CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 23 MEI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het vraagstuk van de toepasselijkheid van nieuwe gemeenschapsrechtelijke bepalingen op lopende contracten in gevallen waarin een verslechtering van de positie van een der contractspartijen daarvan een gevolg is, heeft reeds tot een groot aantal voor dit Hof gevoerde procedures geleid, waarbij het om de meest verscheiden casusposities en rechtsgebieden ging; in de regel was evenwel de communautaire regeling van de landbouwmarkt in het geding.
In casu is de vraag weer eens gerezen voor de getourmenteerde sector der monetaire compenserende bedragen, en wij zullen zien dat de benadeelde er een op lossing voor wil zoeken met behulp van het algemeen beginsel dat het opgewekt vertrouwen bescherming verdient.
Allereerst zij in herinnering gebracht dat de Commissie krachtens artikel 3 van 's Raads verordening nr. 974/71 gehouden is de monetaire compenserende bedragen te wijzigen telkens wanneer het verschil tussen de officiële koers van de betrokken nationale valuta en het rekenkundig gemiddelde van de werkelijke wisselkoersen, zoals de Commissie die van week tot week bijhoudt, ten opzichte van de munteenheden welke tot de zogenaamde „slang” behoren, tenminste een punt afwijkt van het percentage dat voor die bedragen, zoals laatstelijk vastgesteld, in aanmerking werd genomen.
In de laatste week van september 1976 stelde de Commissie vast dat het pond sterling, dat sedert midden september op de wisselmarkten sterk onder druk had gestaan (hetgeen er reeds toe had geleid dat het niveau dier bedragen voor het Verenigd Koninkrijk was opgetrokken), ten opzichte van de valuta's van de „slang” wederom sterk was gedevalueerd. Wegens de omvang dier devaluatie was de Commissie opnieuw verplicht om, in voege als in genoemd voorschrift voorzien, de monetaire compenserende bedragen voor het handelsverkeer met Engeland te wijzigen. Omdat die bedragen evenwel het reeds zeer hoge percentage van 30 % hadden bereikt, heeft de Commissie gemeend niet aanstonds te moeten overgaan tot een verhoging afgestemd op het percentage van de nadere devaluatie, doch de Raad te moeten voorstellen volgens de voor spoedeisende gevallen voorgeschreven procedure over te gaan tot wijziging van de pariteit van het „groene” pond sterling, dat wil zeggen van de verhouding tussen de Engelse valuta en de rekeneenheid waarin de „gemeenschappelijke” agrarische prijzen binnen de Gemeenschap worden uitgedrukt. Devaluatie van het groene pond had de mogelijkheid moeten bieden voor de monetaire compenserende bedragen voor het Verenigd Koninkrijk ongewijzigd een niveau van 30 % aan te houden. Tegelijkertijd stelde de Commissie de in het Publikatieblad van 4 oktober 1976 geplaatste verordening nr. 2405/76 van 1 oktober 1976 vast, waarbij de tevoren, met ingang van 27 september 1976, voor het Engelse en het Ierse pond vastgestelde monetaire compenserende bedragen, „voorlopig”, in afwachting van een „dringend door de Raad te nemen beslissing”, zijn gehandhaafd. Die verordening is per 4 oktober 1976 in werking getreden.
Bij de Raad heeft verzet van Engelse zijde ertoe geleid dat het voorstel van de Commissie tot vaststelling van een nieuwe pariteit voor het groene Engelse pond niet werd overgenomen, terwijl eenzelfde voorstel voor het Ierse pond wél werd aanvaard. Na die beslissing heeft de Commissie, geconfronteerd met de eisen van de importeurs van landbouwprodukten in het Verenigd Koninkrijk, de monetaire compenserende bedragen voor het handelsverkeer met dat land onmiddellijk opgetrokken, en welk zulks bij verordening nr. 2424/76 van 5 oktober 1976, die de volgende dag in werking is getreden, doch desverlangd met ingang van 4 oktober kon worden toegepast. Deze mogelijkheid was opengelaten ten behoeve van de importeurs van de landbouwprodukten in het Verenigd Koninkrijk, die er natuurlijk belang bij hadden dat de nieuwe bedragen reeds vanaf het begin der week zouden gelden, zoals met betrekking tot de geldingsduur van maatregelen tot wijziging van monetaire compenserende bedragen gebruikelijk was. Anderzijds had de Commissie gemeend niet zonder meer te moeten voorschrijven dat de nieuwe bedragen met ingang van 4 oktober zouden gelden (ze gaf er, als gezegd, de voorkeur aan de verordening op 6 oktober in werking te doen treden), hetgeen er in feite op zou zijn neergekomen dat aan de nieuwe bedragen terugwerkende kracht werd toegekend en ook een extra belasting voor de exporteurs van Engelse landbouwprodukten zou hebben betekend.
2.
Tussen 29 september en 6 oktober 1976 — en derhalve zowel voordat als nadat de Commissie voormelde verordening nr. 2405/76 van 1 oktober 1976 had vastgesteld, waarbij de geldende compenserende bedragen werden „bevroren” — had genoemde firma British Beef Company een aantal contracten afgesloten, waarbij partijen vlees waren verkocht die in de loop van de week van 4 oktober 1976 uit het Verenigd Koninkrijk zouden worden geëxporteerd. Bij het overeenkomen van de prijzen was de firma afgegaan op een haar bij telex van 29 september medegedeelde en vervolgens bij telex van 1 oktober bevestigde prognose van de Meat and Livestock Commission volgens dewelke genoemde „bevriezings” -maatregel de hele week van kracht zou blijven.
Toen de compenserende bedragen bij genoemde verordening nr. 2424/76 van 5 oktober 1976 waren opgetrokken en de Commissie voor de Engelse vleesexporteurs die hun contracten voor betekening der verordening hadden afgesloten geen uitzondering wilden maken, stelde British Beef Company een aktie in tegen de Intervention Board for Agricultural Produce. Voor de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court stelde zij zich op het standpunt dat verordening nr. 2424/76 volgens een juiste uitlegging niet van toepassing moest worden geacht op exporten krachtens contracten die voor de bekendmaking der verordeningen waren aangegaan. Subsidiair stelde zij de verordening, voor zover zij op bedoelde exporten van toepassing zou moeten worden geacht, niet rechtsgeldig te achten omdat zij zou indruisen tegen het algemeen beginsel dat het gewettigd vertrouwen bescherming verdient.
De Engelse rechterlijke instantie heeft het Hof van Justitie derhalve de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
„1.
Is verordening (EEG) nr. 2424/76 van de Commissie van 5 oktober 1976 in die zin te verstaan dat zij niet van toepassing is op exporten verricht ter uitvoering van vóór de datum van bekendmaking der verordening gesloten contracten?
2.
Is genoemde verordening op een of meer van voormelde gronden niet rechtsgeldig, voor zover zij geacht moet worden op zodanige exporten van toepassing te zijn?”
3.
In verband met de eerste vraag dient allereerst te worden nagegaan of verordening nr. 2424/76 enigerlei mogelijkheid biedt tot een uitlegging volgens welke een verhoging van de monetaire compenserende bedragen niet voor lopende contracten zou gelden.
De tekst van de verordening doet er het zwijgen toe. De considerans wijst veeleer in tegenovergestelde richting, voor zover daarin wordt overwogen dat de „bevriezings” -maatregel van verordening nr. 2405/76 een conservatoire maatregel was geweest, in afwachting van een spoedbeslissing van de Raad (dat wil zeggen in afwachting van de door de Commissie voorgestelde beslissing tot devaluatie van het groene pond) en dat de monetaire compenserende bedragen, nu die beslissing niet tot stand was gekomen, moesten worden vastgesteld aan de hand van het in de periode van 22 tot en met 28 september 1976 voor het Engelse pond geconstateerde verschil (dat wil zeggen overeenkomstig 's Raads verordening nr. 974/71).
Daarin ligt ten duidelijkste besloten dat de Commissie, waar de ratio der „bevriezing” was komen te vervallen, tot de normale gang van zaken wilde terugkeren, waartoe zij zich ook verplicht achtte. Waar de inwerkingtreding der verordening vervolgens in het dispositief op woensdag 6 oktober wordt bepaald met de nadere clausule dat de verordening „op verzoek van de betrokkene van toepassing [is] met ingang van 4 oktober . . .”, wordt ongetwijfeld van de gewone gang van zaken afgeweken; maar juist ook daarom zou er voor een uitzondering voor lopende contracten, die eveneens een afwijking zou hebben betekend, een uitdrukkelijke bepaling in andere zin nodig zijn geweest. Kortom, artikel 2 der verordening laat er, naar inhoud en in zijn context geplaatst, geen twijfel over bestaan dat zij bedoeld was voor alle na 6 oktober 1976 te verrichten exporten, ook indien de desbetreffende contracten vóór vaststelling der verordening mochten zijn aangegaan.
Vervolgens dient te worden onderzocht of er, bij stilzwijgen der verordening, een algemeen uitleggingsbeginsel bij te pas mag worden gebracht volgens hetwelk nieuwe, ongunstiger regelingen niet voor reeds lopende contracten gelden. Maar het beginsel dat algemeen erkenning heeft gevonden en door Uw Hof geregeld wordt toegepast, luidt heel anders: verordeningen tot wijziging van eerdere voorschriften zijn, zolang niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald, van toepassing op de toekomstige gevolgen van feitelijke situaties welke onder vigeur van de eerdere regeling zijn ontstaan (vgl. laatstelijk het arrest van 4 juli 1973, gewezen in de zaak 1/73, Westzucker, Jurispr. 1973, blz. 723).
In de formulering van het beginsel ligt mijns inziens stilzwijgend besloten, dat het niet afdoet aan die andere ongeschreven regel welke eerbiediging van verkregen rechten verlangt. Juist in die zin dient mijns inziens 's Hofs arrest van 18 maart 1975, gewezen in de zaak 78/74, Deuka (Jurispr. 1975, blz. 422, inz. blz. 434) te worden opgevat, in welk arrest het ging om de eerbiediging van feitelijke situaties, ontstaan voor de vaststelling van een verordening waarbij de denatureringspremie voor zachte tarwe was verlaagd (vgl. t.d.a. ook de opmerkingen van de advocaat-generaal Trabucchi in zijn conclusie in de zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 557).
In bedoeld geval had de betrokken onderneming voordat tot wijziging werd overgegaan, de beoogde denatureringsverplichtingen — waartoe zij zich had verbonden — bij het bevoegde interventiebureau aangemeld. De aanmelding gaf die verbintenissen een officieel en stellig karakter, zodat het er voor mocht worden gehouden dat de onderneming er met betrekking tot de door het interventiebureau te nemen maatregelen, een aanspraak op toepassing der op dat tijdstip geldende bedragen aan kon ontlenen. Het mocht er in die gedachtengang, gezien het rechtszekerheidsbeginsel, bij stilzwijgen van de wetgever voor worden gehouden dat een wijzigingsverordening niet gold voor degenen die de voorgenomen denaturering tijdig hadden aangemeld; de uitlegger mag er niet van uitgaan dat de wetgever verkregen rechten heeft willen annuleren. Aldus deed men, met handhaving van de wijzigingsverordening, betrokkene recht wedervaren. In dezelfde zin heeft het Hof zich, om soortgelijke redenen en in sterk verwante omstandigheden, nog duidelijker uitgesproken in het arrest van 25 juni 1975, gewezen in de zaak 5/75, Deuka (Jurispr. 1975, blz. 759 e.v.).
In casu kan er evenwel, naar de raadsman van British Beef ook zelf heeft erkend, in het geheel niet van verkregen rechten worden gesproken.
Er bestaat, kortom, geen enkele aanleiding om verordening nr. 2424/76 uit te leggen in de door de Engelse rechter (in de eerste vraag) omschreven zin.
4.
Daarmede zijn we toegekomen aan de tweede vraag. Het gaat erom of de betrokken verordening — waarin, wat de verhoging van de compenserende bedragen betreft, geen uitzondering is gemaakt ten behoeve van exporteurs die vóór vaststelling der bedragen verkoopcontracten hebben aangegaan — in strijd komt met het algemeen rechtsbeginsel dat van de communautaire instellingen verlangt dat zij voor de rechtmatige verwachtingen van betrokkene opkomen, voor zover zulks met de bescherming van hogere behoeften van openbaar belang te rijmen valt.
Het beginsel is in drie gevallen van wijziging der toepasselijke rechtsvoorschriften door het Hof ten gunste van betrokkene toegepast; ik herinner aan de arresten van 5 juni 1973, gewezen in de zaak 81/72, Commissie/Raad (Jurispr. 1973, blz. 575 e.v.), 14 mei 1975, gewezen in de zaak 74/74, CNTA/Commissie (Jurispr. 1975, blz. 533 e.v.) en 25 juni 1975 (hiervoor geciteerd), gewezen in de zaak 78/74, Deuka (Jurispr. 1975, blz. 759 e.v.).
Veel talrijker zijn de gevallen waarin het Hof zich over dezelfde problematiek had uit te spreken en niet beslist heeft ten gunste van de ondernemingen die het beginsel van bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen hadden ingeroepen. Ik herinner aan de uitspraken van 5 juli 1973, gewezen in de zaak 1/73, Westzucker (hiervoor geciteerd), 27 mei 1975, gewezen in de zaak 2/75, Mackprang (Jurispr. 1975, blz. 607), 10 december 1975, gewezen in de gevoegde zaken 95-98/74, 15 en 100/75, Coopératives agricoles de céréales/Commissie/Raad (Jurispr. 1975, blz. 1615), 17 maart 1976, gewezen in de gevoegde zaken 67-85/75, Lesieur Cotelle/Commissie (Jurispr. 1971, blz. 391), 31 maart 1977, gewezen in de gevoegde zaken 54-60/76, Compagnie industrielle et agricole du Comté de Loheac/Commissie/Raad (Jurispr. 1977, blz. 645), 26 januari 1978, gewezen in de gevoegde zaken 44-51/77, Union Malt e.a./Commissie, en 1 februari 1978, gewezen in de zaak 78/77, Lührs (beide laatstgenoemde arresten zijn nog niet gepubliceerd).
Het gaat er nu maar om welk algemeen criterium aan deze talrijke uitspraken kan worden afgelezen. Ik meen dat het als volgt kan worden omschreven: van een gerechtvaardigd vertrouwen op bestendiging ener regeling — en van een aanspraak op bescherming van zodanig vertrouwen — kan geen sprake zijn wanneer de mogelijkheid van wijziging der bestaande voorschriften redelijkerwijze voorzienbaar is op het tijdstip waarop men een contractuele verbintenis — welker uitvoering men aan een wijziging „in peius” zou willen onttrekken — aangaat.
Vervolgens dient te worden vastgesteld of de ondernemers, in een geval als door de verwijzende rechter omschreven, erop konden rekenen dat er een maatregel zou komen als die welke verzoekster in het hoofdgeding om bescherming van een — beweerdelijk als gewettigd te beschouwen — vertrouwen deed vragen.
5.
Ik heb er reeds op gewezen dat in de basisvoorschriften op het stuk der compenserende bedragen ('s Raads verordening nr. 974/71, artikel 3) centraal staat de verplichting der Commissie om iedere afwijking van de wisselkoers die een bepaald percentage te boven gaat, in de compenserende bedragen te verdisconteren.
In ruimer verband heeft ons Hof gesproken van de „verplichting der gemeenschapsinstellingen om het stelsel te wijzigen telkens wanneer zulks in verband met de corrigerende rol ervan nodig blijkt” (voormeld arrest van 10 december 1975, Coopératives agricoles de céréales/Commissie/Raad).
Het is allemaal ten volle in overeenstemming met de ratio van het systeem, dat niet ter bescherming van de particuliere belangen van de ondernemers in het leven werd geroepen, doch om het hoofd te bieden aan de nadelen welke voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordeningen der markten aan onstabiele monetaire verhoudingen verbonden kunnen zijn: men heeft de bescherming van een algemeen belang op het oog gehad (vgl. met name voormelde arrest van 15 mei 1975, gewezen in de zaak 74/74, CNTA en 17 maart 1976, gewezen in de gevoegde zaken 76-85/75, Lesieur, t.a.p.).
Uiteraard vraagt een doeltreffend functioneren van het stelsel der compenserende bedragen erom dat onverwijld tot aanpassing wordt overgegaan. Slechts om redenen van uitzonderlijke aard is de Commissie wel eens van die grondregel afgeweken, bij voorbeeld bij onvoorziene wijzigingen der wisselkoersen als gevolg van speculatieve bewegingen — omdat de noteringen van een enkele week dan niet representatief kunnen worden geacht voor de positie welke de onder speculatieve druk staande geldéénheid werkelijk inneemt (vgl. verordeningen nrs. 1356/76 van 11 juni 1976 (PB L 153 van 1976, blz. 39) en 283/78 van 10 februari 1978 (PB L 41 van 1978, blz. 25).
Verordening nr. 2405/76 van 1 oktober 1976, waarbij de compenserende bedragen voor het handelsverkeer in agrarische produkten van en naar Engeland zijn bevroren ondanks het feit dat de voorwaarden waren vervuld waaronder zij krachtens artikel 3 van verordening nr. 974/71 hadden moeten gewijzigd, wijkt derhalve bij wijze van uitzondering van genoemde grondregel af. Anders dan in de beide bovengenoemde gevallen — waarin de bestaande compenserende bedragen kort en goed zijn gehandhaafd en derhalve de gehele volgende week van kracht zouden blijven — werd in de considerans van verordening nr. 2405/76 duidelijk overwogen dat de handhaving van het bestaande niveau als een voorlopige maatregel — in afwachting van een „dringend door de Raad te nemen beslissing” — was te beschouwen.
De betrokken ondernemers kunnen over het doel en de ongewisse aard der maatregel niet in het onzekere hebben verkeerd. Niemand kon garanderen dat de Raad met de Commissie mee zou gaan, daargelaten dat de pers in Engeland de afwijzende houding der Britse regering reeds had voorspeld.
Anderzijds mocht er in geval van verwerping van het Commissie-ontwerp geenszins op worden gerekend dat de Commissie zou talmen met de nakoming van haar in genoemd artikel 3 van verordening nr. 974/71 duidelijk omschreven verplichting tot vaststelling van nieuwe monetaire compenserende bedragen voor exporten uit — en importen naar — het Verenigd Koninkrijk. Zowel de urgente aard van het voorstel van de Commissie als het feit dat verordening nr. 2405/75 een voorlopig karakter droeg, deden logischerwijze verwachten dat 's Raads beslissing, of zij nu positief of negatief zou uitvallen, heel gauw zou afkomen, en in geval van een negatieve beslissing was de onmiddellijke vaststelling van nieuwe monetaire compenserende bedragen met waarschijnlijkheid te verwachten. Minstgenomen mag toch worden gezegd dat het niet aanging deze mogelijkheid volkomen uit te sluiten.
Betrokkenen kenden de feitelijke omstandigheden en moeten op de hoogte zijn geweest van de — in normatieve voorschriften objectief neergelegde-logica en behoeften van het systeem. Nog steeds op grond van objectieve regelen (betreffende de wijziging der monetaire compenserende bedragen) konden zij een eventueel nieuw niveau dier bedragen ook met redelijke nauwkeurigheid voorzien. De Commissie heeft hierop trouwens in haar toelichting bij het voorstel tot vaststelling van een nieuwe pariteit voor het Engelse „groene pond” zelf gewezen.
Men zou hier tegenin kunnen brengen dat de verordening tot vaststelling van de nieuwe pariteit voor het groene pond volgens het Commissie-voorstel pas op 11 oktober in werking zou zijn getreden. Mijns inziens wil dat evenwel geenszins zeggen dat de Commissie, indien haar voorstel zou worden overgenomen, verplicht was het compenserend bedrag tot aan die datum in de ijskast te laten.
Het is waar dat de Commissie bij wijziging van het niveau der compenserende bedragen, de nieuwe bedragen gewoonlijk doet ingaan aan het begin van de week na die waarin tot wijziging wordt overgegaan. Het is echter evenzeer waar dat van week tot week moet worden nagegaan of de compenserende bedragen op de werkelijke koerssituatie zijn afgestemd, en dat wanneer de koersen in een bepaalde week van het vroegere niveau blijken af te wijken, zulks zolang de voorwaarden omschreven in het al meermalen genoemde artikel 3 blijven voortbestaan, met ingang van het begin van de volgende week tot gevolgen voor het niveau der compenserende bedragen behoort te leiden. Wanneer de Commissie zich, als in casu, om bijzondere redenen niet terstond naar die grondregel gedraagt en er in verband met een aan de
Raad voorgelegde alternatieve oplossing tijdelijk van afwijkt, mag er bepaald van een als zodanig voor betrokkenen duidelijk herkenbare uitzonderingssituatie worden gesproken. De anomalie is gelegen in de bevriezingsmaatregel welke, als gezegd, een afwijking inhoudt van het stelsel van genoemd artikel 3 der basisverordening; als een bevestigende maatregel zonder meer is zij niet te beschouwen. Gaat het om zo'n uitzonderlijke situatie en heeft men te maken met een verordening die zich uitdrukkelijk als overgangsregeling aandient, dan mag men er de normale praktijk — „vaststelling” van de compenserende bedragen voor een gehele week — niet bij ter sprake brengen.
Anderzijds komt het mij in casu al evenmin juist voor te stellen dat voorschriften waaraan voor de uitvoering van lopende contracten negatieve gevolgen verbonden zijn, niet zonder waarschuwing vooraf en onmiddellijk ingaand zouden mogen worden gegeven, zolang er geen sprake is van onmiddellijke openbare belangen die zich tegen overgangsmaatregelen verzetten. Dit door British Beef ingeroepen criterium is door het Hof toegepast op het terrein van de non-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, doch niet op het gebied van de rechtsgeldigheid van normatieve handelingen, en wel toen het ging om een exporteur te wiens behoeve de restituties waren geprefixeerd, hetgeen wil zeggen dat hij zich jegens de Gemeenschap onherroepelijk en op verbeurte van een waarborgsom had verbonden tot nakoming van transacties die voor de toepassing van monetaire compenserende bedragen in aanmerking moesten worden genomen (arrest in de zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 549). In casu gaat het om een heel ander geval. Bovendien zou de Commissie, indien zij ondanks de in artikel 3 van genoemde basisverordening op haar gelegde verplichting de bevriezingsmaatregel de gehele week van 4 oktober zou hebben gehandhaafd, het risico hebben gelopen aansprakelijk te worden gesteld voor het nadeel dat dientengevolge zou zijn opgekomen aan de Engelse importeurs van landbouwprodukten, die niet in het genot zouden zijn gesteld van een verhoging van de compenserende bedragen die opwoog tegen de vergrote marge tussen de werkelijke koerswaarde van hun munteenheid en de fictieve verhouding tussen die koerswaarde en de Europese rekeneenheid.
Ten slotte is er ten processe uitvoerig gesproken over de verzekeringen welke de Meat and Livestock Commission in haar telexberichten van 29 september en 1 oktober zou hebben afgegeven. Maar daargelaten dat het eerste bericht met voorbehoud is verstrekt, terwijl in het tweede niet slechts een bevestiging van bedoelde mededeling werd gegeven, doch bovendien werd gezegd dat de situatie „unclear” was, dient te worden opgemerkt dat de ondernemers in de betrokken sector, alvorens exportverplichtingen aan te gaan, zich hadden dienen te buigen over genoemde verordening — nr. 2405/76 van 1 oktober 1976 — van de Commissie en zich rekenschap hadden moeten geven van haar uitzonderlijk karakter, ofwel van de afwijking der basisregeling welke er in besloten lag. Dat zij er daarentegen mee hebben volstaan prognoses van een nationaal bureau (niet handelende namens de Gemeenschap) in te winnen nopens de waarschijnlijk te verwachte ontwikkeling, maakt hun vertrouwen nog niet „gewettigd”. Van objectief standpunt zag de situatie er alleszins hachelijk uit, terwijl de beslissing van de Raad nog hangende was; het risico dat de Raad niet met de Commissie zou meegaan, waarmee er aan de voorlopige bevriezing der compenserende bedragen een einde zou komen, was redelijkerwijze voorzienbaar. Hun verwachting dat de geldende bedragen de gehele week van 4 oktober zouden worden gehandhaafd, had maar een wankele basis.
6.
Op grond van een en ander geef ik Uw Hof in overweging de vragen, door de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court, bij beschikking van 15 november 1977 gesteld, in die zin te beantwoorden dat:
1.
Verordening nr. 2424/76 van de Commissie van 5 oktober 1976 in die zin is te verstaan dat zij ook geldt voor exporten verricht ter nakoming van contracten welke voor de vaststelling der verordening zijn aangegaan;
2.
Van feiten of omstandigheden welke aan de rechtsgeldigheid der verordening afbreuk kunnen doen, niet gebleken is.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy