CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 16 NOVEMBER 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De zaken waarin ik thans heb te concluderen zijn aanhangig gemaakt door drie kandidaten voor eenzelfde vergelijkend onderzoek, die niet zijn toegelaten tot het examen. Het ging om vergelijkend onderzoek COM/A/154, dat op 7 september 1977 werd aangekondigd voor de vorming van een reserve van administrateurs in de loopbaan A7/A6 bij de Commissie (PB C 213 van 1977). De aard van de te verrichten functies zou volgens de aankondiging verband houden met de activiteiten van de Gemeenschappen op een aantal gebieden (algemene administratie, administratieve aspecten van het wetenschappelijk onderzoek, buitenlandse betrekkingen, voorlichting, financiële en begrotingszaken, sociale zaken); op het sollicitatieformulier werd elke kandidaat verzocht een van deze werkgebieden te kiezen. Anderzijds werd in de bijzondere voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek overlegging vereist van een bewijs van een volledige universitaire opleiding op het gekozen gebied en overlegging van een bewijs tenminste één jaar postuniversitaire beroepservaring te bezitten, eveneens op het gekozen gebied. De jury moest de lijst opstellen van de sollicitanten die voldeden aan de genoemde voorwaarde en dezen oproepen voor het schriftelijk examen.
Onder de deelnemers aan het betrokken vergelijkend onderzoek bevonden zich de heren Salerno, Authié en Massangioli; de eerste had het gebied der financiële en begrotingszaken gekozen, de beide anderen dat der buitenlandse betrekkingen. Salerno was in het bezit van het doctoraaldiploma economie en handelswetenschappen van de universiteit van Rome. Authié en Massangioli waren afgestudeerd in de economische wetenschappen, met specialisatie econometrie, aan de universiteit van Orleans, respectievelijk in de politieke wetenschappen aan de universiteit van Rome. Bij alle drie de kandidaten bestond de postuniversitaire beroepservaring in het behalen van de certificats des Hautes Etudes européennes aan het Europacollege te Brugge (Salerno en Authié met specialisatie economie, Massangioli met specialisatie administratieve wetenschappen). De laatste had ook een opleiding gevolgd voor de diplomatieke dienst.
De jury besloot Salerno, Massangioli en Authié niet tot het examen toe te laten: zij achtte de postuniversitaire beroepservaring van de eerste twee onvoldoende met betrekking tot het gekozen werkgebied en vond dat de getuigschriften of diploma's van de derde niet voldeden aan de gestelde eisen. Elk van de drie niet toegelaten kandidaten verzocht de jury zijn dossier opnieuw te onderzoeken, doch aan elk van hen werd het reeds genomen besluit bevestigd. Vervolgens dienden zij een administratieve klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut voor de Ambtenaren in, enkele dagen later gevolgd door een beroep tot nietigverklaring van dat besluit. Salerno en Authié verzochten tevens in kort geding om opschorting van de procedure van vergelijkend onderzoek. Hun verzoeken werden echter afgewezen bij beschikkingen van 13 januari en 10 maart 1978 van de president van de Tweede Kamer.
Uit het antwoord van de Commissie op een aantal vragen van het Hof en de verklaring van de heer Desbois, voorzitter van de jury, die ter terechtzitting van 12 oktober 1978 als getuige werd gehoord, zijn voor de instructie nuttige gegevens naar voren gekomen.
2.
In de zaak 28/78, Massangioli, heeft de Commissie twijfels geuit ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep, aangezien dit nauwelijks twee dagen na een krachtens artikel 90 van het Ambtenarenstatuut bij het tot aanstelling bevoegde gezag ingediende klacht is ingesteld; er is derhalve geen besluit tot afwijzing van de klacht genomen dat volgens artikel 91, lid 2, van het Statuut een van de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een beroep bij het Hof vormt. Men dient echter rekening te houden met wat Massangioli in het op 3 maart ingediende beroepschrift stelde, namelijk dat hij de administratieve klacht enkel had ingediend voor het geval het Hof zou oordelen dat een beroep tegen het besluit van een jury moet worden voorafgegaan door een klacht overeenkomstig de artikelen 90, lid 2 en 91, lid 2, van het Statuut.
Daarom dient te worden herinnerd aan's Hofs vaste rechtspraak, volgens welke artikel 91, lid 2 „slechts ziet op handelingen welke het tot aanstelling bevoegde gezag eventueel kan herzien, met uitsluiting derhalve van de besluiten ener jury van een vergelijkend onderzoek”. Dit beginsel werd onlangs herhaald in het arrest van 16 maart 1978 in de zaak 7/77, von Wüllerstorff und Urbair (Jurispr. 1978, blz. 769 e.v.). Dit arrest sluit aan op eerdere analoge uitspraken in de zaken 44/71 en 37/72, Marcato van 14 juni 1972, respectievelijk 15 maart 1973, Jurispr. 1972, blz. 433, en 1973, blz. 369), en neemt gelukkig de twijfels weg die waren veroorzaakt door de nieuwe formulering van artikel 91 van het Statuut in het kader van de herziening van 1 juli 1972. Hieraan zij toegevoegd dat het in de beide genoemde zaken Marcato, evenals in de tweede zaak Costacurta, (arrest van 4 december 1975 in de zaak 31/75, Jurispr. 1975, blz. 1563 e.v.) ging om de berekening van de termijn van drie maanden waarbinnen beroep moet worden ingesteld, aangezien deze termijn ingevolge de praktijk van de voorafgaande administratieve klacht natuurlijk niet begint te lopen op de datum waarop het besluit van de jury wordt meegedeeld, doch op de datum waarop het tot aanstelling bevoegde gezag het besluit tot afwijzing heeft genomen (of op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt). In het onderhavige geval doet zich dit probleem echter niet voor: alle betrokkenen hebben immers beroep ingesteld binnen de termijn van drie maanden na ontvangst van de brief van de Commissie (Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer) waarin stond dat zij niet waren toegelaten tot het schriftelijk examen. Er bestaat derhalve geen enkele twijfel omtrent de ontvankelijkheid van het beroep van Massangioli; dit geldt eveneens voor de beroepen van Salerno en Authié, die ook enkele dagen na een administratieve klacht werden ingesteld.
3.
De door betrokkenen aangevoerde argumenten ter bestrijding van het besluit tot afwijzing voor het schriftelijk examen kunnen mijns inziens als volgt worden samengevat: in de eerste plaats wordt betoogd dat tijdens het vergelijkend onderzoek een aantal onregelmatigheden hebben plaats gehad met betrekking tot de deelneming van de bijzitters aan de werkzaamheden van de jury, de inachtneming van het collegialiteitsbeginsel en de wijze waarop de positie van een aantal niet toegelaten kandidaten opnieuw werd onderzocht. In de tweede plaats kleeft het bestreden besluit volgens betrokkenen een vormgebrek aan omdat het niet met redenen is omkleed. In de derde plaats achten zij de inhoud van het besluit discriminerend ten opzichte van het besluit om andere kandidaten met dezelfde kwalificaties wel toe te laten. Massangioli stelt nog dat hij wel was toegelaten tot een vorig vergelijkend onderzoek van gelijke aard. Het is echter niet duidelijk op grond van welke regels dit een verder gebrek van het bestreden besluit zou moeten vormen, en het punt blijft hoe dan ook van secundair belang, aangezien het niet is herhaald of uitgewerkt in de memories van verzoeker.
Opgemerkt zij dat bij het onderzoek van de aangevoerde middelen geen rekening dient te worden gehouden met de kwalificaties welke verzoekers daaraan hebben verleend onder verwijzing naar een aantal gebreken van het administratieve besluit (onder andere bevoegdheidsoverschrijding, verkeerde interpretatie van de feiten, verkeerde toepassing van het recht) zonder dat dit objectief steeds gerechtvaardigd was en soms wellicht „ad abundantiam”. Ik acht het echter wel noodzakelijk mijn standpunt uiteen te zetten in de algemene vraag die is opgeworpen in de zesde overweging van het rechtsgedeelte van de beschikking waarbij de President van deze Kamer het verzoek van Salerno om een uitspraak in kort geding heeft afgewezen, namelijk „of de aan het Hof opgedragen wettigheidscontrole zich uitstrekt tot het oordeel van de jury over de waarde van een bewijs van postuniversitaire studies tot staving, volgens de woorden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/154, van een beroepservaring op de respectieve door de sollicitanten gekozen gebieden.” In dit verband kan mijns inziens worden opgemerkt dat bovengenoemd oordeel ongetwijfeld van technische aard is en onder de discretionaire bevoegdheid van de jury valt, waarin het Hof niet kan ingrijpen. Indien het Hof evenwel om een uitspraak wordt gevraagd over het al dan niet bestaan van een gebrek dat de inhoud van het bestreden besluit aantast (zoals schending van het non-discriminatiebeginsel of bevoegdheidsoverschrijding), kan het wel noodzakelijk zijn dat het Hof ook het technisch oordeel van de jury onderzoekt, doch alleen ten einde na te gaan of het door verzoeker gestelde gebrek aanwezig is of niet. Dat was trouwens de opvatting van het Hof in genoemde zaak von Wüllerstorff und Urbair.
4.
De grieven ten aanzien van de deelneming van de bijzitters aan de werkzaamheden van de jury betreffen in de eerste plaats de inschakeling van deze personen tijdens het onderzoek van de sollicitaties voor toelating tot het examen en in de tweede plaats de taken van de bijzitters, aan wie de jury in wezen een werkelijke beslissingsbevoegdheid heeft verleend.
Artikel 3, tweede alinea, van bijlage III van het Statuut luidt: „Voor bepaalde examens kan de jury zich doen bijstaan door één of meer bijzitters, die een raadgevende stem hebben”. Op grond van de uitdrukking „voor bepaalde examens”(épreuves in de Franse tekst) is volgens verzoekers het optreden van bijzitters onwettig wanneer moet worden onderzocht of een kandidaat kan worden toegelaten. Doch het Hof heeft in zijn recent arrest van 26 oktober 1978 in de zaak 122/77, Agneessens en anderen tegen Commissie overwogen dat genoemde bepaling niet aldus moet worden verstaan dat zij een limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin de jury zich door bijzitters kan doen bijstaan, en dat een dergelijke procedure niet dient te worden uitgesloten wanneer de jury wegens het grote aantal sollicitanten anders niet in staat zou zijn haar werkzaamheden binnen redelijke termijn te voltooien. Mijns inziens dient zulks ook in het onderhavige geval te gelden, omdat het hier juist ging om een vergelijkend onderzoek waarvoor zich een zeer groot aantal kandidaten (4272 volgens de Commissie) had aangemeld en omdat men bij de beoordeling van de kwalificaties voor toelating hoofdzakelijk om taalkundige redenen een beroep deed op bijzitters (aldus de verklaring van de heer Desbois, voorzitter van de jury; het is overigens treffend dat men een Franstalig bijzitter overbodig vond, omdat Frans de moedertaal is van de voorzitter). Ik meen derhalve dat de door de jury gevolgde procedure op dit punt geen schending van vorengenoemde bepaling oplevert.
Wat het tweede aspect betreft ligt het probleem moeilijker. In genoemd arrest Agneessens werd ten aanzien van de betrekkingen tussen jury en bijzitters beklemtoond dat „de jury echter wel de controle op de gang van zaken dient te behouden en zich de beoordelingsbevoegdheid in laatste instantie moet voorbehouden”. In dat geval had de jury toezicht uitgeoefend op de vaststelling van de criteria, op grond waarvan de volgens de aankondiging in aanmerking te nemen elementen moesten worden beoordeeld, en had zij bovendien de werkzaamheden van de bijzitters in alle stadia gevolgd, terwijl zij zelf de eindbeslissingen nam aan de hand van de voorstellen van de bijzitters.
In de onderhavige zaken ligt de situatie anders. In het rapport betreffende de werkzaamheden van de jury van 8 januari 1978 wordt gezegd: „de jury heeft de bijzitters aangewezen, wier namen staan vermeld in bijlage II, ten einde de lijst op te stellen met kandidaten die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden”; daarmee lijken aan de bijzitters overmatige bevoegdheden te zijn toegekend. Doch even verder wordt het volgende verklaard: „krachtens artikel 5, lid 1 van bijlage III van het Statuut heeft de jury de lijst opgesteld met kandidaten die voldoen aan de voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek en wier namen worden genoemd in bijlage III”. Bovendien beklemtoonde de Commissie in de zaak 4/78 in dupliek dat bijlage II bij genoemd rapport als volgt is getiteld: „Lijst van bijzitters die zijn benoemd ten einde de jury te staan in de toelatingswerkzaamheden”.
Van groot belang is in dit verband de verklaring van getuige Desbois. Deze wees er in de eerste plaats op dat de jury reeds in haar eerste vergadering „op basis van de sollicitatieformulieren de getuigschriften der kandidaten met betrekking tot de vereiste kwalificaties had onderzocht”; voorts verklaarde hij dat de juryleden „enige dagen achter elkaar bijeen waren gekomen om samen de soorten kandidaten (sic!) te beoordelen met betrekking tot de vereiste kwalificatie” en zo „alle solicitatieformulieren hadden bekeken”; ten slotte voegde hij eraan toe dat „de jury ter voorbereiding van dit werk … een aantal ambtenaren van de Commissie had verzocht om zonder in de besluitvorming van de jury te treden, vooraf onder meer de kwalificaties, getuigschriften en beroepservaring te onderzoeken”. Uit het vervolg van de verklaring — en met name uit de antwoorden op de vragen van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal — bleek evenwel dat: a) de bijzitters „voorstellen” deden betreffende de beoordeling van de universitaire diploma's en van het verband tussen dit diploma en het door de kandidaat gekozen gebied; b) de jury in dit verband geen nauwkeurige richtlijnen noch gedetailleerde criteria had vastgesteld; de bijzitters hadden enige „adviezen” en „tamelijk ruime instructies” gekregen; c) wanneer de bijzitters twijfelden, het formulier terzijde werd gelegd om de jury hierover te laten beslissen; dit onderzoek van formulieren die problemen opleverden vergde „enige ogenblikken per dag”.
Deze werkwijze werpt een aantal vragen op. Het lijkt duidelijk dat de „voorstellen” van de bijzitters — die niet waren gebaseerd op technische criteria van algemene aard welke de jury niet noodzakelijk had geacht — in de meeste gevallen en bloc en zonder controle door de jury werden aanvaard. De heer Desbois betwijfelde of de jury volgens het statuut bevoegd was gedetailleerde normen vast te stellen en wees op het „gezonde verstand”. De Commissie harerzijds merkte in haar antwoord op de eerste vraag van het Hof op dat in geen enkele statuutsbepaling van de jury wordt geëist dat deze algemene normen vaststelt om te beoordelen of een universitair diploma of postuniversitaire beroepservaring in overeenstemming is met het door de kandidaat gekozen gebied. Doch Uw Hof heeft zich reeds enkele jaren geleden in heel andere zin uitgelaten toen het in het arrest van 14 december 1965 in de zaak 21/65, Morina tegen Europees Parlement (Jurispr. 1965, blz. 1333) onder andere overwoog dat „het vooraf bepalen van beoordelingsnormen ertoe strekt zekerheid te verschaffen dat het onderzoek van de bewijsstukken objectief en vrij van willekeur zal geschieden”.
Hoe dan ook, het probleem of algemene normen al dan niet noodzakelijk zijn, doet zich hier voor in een situatie, waarin het er om ging samenhang en uniformiteit te garanderen bij de aan een aantal individueel werkende bijzitters toevertrouwde beoordeling van bewijsstukken. Bovendien schiepen de vereisten van een universitair diploma of beroepservaring van ten minste één jaar op het door de kandidaat gekozen gebied in het onderhavige geval vele lastige problemen van algemene aard: bij voorbeeld, welke universitaire diploma's zeker „pasten” bij een werkgebied; welke betekenis moest worden toegekend aan de term „beroepservaring”; of de minimumduur van één jaar mocht worden teruggebracht tot een academisch jaar van voortgezette studie; of een algemene beroepservaring die enige aspecten van het gekozen gebied omvatte, voldoende was, dan wel specifieke ervaring nodig was; welke beroepservaring het best was afgestemd op de in de aankondiging genoemde gebieden (men had zo niet een uitputtende, dan toch een indicatieve lijst als uitgangspunt kunnen nemen). De jury blijkt de bijzitters over geen van deze algemene problemen aanwijzigingen te hebben gegeven. Het feit dat de controle achteraf beperkt bleef tot de omstreden gevallen — en ik beklemtoon dat dit alleen gevallen waren, waarin alle bijzitters twijfelden — bevestigt de feitelijke beslissingsautonomie der bijzitters. Het komt mij derhalve voor, dat de betrekkingen tussen de jury en de bijzitters in het onderhavige geval niet zijn geregeld overeenkomstig de in het arrest Agneessens genoemde beginselen welke te meer dienen te worden geëerbiedigd, waar er een tendens bestaat op grotere schaal van bijzitters gebruik te maken.
5.
Verzoekers Authié en Salerno hebben in hun memories herhaaldelijk een ander gebrek in de procedure, namelijk het ontbreken van collegialiteit, aangevoerd. Zij betogen met name dat de voorzitter van de jury talrijke besluiten alleen heeft genomen, zowel in de eerste fase van het onderzoek van de getuigschriften, alsook bij het tweede onderzoek van een aantal formulieren van kandidaten die hadden gereageerd op de mededeling dat ze niet waren toegelaten.
In de eerste plaats zij opgemerkt dat het feit dat de meeste besluiten betreffende de toelating van de kandidaten op eigen gezag door de bijzitters of (wat betreft de Franstalige kandidaten) door de voorzitter zijn genomen, in wezen een ernstige inbreuk op het collegialiteitsbeginsel vormt. Men dient echter te bedenken dat het, voor zover uit het juryrapport blijkt, formeel gezien de jury was die de kandidatenlijst heeft opgesteld, door in laatste instantie de beoordelingen van haar afzonderlijke leden of bijzitters te bekrachtigen. Bovendien is het thans onmogelijk vast te stellen bij welke kandidaten de beoordeling betreffende de toelaatbaarheid gevolgd is op „voorstellen” van een bijzitter of van een lid van de jury welke en bloc zijn bekrachtigd door de andere leden, en over welke kandidaten daarentegen een discussie heeft plaats gehad binnen de jury, gevolgd door een aparte beraadslaging.
Wat de rol van de heer Desbois betreft, dekt genoemde tekst van het rapport eveneens elk besluit dar hij persoonlijk kan hebben genomen bij het onderzoek van de getuigschriften. Weliswaar werden de kaarten waarop van elke kandidaat werd geregistreerd of hij al dan niet aan de in de aankondiging gestelde eisen voldeed, door de voorzitter alleen ondertekend, doch het betrof hier een interne en voorlopige vaststelling. De heer Desbois verklaarde als getuige dat de betrokken kaarten „in sommige gevallen werden opgesteld door de bijzitters en hetzij door alle juryleden, hetzij, op hun verzoek, onder andere door mijzelf, die voorzitter was.” Dit schijnt echter slechts te bevestigen dat de jury zich wat de Franstalige kandidaten betreft op de heer Desbois verliet, terwijl zij de bijzitters opdroeg de toelaatbaarheid van de anderen te beoordelen. Rest ten slotte de vraag of de besluiten ten aanzien van de informele klachten welke de niet toegelaten kandidaten bij de jury hebben ingediend, van individuele of collegiale aard waren; doch deze vraag dient te worden behandeld in het kader van de afzonderlijke procedure van heronderzoek van de sollicitatieformulieren, die verzoekers op meerdere punten hebben bestreden.
6.
Bezien wij thans de gegevens waarmee deze fase van de werkzaamheden van de jury kan worden gereconstrueerd. In het rapport van 8 januari 1978 wordt slechts gesteld: „vijf kandidaten zijn toegelaten na een tweede onderzoek van hun sollicitatie” (vervolgens worden de namen genoemd). De jury bevestigde echter haar aanvankelijk besluit tot niettoelating van met name („notamment”) Maas Jean en Snappe Martine". Op de door het Hof gestelde vragen antwoordde de Commissie (punt 5): „de jury in het vergelijkend onderzoek COM/A/154 heeft tijdens haar vergadering van 8 januari 1978alle solicitatieformulieren onderzocht die op enigerlei wijze protesten hadden uitgelokt van teleurgestelde kandidaten of van personen die in hun naam optraden. Vijf van deze „klachten” werden door de jury gehonoreerd en zijn uitdrukkelijk in haar rapport genoemd; hierbij ging het om besluiten tot inschrijving op de lijst van toegelaten kandidaten, waardoor voorafgaande afwijzende besluiten werden gewijzigd. De twee gevallen waarin de klacht is afgewezen werden enkel bij wijze van voorbeeld in het rapport van 8 januari 1978 betreffende de werkzaamheden van de jury genoemd”.
Ook in het dupliek van de Commissie in de zaak 28/78 worden de omstandigheden kort uiteengezet. Hierin staat onder andere dat de jury in het vergelijkend onderzoek „naar aanleiding van brieven, telefoongesprekken en andere bemoeiingen is overgegaan tot een tweede onderzoek van de sollicitatieformulieren en aan de hand hiervan nog eens vijf kandidaten heeft toegelaten, doch alle andere afwijzingsbesluiten heeft gehandhaafd. Het noemen van de kandidaten Maas en Snappe kan geenszins als discriminerend worden beschouwd, te meer omdat deze twee gevallen bij wijze van voorbeeld zijn genoemd: zie hiervoor het woord notamment (met name)”.
Komen wij ten slotte tot de verklaring van de heer Desbois. Deze herinnerde eraan dat de jury op 8 januari bijeenkwam om de formulieren te onderzoeken van de kandidaten „die het jurybesluit formeel (sic!) hadden betwist”; aldus werd het voorafgaande besluit in positieve zin gewijzigd en werden vijf kandidaten toegelaten „mede op grond van documenten die niet binnen de gestelde termijn waren ingezonden”, terwijl het niet mogelijk was alle verzoeken tot herbeoordeling van de formulieren te honoreren.
Uit al deze feiten blijkt dus dat de jury na haar besluit om een groot aantal kandidaten niet tot het examen toe te laten (vergeten wij niet dat de aan verzoekers gezonden brieven waarin hun werd meegedeeld dat ze niet waren toegelaten op 5 december waren gedateerd), protesten en klachten ontving van min of meer gezaghebbende zijde: zij besloot toen ter vergadering van 8 januari de formulieren van de kandidaten die haar besluit hadden bestreden opnieuw te onderzoeken, trok haar weigering bij vijf personen in en verzuimde aan te geven hoeveel „klachten” waren afgewezen, doch noemde in haar bewuste rapport slechts twee voorbeelden van afwijzingen.
Dit alles doet zeer ernstige bezwaren rijzen. Natuurlijk stonden de bij de Commissie ingediende protesten niet gelijk met een formele klacht; maar juist daarom kan men zich afvragen of het gerechtvaardigd was alleen de formulieren van degenen die hadden geprotesteerd aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Toen de jury in het vergelijkend onderzoek begon te twijfelen of zij wel juist had geoordeeld, had zij volgens mij op grond van het beginsel van gelijke behandeling moeten overgaan tot een nieuw onderzoek van de formulieren van alle afgewezen kandidaten. Wat nu verzoekers, of althans Salerno en Authié betreft, dezen behoren tot degenen die een klacht hebben ingediend en wier formulier waarschijnlijk niet eens opnieuw door de jury werd onderzocht! Verzoekers vroegen immers alle drie om een dergelijk heronderzoek (Salerno en Authié bij brief van 19 december, Massangioli bij brief van 20 december), doch reeds op 21 december zond de heer Desbois Salerno en Authié een negatief antwoord, waarbij de voorafgaande weigering tot toelating werd bevestigd (tussen 15 december en 8 januari waren er echter geen juryvergaderingen). In dit opzicht werd derhalve ongetwijfeld het collegialiteitsbeginsel geschonden. Ten slotte kan uit de tekst van het rapport van 8 januari geenszins worden afgeleid op welke gronden vijf kandidaten „alsnog” werden toegelaten, en de verklaring van getuige Desbois in dit verband is op zijn minst vaag. Dit betekent dat een zo belangrijk besluit — praktisch het resultaat van een aanvullende beoordeling — werd genomen zonder enige motivering en dat vijf kandidaten op onverklaarbare wijze werden bevoordeeld: ik meen dan ook dat een dergelijke, objectief gezien ongegronde bevoordeling bevoegdheidsoverschrijding oplevert. In de laatste fase van het vergelijkend onderzoek welke heeft geleid tot het eindbesluit om een aantal afgewezen kandidaten alsnog toe te laten, zijn derhalve talrijke grove onregelmatigheden begaan. Hiertegen kan volgens mij niet worden ingebracht dat verzoekers, daar zij alleen de hen betreffende afwijzingsbesluiten hebben bestreden welke vóór de genoemde eindfase waren genomen, niet gerechtvaardigd zijn zich op deze onregelmatigheden te beroepen. De gebreken van de betrokken afwijzingsbesluiten en die van de gehele procedure betreffende het onderzoek van de toelatingsvoorwaarden houden immers nauw met elkaar verband, en daarom moet worden aangenomen dat de actie van betrokkenen zich uitstrekt over alle in het rapport van 8 januari vermelde aspecten van genoemde procedure.
7.
Zoals ik in het begin heb aangegeven, wordt voorts betoogd dat de bestreden besluiten niet met redenen zijn omkleed. Hiertoe beroepen verzoekers zich op artikel 25, tweede alinea, van het Statuut (volgens hetwelk elk besluit dat ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen met redenen dient te zijn omkleed) en op 's Hofs rechtspraak. Mijns inziens is artikel 25 niet van toepassing ingeval een kandidaat niet wordt toegelaten tot een examen; doch ongetwijfeld zijn in de drie reeds genoemde arresten van 14 juni 1972 en 15 maart 1973 in de zaken Marcato, en van 4 december 1975 in de tweede zaak Costacurta, aanwijzingen te vinden die uitkomst kunnen bieden voor het onderhavige probleem.
In deze arresten wordt een interessant standpunt ingenomen ten aanzien van de vormen die in acht dienen te worden genomen wanneer de jury de sollicitaties onderzoekt om vast te stellen welke kandidaten kunnen worden toegelaten tot een vergelijkend onderzoek. Het Hof onderscheidt deze eerste fase van elk vergelijkend onderzoek van de daaropvolgende fase, welke bestaat uit het onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaten voor de vacature, en overweegt dat, terwijl de tweede fase „over het algemeen vergelijkend van aard is en uit dien hoofde wordt gedekt door het geheim der werkzaamheden van een jury in een vergelijkend onderzoek”, de eerste fase bestaat in een toetsing aan de hand van objectieve gegevens die aan elke sollicitant, voor zover hem betreft, bekend zijn, van individuele schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek verlangde hoedanigheden. Daarom wordt in al deze arresten geconcludeerd dat de resultaten van deze toetsing „voldoende moeten worden gemotiveerd”. In de beide zaken Marcato overwoog het Hof dat dit in casu niet was geschied, daar het rapport van de jury slechts aangaf welke hoedanigheden verzoeker niet bezat.
Hoe ligt de situatie in het onderhavige geval? De bestreden besluiten zijn de betrokkenen ter kennis gebracht per voorgedrukte brief, waarin eerst wordt meegedeeld dat men niet is toegelaten en vervolgens vier redenen worden genoemd; daarnaast staan hokjes gedrukt, zodat de geadresseerde aan het aangekruiste hokje kan zien welke reden op hem betrekking heeft. In de aan Authié gezonden brief was de tweede reden aangekruist („Uw diploma's waren niet in overeenstemming met de gestelde eisen”). In de aan Salerno en Massangioli gezonden brieven was de derde reden van toepassing („Uw beroepservaring werd onvoldoende geacht met betrekking tot het gebied van dit onderzoek”).
In het rapport van 8 januari is vastgelegd dat de kandidaten die niet voldoen aan de gestelde toelatingsvoorwaarden worden vermeld in drie bijlagen, die elk één voorwaarde betreffen. Zo is bijlage IV getiteld: „overschrijding van de leeftijdsgrens”; Bijlage V luidt: „geen volledige met een diploma afgesloten universitaire opleiding op het gekozen gebied” en bijlage VII: „geen postuniversitaire beroepservaring van ten minste één jaar op het gekozen gebied”. Deze lijsten geven letterlijk de tekst weer van de interne documenten betreffende elke kandidaat welke als werkinstrument hebben gediend tijdens de selectie (het gaat hier om de reeds genoemde persoonskaarten „fiches”). Elke kaart bevatte immers de rubrieken „leeftijdsgrens”, „vereiste getuigschriften of diploma's” en „beroepservaring”, en naast deze rubrieken kon(den) de selecteur(s) ja of neen invullen. In haar antwoord op één van de door het Hof gestelde vragen verwees de Commissie naar deze in elk sollicitatiedossier opgenomen persoonskaarten die onderaan het besluit bevatten of iemand al dan niet werd ingeschreven op de lijst van toegelaten kandidaten; zij voegde hieraan toe: „Voor zover de Commissie bekend bestaan er geen andere bescheiden waarin het besluit om circa 2755 van de 4272 kandidaten niet toe te laten van geval tot geval met redenen werd omkleed”.
Mijns inziens moet worden erkend dat de bestreden besluiten onvoldoende met redenen zijn omkleed. Daarmee bedoel ik niet dat voor elke kandidaat een gedetailleerde analyse van zijn hoedanigheid zou kunnen worden geëist of een uitgebreide toelichting waarom de respectieve hoedanigheden niet toereikend werden geacht. De Commissie heeft ten processe nadrukkelijk gewezen op de moeilijkheden in verband met het zeer grote aantal kandidaten en tot op zekere hoogte lijkt het mij juist daarmee rekening te houden. Ik moge echter opmerken dat de negatieve gevolgen van deze abnormale toeloop niet behoeven te worden gedragen door de kandidaten en dat de instantie die een vergelijkend onderzoek organiseert de plicht heeft zich zodanig voor te bereiden dat zij haar taak met volledige inachtneming van de regels kan vervullen, ook al zijn er duizenden deelnemers.
In casu hadden op zijn minst de aan de kandidaten meegedeelde redenen duidelijk moeten zijn, om hen nauwkeurig in te lichten waarom ze waren uitgesloten en om de wettigheidscontrole te vergemakkelijken. De uitdrukking „Uw diploma's waren niet in overeenstemming met de gestelde eisen” is echter op zijn minst dubbelzinnig: zij kan immers betekenen dat de gevolgde universitaire opleiding niet als „volledig” wordt beschouwd of dat het universitaire diploma wordt geacht geen verband te houden met het gekozen gebied dan wel een postuniversitair diploma aldus wordt beoordeeld. Hetzelfde moet worden opgemerkt ten aanzien van de uitdrukking „het ontbreken van een postuniversitaire beroepservaring van ten minste één jaar op het gekozen gebied”: het „ontbreken” daarvan kan te wijten zijn aan een door de jury gehanteerde enge opvatting van het begrip „beroepservaring”, ofwel aan de duur van die ervaring, of aan het verband met het gekozen gebied. Kortom: noch uit het rapport, noch uit de toegezonden brieven kan worden afgeleid om welke specifieke reden de kandidaat niet is toegelaten; en zelfs binnen de jury moest een beroep worden gedaan op aanvullende verklaringen betreffende de kaart van elke kandidaat om de juiste grond voor de afwijzing te kennen.
8.
Ten slotte dient te worden onderzocht of er discriminatie heeft plaats gehad. Alle verzoekers hebben ook deze vernietigingsgrond aangevoerd, daartoe stellende dat andere kandidaten die eveneens in het bezit waren van het „certificat” van het Europa-College te Brugge, wel zijn toegelaten tot het vergelijkend onderzoek. Deze grief gaat echter niet op voor Authié die van het vergelijkend onderzoek is uitgesloten omdat men vond dat zijn universitair diploma geen verband hield met het gekozen gebied. Afgezien daarvan wierp de Commissie te-gen dat de door de kandidaat gemaakte keuze diende te worden getoetst aan de op het certificaat van het Europa-College aangegeven specialisatie. Salerno had te Brugge als hoofdvak economie gestudeerd en had vervolgens het gebied „financiële en begrotingszaken” gekozen; Massangioli had zich aan het Europa-College vooral toegelegd op administratieve wetenschappen en had voor het vergelijkend onderzoek het gebied der buitenlandse betrekkingen gekozen. Salerno heeft weliswaar de namen genoemd van andere personen die in Brugge als hoofdvak economie hadden gestudeerd en die wel zijn toegelaten tot het examen, doch de Commissie heeft hiertegen ingebracht dat dezen het gebied der buitenlandse betrekkingen hadden gekozen. Daarom is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de beweerde discriminatie kunnen aantonen, al lijkt het nogal verrassend, dat voor het gebied „buitenlandse betrekkingen” kandidaten zijn toegelaten met een bepaalde economische specialisatie terwijl Massangioli, die in de administratieve wetenschappen was gespecialiseerd en een opleiding voor de diplomatieke dienst had gevolgd, daarentegen van ditzelfde werkgebied is uitgesloten.
9.
Op grond van vorengenoemde overwegingen ben ik van oordeel dat de beroepen moeten worden toegewezen: tijdens de procedure van vergelijkend onderzoek hebben volgens mij ernstige onregelmatigheden plaats gehad ten aanzien van alle drie genoemde aspecten (het ontbreken van coördinatie in het werk van de bijzitters, het ontbreken van collegialiteit, willekeurig heronderzoek van een aantal dossiers) en bovendien zijn de bestreden besluiten volgens mij onvoldoende met redenen omkleed. Derhalve dient te worden bezien of het gehele vergelijkend onderzoek nietig moet worden verklaard, of dat kan worden volstaan met nietigverklaring van de ten aanzien van verzoekers genomen afwijzingsbesluiten. Dit dilemma deed zich reeds voor in genoemde zaak Costacurta en het Hof overwoog dat, waar met het vergelijkend onderzoek werd beoogd een aanwervingsreserve van administrateurs te vormen, de uitsluiting van verzoeker niet van invloed was op de toelating tot het examen van personen die volgens de jury wel voldeden aan de noodzakelijke voorwaarden. Het Hof voegde hieraan dan ook toe dat „verzoekers rechten naar behoren zullen zijn beschermd, indien de jury in het vergelijkend onderzoek zich over de geschiktheid van verzoeker om op de lijst van kandidaten te worden geplaatst opnieuw beraadt en hem bij positieve beoordeling toelaat tot het vergelijkend onderzoek, zulks onverlet de door de jury reeds gemaakte selectie” (overigens zij opgemerkt dat ook in de zaak Costacurta de examens reeds enige tijd voordien hadden plaatsgehad. Volgens de redenering van het Hof diende dus een nieuw examen ad hoc plaats te vinden). In de zaak Costacurta werd derhalve beslist dat enkel het besluit om verzoeker niet tot het examen toe te laten moest worden vernietigd. Ik geloof dat in het onderhavige geval in dezelfde zin kan worden beslist, aangezien met het omstreden vergelijkend onderzoek wederom wordt beoogd een aanwervingsreserve van administrateurs te vormen.
10.
Ik concludeer derhalve tot toewijzing van de door Salerno, Authié en Massangioli ingestelde beroepen en tot vernietiging van de besluiten om hen af te wijzen voor het vergelijkend onderzoek COM/A/154 met verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy