CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 1 FEBRUARI 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
In de maand december 1976 had de Commissie de Raad in kennis gesteld van haar voornemen de toepassing van de monetaire compenserende bedragen uit te breiden tot bepaalde produkten van de levensmiddelenindustrie, ten einde aldus het hoofd te bieden aan distorsies van de mededinging welke, voor de Ierse industrie, voortvloeiden uit de dispariteiten van de prijzen der basisprodukten, gebruikt bij de fabricage van zelf niet aan compenserende bedragen onderworpen verwerkte produkten welke dispariteiten moesten worden toegeschreven aan het verschil tussen de omrekeningskoersen in de landbouw („groene” koersen) van het Engelse pond en het Ierse pond enerzijds en de op de wisselmarkt van die beide munteenheden aangehouden koersen anderzijds.
Het Verenigd Koninkrijk was destijds de enige Lid-Staat met een neerwaarts fluctuerende munteenheid, die de „groene” koers van zijn valuta niet had aangepast. Een devaluatie van het „groene” Engelse pond zou tot stijging van de landbouwprijzen in het Verenigd Koninkrijk hebben geleid, hetgeen de regering zou hebben gedwarsboomd bij haar pogingen de inflatie te beteugelen en ook het sociaal pakt met de vakverbonden zou hebben bemoeilijkt. In de praktijk leidde het verschillende niveau van de compenserende bedragen voor Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot een stijging van de importen van suikerhoudende verwerkte produkten van herkomst uit het Verenigd Koninkrijk in Ierland, terwijl het de exporten van diezelfde produkten vanuit Ierland naar het Verenigd Koninkrijk bemoeilijkte.
Op de zitting, door de Raad in maart 1977 gehouden, herinnerde de Ierse regering aan genoemde intentieverklaring van de Commissie.
De Commissie gaf toen te kennen dat zij zich zou inspannen om, in overleg met de Ierse regering, een oplossing voor deze moeilijkheden te vinden, eventueel met behulp van artikel 135 van de Toetredingsakte. De Ierse regering stak niet onder stoelen of banken dat zij de oplossing van dit vraagstuk beschouwde als een integrerend deel van het „pakket” waarover de Raad het op de eerstvolgende „landbouwmarathon” eens moest worden.
Onder deze omstandigheden stelde de Commissie op 23 maart 1977 haar beschikking nr. 77/289 vast, waarbij Ierland werd gemachtigd tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen krachtens artikel 135 van de Toetredingsakte, en wel zulks voor een hele reeks „verwerkte landbouwprodukten”, bij welker vervaardiging bepaalde door de monetaire maatregelen in de landbouwsector getroffen basisprodukten worden gebruikt.
In de bijlage van de beschikking worden de te heffen en toe te kennen bedragen genoemd, alsook de betrokken produkten. Het gaat om produkten in de zin van de navolgende tariefposten:
—
17.04 D, suikerwerk zonder cacao,
—
18.06 B, consumptie-ijs, cacao bevattende,
—
18.06 C, chocolade en suikerwerk, cacao bevattende,
—
19.08 B, banketbakkerswerk, gebak en biscuits,
—
21.07 C, consumptie-ijs, geen cacao bevattende.
De maatregelen bestonden in de toepassing van een heffing op de Ierse importen van deze produkten, van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk, en in de toekenning van steun aan de exporten van diezelfde produkten van Ierse oorsprong naar het Verenigd Koninkrijk. De desbetreffende machtiging gold, krachtens artikel 135 van de Toetredingsakte — dat overeenkomt met artikel 226 van het EEG-Verdrag — slechts tot 31 december 1977, op welke datum de compenserende bedragen „toetreding” moesten zijn ingetrokken.
Ierland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt met ingang van 1 april 1977.
Toen korte tijd nadien, te weten op 20 april, bleek dat de beheerscomité's voor de betrokken basisprodukten geen advies hadden uitgebracht, heeft de Commissie verordening nr. 800/77 vastgesteld waarbij, wat betreft de lijst van produkten waarover monetaire compenserende bedragen golden, verordening nr. 572/76, houdende vaststelling van die bedragen, is gewijzigd.
Wij komen nog te spreken op de redengeving van deze verordening, en volstaan er voorhands mede op te merken dat daarbij met ingang van 23 mei 1977 voor de import in landen die tot de „Europese monetaire slang” waren toegetreden en voor de export uit de landen — met uitzondering van Denemarken — alsook voor de import en export uit landen die geen deel van de „slang” uitmaakten, de invoering voorzien was van compenserende bedragen voor een reeks niet onder bijlage II van het Verdrag vallende produkten, verkregen uit basisprodukten die zelf wel aan compenserende bedragen onderworpen waren en waarvoor een specifieke regeling als bedoeld in artikel 235 van het Verdrag was vastgesteld. De compenserende bedragen betroffen op die datum slechts een deel van de niet onder bijlage II vallende produkten waarvoor zulk een regeling was vastgesteld.
De uitzondering voor Denemarken, waar de valuta eveneens binnen de „slang” fluctueert, vindt haar verklaring in het feit dat bedoeld land de enige Lid-Staat van de Gemeenschap is, waar de munteenheid zodanig wordt aangepast dat zij met de Europese rekeneenheid overeenkomt; Denemarken behoefde dan ook niet tot toepassing van compenserende bedragen over te gaan en is, wat dat betreft, het enige land waar de gemeenschappelijke landbouwmarkt werkelijk functioneert.
Het toepassingsgebied van verordening nr. 800/77 is dus ruimer dan dat van de beschikking van 23 maart 1977; zij brengt compenserende bedragen voor een belangrijk aantal niet onder bijlage II van het Verdrag vallende produkten die krachtens artikel 235 van het Verdrag aan een specifieke regeling zijn onderworpen — deze formule is ook te vinden in artikel 1, lid 2, b, van 's Raads verordening nr. 974/71 — en die slechts gedeeltelijke vallen onder de regeling inzake de compenserende bedragen, gegeven bij verordening nr. 572/76, van de Commissie van 15 maart 1976, zoals gewijzigd bij verordening nr. 736/77.
Deel 8 van Bijlage I van verordening nr. 572/76, getiteld „onder verordening nr. 1059/69 vallende goederen” omvat, in de nieuwe redactie, met name „verwerkte landbouwprodukten” als in voormelde beschikking van de Commissie van 23 maart bedoeld.
Voor sommige van deze produkten (en wel voor de produkten omschreven in nrs. 18.06 B en C, 21.07 C) had de regeling reeds eerder gegolden en waren de compenserende bedragen pas per 21 april 1975 ingetrokken — en wel bij verordening nr. 722/75 van de Commissie van 19 maart 1975 — Er is dus, wat die produkten betreft, van een wederinvoering der regeling sprake.
De op 20 april 1977 vastgestelde verordening nr. 800/77 gold, zoals wij zagen, met ingang van 23 mei 1977. De Commissie heeft evenwel in haar verordening nr. 1051/77 van 18 mei 1977 haar inwerkingtreding uitgesteld tot 4 juli 1977, immers de voorziene overgangsperiode was niet lang genoeg om rekening te kunnen houden met de maatregelen welke moesten worden genomen door ondernemers die contracten op lange termijn hadden afgesloten. Lid 2, tweede alinea, van artikel 2 van verordening nr. 800/77, volgens hetwelk „voor de produkten van de onderverdeling 17.04 D, 18.06 B, 18.06 C, 19.08 B en 21.07 C … de monetaire compenserende bedragen slechts van toepassing [zijn] uiterlijk tot en met 31 december 1977”, bleef evenwel ongewijzigd.
Vergelijking van de bedragen genoemd in verordening nr. 800/77 en van het bedrag van de heffing c.q. steun als bedoeld in de beschikking van 23 maart 1977, leert dat de verordening voor die produkten — en in het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk — in werkelijkheid eenzelfde effect sorteerde als de beschikking van 23 maart 1977.
In feite heeft de Commissie bij beschikking van 4 mei 1977, nr. 77/353, per 1 april 1977 sommige van de bedragen welke Ierland in het handelsverkeer met het Verenigd Koninkrijk mocht heffen c.q. toekennen, gewijzigd ten einde rekening te houden met de verandering welke de wijziging van de compenserende bedragen, zoals die werden toegepast op basisprodukten uit de zuivelsector, teweegbracht, en volgens die beschikking zou zij — alsook de beschikking nr. 77/289 — ophouden effect te sorteren op de dag waarop verordening nr. 800/77 van toepassing zou zijn.
Bij vaststelling van die verordening had de Commissie zich het recht voorbehouden „de economische situatie voor de betrokken niet onder Bijlage II van het Verdrag vallende produkten vóór het eind van het jaar opnieuw” te onderzoeken „en de lijst van deze produkten die zijn onderworpen aan het stelsel van monetaire compenserende bedragen eventueel” te herzien.
Zo bracht de Commissie met haar verordening nr. 1474/77 van 30 juni 1977 wijziging in de compenserende bedragen, ten einde de ontwikkeling van de wisselkoersen, alsook de nieuwe representatieve koersen welke bij verordening nr. 878/77 van de Raad voor de suikersector waren vastgesteld, recht te doen wedervaren.
Ten slotte — en daarmee komen wij meer rechtstreeks te spreken over de situatie welke tot de onderhavige gedingen heeft geleid — heeft de Commissie in haar verordening nr. 2657/77 van 30 november 1977 de beperking van de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77 laten varen, zodat de regeling inzake de compenserende bedragen voor bedoelde produkten is verlengd; sindsdien is het percentage der bedragen meermalen aangepast, doch de litigieuze produkten vallen voor en na onder de „monetaire compensatie”-regeling.
Harerzijds had de Italiaanse regering op 24 oktober 1977 het oor geleend aan geruchten, volgens welke de Commissie voornemens was de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77 te verlengen. In een op die dag tot de Commissie gerichte brief heeft de regering uiteengezet dat vaststelling van die verordening „wezenlijk” tegemoet kwam aan het Ierse verzoek om beëindiging van de mededingingsdistorsies in het handelsverkeer tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland, doch geenszins de toepassing van monetaire compenserende bedragen in de andere Lid-Staten rechtvaardigde, zeker niet na 31 december 1977.
Na de redenen te hebben gereleveerd waarom die verordening haars inziens het in 's Raads basisverordening nr. 974/71 gestelde kader te buiten ging — hetgeen met name het geval zou zijn omdat de verordening zich inliet met verwerkte produkten, een domein dat in de basisverordening niet ter sprake kwam —, heeft de regering de Commissie herinnerd aan haar „verzekering dat de toepassing van de monetaire compenserende bedragen op niet onder bijlage II van het Verdrag vallende produkten op 31 december 1977 zou worden beëindigd”. Op die „verzekering” vertrouwend, heeft de Italiaanse regering zich, naar zeggen, van bestrijding van de rechtmatigheid van verordening nr. 800/77 onthouden.
Nochtans heeft de Commissie, naar wij zojuist zagen, met haar verordening nr. 2657/77 van 30 november 1977, de bepaling waarbij de toepassing der bedragen op bedoelde produkten tot 31 december 1977 werd beperkt, ingetrokken.
Bij op 2 februari 1978 ingeschreven verzoekschrift heeft de Italiaanse regering krachtens artikel 173 van het EEG-Verdrag nietigverklaring van de verordeningen nrs. 2657/77 en 800/77 gevorderd.
De Republiek Ierland heeft zich — tot staving van de conclusies van de Commissie, tot verwerping van het beroep strekkende — in het geding gevoegd.
Kort tevoren en kort nadien, en wel op 15 december 1977, 20 april 1978 en 26 juli 1978, hebben drie nationale rechterlijke instanties u een aantal vragen voorgelegd, de uitlegging van verordening nr. 974/71 alsook de rechtsgeldigheid van verordeningen nrs. 800/77 en 2657/77 betreffende.
Het zij ons derhalve vergund aan deze zaken een enkele conclusie te wijden.
II —
De Commissie trekt de ontvankelijkheid van het beroep van de Italiaanse regering in twijfel, voorzover het op nietigverklaring van verordening nr. 800/77 is gericht. Wij willen evenwel een materiële bespreking van de verordening niet uit de weg gaan, nu enerzijds de redengeving van verordening nr. 2657/77 niet van die van verordening nr. 800/77 kan worden losgemaakt, terwijl anderzijds de beoordeling van haar rechtsgeldigheid de inzet vormt van twee naar uw Hof verwezen zaken (95/78 en 157/78).
Verzoeksters in de bodemgeschillen zijn Duitse importeurs, die compenserende bedragen hadden te betalen over uit Nederland, België en Italië ingevoerde waren, respectievelijk een Italiaanse exporteur die over zijn exporten naar de Lid-Staten (België, Bondsrepubliek Duitsland) dan wel naar derde landen (Ierland, Libië) zulke bedragen had te betalen.
Het is immers zo dat, als de invoering van compenserende bedragen tegen de belangen van de invoerhandel en van de verbruikers in. landen met een sterke munteenheid en tegen die van de producenten in landen met een gedeprecieerde munteenheid ingaat, zij anderzijds de exporten van landen met een sterke munteenheid en de invoerhandel, alsook de consumenten, van landen met een gedeprecieerde munteenheid begunstigt. Zo is, naar de Commissie terecht in herinnering bracht, de een zijn dood de ander zijn brood, en als de Commissie eens geen compenserende bedragen bij uitvoer uit landen met een in opwaartse richting fluctuerende munteenheid en bij invoer van die produkten in landen met een neerwaarts fluctuerende en „uit de slang” kruipende munteenheid had toegekend, dan had u stellig de gezamenlijke banketbakkers uit Lid-Staten met zulk een opwaarts fluctuerende valuta voor u zien verschijnen. Dit ligt in de lijn van overweging uit uw arrest van 7 juli 1976, IRCA: „dat trouwens het gekozen stelsel in bepaalde gevallen de Italiaanse importeurs mogelijkerwijze in een ongunstiger positie kan brengen ten opzichte van de importeurs van andere Lid-Staten, doch om dezelfde redenen in omgekeerde zin kan werken voor de exporteurs” (overweging 13, Jurispr. blz. 1226).
Wij zullen thans de middelen of argumenten die tegen de rechtsgeldigheid of rechtmatigheid der hierbedoelde verordeningen zijn ingebracht, bespreken in na te melden volgorde: toepassingsgebied naar gelang van de produkten, geografisch toepassingsgebied en toepassingsgebied ratione temporis.
1.
Voorzover produkten „die krachtens artikel 235 van het Verdrag aan een specifieke regeling zijn onderworpen” onder de regeling inzake de compenserende bedragen zijn gebracht, betogen de Italiaanse regering en verzoekers in het hoofdgeding, dat de Commissie het risico niet heeft afgewogen en helemaal niet heeft vastgesteld dat zich in het handelsverkeer in basislandbouwprodukten (suiker, granen, enz.) verstoringen voordeden, doch die vaststelling alleen heeft getroffen voor het handelsverkeer in — niet-agrarische — veredelingsprodukten, waarin die basisprodukten zijn verwerkt; maar de aan de Commissie ingeruimde bevoegdheid te beoordelen of zich het risico van verstoring van het handelsverkeer voordoet, kan alleen op het niveau van de agrarische basisprodukten, niet ook op dat der veredelingsprodukten worden uitgeoefend. Ofschoon de mogelijkheid veredelingsprodukten onder de regeling te brengen in artikel 1, lid 2, van 's Raads verordening nr. 974/71 met zoveel woorden is voorzien, kan daarvan slechts gebruik worden gemaakt wanneer het risico van verstoring van het handelsverkeer in de basisprodukten zich voordoet. Omdat het agrarisch element maar in geringe mate in de produktiekosten doorwerkt, kan het handelsverkeer in de betrokken veredelingsprodukten (banket-bakkerswerk enz.) in geen geval leiden tot verstoring van het handelsverkeer in de basisprodukten.
Het is evenwel kennelijk zo dat de verschillen welke de Commissie in haar opmerkingen ter sprake brengt, het risico medebrachten dat het handelsverkeer in de basisprodukten zou worden verstoord, immers op alle agrarische basisprodukten welke in de veredelingsprodukten werden verwerkt, waren reeds compenserende bedragen toegepast. Men zou hier letterlijk overweging 17 van uw arrest Roquette van 20 oktober 1977 (Jurispr. blz. 1842) kunnen aanhalen:
„dat de Commissie weliswaar niet met zoveel worden heeft gezegd dat er zonder monetaire compenserende bedragen verstoringen van de handel in landbouwprodukten te duchten waren geweest, doch dat aan zulk een overweging kennelijk slechts een formeel karakter had mogen worden toegekend”.
De Commissie erkende evenwel uitdrukkelijk dat haar verordening was gebaseerd op artikel 1, lid 2, b, en lid 3, van verordening nr. 974/71, dat wil zeggen op het risico dat zich in het handelsverkeer in „landbouw”-produkten verstoringen voordoen. Zij overwoog (in de derde overweging van de considerans) dat terwijl als zodanig verhandelde basisprodukten onder het stelsel der compenserende bedragen vielen, het prijsverschil bij de basisprodukten zo groot… [was] geworden dat het, wanneer de component „basisprodukt” der veredelingsprodukten niet onder de regeling inzake de compenserende bedragen werd gebracht, een grote invloed … [moest] hebben op de mededingingsvoorwaarden voor sommige „gevoelige” produkten.
De afgeleide produkten waarom het in de onderhavige zaken ging, vielen niet onder de regeling inzake de compenserende bedragen die in verordening nr. 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 besloten lag. Dit was echter wel het geval met andere onder verordening nr. 1059/69 vallende en onder zeer „naburige” tariefnummers gebrachte „waren” (bij voorbeeld: 18.06 D, 21.07 C). Omdat uw Hof heeft uitgesproken, dat bij onderzoek van de vragen welke in de zaak Roquette gesteld waren (in een dier vragen ging het er juist om of de Commissie de verstoringsrisico's zowel op het niveau van de basisprodukten als op dat der afgeleide produkten mocht beoordelen) niet was gebleken van feiten of omstandigheden welke aan de rechtsgeldigheid dier verordening afbreuk konden doen, zou men de vraag in zoverre als reeds beantwoord kunnen beschouwen. Voormelde zaak betrof evenwel in bijlage II vermelde afgeleide produkten die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vielen (op basis van maïs verkregen zetmeelhoudende produkten). Het is dus, afgezien van de zaken 12 en 84/78, de eerste maal dat u zich rechtstreeks hebt uit te spreken over het feit dat niet in bijlage II vermelde afgeleide produkten, die wel onder een bijzondere regeling vallen als bedoeld in artikel 235 van het Verdrag, in verband met het risico van verstoring van het handelsverkeer in die produkten, onder de regeling inzake de monetaire compenserende bedragen zijn gebracht.
Zoals u weet, worden in bijlage II de produkten die onder bijzondere bepalingen van de titel „landbouw” vallen, limitatief opgesomd. In uw arrest König van 29 mei 1974 (Jurispr. blz. 618, 12e rechtsoverweging) hebt u overwogen „dat in deze lijst niet slechts de voornaamste landbouwprodukten maar ook een zeker aantal voedingsmiddelen voorkomen, waarbij de graad van industriële bewerking van het basislandbouwprodukt verder gaat dan het stadium van eerste bewerking in enge zijn”.
Die lijst had in de twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag kunnen worden aangevuld; van die mogelijkheid is evenwel, afgezien van ethylalcohol, geen gebruik gemaakt. De Raad heeft dan ook op 4 april 1962, volgens de procedure van artikel 235, voor waren verkregen door verwerking van landbouwprodukten, niet vallende onder bijlage II, een bijzondere „handelsregeling” vastgesteld. Die regeling is eerst op 1 november 1966 vervangen door verordening nr. 160/66, ofschoon zij maar drie jaar zou gelden.
Ter oplossing van de moeilijkheid, gelegen in het feit dat bijlage II na 1 januari 1960 niet meer kon worden aangevuld, heeft de Raad via artikel 235 een met de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten vergelijkbare regeling vastgesteld, zonder evenwel tot vaststelling van een gemeenschappelijk prijsniveau over te gaan. Een en ander is geschied in verordening 160/66.
De aldus in het leven geroepen handelsregeling tussen de Lid-Staten is opgezet naar analogie van de bepalingen inzake de handel in basisprodukten als zodanig, die in de verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten te vinden zijn.
Bij invoer uit derde landen moet over de betrokken produkten een belasting worden betaald, waarvan een vast element bestemd is om de veredelingsindustrie van de Gemeenschap bescherming te bieden en een variabel element dient ter overbrugging van het verschil tussen de communautaire prijzen van de landbouwprodukten waaruit ze zijn samengesteld en de prijzen van laatstbedoelde produkten op de wereldmarkt.
De bij verordening nr. 160/66 gevoegde lijst komt in hoofdzaak overeen met die welke reeds te vinden was in 's Raads besluit van 4 april 1962. Zij omvat alle waren die voor een belangrijk gedeelte uit landbouwprodukten bestaan, terwijl dat bestanddeel tevens een prijsbepalende factor is.
Tijdens de voorbereiding van verordening nr. 160/66 hadden verschillende Lid-Staten bezwaar gemaakt tegen de plaatsing van de compenserende heffing (geheel of gedeeltelijk) op de begroting van de Gemeenschap. Zij betoogden dat het hier om een heffing op industriële produkten zou gaan. Maar sedert het einde van de overgangsperiode vloeit deze heffing automatisch aan het EOGFL toe, hetgeen wijst op de „agrarische” aard van de betrokken produkten, en die uitbreiding van de agrarische sector is tijdens de „Kennedy-Round” geconsolideerd.
De regeling van verordening nr. 160/66 is „met werking vanaf 1 juli 1969” vervangen door 's Raad verordening nr. 1059/69 van 28 mei 1969.
Om deze zuiver gemeenschapsrechtelijke vraag te beantwoorden, zullen wij dus artikel 1, lid 3, van 's Raads verordening nr. 974/71 moeten uitleggen.
De Italiaanse regering betoogt dat men, om het hoofd te bieden aan de verstoringen van het handelsverkeer in andere produkten dan in bijlage II genoemde, zich had kunnen bedienen van artikel 14, lid 4, van 's Raads verordening nr. 1059/69: „op voorstel van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen passende voorzieningen treffen ten einde rekening te houden met de bijzondere situatie waarin bepaalde goederen zouden kunnen verkeren. De geldigheidsduur van deze voorzieningen kan echter niet langer zijn dan zes maanden”.
Van die mogelijkheid zou onder meer gebruik gemaakt zijn in 's Raads verordening nr. 2831/71 van 24 december 1971 — en wel voor een geval dat overeenkomst vertoont met de situatie waaraan men met behulp van verordening nr. 800/77 het hoofd heeft willen bieden —.
De Commissie betoogt dat, waar verordening nr. 974/71 de gevolgen van de in de landbouwsector geldende monetaire maatregelen wil neutraliseren, wanneer zij van invloed zijn op de basisprodukten die in de verschillende agrarische veredelingsprodukten worden verwerkt, het handelsverkeer in „landbouwprodukten”, dat de verordening tegen verstoring wil beschermen, ook verwerkte landbouwprodukten omvat. Een adequate uitlegging van artikel 1, lid 3, der verordening zou de onder een gemeenschappelijke landbouwmarktordening vallende produkten, alsook die vallende onder verordening nr. 1059/69, moeten omvatten.
Artikel 14, lid 4, van verordening nr. 1059/69 kan slechts worden toegepast, wanneer de Raad met eenparigheid van stemmen beslist, een voorwaarde die moeilijk kan worden verwezenlijkt. Daarom heeft de Raad in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71, in aanmerking genomen de bijzondere verantwoordelijkheid welke bij het beheer van het stelsel der compenserende bedragen op de Commissie rust en de aan dat beheer verbonden moeilijkheden, de Commissie ook willen machtigen tot interventies betreffende produkten „die krachtens artikel 235 aan een specifieke regeling zijn onderworpen.” Verordening nr. 974/71 noemt verordening nr. 1059/69 niet met zoveel woorden, doch de term „specifieke regeling” heeft met name op laatstgenoemde verordening betrekking; trouwens, in deel 8 van de bijlage bij de verordeningen der Commissie tot vaststelling van de compenserende bedragen, wordt met zoveel woorden gesproken van „waren vallende onder verordening nr. 1059/69”, terwijl verordening nr. 974/71 zelf artikel 235 van het Verdrag noemt, dat als „voldoende grondslag” zou zijn te beschouwen. Ten slotte gaat het in het door de Italiaanse regering ingeroepen artikel 14 van verordening nr. 1059/69 ook om andere gevallen dan fluctuaties der munteenheden.
Vaststellende dat de Raad, waarvan verordening nr. 974/71 is uitgegaan, zich van opmerkingen heeft onthouden, achten wij het standpunt van de Commissie juist. De term „landbouwprodukten” in de zin van artikel 1, lid 3, betreft niet slechts „produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten interventiemaatregelen zijn voorzien”, doch ook „afgeleide” produkten welke, zonder agrarische basisprodukten te zijn, nochtans onder de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten vallen (landbouwprodukten in eerste graad van verwerking), alsook produkten welke, zonder verwerkte landbouwprodukten in de zin van bijlage II te zijn, verwerkte produkten zijn die op grond van hun agrarische component als „landbouw”-produkten kunnen worden aangemerkt: het gaat hier, zoals in artikel 97 van afdeling 16 van hoofdstuk 2 „bepalingen betreffende bepaalde gemeenschappelijke marktordeningen”) van titel II („landbouw”) van de Toetredingsakte in herinnering wordt gebracht, om „landbouwprodukten die worden ingevoerd of uitgevoerd in de vorm van goederen welke niet onder bijlage II van het EEG-Verdrag vallen”. Er bestaat dus wel degelijk een gemeenschappelijke ordening der markten voor niet onder bijlage II vallende produkten, en die waren behoren tot de landbouwsector als bedoeld in verordening nr. 974/71 en de Toetredingsakte. De door verzoekster in het bodemgeding 95/78 (Dulciora) naar derde landen uitgevoerde produkten kwamen dus in aanmerking voor restituties, die op hun beurt — omdat het ging om een Lid-Staat met gedeprecieerde valuta — met de compenserende bedragen werden verlaagd.
Maar de Italiaanse regering en verzoeksters in het bodemgeschil betogen dat, al zouden de betrokken produkten in theorie onder de regeling inzake de compenserende bedragen kunnen worden gebracht, het besluit daartoe onvoldoende met redenen omkleed — in de zin van artikel 190 van het EEG-Verdrag — dan wel onjuist gemotiveerd was.
Zij betogen dat de doorwerking van de toepassing van compenserende bedragen in bepaalde agrarische basisprodukten de situatie niet wezenlijk wijzigde, voorzover de voordelen welke er mogelijkerwijze voor de verwerkte en niet aan de heffing onderworpen produkten uit voortvloeiden, ruimschoots door de hogere produktiekosten voor de andere componenten ongedaan werden gemaakt.
Weliswaar had de Commissie in haar verordening nr. 722/75 van 19 maart 1975 de afschaffing der compenserende bedragen voor sommige der onderhavige produkten (vallende onder de nrs. 18.06 B en C en 21.07 C I, II) gerechtvaardigd met het feit dat de prijzen van niet onder bijlage II vallende produkten als bedoeld in verordening nr. 1059/69 „grotendeels bepaald worden door hun verwerking en de kosten die dit met zich brengt, terwijl de waarde van basisprodukten uit de landbouwsector slechts in geringe mate de waarde van het eindprodukt beïnvloeden”, terwijl „deze produkten bovendien zeer dicht de industriële sector naderen, waarvoor geen stelsel van compenserende bedragen bestaat”,
Toch achten wij het niet mogelijk zonder meer — en a priori — uit te sluiten dat alle niet onder bijlage II vallende verwerkte produkten als bedoeld in verordening nr. 1059/69, aan het stelsel van monetaire compenserende bedragen ontkomen.
Dit ware in strijd met de tekst van artikel 1, lid 2, b, van verordening nr. 974/71. Alles hangt uiteindelijk af van de doorwerking van de waarde der basisprodukten in die van het eindprodukt; en de aan die doorwerking toe te schrijven verstoringen kunnen slechts zinvol worden gemeten op het niveau van de handel in de verwerkte produkten zelve, doch niet op het niveau van de als zodanig verhandelde basisprodukten. Met de overweging dat „voor verwerkte produkten waarvoor geen monetaire compenserende bedragen gelden, het prijsverschil bij de basisprodukten zo groot is geworden dat het, gelet op de bijzondere situatie op de markt voor sommige gevoelige produkten, noodzakelijkerwijze een grote invloed moet hebben op de mededingingsvoorwaarden voor de verwerkte produkten”, ofschoon enigszins abstract en beknopt, lijkt de Commissie ons niet te zijn getreden buiten het kader van haar vrijheid van beoordeling. Zij heeft, zonder met zichzelf in tegenspraak te geraken, legitiem kunnen oordelen dat de fluctuaties van de valuta's der Lid-Staten tussen de maand maart 1975 en de maand april, en vervolgens die van november 1977, tot een overeenkomstige wijziging van de compenserende bedragen voor de basisprodukten hadden geleid en dat die wijzigingen, in aanmerking genomen de proporties waarin bedoelde produkten bij de vervaardiging der betrokken verwerkte produkten worden gebruikt, noodzakelijkerwijze in de mededingingsvoorwaarden voor laatstgenoemde produkten moesten doorwerken.
De Commissie verklaart voorts dat zij als criterium voor de toepassing van verordening nr. 974/71 een drempel van 5 % — in plaats van de in artikel 4 der verordening voorziene 2,5 % — had aangenomen. Geen der verzoekers heeft haar daarvan een verwijt gemaakt, maar dan heeft zij het er voor mogen houden dat, wanneer de uitsluiting van sommige dier produkten van de regeling der compenserende bedragen in 1975, gezien die drempel, gerechtvaardigd was, voor hun wederopneming in die regeling in, zo niet reeds vòòr 1977 — vanaf het ogenblik dat die drempel werd overschreden — hetzelfde gold.
In de 13e en 14e overweging van uw arrest Roquette van 20 oktober 1977 (Jurispr. blz. 1842) hebt u overwogen dat „de mogelijkheden dat zich in de handel in landbouwprodukten verstoringen voordoen, zo talrijk en verscheiden zijn dat het voor de Commissie moeilijk, zo niet onmogelijk ware ze in een verordening op te sommen”, zodat „het de Commissie … vrijstaat om alleen op grond van een aanmerkelijke daling van de wisselkoers van een munteenheid vast te stellen dat zich gevaar van verstoring voordoet”.
Ook is waar dat in de gewraakte verordeningen gewag wordt gemaakt niet van gevaar van „verstoringen” van het handelsverkeer in verwerkte produkten, doch van een gevaar van „distorsies van de mededinging” — welke uitdrukking wordt overgenomen in de beschikking betreffende Ierland, waarin de regering zelf gewag maakte van een „distorsie van het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk als gevolg van monetaire overeenkomsten, in de landbouwsector bestaande”, ten bewijze dat de monetaire compenserende bedragen meer als een „belasting” of „subsidie” zijn te beschouwen dan als een element dat de monetaire fluctuaties neutraliseert — ten faveure van producenten en exporteurs in landen met een sterke munteenheid —.
Onzes inziens kunnen aan deze woordkeus evenwel geen consequenties worden verbonden; zoals de Commissie het uitlegt, impliceert een „distorsie van de mededinging” tussen producenten in verschillende Lid-Staten noodzakelijkerwijze verstoringen van het handelsverkeer. Zonder compenserende bedragen zou de produktie van de hierbedoelde „produkten voor menselijke consumptie” ook verder begunstigd zijn in landen waar de prijzen van de agrarische basisprodukten vanwege de toepassing der compenserende bedragen het laagst waren. Maar dan heeft de invoering van compenserende bedragen, ook al is zij ten goede gekomen aan de exportindustrie voor die produkten in de Bondsrepubliek Duitsland, niet plaatsgehad op aandrang hunnerzijds en lijkt ons het verwijt dat er, wat de verordeningen nr. 800/77 en 2657/77 betreft, misbruik van bevoegdheid zou hebben plaatsgehad, rechtens onvoldoende gestaafd.
Sommige verzoekers in de bodemgeschillen hebben, wat het materieel toepassingsaspect der verordeningen betreft, nog betoogd dat zij discriminerend moeten worden geacht omdat zij niet bepaalde „produkten voor menselijke consumptie”, vergelijkbaar met de onderhavige produkten, met name met ontbijtkoek (nr. 19.08 A) en witte chocolade (nr. 17.04 C), betreffen. Maar al is er sprake van waren in de zin van verordening nr. 1059/69, dan nog zouden het soortgelijke produkten moeten zijn als de „gevoelige” produkten in de zin van de gewraakte verordeningen, met die produkten concurrerende. Zelfs indien dat het geval was, zou dat nog niet tot ongeldigheid dier verordeningen leiden, doch hoogstens tot de verplichting ook die produkten te brengen onder de regeling in zake de compenserende bedragen, en wij zien nauwelijks in hoe verzoeksters in het hoofdgeding daarmee gebaat kunnen zijn.
In de 16e overweging van uw arrest Merkur van 24 oktober 1973 (Jurispr. blz. 1073) hebt U geoordeeld dat de Commissie niet gehouden is compenserende bedragen vast te stellen voor alle onderscheiden produkten bedoeld in verordening nr. 974/71: „dat de Commissie … op grond van artikel 1, lid 2, laatste zin (oude versie) van verordening nr. 974/71 verplicht was van het vaststellen van een compenserend bedrag af te zien in die gevallen waarin dit niet noodzakelijk voorkwam om verstoringen te voorkomen, zulks ongeacht de verhouding tussen het beloop van dit bedrag en de gemiddelde waarde van het betrokken produkt”.
Wij moeten thans nog een middel bespreken dat alleen door de verzoekers in de bodemgeschillen 151/77 en 157/68 is opgeworpen: de bij invoer geheven compenserende bedragen zouden zo laag zijn, dat er geen enkele „ontradende” werking van uitging. Dit betoog houdt onzes inziens geen steek. Het is uitgesloten dat u over het al of niet „ontradend” karakter van bedoeld percentage zoudt kunnen oordelen, al was het maar voor de traditionele handelsstromen waarbij de herkomst of het merk van de waar een bepaalde rol speelt. Als de ondernemers meenden om te hunner beoordeling staande redenen hun importen te moeten handhaven, dan zou dat hoogstens bewijzen dat de gewraakte verordeningen niet werkelijk bezwarend voor hen zijn.
Men dient voorts niet te vergeten dat naast de heffing van het compenserend bedrag bij invoer, ook de heffing van een compenserend bedrag bij uitvoer een rol kan spelen, hetgeen maakt dat de regeling een veel groter effect sorteert dan ogenschijnlijk het geval is. De berekening van het percentage van de compenserende bedragen volgt rechtstreeks uit artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71 en de exceptie „de minimis” is voorzien in artikel 4, lid 2.
2.
Daarmede zijn wij toegekomen aan een bespreking van het geografisch toepassingsgebied der gewraakte verordeningen.
Waar de Italiaanse regering en verzoekster in het bodemgeding niet in ernst betwisten dat de in het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk bestaande situatie zelfs na 31 december 1977 voortduurde, dat daaraan via artikel 135 van de Toetredingsakte niets meer te doen viel en dat de handhaving van de in verordening nr. 800/77 voorziene regeling althans in de betrekkingen tussen die beide landen gerechtvaardigd was, daar betogen zij met temeer klem dat die handhaving alleen het handelsverkeer tussen die Staten had mogen betreffen. Met andere woorden, zij achten de niet-„regionalisatie” van de bedragen in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Doch uitgaande van die premisse komt men noodzakelijkerwijze terecht bij verordening nr. 974/71, waarop in de beschikking van de Commissie van 23 maart 1977 reeds werd gezinspeeld, en volgens artikel 4, lid 1, van die verordening komt het tot de invoering van compenserende bedragen in alle Lid-Staten, zodra in een enkele Lid-Staat het in artikel 2, lid 1, bedoelde percentage de 2,5 % te boven gaat. Wij zagen dat de Commissie die drempel zelfs tot 5 % had opgetrokken.
Verzoekers in de bodemgeschillen 151/77 en 157/78 hebben tijdens de mondelinge behandeling gepoogd zicht ten exceptieve op onwettigheid van deze bepaling van 's Raads verordening te beroepen, maar wij kunnen niet men hen meegaan.
In uw arrest Roquette van 20 oktober 1977 hebt u uitgesproken dat:
„… artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71 niet aldus mag worden verstaan dat het de Commissie verplicht om van geval tot geval, of per produkt en naargelang van het land van export, te beslissen of gevaar van verstoring aanwezig is
(ov. nr. 21, Jurispr. blz. 1843);
dat reeds uit de bewoordingen dier bepaling blijkt dat de Commissie ten deze een globaal oordeel kan geven” (ov. nr. 22).
Deze overweging is letterlijk ontleend aan overweging nr. 9 van uw arrest van 22 januari 1976, gewezen in de zaak Balkan (Jurispr. blz. 30), in welks overweging nr. 10 voorts is gezegd:
„dat de Commissie voorts niet alleen rekening moet houden met de invloed van de waardevermindering of waardevermeerdering van de munteenheid van een Lid-Staat op de handel tussen derde landen en die Lid-Staat maar ook met de invloed daarvan op de handel tussen de verschillende Lid-Staten voor de betrokken groep produkten;
dat immers uit de door de Commissie overgelegde stukken blijkt dat bij afschaffing van de gewraakte compenserende bedragen het verkeer zich zou kunnen verleggen naar de Lid-Staat met de gedevalueerde munteenheid, hetgeen de handel zou kunnen ontwrichten”.
Het probleem ging dus het kader van het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk te buiten; zelfs al heeft verordening nr. 800/77, praktisch gesproken, de beschikking van 23 maart 1977 afgelost, zij gewaagt niet van het risico van mededingingsdistorsie tussen die beide Lid-Staten, doch bezigt algemeen luidende bewoordingen.
Gezien het uitstel van de dag van inwerkingtreding van verordening nr. 800/77 — waarvoor aanvankelijk 23 mei 1977 was voorzien — tot 4 juli 1977, heeft de Commissie het risico van verkeersverleggingen waartoe het bij beperking van de compenserende bedragen tot het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk zou zijn gekomen, zeer ernstig genomen. In verordening nr. 1123/77 van 27 mei 1977, zijn er voor het handelsverkeer in produkten waarvoor met ingang 4 juli 1977 compenserende bedragen moesten worden toegepast, overgangsmaatregelen voorzien, ten einde speculatieve transacties in die produkten te voorkomen. De overgangsmaatregelen hielden in, dat de compenserende bedragen slechts werden toegekend:
a)
voor de uit de Lid-Staten met gevaloriseerde munt uitgevoerde produkten indien het bewijs werd geleverd
—
hetzij dat deze produkten in de Lid-Staten van uitvoer waren vervaardigd,
—
hetzij dat de vóór de uitvoer vervulde douaneformaliteiten bij invoer in de Lid-Staat van uitvoer vóór 7 april 1977 of na 3 juli 1977 waren vervuld;
b)
voor de in de Lid-Staten met gedeprecieerde munt ingevoerde produkten indien het bewijs werd geleverd
—
hetzij dat deze produkten in een derde land of in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van invoer waren vervaardigd,
—
hetzij dat de vóór de invoer vervulde douaneformaliteiten bij uitvoer uit de Lid-Staat van invoer vóór 7 april 1977 of na 3 juli 1977 waren vervuld.
Deze bepalingen golden voor importen en exporten waarvoor de douaneformaliteiten vóór 29 augustus 1977 waren vervuld. Zij golden niet voor in het Verenigd Koninkrijk vervaardigde produkten die, na invoer in Ierland, opnieuw uit deze Lid-Staat in het Verenigd Koninkrijk werden ingevoerd, noch ook voor in Ierland vervaardigde produkten die, na invoer in het Verenigd Koninkrijk, opnieuw uit deze Lid-Staat in Ierland werden ingevoerd. Voor zulke produkten had Ierland met ingang van 1 april 1977 een stelsel van exportrestituties en invoerheffingen toegepast, dat met het effect van de compenserende bedragen overeenkwam.
Een andere bepaling van deze verordening nr. 1123/77 houdt in dat de voor toekenning der compenserende bedragen verantwoordelijke Lid-Staat de nodige controlemaatregelen moest nemen. De verordening is op 4 juli 1977 in werking getreden.
Wij zijn dus, wat de gestelde schending van het rechtsgelijkheidsbeginsel betreft, in overeenstemming met uw arrest Schouten van 14 december 1978 (overweging nr. 40) van oordeel dat bedoeld beginsel geenszins medebrengt dat het percentage van de compenserende bedragen dat economisch gerechtvaardigd blijkt, niet op andere Lid-Staten zou mogen worden toegepast.
3.
De toepassing van de regeling inzake de compenserende bedragen ratione temporis.
De Italiaanse regering en sommige verzoekers in het bodemgeschil 95/78 betogen dat de verlenging — via verordening nr. 2657/77 — tot na 31 december 1977 van de bij verordening nr. 800/77 ingevoerde regeling, geen regulier karakter zou dragen: zij zou niet met redenen omkleed zijn en in strijd met de verplichtingen welke de Commissie in verordening nr. 800/77 had aanvaard; in zoverre zou de verordening in strijd zijn met het gewettigd vertrouwen der ondernemers.
Ook al zou zij haar verklaring vinden in het feit dat verordening nr. 800/77 de tot Ierland gerichte beschikking heeft afgelost, dan nog was het opnemen van een uiterste datum in die verordening op zijn minst onverstandig of onhandig. Zulk een datum gaf temeer aanleiding tot misverstand, nu zij slechts voor sommige produkten gold, te weten die welke de inzet van de onderhavige gedingen vormen. Anderzijds had, indien „de situatie sedert de inwerkingtreding van de bedoelde verordening niet belangrijk is gewijzigd” — zoals het in verordening nr. 2657/77 heet — en indien het in de verordening voorziene stelsel derhalve noodzakelijkerwijze moest worden gehandhaafd, de logica medegebracht dat men zich ook aan 31 december 1977 had gehouden. De terminologie van verordening nr. 2657/77 komt ons dus niet bijzonder gelukkig voor.
Men zou kunnen denken dat de Commissie zich hiervan zelf rekenschap heeft gegeven, toen zij de inwerkingtreding van deze laatste verordening op 1 december 1977 stelde, hetgeen er toe leidt dat de ondernemers voor het aanpassen van mogelijkerwijze op lange termijn aangegane contracten slechts beschikten over de helft van de termijn, voorzien in verordening nr. 800/77, zoals bij verordening nr. 1051/77 gewijzigd.
Maar zelfs indien aan artikel 2, lid 2, van verordening nr. 800/77 de betekenis zou moeten worden gehecht welke er volgens de Italiaanse regering en verzoeksters in het bodemgeschil aan toekomt, dan nog zou zulks de Commissie niet de vrijheid ontnemen de situatie opnieuw te bezien. Zij heeft het, naar wij zagen, op 30 juni 1977 — met haar verordening nr. 1474/77 — gedaan, ten einde rekening te houden met de nieuwe, sedert 1 juli 1977 geldende suikerprijzen en de nieuwe representatieve percentages, die met ingang van dezelfde datum in verordening nr. 878/77 waren vastgesteld; zij heeft het, de termijn van 31 december 1977 in aanmerking genomen, wederom op 30 november 1977 gedaan, en ook meermalen nadien. Dat men zich voor de redengeving van verordening nr. 2657/77 heeft bediend van een verwijzing naar de in verordening nr. 800/77 omschreven monetaire situatie, mag dus niet met een afwezigheid van motivering worden gelijkgesteld.
Ten slotte is het zo, dat zelfs al mocht van schending van het gewettigd vertrouwen zijn gebleken, daaraan voor het onderzoek naar de rechtmatigheid of voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een verordening geen betekenis toekomt; hoogstens zou er, in individuele gevallen plaats zijn voor een schadevergoedingsaktie. Een selectieve beoordeling van de rechtsgeldigheid van een verordening, toegespitst op de bijzondere situaties van verzoekers in het hoofdgeding, ware inderdaad weinig bevredigend. Men dient in zoverre ook niet uit het oog te verliezen, dat de Italiaanse regering — en dus de ondernemers — op 24 oktober 1977 op de hoogte waren van de mogelijkheden tot verlenging van de geldigheidsduur van verordening nr. 800/77.
III —
Alvorens te concluderen, zij het ons toegestaan nog enkele algemene opmerkingen te maken over het stelsel van de monetaire compenserende bedragen. Vormt het een handicap voor sommige landen waar de munteenheid zelfstandig in neerwaartse richting fluctueert, vergeleken met landen met sterke munteenheden — en gezamenlijke „floating” —, het biedt zelfs aan sommige landen van deze eerste groep een bescherming ten opzichte van tot diezelfde groep behorende landen met een nog meer gedeprecieerde munteenheid. Het eigenlijke kwaad is gelegen in het gebruik van „groene koersen” die van de marktkoersen afwijken. Het middel tegen de „woekering” en het blijvend karakter van de compenserende bedragen moet in een aanpassing van de „groene valuta” worden gezocht: een devaluatie van die valuta leidt tot een stijging van de aan de landbouwers gegarandeerde prijzen en beperkt de compenserende bedragen, die werken als een subsidie bij export uit landen met een sterke munteenheid. Maar zulk een devaluatie, aangenomen al dat de betrokken Staat haar wenst, moet dan altijd nog door de andere Lid-Staten — te Brussel — worden geaccepteerd, en men kan zich voorstellen dat er door Staten met een sterke munteenheid hevig tegen zal worden geopponeerd.
Zoals de Commissie het zegt in haar mededeling aan de Raad van 10 februari 1978 betreffende „economische gevolgen van het agromonetaire systeem” (blz. 2, nr. 3): „de verhouding tussen de prijzen van produkten waarop de agromonetaire maatregelen van toepassing zijn enerzijds en de prijzen van de andere landbouwprodukten en voedingsmiddelen anderzijds verschilde echter van Lid-Staat tot Lid-Staat. Heel vaak is pas besloten tot aanpassing van de „groene” wisselkoersen nadat de economie de gevolgen van de monetaire gebeurtenissen reeds lang had verwerkt. Door deze vertraging ging het beoogde economische effect van de gemeenschappelijke landbouwprijzen grotendeels verloren. De „groene” wisselkoersen werden namelijk niet om economische redenen en in het belang van de Gemeenschap, de gemeenschappelijke landbouwmarkt of het gemeenschappelijk landbouwbeleid aangepast, maar met het oog op nationale politieke of economische belangen. Doordat een aantal Lid-Staten in hun verzet volhardden, heeft de Gemeenschap geen op redelijke economische gronden gebaseerde regeling voor de aanpassing kunnen invoeren. Daarom heeft zij genoegen moeten nemen met wijzigingen van de „groene” wisselkoersen, die te laat of tijdens het verkoopseizoen plaatsvonden”.
In afwachting van de „demobilisatie” van de compenserende bedragen, moet de Commissie de crisis in de hand houden. Stellig niet van harte gaat zij over tot de invoering — of wijziging — van zulke bedragen, die de administratieve formaliteiten verzwaren, het handelsverkeer afremmen, de EOGFL-begroting zwaar belasten en 'leiden tot discriminaties tussen de verbruikers.
Het is dan ook niet inconsequent wanneer enerzijds zulk een „demobilisatie” wordt gepredikt, terwijl men anderzijds de regeling blijft toepassen: tot een vermindering en intrekking van die bedragen zal het slechts kunnen komen wanneer de representatieve koersen in de buurt komen van de werkelijke waarden der communautaire valuta's.
De Commissie heeft bij de Raad voorstellen ingediend, opdat de regeling van de monetaire compenserende bedragen — gezien de industriële component van sommige produkten en de produktievoorwaarden in bepaalde sectoren — met behulp van juistere coëfficiënten wordt aangepast en verbeterd. Met die vaststelling kan evenwel niet worden volstaan om de hierbedoelde verordeningen om rechtsgeldig of nietig te verklaren.
Wij concluderen dat het uw Hof behage:
1.
het beroep nr. 11/78 te verwerpen — met veroordeling van de regering van de Italiaanse Republiek in de kosten —;
2.
te verklaren voor recht dat bij onderzoek naar de gestelde vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden welke aan de rechtsgeldigheid van verordeningen nr. 800/77 en nr. 2657/77 van de Commissie afbreuk kunnen doen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy