CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 11 MEI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij richtlijn nr. 74/577 van 18 november 1974 betreffende de verdoving van dieren vóór het slachten (PB nr. L 316 van 26. 11. 1974, blz. 10) bepaalde de Raad dat de Lid-Staten er voor moeten zorgdragen „dat voor het slachten van runderen, schapen, varkens, geiten en eenhoevige dieren maatregelen worden getroffen die kunnen waarborgen dat de dieren onmiddellijk vóór het slachten volgens een geëigende werkwijze worden verdoofd.” De richtlijn geeft bijzonderheden over de toegestane verdovingsmethoden en de controle op de daarvoor gebruikte apparaten. Artikel 5 luidt:
„De Lid-Staten doen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om zich uiterlijk op 1 juli 1975 naar deze richtlijn te voegen en stellen de Commissie onverwijld hiervan in kennis.”
Op grond dat de Italiaanse Republiek de krachtens deze bepaling op haar rustende verplichtingen niet binnen de gestelde termijn was nagekomen, leidde de Commissie na een uitvoerige notawisseling bij brief van 15 december 1976 de procedure wegens niet-nakoming van verdragsverplichtingen ex artikel 169 EEG-Verdrag in, en stelde zij, nadat de Italiaanse Republiek ook niet binnen de bepaalde termijn uitvoering had gegeven aan het formele advies van de Commissie van 5 mei 1977, op 6 december 1977 beroep in bij het Hof, waarbij zij vorderde :
a)
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 5 EEG-Verdrag en de richtlijn van de Raad van 18 november 1974 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
b)
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van het geding.
Verweerster werpt tegen dat de doelstellingen der richtlijn reeds worden bereikt door de toepassing van artikel 9 van het Koninklijk decreet nr. 3298 van 20 december 1928. Niettemin, ten einde de juiste toepassing van de richtlijn te waarborgen, doch vooral met het oog op de rechtszekerheid, heeft de Italiaanse regering wetsontwerp nr. 840 inzake de verdoving van dieren voor het slachten op 20 juli 1977 voorgelegd aan de Senaat.
Verweerster betwist derhalve niet dat zij haar verplichtingen krachtens artikel 5 EEG-Verdrag — regelmatige kennisgeving aan de Commissie van de getroffen maatregelen — en krachtens de richtlijn van de Raad van 18 november 1974 niet is nagekomen. Tot op heden is de wet ter nakoming van deze verplichtingen nog niet verschenen, hoewel de in artikel 5 van de richtlijn vastgestelde termijn reeds lang is verstreken. Daarmede zijn de voorwaarden vervuld voor een veroordeling van de Italiaanse Republiek wegens niet-nakoming van haar verdragsverplichtingen.
Het argument van verweerster dat het bij de bestaande Italiaanse regeling is uitgesloten dat de verdragsschending aan de goede werking van de gemeenschappelijke markt afbreuk doet of wreedheid jegens dieren mogelijk maakt, kan niet tot een andere conclusie leiden. Nog afgezien van het feit dat de huidige Italiaanse regeling van 1928 geenszins voldoet aan de in 's Raads richtlijn vervatte verplichtingen, heeft deze richtlijn juist ten doel de wetgeving der Lid-Staten inzake de dierenbescherming ter voorkoming van wreedheid bij het slachten te harmoniseren, door overal in de Gemeenschap deugdelijke verdovingsmethoden te doen invoeren. Dit doel van de richtlijn vergt een dienovereenkomstig optreden van de Lid-Staten. Zoals het Hof in het arrest in de zaak 95/77 — Commissie tegen het Koninkrijk der Nederlanden — heeft overwogen (sub 13), kan het argument, dat de niet-toepassing van een richtlijn geen nadelige invloed op de werking van de gemeenschappelijke markt heeft gehad, niet slagen.
Bijgevolg concludeer ik, overeenkomstig het verzoek van de Commissie, tot veroordeling van de Italiaanse Republiek.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy