CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 31 MEI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak wordt Uw Hof geroepen tot een uitlegging van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De Burgerlijke Kamer van het Franse Cour de Cassation stelt U de vraag of „de verkoop van een machine door een vennootschap aan een andere tegen een prijs te voldoen door middel van twee gelijke wissels op 60 en 90 dagen, is te beschouwen als een verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken in de zin van artikel 13 van het Verdrag van Brussel”. Voor de beantwoording van deze nauwkeurig omlijnde vraag zal moeten worden vastgesteld wat het begrip „verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken” in het genoemde artikel 13 inhoudt, zulks in het gegeven geval van koop en verkoop van een machine tussen twee handelsondernemingen.
Zoals gebruikelijk, wil ik eerst een kort overzicht van de feiten geven. In februari 1972 kocht de vennootschap Bertrand, gevestigd in Frankrijk, van de firma Paul Ott, gevestigd in Duitsland, een machine, die op tijd werd geleverd en gemonteerd. Ter voldoening van de koopsom gaf de koper, als gezegd, twee gelijke wissels af, vervallend op 60 en 90 dagen. Bertrand voldeed deze wissels echter slechts gedeeltelijk, waarop de verkoper tegen hem een vordering instelde bij het Landgericht te Stuttgart, dat bij vonnis van 10 mei 1974 Bertrand veroordeelde. Een jaar later voorzag het Tribunal de Grande Instance te Mans dit vonnis van het verlof tot tenuitvoerlegging, in de zin van artikel 31 van het Verdrag van Brussel. Op 20 mei 1976 bekrachtigde het Cour d'Appel te Angers, onder afwijzing van het door Bertrand ingestelde beroep, de verlening van het exequatur. Daarna kwam het geschil voor de cassatierechter welke de bovenvermelde vraag heeft opgeworpen.
2.
De partijen in het hoofdgeding zijn in hun schriftelijke memoriën uitvoerig ingegaan op de criteria voor de uitlegging van het Verdrag van Brussel, inzonderheid artikel 13. Zij hebben daarbij onder andere het arrest van het Hof van 6 februari 1976 in de zaaak 12/76, Tessili/ Dunlop (Jurispr. 1976, blz. 1473) aangehaald; na de overweging, dat het Verdrag veelvuldig rechtstermen en -begrippen uit het burgerlijk, handels- en procesrecht bezigt, die in de verschillende Lid-Staten een verschillende betekenis kunnen hebben, laat het arrest ten aanzien van de uitlegging de keus tussen twee alternatieven: deze termen en begrippen autonoom, en dus aan de gezamenlijke Lid-Staten gemeen, opvatten, ofwel als een verwijzing naar de materiële regels van het recht dat krachtens de collisieregels van de eerst-aangezochte rechter van toepassing is. Ik moge hier opmerken, dat de latere jurisprudentie van het Hof inzake de uitlegging van het Verdrag van Brussel duidelijk wijst op een voorkeur voor het eerste alternatief, daar zoveel mogelijk wordt getracht aan de begrippen, welke in het Verdrag worden gebruikt, een autonome betekenis toe te kennen, zelfs indien deze op het eerste gezicht een sterke mate van betrokkenheid met de rechtsorde van elke Lid-Staat vertonen. Het Hof heeft naarstig gepoogd een gemeenschappelijke kern van de verdragsbegrippen op te sporen, ook al ging dit langs moeizame wegen: vooral de arresten van 14 oktober 1976 in de zaak 29/76, LTU/Eurocontrol (Jurispr. 1976, blz. 1541) en van 22 oktober 1977 in de zaak 43/77, Industrial Diamond Supplies/Riva (Jurispr. 1977, blz. 2175) tonen dit aan. De redenen voor deze keuze zijn duidelijk: de eenheid van uitlegging van de verdragsregels waarborgt het „vrije verkeer van rechterlijke beslissingen”, hetgeen terecht als een der eerste doelstellingen van het Verdrag zelf wordt gezien. Uiteindelijk kan daarom de methode van verwijzing naar de nationale rechtsorde, die op grond van de in foro geldende internationaalprivaatrechtelijke jurisdictieregels van toepassing is, als een „uitwijkmethode” worden omschreven, waarop slechts mag worden teruggegrepen, wanneer de opsporing van de autonome betekenis van een bepaald begrip binnen het kader van het Verdrag niets oplevert.
Voor de autonome vaststelling van de betekenis van een verdragsterm zal men uiteraard wel enkele fundamentele uitgangspunten moeten hanteren. Ook deze zijn door het Hof aangegeven: enerzijds de doelstellingen en de systematiek van het Verdrag en anderzijds de algemene beginselen die in alle nationale rechtsorden tezamen worden gevonden (zie genoemd arrest van 14 oktober 1976 in de zaak 29/76, LTU/Eurocontrol). Met behulp van deze criteria zullen wij dus ook het onderzoek van het onderhavige geval moeten aanvatten.
3.
Om te beginnen wil ik dan de plaats en de functie van de artikelen 13-15 (dat wil zeggen de vierde afdeling van Titel II, die uit deze drie artikelen bestaat) in het systeem van het Verdrag bezien. Allereerst is duidelijk, dat de bevoegdheidsregel van artikel 14 een lex specialis is: hiertoe behoeft men de inhoud van het artikel slechts te vergelijken met die van andere artikelen van het Verdrag met een ruimere draagwijdte. Volgens de eerste alinea van het artikel kan de verkoper op afbetaling, in afwijking van het algemene voorschrift van artikel 2, niet alleen worden opgeroepen voor de gerechten van de staat waar hijzelf woonplaats heeft, doch ook voor de gerechten van de staat waar de koper woonplaats heeft. Daarentegen is, volgens de tweede alinea van artikel 14, ingeval van een rechtsvordering van de verkoper tegen de koper alleen het gerecht van de staat waar de koper woonplaats heeft bevoegd: dit voorschrift komt overeen met de bevoegdheidsregel van artikel 2, doch met uitsluiting van andere voorschriften, zoals artikel 5, sub 1, betreffende de bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen, en artikel 6, sub 1, indien er meer dan één verweerder is. Het bijzondere karakter van artikel 14 wordt nog eens bevestigd door de in artikel 15 vervatte beperkingen van de mogelijkheid om bij overeenkomst van deze bevoegdheidsregels af te wijken.
Deze eerste bevinding maant tot voorzichtigheid bij de uitlegging van de artikelen 13-15. Zoals bekend, dienen uitzonderingsbepalingen immers restrictief te worden geïnterpreteerd. De voorzichtigheid moet hierin bestaan, dat een uitlegging wordt gekozen, die zoveel mogelijk rekening houdt met de ratio van de vierde afdeling van Titel II en die het toepassingsgebied van de bepalingen dezer afdeling nauwkeurig afstemt op deze ratio. Nu bestaat er omtrent de ratio van de artikelen 13-15 geen enkele twijfel: deze voorschriften beogen de zwakste partij te beschermen, dat wil zeggen de koper bij de verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken, en de lener bij leningen met gespreide terugbetaling die rechtstreeks dienen ter financiering van dergelijke verkoopovereenkomsten. Dit volgt duidelijk uit het feit, dat de eerste alinea van artikel 14 aan deze personen een keuzemogelijkheid biedt tussen twee rechterlijke instanties, waarvoor de verkoper of de uitlener kunnen worden gedaagd, terwijl de tweede alinea, die het geval van een rechtsvordering van de verkoper tegen de koper of van de uitlener tegen de lener betreft, de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 bij uitsluiting geldig verklaart. Voorts zij opgemerkt dat volgens het rapport over het Verdrag — het zogenaamde „rapport-Jenard” — de bescherming van bepaalde categorieën personen — de kopers en leners — het eigenlijke oogmerk van de bepalingen van de vierde afdeling was (vgl. in dezelfde zin Weser, Convention communautaire sur la compétence judiciaire et l'exécution des décisions, Brussel 1975, blz. 291).
Uit het voorgaande vloeien derhalve twee elementen voort die men bij de uitlegging van het begrip „verkoop op afbetaling” in artikel 13 van het Verdrag in het oog zal moeten houden: a) een restrictieve interpretatie verdient de voorkeur boven een ruime interpretatie; b) de betrokken overeenkomst moet als essentieel kenmerk een tussen de partijen bestaande economische onevenwichtigheid vertonen: zij is gesloten tussen een „zwakke” en een „sterke” partij. Volgens criterium a) mag, voor de toepassing van het Verdrag, de verkoop op afbetaling niet uitsluitend op grond van de wijze van betaling, met afzien van alle objectieve of subjectieve elementen, als zodanig worden gekenmerkt, in die zin dat iedere verkoopovereenkomst waarbij de prijs in twee of meerdere termijnen wordt voldaan, als „verkoop op afbetaling” wordt aangemerkt. Ik ben het dan ook niet eens met de stelling van Bertrand dat de gemeenschapsrechtelijke definitie ruim genoeg moet zijn om de definities van alle nationale rechtsstelsels te dekken, des dat iedere verkoop op krediet waarbij de prijs in gespreide betalingen wordt voldaan, een „verkoop op afbetaling” zou zijn. Anderzijds waren overeenkomstig criterium b) de verkoop op afbetaling aldus op te vatten dat de koper zich darbij typisch in een economisch zwakkere positie bevindt, zodat men kan zeggen, dat deze tot de aankoop is overgegaan dank zij de mogelijkheid van termijnbetaling, daar een contante betaling hem economische moeilijkheden zou hebben bezorgd. In dit verband heeft de Britse regering mijns inziens terecht opgemerkt dat het onjuist is aan te nemen dat alle kopers met een gespreide betalingsverplichting bescherming behoeven, en dat veeleer ware te spreken van een dergelijke bescherming ten behoeve van de verbruikers. Inderdaad is het eerst dan mogelijk een groep kopers te onderscheiden die kan worden geacht zich typisch in een economisch zwakkere positie te bevinden, wanneer men het oog richt op de categorie verbruikers wier bescherming immers zowel in het gemeenschapsrecht als in tal van nationale wettelijke regelingen een algemeen voorwerp van zorg vormt. Deze overwegingen met betrekking tot de betekenis van de artikelen 13-15 in het systeem van het Verdrag van Brussel leiden derhalve tot een uitlegging van het begrip verkoop op afbetaling als een verkoop door een (produktie- of handels)onderneming aan een verbruiker — en derhalve als een verkoop van verbruiksgoederen — waarbij de betaling van de koopprijs wordt gespreid over een bepaald aantal achtereenvolgende termijnbetalingen.
4.
In het voorgaande heb ik erop gewezen dat het voor de autonome vaststelling van de betekenis van verdragsbegrippen van belang is te rade te gaan bij de algemene beginselen welke uit de rechtsorden van de Lid-Staten naar voren komen. Men moet zich dus afvragen of te dezer zake dergelijke beginselen bestaan en, zo ja, welke.
Men kan zeker niet zeggen dat de figuur van de koop op afbetaling in de Lid-Staten uniform is geregeld. Dit komt omdat de nationale wetgevers deze figuur vanuit drie verschillende gezichtspunten hebben geregeld: ofwel in het kader van het gewone verbintenissenrecht (zoals in Italië en Nederland), ofwel bij bijzondere wetten ter bescherming van de kopers op afbetaling (dergelijke wetten gelden thans in bijna alle Lid-Staten), en somtijds ook in het kader van wetten, die de koop op afbetaling aan beperkingen onderwerpt om de eventuele inflatoire gevolgen van het afbetalingssysteem tegen te gaan (dit is het geval in Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk en, gedurende enige tijd, in Italië). Het is duidelijk dat al naar gelang van het gezichtspunt ook de kwalificatie van de figuur kan variëren; dit is een van de redenen waarom er in het recht van de Lid-Staten geen uniform begrip „verkoop op afbetaling” bestaat.
Globaal kan men zeggen dat de zeer ruime opvatting, volgens welke het nodig, maar ook voldoende is, dat de koopsom van een zaak, waarvan de koper onmiddellijk het bezit verkrijgt, wordt betaald in twee of meer achtereenvolgende termijnen, het ene uiterste is, terwijl het andere uiterste tal van enge opvattingen zijn, die als criteria subjectieve (hoedanigheid van de partijen) of objectieve factoren (de aard, waarde of bestemming van de goederen) hanteren, dan wel factoren die verband houden met de koopsom (een minimum of maximum aantal termijnen, het totale bedrag, maximum betalingstermijn) of, ten slotte, met de overdracht van de eigendom (eigendomsvoorbehoud tot voldoening van de gehele prijs). Buiten de grenzen van elk dezer factoren bevindt zich de normale, gewone koop met een betaling welke over twee of meer vervaltermijnen is gespreid en waarvoor geen speciale regeling geldt: een transactievorm die, zoals de firma Ott terecht opmerkt, in het internationale verkeer zeer dikwijls voorkomt, zonder dat deze — meer feitelijk dan rechtens — „tout court” met een verkoop op afbetaling is gelijk te stellen.
In een zo uiteenlopende situatie lijkt het wellicht zinloos om te speuren naar beginselen die de Lid-Staten gemeen hebben. Toch valt een gelijke strekking te onderkennen, wanneer men de wetten beschouwt die zijn gegeven ter bescherming van de kopers op afbetaling; en ik meen dat het logisch en ook juist is deze wetten te beschouwen, aangezien, zoals gezegd, ook de artikelen 13-15 van het Verdrag van Brussel voorschriften zijn, die de kopers op afbetaling beogen te beschermen. De gelijke strekking, die ik bedoel, is dat bepaalde categorieën kopers worden uitgesloten van de beschermende regeling bij de koop op afbetaling, en wel hetzij rechtstreeks door de bepaling dat de regeling niet van toepassing is, wanneer de koop wordt gesloten door handelaren, ondernemers of rechtspersonen, hetzij indirect bij de koop van bedrijfsmachines en bij transacties die verband houden met de beroepsuitoefening van de koper. De wettelijke regelingen van bijna alle Lid-Staten, uitgezonderd Denemarken en Italië, gaan in deze richting.
Laat ik terugkeren tot het probleem dat hier moet worden opgelost. Het komt mij voor dat de zojuist vermelde nationaalrechtelijke strekking — overigens wel te onderscheiden van gemeenschappelijke beginselen in eigenlijke zin —, toch een opmerkelijke bevestiging inhoudt van de bevindingen waartoe ik eerder door een systematische uitlegging van het Verdrag ben gekomen. In het kort gezegd: zolang de koper op betaling een particulier verbruiker is en het gekochte een gebruiksgoed, is een bijzondere regeling van de koop op afbetaling te rechtvaardigen, omdat het bij de koper gaat om een zwakkere partij, die een bijzondere bescherming verdient; buiten dit gebied is er geen reden de „beschermende” regeling van de koop op afbetaling uit te breiden en is ook het rechtsbegrip „verkoop op afbetaling” in de zin van artikel 13 van het Verdrag niet meer van toepassing.
5.
Gewezen zij nog op twee feiten waaruit blijkt dat het geschreven gemeenschapsrecht zich in de aangegeven richting ontwikkelt. Het eerste en belangrijkste is dit: de ad hoc werkgroep aanpassingen overeenkomsten artikel 220 EEG heeft in de door haar voorbereide wijzigingen van het Verdrag van Brussel in verband met de toetreding van Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken voorgesteld de artikelen 13-15 te wijzigen en met name het toepassingsgebied van artikel 13 te beperken tot „overeenkomsten gesloten door een persoon voor een gebruik dat niet als bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, hierna te noemen, consument’”. Dientengevolge wordt in de artikelen 14 en 15 niet meer gesproken van koper of lener, maar van „consument” (werkdocument nr. 5, herzien; artikel 9 bis van het Verdrag betreffende de toetreding tot het Executieverdrag). Uiteraard kan dit ontwerp de uitlegging, die thans van artikel 13 moet worden gegeven, niet beïnvloeden; desondanks wil ik niet onvermeld laten dat de door mij voorgestelde oplossing overeenkomt met de te verwachten ontwikkeling van het Verdrag van Brussel. In de tweede plaats wil ik eraan herinneren dat het voor-ontwerp van de Commissie voor een ontwerp-richtlijn inzake het consumentenkrediet de overeenkomst tot verkoop van goederen met gespreide betaling onder de categorie „consumenten — kredietovereenkomsten” laat vallen en de consument omschrijft als „een natuurlijk persoon … die niet handelt in de uitoefening van een beroep of een bedrijf”. Dat betekent dat het communautaire optreden met betrekking tot de consumentenbescherming zal doorwerken op het gebied van de koop op afbetaling vanuit een richting die samenvalt met de opvatting over dit begrip in het Verdrag van Brussel.
6.
Samenvattend concludeer ik dat op de vraag van de Burgerlijke Kamer van het Franse Cour de Cassation, in de zaak Bertrand-Ott, worde geantwoord: „de verkoop van een machine, overeengekomen tussen twee ondernemingen, tegen een prijs, te voldoen door twee wissels op verschillende vervaldagen, kan niet als een verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken in de zin van artikel 13 van het Verdrag van Brussel worden beschouwd”.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy