75 voor Duitsland geschapen uitzonderingsregeling ongeldig, omdat genoemde verordening ten aanzien van de handhaving van de compenserende bedragen voor Duitsland niet naar de eis van artikel 190 EEG-Verdrag met redenen is omkleed. Voorts zou deze uitzonderingsregeling in strijd zijn met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag. Voor de handhaving van de compenserende bedragen voor importen in Duitsland zijn volgens haar geen goede gronden aan te wijzen. De grenscompensatie tussen Italië en Frankrijk is immers ondanks de bedreiging van de Franse markt ook opgeheven. Indien men echter daar geen verstoring van het handelsverkeer aanneemt, dan kan men ook niet spreken van een verstoring van de volstrekt onbetekenende Duitse markt voor rode tafelwijn (uit Joegoslavië wordt met name rode wijn geïmporteerd). Voorts is verordening nr. 722/75 volgens verzoekster onverenigbaar met het beginsel dat binnen de Gemeenschap eenvormige prijzen moeten gelden, doordat zij de compartimentering van de markt en het ontstaan van ongelijke prijsniveau's in de hand werkt. Verder betoogt zij dat bedoelde compenserende bedragen in strijd zijn met het verbod van heffingen van gelijke werking als invoerrechten, daar zij in casu niet ertoe dienen de invloed van verschillende wisselkoersen te overbruggen en aldus de normale handelsstromen in stand te houden, doch veeleer tot doel hebben de handelsstromen te verleggen en prijsverlagingen te verhinderen. Ten slotte stelt verzoekster zich nog op het standpunt dat bedoelde regeling in strijd is met artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71, volgens hetwelk de toepassing van monetaire compenserende bedragen slechts is toegestaan wanneer verstoringen in het goederenverkeer dreigen op te treden. In dit verband acht zij het met name van belang dat de Commissie zelf herhaaldelijk de geleidelijke opheffing van de monetaire compenserende bedragen heeft verlangd.
Volgens verweerster daarentegen is de bestreden verordening genoegzaam met redenen omkleed en de ongelijke behandeling van de verschillende Lid-Staten objectief gerechtvaardigd. Met name zou aan de voorwaarden van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71 zijn voldaan, mede gezien de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie op het gebied van het economisch beleid beschikt. In ieder geval kan volgens verweerster niet worden ontkend dat de Italiaanse wijn na de devaluatie van de lire in 1973 goedkoper was geworden, met als gevolg een omvangrijker export en een verlegging van de gebruikelijke handelsstromen. Op de Duitse markt voor tafelwijn bracht de tendens tot revaluatie van de DM nog grotere prijsdalingen teweeg. Hierdoor was de in verordening nr. 974/71 bedoelde situatie ontstaan.
Het Finanzgericht heeft het geding geschorst en bij beschikking van 4 oktober 1977 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing inzake de navolgende vragen:
1.
Is verordening (EEG) nr. 722/75 van de Commissie van 19 maart 1975 (PB L 71 van 1975, blz. 24) geldig voorzover zij, bij de afschaffing van de monetaire compenserende bedragen, in de bijlage, sub 1, een uitzondering maakt voor de invoer van wijnen van tariefpost 22.05 C I in Duitsland?
In het bijzonder: Waren voor dergelijke wijnimporten in september 1975 de voorwaarden van artikel 1, lid 3, van 's Raads verordening (EEG) nr. 974/71 nog aanwezig, of berustte de handhaving van de monetaire compenserende bedragen voor Duitsland op overwegingen die in strijd zijn met het discriminatieverbod en het gebod van eenvormige prijzen in de zin van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag en die de monetaire compenserende bedragen tot heffingen van gelijke werking als invoerrechten hebben gemaakt?
2.
Is aan de motiveringsplicht van artikel 190 EEG-Verdrag voldaan, nu verordening (EEG) nr. 722/75 slechts op de verschillen tussen de produktie- en verhandelingsvoorwaarden van tafelwijnen binnen de Gemeenschap wijst, of had de Commissie de handhaving van de monetaire compenserende bedragen voor Duitsland uitvoeriger moeten motiveren?
Alvorens op deze vragen nader in te gaan, wil ik erop wijzen dat verordening nr. 722/75, waarbij verordening nr. 539/75 was gewijzigd, ten tijde van de onderhavige importen, dat wil zeggen in september 1975, niet meer van kracht was. Zoals wij reeds zagen is zij evenals verordening nr. 539/75 ingetrokken en door verordening nr. 2021/75 vervangen. In feite dienen de gestelde vragen dan ook zo veel mogelijk op laatstgenoemde verordening te worden betrokken en moet verordening nr. 722/75, die dus niet de rechtsgrondslag voor verordening nr. 2021/75 vormde, buiten beschouwing blijven.
Ofschoon het voor de beantwoording van de gestelde vragen niet van belang is, wil ik hier verder nog opmerken dat bij verordening nr. 2448/75 van de Commissie van 25 september 1975 (PB L 250 van 1975, blz. 29) de toepassing van de monetaire compenserende bedragen in de wijnsector — op twee uitzonderingen na — per 29 september 1975 ook in Duitsland is geschorst aangezien er geen gevaar meer bestond voor verstoring van het handelsverkeer. Anderzijds zijn bij verordening nr. 3071/76 van de Commissie van 15 december 1976 de monetaire compenserende bedragen voor tafelwijn per 16 december 1976 ook voor Italië en Frankrijk wederom ingevoerd.
1.
Bij het onderzoek van de gestelde vragen lijkt het mij zinvol om de grief betreffende schending van artikel 190 EEG-Verdrag eerst te behandelen, aangezien ik hier de minste moeilijkheden zie.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat indien er — zoals bij verordening nr. 722/75 — voor de Bondsrepubliek Duitsland een uitzonderingsregeling wordt geschapen, deze speciaal met redenen moet worden omkleed. Indien het gevaar van verstoringen in andere Lid- Staten niet aanwezig wordt geacht, dan dient nauwkeurig te worden aangegeven waarom dat voor Duitsland niet opgaat. Dit is bij deze verordening niet geschied; in werkelijkheid wordt enkel de begunstigende werking gemotiveerd, doch niet de handhaving van de lasten bij invoer in Duitsland. De overwegingen bevatten niets waaruit men zou kunnen afleiden dat het bij afschaffing van de monetaire compenserende bedragen in Duitsland tot verstoringen zou komen.
Maar zoals ik reeds opmerkte, is voor het onderhavige geval niet verordening nr. 722/75, maar verordening nr. 2021/75 van belang.
Voor de motiveringsplicht maakt het mijns inziens een wezenlijk verschil of het — zoals in verordening nr. 722/75 — slechts om enkele produkten gaat dan wel — zoals in verordening nr. 2021/75 — om een globale regeling en een nieuwe vaststelling van alle monetaire compenserende bedragen. In het laatste geval kan zeker geen uitvoerige motivering voor ieder produkt of iedere groep van produkten worden verlangd. Wat verordening nr. 2021/75 betreft, moet het dan ook voldoende worden geacht dat deze onder meer de volgende overweging bevat: „dat dit voorschrift” (namelijk het stelsel van monetaire compenserende bedragen) het in de huidige situatie mogelijk maakt voor Frankrijk en Italië geen, en in de wijnsector alleen voor Duitsland compenserende bedragen vast te stellen."
Hieraan wil ik echter nog toevoegen dat voor zover het de motivering betreft, ook op verordening nr. 722/75 mijns inziens niets valt aan te merken. Ten deze kan ik het volkomen eens zijn met wat advocaat-generaal Warner in zijn conclusie in zaak 29/77 (Roquette Frères, arrest van 28 oktober 1977, Jurispr. 1977, blz. 1836) heeft opgemerkt, namelijk dat de Commissie haar beleid slechts behoeft te motiveren wanneer in de zin van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71 genoegzaam is gebleken dat monetaire compenserende bedragen, de monetaire omstandigheden ten spijt, niet meer behoeven te worden toegepast. Voorts herinner ik eraan dat in het arrest in die zaak wordt overwogen „dat… het feit dat men zich voor de redengeving heeft bediend van de vorm ener verwijzing naar de voorwaarden, in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 974/71 omschreven, niet als het achterwege laten van een redengeving is te beschouwen.”
De overweging in verordening nr. 722/75,
„dat de voorwaarden voor de produktie en de verhandeling van deze wijnen (tafelwijnen) per Lid-Staat verschillen; dat het derhalve thans reeds in de meeste Lid-Staten mogelijk blijkt af te zien van de toepassing van monetaire compenserende bedragen, zonder dat dit leidt tot verstoringen in het handelsverkeer”,
kan dus voldoende worden geacht. De eisen waaraan de redengeving moest voldoen, zouden daarentegen te hoog worden opgeschroefd, indien — zoals verzoekster meent — de Commissie daarnaast nog apart zou moeten toelichten waarom de monetaire compenserende bedragen niet ook in Duitsland konden worden afgeschaft.
Het lijkt mij dan ook niet gerechtvaardigd verordening nr. 2021/75 wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften ongeldig te achten.
2.
Ik kom thans tot de vraag of op het betrokken tijdstip de in verordening nr. 974/71 gestelde voorwaarden nog aanwezig waren. Het gaat hier echter niet om de monetair-technische voorwaarden — deze zijn niet in geding —, maar om artikel 1, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2746/72, luidende:
„De bepalingen van lid 1 worden slechts toegepast voor zover de toepassing van de in dit lid bedoelde monetaire maatregelen verstoringen zou veroorzaken in de handel in landbouwprodukten.”
In dit verband wil ik om te beginnen enkele uitspraken van Uw Hof naar voren brengen.
In het arrest van 24 oktober 1973 in zaak 5/73 (Balkan-Import-Export t. Hauptzollamt Berlin-Packhof, Jurispr. 1973, blz. 1092) werd overwogen dat de compenserende bedragen ertoe dienen de normale handelsstromen te handhaven, welke gedachte in het arrest van 22 januari 1976 in zaak 55/75 (Balkan-Import-Export t. Hauptzollamt Berlin-Packhof, Jurispr. 1976, blz. 20) aldus is geformuleerd, dat rekening moet worden gehouden met de invloed van monetaire maatregelen op de handel tussen de verschillende Lid-Staten. In het arrest van 17 maart 1976 (gevoegde zaken 67 tot 85/75, Cotelle e.a. t. Commissie, Jurispr. 1976, blz. 391) is beklemtoond dat de invoering van het stelsel van monetaire compenserende bedragen werd ingegeven door de vrees dat monetaire maatregelen verstoringen in het handelsverkeer zouden veroorzaken, terwijl het arrest van 14 mei 1975 (zaak 74/74, CNTA t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 534) erop wees dat het stelsel van monetaire compenserende bedragen dient ter bescherming van het prijsniveau in de betrokken Lid-Staat.
Allereerst is echter van belang dat het Hof meermaals — in de zaken 74/74, 55/75 en onlangs in zaak 29/77 — heeft benadrukt dat de Commissie bij de beoordeling van het gevaar voor verstoringen over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat de rechter zich dient te beperken tot de vraag of er sprake is van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid dan wel of het betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet klaarblijkelijk heeft overschreden. In laatstgenoemde zaak heeft het Hof voorts overwogen dat de mogelijkheden dat zich in de handel verstoringen voordoen, talrijk en verscheiden zijn; de Commissie dient in zoverre rekening te houden met de marktvoorwaarden en het staat haar vrij om reeds dan vast te stellen dat zich gevaar van verstoring voordoet, wanneer de wisselkoers van een munteenheid aanzienlijk is gedaald. Bij de vraag of in casu aan de voorwaarden van verordening nr. 974/71 is voldaan, dienen wij van bovenstaande constateringen uit te gaan.
Verzoekster in het hoofdgeding betwijfelt of genoemde voorwaarden zijn vervuld in het geval van de Duitse wijnmarkt. Zij wijst met name op de geringe Duitse produktie van tafelwijn en inzonderheid van rode wijn, waarom het bij haar importen toch voornamelijk ging, en zij betoogt dat hier sprake is van een — vooral in vergelijking met de invoer — zeer onbeduidende markt. Voorts legt verzoekster de nadruk op het feit dat ten gevolg van de compenserende bedragen het marktaandeel van de Duitse wijn heeft kunnen toenemen, terwijl het aandeel van de buitenlandse wijn kleiner is geworden. Wat de aangehaalde rechtspraak betreft, meent zij dat de Commissie in elk geval niet over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt indien het slechts gaat om één produkt en de desbetreffende regeling van de compenserende bedragen voor één enkele Lid-Staat voor dit produkt, alsmede wanneer het de vaststelling van de feiten betreft.
Met dit betoog van verzoekster is naar mijn mening een onjuiste toepassing van het stelsel der monetaire compenserende bedragen niet bewezen.
Reeds principieel heeft verzoekster ongelijk wanneer zij bestrijdt dat de Commissie over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wanneer het erom gaat het stelsel van compenserende bedragen op slechts één bepaalde markt toe te passen. In 's Hofs rechtspraak is dit standpunt nergens terug te vinden. Het is bovendien niet gerechtvaardigd, omdat zelfs de beoordeling van één enkele markt vaak een uiterst ingewikkeld probleem is, vooral voor zover het om noodzakelijke prognoses van de ontwikkelingen gaat. Bovendien moet ik er nogmaals op wijzen dat de in casu relevante verordening niet slechts betrekking had op monetaire compenserende bedragen voor wijn maar op de vaststellingen van de monetaire compenserende bedragen voor alle produkten die daarvoor in aanmerking kwamen.
Maar ook een kennelijke dwaling met betrekking tot een gevaar van verstoring kan na alles wat wij hebben gehoord, en met name na het betoog van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling, bezwaarlijk worden aangenomen.
Wat verzoekster heeft opgemerkt betreffende de geringe omvang van de Duitse markt voor tafelwijn, is ten deze stellig niet overtuigend. Ook op een kleine markt kunnen immers verstoringen optreden waardoor beschermingsmaatregelen noodzakelijk worden. Wanneer men trouwens de overgelegde cijfers met betrekking tot de produktie van tafelwijn in de Duitse Bondsrepubliek beziet — sommige oogsten bedragen meer dan een miljoen hl —, dient men te erkennen dat deze markt niet, zoals verzoekster meent, volstrekt onbetekenend is. Daarbij komt nog dat de Commissie ook rekening mocht houden met de invloed op de markt van kwaliteitswijnen, aangezien er in zoverre geen strakke grenzen zijn te trekken, zodat men niet van volledig gescheiden markten kan spreken.
Evenmin overtuigend klinkt hetgeen verzoekster inzake de feitelijke ontwikkeling van de Duitse markt naar voren brengt, namelijk dat het marktaandeel van de Duitse wijn bij de binnenlandse verkoop is gestegen van 67 % in 1973 tot 75 % in 1975, terwijl het aandeel van de buitenlandse wijn in hetzelfde tijdvak van 33 % naar 25 % is gedaald. Op grond van deze veranderingen mag mijns inziens niet worden aangenomen dat monetaire compenserende bedragen — die op het onderhavige tijdstip 12 % bedroegen — in het geheel niet noodzakelijk waren. Bovendien is het natuurlijk niet een beschouwing achteraf die de doorslag geeft, doch de prognose die op het moment van de vaststelling van de compenserende bedragen redelijk leek, dus alleen de vraag of destijds ernstige vrees bestond voor marktverstoringen.
Uit het betoog van de Commissie, met name tijdens de mondelinge behandeling, blijkt ten volle dat in de herfst van 1975 alle aanleiding bestond om de monetaire compenserende bedragen in de Duitse Bondsrepubliek te handhaven. Zo werd ons meegedeeld — en dit is van essentieel belang — dat de ordening van de wijnmarkt (verordening nr. 816/70, PB L 99 van 1970, blz. 1) wordt gekenmerkt door een naar verhouding zwakke interventieregeling. Zij geldt alleen voor tafelwijn, wijn derhalve die niet aan de aan kwaliteitswijn gestelde eisen voldoet, en wanneer de marktprijs tot onder een bepaald niveau daalt, beperkt de interventie zich tot destillatiemaatregelen — bovendien niet voor grote hoeveelheden — of tot steun voor particuliere opslag. Door dit laatste wordt de wijn natuurlijk niet definitief uit de markt genomen, doch enkel later in de handel gebracht. Bovendien is van belang dat tafelwijn, die voor een belangrijk deel om zo te zeggen voor „industrieel gebruik dient, op de internationale markt betrekkelijk gemakkelijk vervangbaar en dat juist deze markt veel gevoeliger is voor verstoringen als gevolg van importen dan de markt van kwaliteitswijn.”
In dit verband moet ik erop wijzen — ik kom hiermee toe aan de eigenlijke marktgegevens — dat in Italië en Frankrijk begin 1975 grote hoeveelheden tafelwijn voorradig waren en dat met name de export van Italië naar Frankrijk zeer omvangrijk was. Deze exporten waren voor Frankrijk aanleiding een invoerheffing in te stellen, welke het voorwerp is van een andere zaak. Anderzijds zegt de Commissie dat zich op dat moment ook op de Duitse markt afzetproblemen voordeden. Volgens haar werden deze ten dele veroorzaakt door de betrekkelijk grote hoeveelheid tafelwijn van de voorafgaande oogst, doch speelde ook de zware druk van de importen uit Frankrijk en Italië een rol.
Door de gunstige produktievoorwaarden, vooral in Italië, was het namelijk mogelijk om zonder verlies ook tegen lage prijzen te verkopen, terwijl ook de koersdaling van de lire de export stimuleerde.
Gezien dit alles, kan men inderdaad niet zeggen dat de Commissie bij de beoordeling van het gevaar van verstoring kennelijk heeft gedwaald en ten onrechte monetaire compenserende bedragen voor de Duitse wijnmarkt heeft vastgesteld. Daarmee staat echter tevens vast dat het stelsel van monetaire compenserende bedragen niet kan worden beschouwd als een stelsel waarmee het verlenen van aanvullende bescherming wordt beoogd, zodat het ook niet in strijd is met het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten.
3.
Voorts moet nog worden onderzocht of de onderhavige regeling inbreuk maakt op het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verankerde discriminatieverbod.
Ter ondersteuning van deze bewering merkt verzoekster op dat het stelsel der monetaire compenserende bedragen deel uitmaakt van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Haars inziens is er in de eerste plaats sprake van discriminatie omdat de compenserende bedragen zijn afgeschaft in Italië en Frankrijk, dat wil zeggen in landen met een veel grotere wijnproduktie dan de Duitse Bondsrepubliek. In de tweede plaats zou men van discriminatie van de Duitse consumenten ten opzichte van bij voorbeeld Belgische consumenten kunnen spreken omdat importen in België zonder prijsverhogende compenserende bedragen konden plaats vinden.
Vooreerst ziet verzoekster hierbij kennelijk over het hoofd dat de Franse frank en de Italiaanse lire gedevalueerd waren. In deze twee landen kwam de grenscompensatie neer op een toekenning van compenserende bedragen bij import en een heffing van dergelijke bedragen bij export. Juist als men ervan uitgaat dat deze landen met produktieoverschotten te kampen hadden en er derhalve sprake was van een moeilijke marktsituatie, is het duidelijk dat men importen niet moest steunen en exporten niet moest afremmen. Voorts waren de voor Italië en Frankrijk geldende compenserende bedragen zo dicht bij elkaar komen te liggen, dat de regeling nog slechts als een administratieve belemmering werkte. Wanneer dus om die redenen de compenserende bedragen in de wijnsector voor deze twee landen werden afgeschaft, kan daaruit niet worden afgeleid dat de handhaving van de compenserende bedragen discriminerend was voor een land als de Bondsrepubliek Duitsland, dat zich monetair gezien in een geheel andere situatie bevond en waar de grenscompensatie de importen afremde.
Met betrekking tot de importen in een land als België moet het verwijt van discriminatie mijns inziens reeds falen op grond van het feit dat daar geheel andere marktverhoudingen bestaan, aangezien er geen wijn wordt geproduceerd. Uit de ontkenning van het gevaar van verstoring voor deze landen mag men dus niet zonder meer concluderen dat hetzelfde moet gelden voor een land met een niet onaanzienlijke produktie van tafelwijn en bepaalde, op het betrokken tijdstip zichtbare afzetproblemen.
Voorts moet in dit verband nog worden opgemerkt dat de getroffen regeling ook niet kan worden bestreden uit het oogpunt van de eenvormigheid van de gemeenschappelijke markt en de aldaar geldende prijzen. De Commissie heeft ten deze verklaard dat in het verleden steeds voor elke Lid-Staat afzonderlijk werd ingegrepen en dat slechts gedurende twee jaar monetaire compenserende bedragen voor alle Lid-Staten hebben gegolden. Aangezien de grenscompensatie afhangt van de marktverhoudingen en monetaire compenserende bedragen alleen zijn toegestaan voorzover ze noodzakelijk lijken om een gevaar van verstoring af te wenden, kan het inderdaad steeds weer voorkomen dat in zoverre in de Gemeenschap verschillende regelingen gelden. Wegens de hier in acht te nemen samenhang van zaken en ter vermijding van discriminatie van produkten van de Gemeenschap gaat dit natuurlijk ook op voor de regelingen die ten opzichte van derde landen worden toegepast. Men kan dit betreurenswaardig vinden, maar er bestaat in elk geval geen aanleiding tot principiële kritiek zolang de monetaire compenserende bedragen op grond van de monetaire verhoudingen onontbeerlijk schijnen.
4.
Enkele aanvullende argumenten van verzoekster over de toelaatbaarheid der monetaire compenserende bedragen kunnen ten slotte met weinig woorden worden afgedaan. Verzoekster is van mening dat de monetaire compenserende bedragen slechts als overgangsmaatregel kunnen worden beschouwd aangezien zij de veelal kortstondige gevolgen van monetaire maatregelen moeten tegengaan. Bovendien wijst verzoekster er in dit verband op dat in Italië en Frankrijk een hogere kosteninflatie valt waar te nemen — waardoor de monetaire compenserende bedragen volgens haar overbodig worden —, en zij wijst er nogmaals op dat de Commissie al jarenlang het geleidelijk afschaffen van de monetaire compenserende bedragen wenst.
Mijns inziens terecht merkt de Commissie op dat deze kritiek de principiële toelaatbaarheid van monetaire compenserende bedragen gedurende een langer tijdvak geldt, kritiek die ook al in eerdere zaken is geuit en van de hand gewezen: zie de arresten van 24 oktober 1973 (zaken 5/73, Balkan-Import-Export, 9/73, Schlüter en 10/73, Rewe-Zentral, Jurispr. 1973, blz. 1092, 1137 en 1176). Aangezien van nieuwe en in het bijzonder van genoegzaam gemotiveerde argumenten niet is gebleken, is er evenwel geen aanleiding deze principiële vraag in het onderhavige geding opnieuw te onderzoeken.
5.
Ik concludeer dan ook dat geen der door verzoekster naar voren gebrachte argumenten grond geeft voor ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van de monetaire compenserende bedragen die in september 1975 op wijnimporten in de Duitse Bondsrepubliek zijn geheven. Het antwoord op de door het Finanzgericht Rheinland-Pfalz gestelde vragen moet dan ook luiden, dat de procedure geen gronden aan het licht heeft gebracht om aan de geldigheid van de voor het hoofdgeding beslissende verordening nr. 2021/75 te twijfelen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy