CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 20 MAART 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik thans conclusie neem, hangt nauw samen met 's Hofs arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837). Aanleiding tot de toenmalige prejudiciële procedure was artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 op de bescherming der benamingen van oorsprong voor brandewijn (Belgisch Staatsblad, 4 januari 1935), dat ook het voorwerp uitmaakt van de onderhavige procedure wegens niet-nakoming. Deze bepaling luidt als volgt:
„Het is verboden in te voeren, te verkopen, te koop te stellen, voor verkoop of levering in bezit te hebben of te vervoe ren, brandewijn die een benaming van oorsprong draagt welke door de Belgische regering behoorlijk aangenomen is, wanneer deze brandewijn niet vergezeld is van een officieel stuk waarbij het recht op deze benaming betuigd wordt”.
Naar aanleiding van de in het eerste geding door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel voorgelegde vraag, of als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag is te beschouwen een nationaal reglementair voorschrift waarin de invoer van een waar met benaming van oorsprong wordt verboden, wanneer daarbij niet gevoegd is een door de regering van het land van export afgegeven officieel stuk waaruit het recht op die benaming blijkt, heeft het Hof toen voor recht verklaard:
„Wanneer een Lid-Staat een certificaat van echtheid verlangt dat door importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken, is er sprake van een met het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking”.
De Commissie had reeds vóór de uitspraak van het arrest in de zaak-Dassonville tegenover de Belgische regering het standpunt ingenomen dat de betrokken bepaling de invoer van de bedoelde produkten uit Lid-Staten die geen producerende staten zijn, onmogelijk zou kunnen maken, en dat het door de Belgische autoriteiten rechtmatig nagestreefde doel, de bescherming van de benamingen van oorsprong van deze produkten overeenkomstig artikel 36 EEG-Verdrag te verzekeren, even effectief zou kunnen worden bereikt met andere middelen, die de invoer niet zouden belemmeren. In haar antwoord van november 1974 verklaarde de Belgische regering zich ook bereid om, rekening houdend met het ar-rest-Dassonville, haar wetgeving aan het gemeenschapsrecht aan te passen.
Na verscheidene vergeefse besprekingen maande de Commissie in oktober 1975 de Belgische autoriteiten een laatste maal aan, binnen 15 dagen een bevredigend antwoord te geven op verschillende door de Commissie voorgestelde oplossingen. De Belgische regering deelde echter pas bij brief van 5 maart 1976 mee, dat zij de gewraakte regeling op enkele punten zou wijzigen.
Daar de voorgestelde oplossing naar de mening van de Commissie geen einde maakte aan de verdragschending, maande zij bij brief van 14 oktober 1976 de Belgische regering aan om binnen een termijn van 15 dagen, later tot een maand verlengd, haar opmerkingen over de rechtssituatie te maken. Toen daarop geen reactie kwam, werd op 8 december 1976 een op 16 december betekend formeel advies in de zin van artikel 169 EEG-Verdrag uitgebracht, waarin een termijn van een maand werd vastgesteld voor het nemen van de nodige maatregelen.
Eveneens op 8 december 1976 deelde de Belgische regering, onder verwijzing naar de brief waarin zij tot het bepalen van haar houding was aangemaand, aan de Commissie mee dat, overeenkomstig het arrest in de zaak-Dassonville, bij een binnenkort in het Belgisch Staatsblad te publiceren ministerieel besluit een verdere versoepeling van het Belgische controlesysteem voor benamingen van oorsprong voor brandewijnen zou worden ingevoerd. Overigens zou in elk geval het voornemen hebben bestaan tot afschaffing van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1974 in het kader van een wetsontwerp op de controle op levensmiddelen en andere produkten, waarvan de behandeling in het parlement bijna zou zijn afgesloten.
Artikel 1 van het nieuwe ministerieel besluit, dat overigens eerst op 11 februari 1977 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, bepaalt:
„Wordt geacht op het ogenblik van de inklaring vergezeld te zijn van het officiële stuk voorgeschreven bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 aangaande brandewijn:
1.
brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt en rechtstreeks ingevoerd wordt uit het land van herkomst in voor de verkoop aan verbruiker bestemde recipiënten, mits:
a)
de sluiting van de recipiënt, na ontkurking, volstrekt onbruikbaar is en de naam of het gedeponeerd merk van de fabrikant erop is vermeld;
b)
de recipiënt een etiket draagt waarop in duidelijk leesbare letters volgende aanduidingen zijn aangebracht:
—
„gebotteld in het land van herkomst”;
—
de naam of het gedeponeerd merk en het adres van de fabrikant;
2.
brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt, niet onder toepassing valt van 1. hierboven en ingevoerd is uit een Lid-Staat van de EEG, mits hij vergezeld is van een van de volgende officiële stukken:
a)
het op het produkt betrekking hebbende document waaruit het recht op een oorsprongsbenaming blijkt en dat afgeleverd is door de autoriteiten van het land van oorsprong;
b)
de door de autoriteiten van het land van herkomst voor eensluidend verklaarde copie of fotocopie van het onder a) bedoelde document, op voorwaarde dat die autoriteiten op de copie of de fotocopie van het oorspronkelijk document de kwantiteit vermelden van de naar België uitgevoerde brandewijn, indien ze afwijkt van die welke op het oorspronkelijke document is vermeld;
c)
een op het produkt betrekking hebbend document waaruit het recht op een oorsprongsbenaming blijkt en dat afgeleverd is door de autoriteiten van het land van herkomst”.
Daar deze tekst naar het oordeel van de Commissie niet verder ging dan de in de brief van de Belgische regering van 5 maart 1976 gedane voorstellen, die reeds toen als ontoereikend waren beschouwd, stelde de Commissie op 28 december 1977 beroep in bij het Hof en verzocht dit
„te verklaren dat het Koninkrijk België, door de invoer van brandewijnen die een benaming van oorsprong dragen en zich in een andere Lid-Staat dan het land van oorsprong regelmatig in het vrije verkeer bevinden, afhankelijk te maken van voorwaarden waaraan moeilijker is te voldoen dan aan die welke artikel 1 van het ministerieel besluit van 2 december 1976 oplegt aan dezelfde produkten bij rechtstreekse invoer uit het land van oorsprong, zijn uit artikel 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen”.
In zijn verweerschrift wees het Koninkrijk België erop, dat het in de conclusies van het verzoekschrift bedoelde ministerieel besluit, bij ministerieel besluit van 27 februari 1978, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 april 1978, was afgeschaft en niet vervangen, zodat voortaan koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 opnieuw als enige regeling van toepassing zou zijn. Daar deze echter niet als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 e.v. EEG-Verdrag was te beschouwen, zou het beroep ongegrond moeten worden verklaard.
De Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben in het geding geïntervenieerd; zij ondersteunen beide de rechtsopvatting van de Belgische regering.
Daar de Commissie in haar repliek noch in haar opmerkingen over de memories van beide interveniënten de conclusies van haar verzoekschrift wijzigde, verzocht het Koninkrijk België in zijn dupliek het verzoek niet-ontvankelijk of in elk geval ongegrond te verklaren.
I — Wanneer ik thans aandacht wijd aan de juridische beoordeling van deze feiten, moet ik mij eerst bezighouden met de vraag van de ontvankelijkheid.
Verweerder stelt dat het beroep door de afschaffing van het ministerieel besluit van 2 december 1976 zijn belang heeft verloren en derhalve niet-ontvankelijk zou zijn geworden. Bovendien zou de Commissie geen belang hebben bij een verklaring voor recht, daar de Belgische regeling overeenstemt met die van de Lid-Staten die op hun grondgebied de benamingen van oorsprong beschermen.
Bij dit middel moet ten eerste worden opgemerkt dat het belang dat de Commissie heeft bij een verklaring voor recht wegens schending van het Verdrag, niet kan vervallen omdat andere Lid-Staten een met de gewraakte regeling overeenstemmende juridische toestand handhaven.
Bovendien verliest een beroep slechts dan zijn belang wanneer dit belang geheel is weggevallen. De Commissie echter heeft van maart 1974 tot het moment waarop zij haar formeel advies overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, uitbracht, steeds stelling genomen tegen artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934, met de bewering dat deze bepaling een maatregel zou vormen van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, daar zij de invoer van de betrokken produkten uit andere dan de producerende staten onmogelijk of althans moeilijker maakt door een certificaat te vereisen dat een zogenoemde nevenimporteur — in tegenstelling tot een importeur die rechtstreeks invoert uit het producerende land — slechts met veel moeite zou kunnen verkrijgen. Over deze door het Hof in de zaak-Dassonville bevestigde opvatting ging het ook uitdrukkelijk in de precontentieuze procedure ex artikel 169 EEG-Verdrag. Eerst na het uitbrengen van haar advies vernam de Commissie dat de Belgische regering kort tevoren naast het gewraakte koninklijk besluit nr. 57 een ministerieel besluit had vastgesteld, luidens hetwelk de betrokken produkten onder bepaalde voorwaarden zo moesten worden behandeld, alsof zij van het in het bedoelde besluit vereiste certificaat van echtheid waren vergezeld. Bij dit ministerieel besluit ging het niet om een zelfst ndige regeling, maar om een aanvullin, op koninklijk besluit nr. 57, ten eind. dit aan de door het Hof in de zaak-Dassonville gegeven uitlegging van de art telen 30 e.v. EEG-Verdrag aan te passé Dit blijkt ook uit verweerders brief van 8 december 1976, waarin hij aan verzoekster de vaststelling aankondigde, als het ware als overgangsregeling, van het ministerieel besluit, maar tevens de spoedige afschaffing van koninklijk besluit nr. 57 in het vooruitzicht stelde.
Volgens artikel 1, lid 1, van het ministerieel besluit was voor gebottelde brandewijn die rechtstreeks uit het land van herkomst werd ingevoerd, geen certificaat van echtheid meer vereist, mits de flessen van een bepaalde sluiting en een bepaald etiket waren voorzien. Daarentegen waren volgens lid 2 voor brandewijnen die een oorsprongsbenaming droegen en werden ingevoerd uit een Lid-Staat die niet het producerende land is, nog steeds bepaalde officiële stukken nodig. Deze bepaling concretiseerde dus de van de aanvang af gewraakte basisregeling in dier voege, dat nu bij de invoer van die produkten uitdrukkelijk en niet enkel in feite moest worden voldaan aan voorwaarden die verschillend waren naargelang het ging om rechtstreekse invoer dan wel om neveninvoer via andere Lid-Staten. De Commissie handelde dus slechts consequent, toen zij in haar verzoekschrift de uit het ministerieel besluit voortvloeiende bemoeilijking van de neveninvoer beschouwde als een inbreuk op de verplichtingen ex artikel 30 e.v.
Nu evenwel dit ministerieel besluit na het instellen van het beroep is afgeschaft, kunnen de conclusies van het verzoekschrift bij een zinvolle interpretatie nog slechts tegen de basisregeling van het koninklijk besluit zijn gericht. Verzoekster brengt dit trouwens duidelijk tot uiting door in haar repliek erop te wijzen, dat van het begin af niet het ministerieel besluit als zodanig met het Verdrag in strijd was, maar wel het eraan ten grondslag liggende en erdoor verduidelijkte koninklijk besluit. Bij de beantwoording van desbetreffende vragen heeft verzoeksters vertegenwoordiger bovendien aan het einde van de mondelinge behandeling de conclusies van het verzoekschrift verbeterd in de zin van de voorgaande uiteenzetting. Deze verbetering was ook geoorloofd, daar de strekking van het verzoekschrift er niet door werd gewijzigd.
Het beroep is derhalve ontvankelijk.
II —
Bij het onderzoek naar de gegrondheid van het beroep wil ik vooreerst nagaan of de betrokken bepaling een maatregel vormt van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking en, zo ja, de vraag onderzoeken of die eventueel gerechtvaardigd zou kunnen zijn uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag.
1.
Zoals ik al vermeldde, heeft het Hof reeds in het arrest-Dassonville criteria ontwikkeld die de verwijzende Belgische rechter in staat moesten stellen te beslissen of artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934, waarvan de tekst nog steeds dezelfde is, al dan niet verenigbaar was met de artikelen 30 e.v. EEG-Verdrag. De rechtstoestand is ook op dit punt niet gewijzigd, dat nog steeds een eenvormige communautaire regeling ontbreekt om de verbruikers de echtheid der benamingen van oorsprong van produkten te waarborgen, zodat de bescherming van deze benamingen in de afzonderlijke Lid-Staten nog steeds verschillend is geregeld.
Derhalve ben ik van mening dat het probleem waarmee ik mij thans moet bezighouden, in beginsel niet verschilt van de probleemstelling die het Hof had te behandelen in de prejudiciële procedure-Dassonville. De in die zaak voorgelegde vraag betrof, zoals advocaat-generaal Trabucchi in zijn conclusie terecht opmerkte, niet de verenigbaarheid met het Verdrag van de door een afzonderlijke staat vastgestelde bepalingen tot bescherming van benamingen van oorsprong, doch slechts de toelaatbaarheid van de Belgische regeling luidens welke de overeenstemming van een waar met de wettelijk omschreven merken, ook in het geval dat de waar zich in een andere Lid-Staat reeds in het vrije verkeer bevindt, slechts kan worden bewezen door de overlegging van een door de autoriteiten van het producerende land afgegeven certificaat van oorsprong. Ook in het onderhavige geding moet slechts over deze vraag worden beslist.
Zoals u weet, heeft het Hof in de zaak-Dassonville niet het vereiste van een certificaat van oorsprong als zodanig in geding gebracht, doch slechts in twijfel getrokken dat iedereen gelijke kansen heeft om een dergelijk stuk te verkrijgen. Het Hof verklaarde immers dat er sprake is van een met het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, „wanneer een Lid-Staat een certificaat van echtheid verlangt dat door de importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken”. Volgens de in dit arrest door het Hof gegeven definitie, die in volgende zaken steeds opnieuw wordt gebruikt, is een maatregel van gelijke werking „iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren” (zie bij voorbeeld de arresten van 30 oktober 1974, zaak 190/73, Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1123; 23 januari 1975, zaak 31/74, Galli, Jurispr. 1975, blz. 47; 8 juli 1975, zaak 4/75, Rewe, ibid., blz. 843; 26 februari 1976, zaak 65/75, Tasca, Jurispr. 1976, blz. 291; 26 februari 1976, gevoegde zaken 88-90/75, SADAM, ibid., blz. 323; 20 mei 1976, zaak 104/75, De Peijper, ibid., blz. 613). Blijkbaar zag het Hof in de regeling van artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 een aldus omschreven maatregel.
Bijgevolg behoeven wij in het onderhavige geding enkel te onderzoeken of de toen gewraakte ernstige, praktisch enkel door de rechtstreekse importeurs te overkomen moeilijkheden ondertussen zijn opgeruimd of aanzienlijk verlicht.
Op een reeks punten die destijds door de bij de zaak-Dassonville betrokken partijen werden aangevoerd en in het onder havige geding worden herhaald, behoef ik niet meer in te gaan, daar deze argumenten reeds door het Hof zijn beoordeeld.
Daarentegen moet worden onderzocht of de door de Belgische regering sinds 1974 genomen liberalisatiemaatregelen het de nevenimporteur gemakkelijker maken om het certificaat van echtheid te verkrijgen. Zoals wij hebben gehoord, wordt de invoer inmiddels niet meer afhankelijk gesteld van de overlegging van een door het land van oorsprong afgegeven document, waarin de naam en andere gegevens over de persoon van de Belgische importeur moeten zijn vermeld. Verder worden ook de door de Britse autoriteiten afgegeven documenten erkend waaruit blijkt dat de levering voor een ander land dan België is bestemd. Ten slotte wordt nog aangevoerd dat partijen brandewijn met een benaming van oorsprong aan de grenzen niet meer worden teruggestuurd wanneer zij niet van de desbetreffende documenten vergezeld gaan, doch dat de importeurs in die gevallen de mogelijkheid hebben het document alsnog binnen een bepaalde termijn over te leggen.
Het valt niet te ontkennen dat deze maatregelen, vooral de eerste twee, tot een zekere liberalisatie van de internationale handel kunnen leiden. Mijns inziens hebben zij echter het gebrek dat zij enkel zijn opgenomen in aan de Belgische douane gerichte circulaires. Deze circulaires vormen slechts een aan de bevoegde autoriteiten gerichte aanwijzing, hoe de administratieve praktijk met betrekking tot de uitvoering van artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 moet worden gehandhaafd. Zij hebben geen enkele normatieve betekenis. Vergeleken met een wetswijziging, lijkt mij de waarborg die hiermee aan een op deze bepalingen aangewezen nevenimporteur wordt geboden, bepaald onvoldoende, aangezien dergelijke administratieve aanwijzingen te allen tijde zonder formele procedure kunnen worden gewijzigd of afgeschaft.
Ten slotte blijft het een feit dat een importeur die de waar niet rechtstreeks uit het land van oorsprong invoert en geen certificaat van oorsprong kan overleggen, krachtens artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 de betrokken produkten niet kan verkopen zolang hij niet in staat is een certificaat van oorsprong over te leggen. Zoals ook de Commissie terecht opmerkt, maakt het geen verschil of de waar aan de grens wordt tegengehouden dan wel tot aan de overlegging van het document onverkoopbaar in de magazijnen van een handelaar ligt.
In de eerste plaats kan van de tussenhandelaar in een andere Lid-Staat, die slechts een deel van de betrokken waar opnieuw uitvoert, om begrijpelijke redenen niet worden geëist dat hij het origineel van het certificaat van oorsprong uit handen geeft. In tegenstelling tot het afgeschafte ministerieel besluit van 2 december 1976 bepaalt artikel 17 juncto artikel 6 van de circulaire aan de Belgische douane wederom uitdrukkelijk dat de douane slechts originele certificaten mag aanvaarden en fotocopieën moet weigeren. Ook worden, anders dan in de afgeschafte regeling, door niet-producerende staten afgegeven certificaten van echtheid niet meer erkend. De voornaamste moeilijkheid voor de nevenimporteur ligt dus nog steeds in het verkrijgen van het certificaat van oorsprong.
In dit verband deelde de regering van het Verenigd Koninkrijk ons mee dat ook aan die kant voor meer faciliteiten is gezorgd. Zo zou een tussenhandelaar in een Lid-Staat, die een deel van de uitgevoerde waar opnieuw zou willen uitvoeren naar een derde land van de Gemeenschap, op vertoon van bewijsstukken, van de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk een terugwerkend certificaat kunnen verkrijgen. Bovendien zou ook de nevenimporteur zelf rechtstreeks van de Britse autoriteiten op vertrouwensbasis een certificaat van oorsprong kunnen krijgen indien zijn commerciële situatie dat zou vereisen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de Britse regering hierbij weliswaar opgemerkt, dat daartoe de serienummers van de flessen en voldoende nadere bijzonderheden moeten worden opgegeven, ten einde de Britse douane in staat te stellen de transactie te verifiëren. Een desbetreffend document wordt dan — naar de vertegenwoordiger van de Belgische regering ons verzekerde — ook door de Belgische douane aanvaard.
Men moet de Franse regering dus groot gelijk geven wanneer zij beklemtoont dat er ook bij onrechtstreekse importen geen absolute hindernis voor het verkrijgen van een certificaat van oorsprong bestaat. Volgens 's Hofs vaste rechtspraak is er niet enkel sprake van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen wanneer de invoer onmogelijk wordt gemaakt, maar ook wanneer hij door de maatregelen van de Staat lastiger of duurder wordt. Ook al hebben de Britse autoriteiten dus het verkrijgen van een certificaat van echtheid door een nevenimporteur vergemakkelijkt, toch is de beschreven praktijk niet met de thans gebruikelijke snelle afwikkeling van transacties overeen te brengen. De voorzienbare, lastige en vaak lang aanslepende formaliteiten kunnen vooral kleinere importeurs van invoer van de betrokken produkten uit niet-producerende staten afschrikken. Daar het nog steeds van de Britse autoriteiten afhangt hoe snel zij een dergelijk certificaat afgeven, blijft het, vooral voor de Belgische handelaar die een waar heeft ingevoerd zonder een certificaat van oorsprong te kunnen overleggen, riskant of hij het certificaat binnen de door de Belgische autoriteiten vastgestelde termijn alsnog kan tonen. Deze moeilijkheden zouden er de oorzaak van kunnen zijn dat, zoals wij hebben gehoord van de vertegenwoordiger van de Britse regering, van de bedoelde mogelijkheid niet veel gebruik wordt gemaakt en dat, zoals de Commissie heeft aangetoond, nevenimporten bij cognac geen, en bij whisky geen noemenswaardige rol spelen.
Samenvattend kan men dus concluderen dat de nevenimporteur nog altijd moeilijker een certificaat van oorsprong kan verkrijgen dan de importeur die hetzelfde produkt rechtstreeks uit het land van oorsprong invoert. Artikel 1 van Koninklijk Besluit nr. 57 vormt hier dus een met het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking. Daarom bestaat er voor het Hof geen aanleiding om van zijn vaststelling in het arrest-Dassonville af te wijken.
2.
Weliswaar mogen de Lid-Staten krachtens artikel 36 EEG-Verdrag ter bescherming van de daarin opgesomde rechtsgoederen uitzonderingen maken op het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking. Het volstaat echter niet zich op een daarin genoemd rechtsgoed te beroepen: men dient aan te tonen dat de getroffen regeling „gerechtvaardigd” is, dat wil zeggen noodzakelijk voor de bescher ming van het zogenaamd bedreigde rechtsgoed. Volgens artikel 36, tweede volzin, EEG-Verdrag, is een beperking echter niet gerechtvaardigd wanneer zij een middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormt.
Met betrekking tot de bescherming van benamingen van oorsprong heeft het Hof in de zaak-Dassonville het volgende verklaard:
„Zolang een communautaire regeling ontbreekt waarin de consument waarborgen voor de echtheid van de benaming van oorsprong van een produkt worden geboden, mag een staat ter voorkoming van op dit gebied bedreven oneerlijke mededinging slechts redelijke maatregelen nemen, terwijl de handel tussen Lid-Staten niet door bewijsvoorschriften mag worden belemmerd — in dier voege dat de voorgeschreven bewijsmiddelen door alle onderdanen dier staten moeten kunnen worden verkregen —.
Die maatregelen mogen, om het even of zij onder artikel 36 vallen, in ieder geval krachtens het beginsel in de tweede volzin van dit artikel omschreven, geen middel tot willekeurige discriminatie noch ook een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen”.
Een handelsregeling vormt echter dan een willekeurige discriminatie en een verkapte beperking van de handel wanneer — in de formulering van richtlijn nr. 70/50 van 22 december 1969 (PB L 13 van 1970, blz. 29) — „de beperkende invloed op het vrije goederenverkeer in geen verhouding staat tot het nagestreefde doel”, of „wanneer hetzelfde doel door een ander middel kan worden bereikt dat het handelsverkeer minder belemmert”.
Het is dus de vraag of het nagestreefde doel, de oorsprong van een produkt te bewijzen, even goed kan worden bereikt door andere formaliteiten, waaraan niet enkel de rechtstreekse, doch ook de nevenimporteurs kunnen voldoen. Het door artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 gestelde vereiste van overlegging van een certificaat van oorsprong vormt slechts dan geen willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel, wanneer voor de bescherming van de benamingen van oorsprong geen ander doeltreffend middel bestaat, dat een minder diepgaande invloed heeft op de fundamentele vrijheid van het goederenverkeer.
Benamingen van oorsprong — ik meen dat alle bij het geding betrokken partijen het daarover eens zijn — duiden steeds een produkt aan dat uit een bepaald geografisch gebied afkomstig is en door de inwerking van bepaalde factoren bijzondere feitelijke eigenschappen en karakteristieken vertoont, die geëigend zijn het te individualiseren. Hun reden van bestaan en de rechtvaardiging van een daaruit wellicht voortvloeiende bemoeilijking van de handel volgt uit het doel, de producent tegen namaak te beschermen en de consumenten een kwaliteitsgarantie te bieden (zie ook het arrest van 20 februari 1975, zaak 12/74, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1975, blz. 181).
Zoals wij in de loop van het geding hebben gezien, bestaat er geen volmaakt mid del om dit doel voor honderd procent te bereiken. Toch — en ook daarover schijnen de partijen bij het geding het eens te zijn — is het systeem van de bij de waren gevoegde certificaten van oorsprong voor de producent een uitermate bruikbaar middel om de ouderdom en een bijzondere bereidingstechniek te waarborgen. Ongetwijfeld kan de nevenimporteur uit de aard der zaak slechts met meer moeite dan de rechtstreekse importeur een dergelijk document verkrijgen. Een dergelijke bemoeilijking van de handel is in elk geval niet gerechtvaardigd, wanneer het bedoelde certificaat ook dan wordt verlangd van iemand die het zich niet zonder meer kan verschaffen, wanneer over het conform zijn en de echtheid van een waar geen redelijke twijfel kan bestaan.
Naar de mening van de Commissie is een dergelijke twijfel uitgesloten wanneer de waar is gebotteld in het land van oorsprong en de flessen zijn voorzien van een sluiting die door het openen onbruikbaar wordt. Volgens de Belgische, Franse en Britse regering volstaat dit systeem echter niet om oneerlijke praktijken te beletten en fraudes die de gezondheid van de consument kunnen schaden, uit te sluiten. Vooral de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk wijst erop dat sluitingen gemakkelijker kunnen worden nagemaakt dan certificaten van echtheid. De Belgische vertegenwoordiger voegt daaraan toe dat vervalsing van documenten in België met zwaardere straf wordt bedreigd dan de loutere nabootsing van sluitingen. Ten slotte wijzen de vertegenwoordigers van alle drie de regeringen op het probleem dat juist whisky bij voorbeeld niet alleen in flessen, maar ook in vaten wordt uitgevoerd. Wanneer de whisky in een andere Lid-Staat uit vaten wordt gebotteld, zou het door de Commissie voorgestelde systeem van sluitingen geen voldoende waarborg bieden, aangezien de controle niet in alle landen even streng is. Anders dan voor sterke dranken, bestaat er in de wijnsector een uniforme marktordening, waardoor gelijksoortige controles in alle Lid-Staten zijn verzekerd. Slechts om die reden kan bij de invoer van wijn in flessen van de overlegging van een certificaat van oorsprong worden afgezien. Overigens, zo meent de Belgische regering, heeft ook de Commissie geen vertrouwen in het door haar voorgestelde systeem van sluitingen, getuige de omstandigheid dat zij voor sterke dranken die uit derde landen worden ingevoerd, eveneens overeenkomstige documenten verlangt.
Zo ik bij de bespreking van dit middel met het laatste argument mag beginnen, moet worden opgemerkt dat het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen slechts geldt in de intracommunautaire handel en niet in de handel met derde landen. Daar de regel van het vrije goederenverkeer in het laatste geval niet van toepassing is, staat het de Commissie ook vrij elk middel voor te schrijven dat bedrog inzake de kwaliteit van het produkt kan verhinderen. In de intracommunautaire handel hebben wij, zoals gezegd, het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van goederen, met het gevolg dat slechts de minst radicale middelen om het gevaar te bezweren, geoorloofd zijn.
Bij het argument betreffende de vervalsingsmogelijkheden en de uiteenlopende strafsancties lijkt het mij — zonder op feitelijke overwegingen zoals de omvang van de geboden garantie tegen namaak te willen ingaan — gepast bijzonder de nadruk te leggen op enkele punten waaruit blijkt dat ook het Koninkrijk België en de beide interveniënten zich een oplossing, ongeveer van het soort dat door de Commissie wordt aanbevolen, kunnen voorstellen. Zo achtte België het in artikel 1, lid 1, van het ondertussen weer afgeschafte ministerieel besluit voldoende dat de rechtstreeks uit het land van oorsprong ingevoerde, voor de verkoop aan de consumenten bestemde recipiënten zouden zijn voorzien van een sluiting die door het openen onbruikbaar wordt gemaakt, en van een etiket met de naam en het adres van de fabrikant en de verklaring dat het produkt in het land van herkomst is gebotteld. Als dit bij rechtstreekse invoer als voldoende werd beschouwd, is niet duidelijk waarom het bij neveninvoer niet dezelfde waarborg-functie zou kunnen vervullen. Daar de Belgische regering verklaart dat het aanbrengen van de sluiting in een andere dan de producerende Lid-Staat haar onvoldoende lijkt, erkent zij tevens dat deze waarborg kan volstaan in het geval van botteling op de plaats van oorsprong. Het bezwaar van de onvoldoende beveiliging tegen namaak en de verschillende strafsancties verliest veel van zijn belang doordat de Belgische regering toegeeft dat zij met het beschreven systeem van sluitingen akkoord zou gaan, zo het bottelen in alle Lid-Staten op dezelfde wijze werd gecontroleerd. Ten slotte heeft de vertegenwoordiger van de Franse regering ons bevestigd dat in Frankrijk voor bepaalde dranken zoals cider, bier en wijn het systeem van de certificaten van oorsprong door een overeenkomstig systeem van sluitingen van de recipiënten is vervangen en dat dit systeem enkel voor sterke dranken nog niet is ingevoerd, overigens vooral om redenen van fiscale controle.
Deze enkele voorbeelden tonen mijns inziens aan, dat ook voor het Koninkrijk België een systeem denkbaar zou zijn dat het handelsverkeer minder beïnvloedt, doordat een importeur die de waar niet rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekt, in staat wordt gesteld de echtheid daarvan te bewijzen met behulp van het beschreven middel, dat voor een dergelijk bewijs voldoende geëigend lijkt.
Wel moet de Belgische regering en de in-terveniënten worden toegegeven dat de zaak anders ligt wanneer de sterke dranken in vaten worden uitgevoerd en in een Lid-Staat die niet het producerende land is, worden gebotteld voor wederuitvoer. Zolang er geen eenvormige controles bestaan, moet men vooral de Britse regering gelijk geven wanneer zij beklemtoont dat het systeem van sluitingen hier niet waarborgt dat de inhoud van de flessen met die van de vaten overeenstemt en dat bij het bottelen de minimumvereisten op het stuk van de hygiëne in acht zijn genomen. Om dit te waarborgen zie ook ik slechts één mogelijkheid, namelijk de sterke dranken vergezeld te doen gaan van een officieel document waaruit het recht op de benaming van oorsprong blijkt. Aan de in artikel 36 genoemde rechtsgoederen zou evenwel voldoende bescherming worden geboden wanneer, zoals bepaald in artikel 1, lid 2, van het ministerieel besluit van 2 december 1976, behalve het originele certificaat van oorsprong, ook fotocopieën worden aanvaard, of een door de autoriteiten van het land van herkomst afgegeven certificaat dat het produkt de benaming van oorsprong rechtmatig draagt. Zoals wij hebben gehoord, wordt toch slechts een klein gedeelte van de sterke dranken in vaten uitgevoerd, bij whisky bij voorbeeld gaat het om ongeveer 25 %.
Uiteindelijk kan dus worden vastgesteld dat de regeling van artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934, in zijn huidige versie en zoals het in administratieve voorschriften wordt uitgelegd, evenmin gerechtvaardigd is met het oog op de bescherming van de in artikel 36 genoemde rechtsgoederen. Op de vraag of eigenlijk wel een van de in artikel 36 opgesomde rechtsgoederen bedreigd is, zo ja welk, behoeft dan volgens 's Hofs vaste rechtspraak niet meer te worden ingegaan.
Daar echter vooral verweerster en de regering van het Verenigd Koninkrijk in hun betoog, behalve van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, uitgaan van de bescherming van de volksgezondheid, wil ik hierover nog een laatste opmerking maken. Wij hebben gehoord dat niets de invoer en de distributie van whisky zonder certificaat van oorsprong in de weg staat wanneer voor dit produkt eenvoudig de benaming „whisky” wordt gekozen. Anderzijds suggereert de benaming „Scotch whisky” een bepaalde kwaliteit, waardoor het produkt een grotere handelswaarde kan krijgen. Wanneer België nu van mening zou zijn dat bij whisky zonder benaming van oorsprong een gevaar voor de volksgezondheid bestaat, zou het de invoer van een dergelijk produkt kunnen bemoeilijken of zelfs verbieden met een beroep op artikel 36. Waar het dit niet heeft gedaan, kan het niet met een beroep op de volksgezondheid de invoer van een kwalitatief beter produkt bemoeilijken.
III —
Concluderende geef ik het Hof in overweging, vast te stellen dat het Koninkrijk België zijn uit artikel 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, doordat het de invoer van brandewijn die een benaming van oorsprong draagt en zich in een andere Lid-Staat dan het land van oorsprong regelmatig in het vrije verkeer bevindt, bij artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 afhankelijk stelt van voorwaarden waaraan moeilijker is te voldoen dan aan die waaraan bij rechtstreekse invoer van hetzelfde produkt uit het land van oorsprong moet worden voldaan.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy