CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 4 JULI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het in de Bondsrepubliek Duitsland geldende Branntweinmonopol (berustend op de wet van 8 april 1922, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 maart 1974) gaf reeds aanleiding tot enkele voor ons Hof gevoerde gedingen, waarvan met name de uitlegging van artikel 37 van het EEG-Verdrag de inzet vormde. Ik verwijs naar de zaken 13/70, Cinzano, uitgewezen bij arrest van 16 december 1970 (Jurispr. 1970, blz. 1087), 45/75 Rewe, uitgewezen bij arrest van 17 februari 1976 (Jurispr. 1976, blz. 181) en 91/75, Miritz, uitgewezen bij arrest van dezelfde datum Jurispr. 1976, blz. 217).
Ook thans gaat het om een geval dat door de nationale wetgeving betreffende de alcoholhoudende dranken wordt bestreken, met dien verstande dat zich in casu enkele nieuwe aspecten voordoen.
De betrokken particuliere partij is de firma Hansen & Balle te Flensburg, die als fabrikante van alcohol voor menselijke consumptie in 1974 aanzienlijke partijen alcoholhoudende produkten uit de Franse overzeese departementen en uit derde staten heeft geïmporteerd. Het Hauptzollamt te Flensburg sloeg haar deswege aan tot betaling van de heffing bedoeld in artikel 151, lid 1, van genoemde wet van 8 april 1922 („Monopolausgleich”) en beschikte vervolgens afwijzend op een door hetzelfde bedrijf gedaan verzoek om toepassing van het lagere tarief voor bepaalde alcoholhoudende produkten uit het eigen land, welk verzoek berustte op artikel 79, lid 2, van bedoelde wet. Die afwijzende beschikking heeft op haar beurt tot het geding voor het Finanzgericht te Hamburg geleid.
Tot goed begrip van het gerezen geschil lijkt het mij dienstig wat nader bij het fiscale mechanisme van het Branntwein-monopolgesetz stil te staan. Volgens die wet gelden er voor binnenslands geproduceerd gedistilleerd twee heffingen: een heffing voor gedistilleerd in de zin van de regeling voor handelsmonopolies („Branntweinsteuer”) en een heffing voor producenten die tot opslag verplicht zijn („Branntweinaufschlag”).
Op het in casu in aanmerking te nemen tijdstip bedroeg de „Branntweinsteuer”1500 DM per hectoliter alcohol. De basisprijzen van het gedistilleerd, zoals die door het monopolie aan de nationale producenten worden betaald, waren vastgesteld op 214 DM per hectoliter alcohol, de verkoopprijzen op 1790 DM per hectoliter (in welk bedrag behalve de basisprijs ook de heffing was begrepen, alsmede de kosten voor het monopolie aan aan- en verkoop verbonden). De „Branntweinaufschlag”, berekend op grondslag van het verschil tussen de verkoopprijs en de basisprijs van de gemonopoliseerde alcohol, verminderd met het gemiddeld bedrag van de kosten die het monopolie zich door het achterwege blijven van de opslag bespaart (ofwel 23 DM per hectoliter), beliep in dezelfde periode 1553 DM per hectoliter alcohol.
In bepaalde gevallen wordt er evenwel op grond van voormeld artikel 79, lid 2, een lagere „Branntweinaufschlag” toegepast. Daarvan profiteren in hoofdzaak drie groepen distilleerderijen: distilleerderijen die toestemming tot periodieke belastingbetaling hebben verkregen, distilleerderijen waarop de financiële diensten voor de onder zegel te bewaren produkten voortdurend toezicht houden en die jaarlijks ten hoogste 4 hectoliter alcohol produceren, alsook op basis van vruchten werkende coöperaties voor zover aldaar binnen de grenzen hunner vergunning gedistilleerd wordt vervaardigd. De fiscale reductie kan zich naargelang van de grondstof (pitvruchten, bessen, gentiaanwortels, e.d.) wijzigen, maar vermeld zij dat het laagste „Branntweinaufschlag”-niveau in het hierbedoelde tijdvak 1210,60 DM per hectoliter alcohol heeft bedragen.
Wat de in Duitsland geïmporteerde alcoholhoudende dranken betreft, daarvoor gold op grond van genoemd artikel 151 een compenserend recht („Monopolausgleich”), dat naar zijn aard eveneens als een verbruiksheffing is te beschouwen. Volgens artikel 152, lid 1, van dezelfde wet, zoals die ten tijde van de hierbedoelde feiten luidde, was deze Ausgleich gelijk aan het verschil tussen de verkoopprijs en de basisprijs van het gedistilleerd; het bedrag was 1576 DM.
Ik wees er al op dat het volgens de firma Hansen & Balle de Lid-Staten in het bestek der communautaire ordening niet vrijstaat geïmporteerde waren te belasten met een Aufschlag die het laagste niveau van de heffing op binnenlands geproduceerd gedistilleerd te boven gaat. De Duitse douane verlangde evenwel betaling van een bedrag van 1500 DM per hectoliter, overeenkomend met het gewone niveau dat blijkens de inlichtingen van de Duitse regering voor ongeveer 95 % der aldaar voor de consumptie geproduceerde alcohol gold.
Bij beschikking van 24 oktober 1977 heeft het Finanzgericht te Hamburg het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld; omdat de tekst in het rapport ter terechtzitting te vinden is, behoeft zij hier niet te worden herhaald, en kan ik volstaan met te releveren dat:
a)
de eerste vraag de toepasselijkheid van artikel 95 van het EEG-Verdrag betreft op een geval waarin, als in casu, de fiscale behandeling ter discussie staat van uit Franse overzeese departementen in de Gemeenschap geïmporteerde waren, en wel zulks in verband met het feit dat artikel 227, lid 2, van datzelfde Verdrag op die departementen de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing verklaart, doch over belastingvoorschriften als in Deel III, titel I, hoofdstuk 2 zijn neergelegd, zwijgt;
b)
de nationale rechter in de tweede plaats wenst te weten of met betrekking tot de verbruiksbelasting op uit Lid-Staten dan wel uit de Franse overzeese departementen geïmporteerde produkten, uit artikel 37 c.q. — bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag — uit artikel 95 van het Verdrag kan worden afgeleid dat als regel het laagste voor de nationale produkten geldende heffingsbedrag van toepassing is, ook al liggen aan dat lagere heffingsbedrag „bijzondere redenen van sociale aard” ten grondslag;
c)
het er in de derde vraag om gaat of de verlaging van de fiscale lasten voor bepaalde nationale produkten als „staatssteun” in de zin van de artikelen 92-94 van het EEG-Verdrag is te beschouwen c.q. volgens welke maatregelen steunmaatregelen der Staten moeten worden afgegrensd ten opzichte van het in fiscaal opzicht gunstiger behandelen van nationale produkten;.
d)
in de vierde vraag de heffing van hogere verbruiksbelastingen van uit derde landen geïmporteerde waren, vergeleken met die uit Lid-Staten of Franse overzeese departementen aan de orde komt; kan zulk een fiscale last worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 9 van het EEG-Verdrag?;
e)
de nationale rechter voor het geval van bevestigende beantwoording van de vierde vraag voorts wenst te weten of het leggen van een zwaardere fiscale last op waren uit derde landen dan op die uit Lid-Staten of Franse overzeese departementen, als volgens de artikelen 9 en 189 van het EEGVerdrag en de verordening verboden is te beschouwen.
2.
Een grondige bespreking van de problemen die in de eerste en de tweede vraag aan de orde komen, vraagt mijns inziens om een enigszins andere volgorde van behandeling. Wij gaan ervan uit dat artikel 37 — staande in de titel van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen — stellig op de Franse overzeese departementen van toepassing is in de zin van artikel 227, lid 2, van het Verdrag. Vervolgens zou mijns inziens in de eerste plaats moeten worden vastgesteld of een geval waarin van fiscale discriminatie, verband houdende met het bestaan van een handels-monopolie, sprake zou zijn, na het einde van de overgangsperiode eigenlijk nog wel onder artikel 37, lid 1, valt. In de tweede plaats zullen wij onderzoeken of zulk een geval onder artikel 95 kan worden gebracht, ook al betreft de gestelde discriminatie waren die uit de Franse overzeese departementen — en niet uit Lid-Staten — worden geïmporteerd. In de derde plaats zal moeten worden opgehelderd of uit de Lid-Staten c.q. uit Franse overzeese departementen ingevoerde produkten de voor nationale produkten weggelegde gunstiger fiscale behandeling ten deel moet vallen, ook al speelden bij die gunstiger behandeling bijzondere redenen een rol, terwijl zij ook tot een klein aantal gevallen beperkt bleef.
Zoals wij weten, moeten de Lid-Staten volgens artikel 37, lid 1, „hun nationale monopolies van commerciële aard geleidelijk aan[passen] in dier voege dat aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft is uitgesloten”.
De Commissie leest in dit artikel een voorschrift met een temporeel beperkte geldigheidsduur; na afloop van de overgangsperiode zou het zijn specifieke functie hebben verloren. Hoogstens zou het voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen door wie mogelijkerwijs nog bestaande exclusieve invoer-, uitvoer- en handelsrechten mocht worden zien ingetrokken; maar voor het overige zou er nadien moeten worden gerefereerd aan de algemene verdragsbepalingen, de afschaffing van douanerechten, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking betreffende (artikelen 12, 30, 34) c.q. aan het verbod van fiscale discriminatie tussen ingevoerde en nationale produkten (artikel 95).
Het komt mij voor dat het Hof in zijn hiervoor aangehaalde jurisprudentie artikel 37, wat zijn draagwijdte en tegenwoordige gelding betreft, in ruimere zin heeft verstaan. In het arrest 13/70, Cinzano, werd overwogen dat „artikel 37 niet slechts van toepassing is op in- of uitvoer waarop het monopolie rechtstreeks betrekking heeft, doch ook op ieder handelen dat met het bestaan van het monopolie verband houdt en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten in bepaalde — al dan niet gemonopoliseerde — produkten beïnvloedt”. Uitgaande van die overweging, onderzocht het Hof of een fiscale maatregel ten aanzien van een produkt waarvan een der ingrediënten onder het monopolie valt, zich met artikel 37, lid 1 en lid 2, verdraagt. In het arrest 45/75, Rewe, is nogmaals overwogen dat artikel 37 betrekking heeft op alle met het bestaan van een monopolie verband houdende maatregelen welke het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde produkten beïnvloeden, en dat in artikel 26 met name wordt gesproken van „belastingen welke ten nadele van ingevoerde produkten, vergeleken met onder het monopolie vallende nationale produkten, discriminatie mochten behelzen” (overweging 26). Een zelfde standpunt treffen wij aan in het arrest 91/75, Miritz. In beide arresten valt de nadruk op het verbod van alle discriminatie tussen de onderdanen der Lid-Staten, wat betreft de voorwaarden van voorziening en afzet als be doeld in artikel 37, lid 1; in het arrest Rewe is bovendien overwogen dat „de hierbedoelde verplichting … bij afloop van die periode niet langer van enige voorwaarde afhankelijk is, noch ook ten aanzien van haar uitvoering of gevolgen van enigerlei handeling van de Gemeenschap dan wel van de Lid-Staten afhankelijk kan. worden gesteld en naar haar aard ten behoeve van de justitiabelen subjectieve rechten kan doen ontstaan welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven” (overweging 24). In zoverre sluit het arrest Rewe aan bij het als precedent te beschouwen arrest van 3 februari 1976, gewezen in de zaak 59/75, Manghera (Jurispr.1976 , blz. .91).
Het komt mij derhalve voor dat voor de onderhavige zaak uit 's Hofs jurisprudentie in tweeërlei opzicht lering kan worden getrokken: het verbod van discriminatie met betrekking tot de voorwaarden van voorziening en afzet, in artikel 37, lid 1, vervat, heeft ook betrekking op discriminerende fiscale maatregelen waardoor onder het monopolie vallende nationale produkten bij uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten worden bevoordeeld; dat verbod heeft volledige rechtswerking, zodat onder de communautaire rechtsorde vallende particulieren er na afloop van de overgangsperiode rechten aan kunnen ontlenen. Kortom, het mag er, gezien die jurisprudentie, voor worden gehouden dat met artikel 37, lid 1, niet in de eerste plaats is beoogd de Lid-Staten te onderwerpen aan maatregelen waardoor een geleidelijke reorganisatie der handelsmonopolies tot stand moet worden gebracht, doch wel de afschaffing van alle met het bestaan der monopolies verband houdende discriminaties (in werkelijkheid komt de eerstgenoemde doelstelling alleen in samenhang met de tweede aan bod). In antwoord op de tegenwerping dat reeds andere verdragsvoorschriften — met name de genoemde artikelen 12, 30, 34 en 95) — het achterwege blijven van discriminaties met betrekking tot de voorwaarden van voorziening en afzet zouden kunnen bewerkstelligen, kan worden gezegd dat die bepalingen van algemene strekking zijn, terwijl artikel 37 met betrekking tot de handelsmonopolies als sedes materiae is te beschouwen, terwijl bovendien het feit dat de inhoud van laatstgenoemd artikel met die van andere artikelen samenvalt niet wegneemt dat er van coëxistentie moet worden gesproken, hetgeen te meer geldt waar de in artikel 37 gebezigde formule zeer wel kan blijken een ruimer terrein te bestrijken. Anderzijds is in het arrest Rewe reeds overwogen „dat de omstandigheid dat de nationale maatregelen aan de eisen van artikel 95 voldoet nog niet medebrengt dat zij ook de toets van andere verdragsbepalingen, zoals artikel 37, kan doorstaan”, en voorts (overweging 27): „dat … niet slechts in strijd met artikel 95, doch ook met artikel 37 van het Verdrag gehandeld wordt wanneer de op het ingevoerde produkt gelegde last verschilt van die op het — al dan niet rechtstreeks onder het monopolie vallen — gelijksoortig binnenlands produkt”. Ik meen dat hiermede de mogelijkheid van een gezamenlijke toepasselijkheid der artikelen 37 en 95 op gezaghebbende wijze wordt bevestigd.
Mijn slotsom luidt dat in een geval als door de verwijzende rechter bedoeld — waarin het om de „Monopolausgleich” gaat en ter discussie staat of door zodanige Ausgleich in strijd met het gemeenschapsrecht wordt gediscrimineerd — ook na afloop van de overgangsperiode met artikel 37, lid 1, kan worden gewerkt. Daarentegen deel ik niet de opvatting van de advocaat-generaal Reischl, die in zijn conclusie in de zaak 45/75, Rewe Jurispr .1976, blz. 202 e.v.) betoogde dat bij artikel 95 niet behoefde te worden stilgestaan, omdat de rechtmatigheid van monopolielasten of van een vereveningsheffing alleen diende te worden getoetst aan artikel 37, dat als lex specialis van artikel 95 zou zijn te beschouwen. Liever zou ik ook artikel 95, als algemene regel betref fende fiscale discriminatie recht willen doen wedervaren, zoals het Hof in het arrest Rewe trouwens ook heeft gedaan.
3.
Een bezwaar tegen de toepasselijkheid van artikel 95 schijnt in het onderhavige geval, waarin het gaat om waren die uit een Frans overzeesdepartement zijn ingevoerd, te zijn gelegen in het feit dat er, waar in genoemd artikel 227, lid 2, eerste alinea, de voor zulke gebieden geldende verdragsbepalingen worden opgesomd, niet van bepalingen betreffende de belastingen (Deel III, titel I, hoofdstuk 2 van het Verdrag) wordt gesproken, terwijl de gehele titel betreffende het vrije verkeer van goederen alsook de aan de belastingbepalingen onmiddellijk voorafgaande titel (regels betreffende de mededinging) wel worden genoemd.
In de tweede alinea van hetzelfde artikel 227, lid 2, wordt vervolgens gezegd dat „de voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen van dit Verdrag … uiterlijk twee jar na zijn inwerkingtreding bij beschikkingen van de Raad met eenparigheid van stemmen op voorsprong van de Commissie [worden] vastgesteld”. De Raad heeft echter nog geen enkele beschikking inzake de toepasselijkheid van de belastingbepalingen van het Verdrag in de Franse overzeese departementen genomen.
Met betrekking tot de tweede alinea der bepaling zou de navolgende uitlegging kunnen worden overwogen: de Raad had twee jaar de tijd om te beslissen over de toepassingsvoorwaarden voor niet op de lijst geplaatste verdragsbepalingen, en na afloop van de termijn is het Verdrag in volle omvang toepasselijk geworden. Maar om tot zulk een uitlegging te komen, zou met een beperkte opvatting van de term „voorwaarden voor de toepassing” niet kunnen worden volstaan; uit artikel 227, lid 2, zou men moeten kunnen afleiden dat de bedoeling heeft voorgezeten in beginsel het hele Verdrag op de Franse overzeese departementen van toepassing te doen zijn, met dien verstande dat de voorwaarden voor toepassing van niet in de eerste alinea genoemde bepalingen uiterlijk binnen twee jaar zouden moeten worden vastgesteld. Ten gunste van die stelling spreekt dat in artikel 227, lid 1, de toepasselijkheid van het Verdrag „op … de Franse Republiek” is neergelegd, onder welke omschrijving stellig de Franse zo goed als de overzeese departementen vallen (in de artikelen 6, 74 en 76 van de Franse Constitutie wordt bij voorbeeld gesproken van de „overzeese gebieden der Republiek”). Er zij evenwel op gewezen dat men bij de Raad (en bij de Commissie) in de praktijk de in artikel 227, lid 2, tweede alinea, besloten liggende bevoegdheden ook na het verstrijken der overgangsperiode — en tot in het afgelopen jaar — is blijven uitoefenen; ik herinner met name aan 's Raads beschikking van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van artikel 51 op de Franse overzeese departementen, aan 's Raads beschikking van 8 november 1971 betreffende de toepassing in die gebieden van de artikelen 123 tot en met 127, aan 's Raads verordening 1795/76 van 20 juli 1976 waarbij artikel 40, lid 4, zij het uitsluitend voor de afdeling Oriëntering van het Europees Oriënterings- en Garantiefonds voor de Landbouw —, van toepassing is verklaard. De praktijk bij bedoelde instellingen leert ook dat men van bedoelde bevoegdheden gebruik gemaakt heeft om hetzij tot een geleidelijke stabilisatie bij de toepassing van sommige bepalingen (c.q. secundaire handelingen) te komen, hetzij om de toepassingsvoorwaarden van zulke bepalingen te reguleren. Dit schijnt mij de meest correcte uitlegging te zijn van de bevoegdheden welke de Raad in artikel 227, lid 2, aanhef, worden toegekend, namelijk een uitlegging die het uitvoerend orgaan van de Gemeenschap de bevoegdheid laat zijn keuze te bepalen met betrekking tot de verdragsbepalingen die in de Franse overzeese departementen tot toepassing moeten komen. Wat de in deze alinea gestelde termijn van twee jaren betreft, het wil er moeilijk bij mij in dat de Raad na afloop van die termijn de hem toegekende bevoegdheid zou hebben verloren; zo nauw heeft men het trouwens ook niet genomen met de algemene bepaling van artikel 8, lid 7, volgens hetwelk „het einde van de overgangsperiode het uiterste tijdstip [is] waarop alle gestelde regels in werking moeten treden en waarop alle maatregelen welke het tot stand brengen van de gemeenschappelijke markt medebrengt, moeten zijn verwezenlijkt”.
Ik kan op dit punt meegaan met de Commissie, die artikel 95 niet op de Franse overzeese departementen van toepassing acht. Maar ook het tegengestelde standpunt van de Duitse regering — die het verband tussen artikel 37 en artikel 95 tot uitgangspunt heeft genomen — verdient de aandacht: artikel 37 — dat op die departementen stellig van toepassing is — zou voor het invoerregime met betrekking tot produkten die aan een nationaal monopolie onderworpen zijn, een herhaling geven van het algemeen verbod, op discriminatie door middel van fiscale maatregelen gesteld.
Ik merk in dit verband op dat het denkbeeld een fiscale bepaling via artikel 37 bij de bepalingen voor de Franse overzeese departementen onder te brengen, prima vistu in strijd schijnt te komen met de grote lijnen van 's Hofs jurisprudentie, volgens welke de onder artikel 95 vallende casuspositie in beginsel niet tegelijkertijd door de regeling betreffende het vrije verkeer van goederen kunnen worden bestreken (ik moge ten deze verwijzen naar mijn conclusie van 6 juni 1978, genomen in de zaak 142/77, Larsen). Maar een juiste en noodzakelijke afgrenzing tussen het toepassingsgebied van artikel 95 (verbod van nationale belastingen van discriminerende aard) en dat van de artikelen 9, 12, 13 en 16 (voor zover een verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten inhoudende) brengt niet mede dat artikel 95 ten opzichte van de bepalingen van titel I van het Verdrag geen complementaire rol speelt. Het Hof vond gelegenheid dit toe te lichten in zijn uitspraak van 1 juli 1969, gegeven in de zaak 24/68, Commissie/Italiaanse Republiek (Jurispr. 1969, blz. 193) waarin het overwoog dat artikel 95 „ertoe strekt om … de inbreuken te vermijden die langs een fiscale omweg op de verbodsbepalingen [sc. van artikel 9] zouden kunnen worden gemaakt” (overweging 5). Anderzijds moge artikel 37 geplaatst zijn in het hoofdstuk betreffende de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen, het is zo ruim geformuleerd dat het ook buiten dat bestek tot gevolgen kan leiden. Daarop wijst ook de in lid 2 voorkomende verwijzing naar de artikelen inzake de afschaffing der douanerechten, en de in lid 1 gebezigde terminologie (de uitsluiting van „elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft”), waaraan het Hof, naar ik reeds releveerde, een ruime uitlegging heeft gegeven.
Welbeschouwd zou artikel 37, de enige bepaling betreffende de handelsmonopolies die in het Verdrag van Rome te vinden is, derhalve moeten worden opgevat als een speciaal voorschrift, dat logischerwijze dient te worden gelezen in samenhang met de regelen betreffende het vrije verkeer van goederen en met het verbod van discriminerende nationale belastingen. Het mag er derhalve, daargelaten de vraag naar de tegenwoordige betekenis van artikel 37, voor worden gehouden dat de opstellers van het Verdrag met hun bepaling dat het artikel van de aanvang af op de Franse overzeese departementen van toepassing zou zijn, implicite ook het ten opzichte van artikel 37 als complementair te beschouwen artikel 95 van toepassing hebben doen zijn wanneer het om de afschaffing van discriminerende gevolgen van handelsmonopolies op fiscaal gebied gaat.
Gewezen zij nog op een ongerijmde consequentie die uit een aanvaarding van een standpunt van de Commissie betreffende de uitsluitend transitoire geldigheid van artikel 37 en de niet-toepasse-lijkheid van artikel 95 op de Franse overzeese departementen, zou kunnen voortvloeien. Waar artikel 37 een der op die gebieden toepasselijk verklaarde bepalingen is, daar lijdt het geen twijfel dat een met een nationale monopolieregeling samenhangend fiscaal mechanisme dat jegens uit die departementen ingevoerde waren discrimineert, als met dat artikel onverenigbaar — en derhalve ongeoorloofd — moest worden beschouwd, indien het gedurende de overgangsperiode was gecreëerd. Daarentegen zou eenzelfde mechanisme, indien het na de overgangsperiode zou zijn geïntroduceerd, zowel aan het — volgens de Commissie niet meer geldende — verbod van artikel 37 ontkomen als aan het verbod van artikel 95 dat, nog steeds volgens de Commissie, voor bedoelde gebieden niet is geschreven. In strijd met de logica welke het communautaire systeem eigen is, zou de afloop van de overgangsperiode ten deze een regressief effect sorteren, immers de draagwijdte van het non-discriminatiebeginsel afzwakken en een negatieve uitwerking hebben op het vrije verkeer van goederen.
De Commissie heeft ten slotte opgemerkt dat men door toepassing van de regel van artikel 95 op de Franse overzeese departementen, de werkelijkheid geweld zou aandoen, immers die departementen zijn onderworpen aan een fiscale regeling die ten dele van die voor het moederland afwijkt. Daartegen kan met name worden ingebracht, dat die regel in de hierbedoelde opvatting uitsluitend op met monopolieregelingen samenhangende fiscale mechanismen zou moeten worden toegepast. Voorts dient er in ieder geval op te worden gewezen, dat de Franse regering ten processe zelf de toepasselijkheid van 'artikel 95 op de overzeese departementen heeft bepleit en zich dus, ook zonder beschikking van de Raad, implicite tot dienovereenkomstig gedrag bereid heeft verklaard, onder meer als het om de toepassing van de eigen fiscale regeling in die gebieden mocht gaan.
Op grond van een en ander ben ik van mening dat de vraag of er in casu van fiscale discriminatie mag worden gesproken — bezien in samenhang met het bestaan van een handelsmonopolie voor waren als uit de Franse overzeese departementen worden geïmporteerd —, behalve aan artikel 37 ook aan artikel 95 van het Verdrag van Rome moet worden getoetst. Daarbij kan, ter bepaling van de betekenis, die aan het fiscale discriminatieverbod moet worden gehecht, met 's Hofs jurisprudentie op artikel 95 te rade worden gegaan, ondanks het feit dat het onderhavige geval door het verband tussen het belastingsysteem en de monopolieregeling een bijzonder karakter draagt.
4.
In het licht van het fiscaal non-discriminatiebeginsel dat in de artikelen 95 en 37 van het Verdrag van Rome besloten ligt, zullen wij thans dienen na te gaan of ten laste van waren, die uit de Franse overzeese departementen in de Gemeenschap worden geïmporteerd, met een monopolieregeling samenhangende verbruiksbelastingen kunnen worden geheven boven het minimum dat ten laste van nationale produkten (dan wel surrogaten) kan worden gebracht, ook al geldt dat minimum slechts voor een gering percentage der nationale produktie en hebben bij vaststelling van dat minimum bijzondere redenen van sociale aard de doorslag gegeven.
Blijkens 's Hofs arrest van 22 juni 1976, gewezen in de zaak 127/75, Bobie (Jurispr. 1976, blz. 1080) legt artikel 95 niet de vrijheid der onderscheiden Lid-Staten tot invoering van het voor ieder produkt meest geschikte belastingstelsel aan banden, mits dientengevolge op ingevoerde produkten geen zwaardere belastingen komen te rusten dan op gelijksoortige nationale produkten. Wordt die voorwaarde gerespecteerd, dan is een op gedifferentieerde belasting gebaseerd fiscaal stelsel, waarbij de positie der aan de belasting onderworpen ondernemingen volgens objectieve maatstaven wordt beoordeeld, zeer wel mogelijk. En van discriminatie is geen sprake, wanneer geïmporteerde produkten gelijk op met nationale produkten voor bepaalde fiscale voordelen in aanmerking komen. Ik voeg daaraan toe dat de ingevoerde en de vergelijkbare nationale produkten niet per se identiek behoeven te zijn; worden er in de Staat van invoer niet volkomen dezelfde produkten gefabriceerd als de geïmporteerde, dan handelt men rechtmatig wanneer men soortgelijke produkten, die geïmporteerde kunnen vervangen en er derhalve rechtstreeks mee concurreren, met die geïmporteerde produkten vergelijkt. Dit volgt uit artikel 95, tweede alinea, waar het de Lid-Staten wordt verboden de produkten van de overige Lid-Staten op zodanige wijze te belasten, dat andere produkties zijdelings worden beschermd.
De vertegenwoordiger van de Duitse re-gering heeft betoogd dat ook de producenten uit andere Lid-Staten — met inbegrip van de overzeese gebieden waarop de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn — van het hierbe-doelde gedifferentieerde belastingstelsel voor alcoholische dranken kunnen profiteren. De firma Hansen & Balle heeft daartegen ingebracht dat aan de eisen, welke volgens de Duitse wetgeving op het gedistilleerd moeten zijn vervuld wil men voor een lager verbruiksbelastingtarief in aanmerking komen, door buiten de Bondsrepubliek gevestigde ondernemingen rechtens noch feitelijk kan worden voldaan. En het lijkt ook erg moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, dat distilleerderijen, gevestigd buiten het territoir waarvoor het hierbedoelde monopolie geldt, zich kunnen gedragen naar voorwaarden die medebrengen dat men zich de voortdurende controle van financiële organen, belast met het toezicht op onder zegel te bewaren produkten (zoals voor de zogenaamde „Verschluß-brennereien” voorzien) zou moeten laten welgevallen, ofwel toestemming tot forfaitaire bepaling van fiscale lasten (als voor de ,„Abfindungsbrennereien” is voorgeschreven) moet hebben bekomen, dan wel de — aan op basis van vruchten werkzame coöperatieve distilleerderijen voorgeschreven — vergunning voor de produktie van bepaalde hoeveelheden alcoholhoudende dranken, in welk geval vervolgens ook moet worden bewezen dat men het toegelaten quantum niet heeft overschreden.
Het ligt natuurlijk op de weg van de verwijzende rechter na te gaan of de hierbedoelde regeling het de kleine buitenlandse producenten inderdaad onmogelijk c.q. buitensporig moeilijk maakt van de meest gunstige fiscale regeling te profiteren. Zo ja, dan zou de hierbedoelde belastingregeling als wezenlijk discriminerend — en in strijd met de beginselen van artikel 37, lid 1 en 95, lid 1, van het Verdrag van Rome —, moeten worden aangemerkt.
Daaraan zou niet afdoen dat maar een klein gedeelte van de Duitse alcoholproduktie voor het gunstiger tarief in aanmerking komt. In dit verband zij nogmaals het arrest Rewe van 17 februari 1976 aangehaald, waarin het Hof onder meer heeft overwogen dat artikel 95, lid 1, wordt geschonden wanneer de belasting voor het nationaal produkt en de belasting voor een ingevoerd produkt volgens verschillende maatstaven worden berekend „waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in sommige gevallen, hoger wordt belast” (overweging 15). Ook de beweerdelijk sociale aard van de doelstellingen welke men met de selectieve fiscale regeling heeft willen realiseren, kan ten deze geen rol spelen. De vertegenwoordiger van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland heeft het in zijn ten processe gemaakte opmerkingen zelf erkend.
5.
Ik zou thans willen overgaan tot bespreking van de derde vraag van de Duitse rechter, namelijk of een stelsel volgens hetwelk nationale produkten minder zwaar worden belast, tot de in de artikelen 92 tot en met 94, EEG-Verdrag bedoelde steunmaatregelen van staten behoort c.q. volgens welke criteria zulke steunverlening dient te worden onderscheiden van nationale belastingen, welker verenigbaarheid met het Verdrag aan de beginselen van de artikelen 95 c.q. — wat monopolies betreft — 37 van het Verdrag moet worden getoetst.
Het lijdt geen twijfel dat het wegleggen van een gunstiger behandeling voor bepaalde categorieën van ondernemingen, met alle overige producenten in dezelfde sector vergeleken, een steunverlening in de zin van artikel 92 kan opleveren. De term „staatssteun” is erg ruim en omvat niet alleen gevallen waarin de staat aan bepaalde ondernemingen te-gen bijzonder gunstige condities geld, goederen of diensten verstrekt, doch ook gevallen waarin de staat ten behoeve van bepaalde ondernemingen geheel of ten dele van zijn eigen belastinginkomsten afziet. Een stelsel van verbruiksbelastingen tegen een gereduceerd tarief als het onderhavige schijnt, aangenomen dat het op grond van voormelde kenmerken als discriminerend moet worden aangemerkt, de mededinging op de gemeenschappelijke markt te kunnen vervalsen en in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten te kunnen doorwerken. Ook dat valt onder artikel 92, lid 1.
Het heeft er ook niet de schijn van dat de voordelen welke in de onderhavige regeling worden toegekend, tot een der categorieën van in artikel 92, lid 2, rechtstreeks toegelaten steunmaatregelen kunnen worden gerekend. Over de vraag of zij als steunmaatregelen kunnen worden aanvaard, zou derhalve door de communautaire gezagsorganen een beslissing moeten worden genomen.
Wat ten slotte het criterium betreft ter onderscheiding van steunmaatregelen via belastingverlaging en discriminerende belastingen in de zin van artikel 95, zij opgemerkt dat de regeling betreffende de steunmaatregelen, die in het hoofdstuk over de mededinging te vinden is, zowel vergeleken met de belastingbepalingen van het Verdrag, eigen kenmerken vertoont. Zulke meestal alleen voor nationale ondernemingen weggelegde steunmaatregelen zijn naar hun aard discriminerend, maar het feit dat zij mogelijkerwijze, getoetst aan de artikelen 92 tot en met 94, door de beugel kunnen, behoort mijns inziens mede te brengen dat zij niet tevens aan het algemeen fiscaal discriminatieverbod mogen worden getoetst. Ten slotte brengt de mogelijkheid aan het verbod van artikel 92, lid 1, te ontsnappen mede dat dit artikel, anders dan artikel 95, voor particulieren geen subjectieve rechten kan doen ontstaan zolang het niet is „uitgewerkt in handelingen van algemeene strekking als bedoeld in artikel 94 of, in bepaalde casusposities, in besluiten als bedoeld in artikel 93, lid 2” (arrest van 19 juni 1973, gewezen in de zaak 77/72, Capo-longo, Jurispr. 1973, blz. 613).
6.
In zijn vierde vraag gaat de Duitse rechter er veronderstellenderwijze uit dat fiscale lasten op waren die uit Lid-Staten of Franse overzeese gebieden zijn geïmporteerd, de laagst mogelijke belasting van dezelfde of soortgelijke nationale produkten c.q. surrogaten van die produkten niet mogen te boven gaan, om vervolgens met betrekking tot importen uit niet tot de Gemeenschap behorende landen te vragen of onder de term heffing van gelijke werking als een douanerecht (artikel 9 van het EEG-Verdrag) ook de verbruiksbelastingen op uit derde staten geïmporteerde produkten zijn te begrijpen wanneer ze de belasting op dezelfde of soortgelijke waren — c.q. surrogaten daarvan — uit Lid-Staten of uit voormelde gebieden te boven gaan.
In zoverre behoeft slechts te worden gereleveerd dat artikel 9 de handel binnen de Gemeenschap betreft en voor het verkeer tussen de Lid-Staten douanerechten bij in-of uitvoer en heffingen van gelijke werking verbiedt; het voorschrift geldt derhalve niet voor importen uit derde staten.
Daaraan kan worden toegevoegd dat een discriminerende toepassing van binnenlandse belastingen — daarin gelegen dat ingevoerde produkten in feite niet van het voor bepaalde categorieën nationale producenten geldehde lagere tarief kunnen profiteren — in geen geval met een heffing van gelijke werking als een douanerecht op een lijn mag worden gesteld.
Zulks ware onder meer niet te rijmen met het duidelijk onderscheid dat er in Uw jurisprudentie gemaakt wordt tussen het toepassingsgebied van bepalingen die heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden en het eigen toepassingsgebied van de belasting-bepalingen (ik herinner aan het arrest van 18 juni 1975, gewezen in de zaak 94/74, IGAV, Jurispr. 1975, blz. 700 en aan het arrest van 22 maart 1977, gewezen in de zaak 78/76, Steinike, Jurispr. 1977, blz. 597).
Logischerwijze moet het er derhalve voor worden gehouden dat aan een fiscaal mechanisme als het onderhavige geen andere maatstaven mogen worden aangelegd dan die welke in de artikelen 37 en 95 met zoveel woorden zijn neergelegd. Ten gunste van derde staten kunnen zij nog niet worden ingeroepen. De daarin besloten liggende beperking der fiscale soevereiniteit der Lid-Staten komt uitsluitend aan de handel binnen de Gemeenschap ten goede.
Ik ben daarom van mening dat het de Lid-Staten, naar de huidige stand van het gemeenschapsrecht, vrij staat op produkten uit derde staten een nationale fiscale regeling toe te passen die, in de hiervoor besproken zin, discriminerende trekken vertoont.
7.
Deze ontkennende beantwoording van de vierde vraag ontslaat mij van de verplichting ook de vijfde vraag, die al leen voor het geval van bevestigende beantwoording van de vierde was gesteld, te bespreken.
Ik concludeer derhalve dat het Hof zich als volgt zal uitspreken naar aanleiding van de prejudiciële vragen, door het Finanzgericht te Hamburg bij de op 7 december 1977 ingekomen beschikking van 24 oktober 1977 gesteld:
1.
Bij de fiscale behandeling — in het kader van een in een Lid-Staat bestaande commerciële monopolieregeling — van uit Franse overzeese departementen ingevoerde produkten dienen de beginselen, gehuldigd in de artikelen 37, lid 1 en 95 van het EEG-Verdrag, te worden in acht genomen.
2.
Daargelaten het percentage van de nationale produktie dat ervan profiteert en de sociale aard der nagestreefde doelstellingen, is er van een in de artikelen 37 en 95 van het EEG-Verdrag verboden discriminatie sprake, wanneer een met de werking van een monopolie verbonden selectief belastingsysteem bepaalde categorieën nationale producenten op grondslag van de eigen kenmerken van de betrokken tak van nationale nijverheid bepaalde voordelen doet toekomen. Daarvan is sprake wanneer de voorwaarden waaronder van het lagere belastingtarief kan worden geprofiteerd, ofschoon algemeen luidend, door in andere landen gevestigde ondernemingen bezwaarlijk kunnen worden vervuld, hetzij omdat ze op de bijzondere produktiestructuren der nationale ondernemingen zijn afgestemd, hetzij omdat er wordt uitgegaan van bijzondere betrekkingen met het monopolie van de staat van invoer, die uitsluitend door de nationale ondernemingen kunnen worden aangegaan.
3.
Een verlaging van fiscale lasten ten gunste van zulke ondernemingen, levert staatssteun in de zin van de artikelen 92 tot en met 94 van het EEG-Verdrag op.
4.
Nationale belastingmaatregelen die op uit derde landen ingevoerde produkten zwaarder wegen dan op de overeenkomstige categorieën nationale produkten, vallen niet onder het in artikel 9 van het EEG-Verdrag neergelegde verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten.
( 1 ) Vertaald uil het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy