CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 15 JUNI 1978 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of voor de vaststelling van de monetaire compenserende bedragen in de intracommunautaire handel een forfaitair criterium van toepassing is dat de Raad heeft vastgesteld voor de berekening van de heffing op landbouwprodukten uit derde landen. Mogen de nationale douaneautoriteiten dit criterium per analogiam toepassen, hoewel dit kan leiden tot bedragen die hoger zijn dan noodzakelijk voor de compensatie van de invloed van de monetaire schommelingen op de prijzen van de basisprodukten waaruit de waar in werkelijkheid bestaat?
De aan deze vraag ten grondslag liggende feiten zijn al heel eenvoudig. De Duitse firma Milchfutter importeerde tussen januari en maart 1975 verschillende partijen melksubstitutievoeder voor het mesten van kalveren uit Nederland in de Bondsrepubliek Duitsland. Bij de inklaring in Duitsland gaf de firma dit produkt aan onder post 23.07 B I a van het gemeenschappelijk douanetarief, en wel onder nr. 3 van die post (produkten met een gehalte aan zuivelprodukten van 50 gewichtspercenten of meer, doch minder dan 75 gewichtspercenten). In deze post hadden de Nederlandse douaneautoriteiten het produkt namelijk ook ingedeeld voor de berekening van de monetaire compenserende bedragen bij de uitvoer. De Duitse douaneautoriteiten achtten echter artikel 11 van verordening nr. 823/68 van de Raad van 28 juni 1968, houdende vaststelling van de produktengroepen en de bijzondere voorschriften betreffende de berekening van de heffingen in de sector melk en zuivelprodukten, van toepassing. Dit artikel zegt dat „het gehalte aan melk en zuivelprodukten van de produkten die behoren tot de onderverdeling ex 23.07 B wordt bepaald door het gehalte per 100 kilogram van het betreffende produkt aan lactose te vermenigvuldigen met een coëfficiënt 2”. Aangezien het betrokken veevoer volgens bovengenoemd criterium meer dan 75 gewichtspercenten zuivelprodukten bevatte, deelde de bevoegde Duitse autoriteit het in onder post 23.07 B I a 4 (in plaats van a 3) van het gemeenschappelijk douanetarief en legde dienovereenkomstig aanmerkelijk hogere monetaire compenserende bedragen op (DM 169,90 in plaats van DM 127,40 en met ingang van 3 maart 1975 DM 149,70 in plaats van DM 112,10 per ton).
Na tevergeefs verzet te hebben gedaan tegen de beslissing van het douanekantoor, stelde de firma beroep in bij het Finanzgericht Munster. Dit heeft bij beschikking van 29 september 1977 de procedure geschorst en het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de navolgende vragen:
„1.
Is voor de hoogte van de monetaire compenserende bedragen op — in de tijd van januari tot maart 1975 uit Nederland in de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd — mengvoeder van de posten 23.07-B-I-a-3 of 23.07-B-I-a-4 van het gemeenschappelijk douanetarief, bepalend het „gehalte aan zuivelprodukten”, dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 11, lid 1, van verordening (EEG) nr. 823/68 van de Raad van 28 juni 1968 (PB L 151) en van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1216/68 van de Commissie van 9 augustus 1968 (PB L 198)?
Zo neen:
2.
Is dan het „werkelijke” gehalte aan zuivelprodukten bepalend?
Zo ja:
3.
Blijkt uit het gemeenschapsrecht, volgens welke methode het werkelijke gehalte aan zuivelprodukten moet worden vastgesteld?
4.
Is in het kader van het monetaire compensatiestelsel de tariefindeling van de Lid-Staat van uitvoer bindend voor de Lid-Staat van invoer?”
2.
Voor de vaststelling van de op de afzonderlijke produkten toepasselijke heffingen en monetaire compenserende bedragen heeft de Commissie geen eigen schema uitgewerkt, doch zich gebaseerd op de indeling van de waren volgens het gemeenschappelijk douanetarief.
Zoals men ziet, bestaat er geen twijfel aan dat de betrokken produkten onder tariefpost 23.07 B I a vallen, betreffende andere bereidingen voor het voederen van dieren dan „solubles” van vissen, met een zetmeelgehalte van niet meer dan 10 gewichtspercenten. Omstreden is of het produkt moet worden ingedeeld in onderverdeling 3, die veevoeder omvat met een gehalte aan zuivelprodukten van 50 gewichtspercenten of meer, doch minder dan 75 gewichtspercenten, dan wel in onderverdeling 4, waaronder veevoeder valt met een gehalte aan zuivelprodukten van 75 of meer gewichtspercenten.
Ten einde de indeling voor de berekening van de heffing te vergemakkelijken heeft de Raad, in afwijking van het in douanezaken algemeen toegepaste criterium van de feitelijke samenstelling van de waar, de voorkeur gegeven aan genoemd forfaitair criterium (artikel 11 van verordening nr. 823/68).
Indien men bedenkt dat het in mengvoeders meest voorkomende zuivelbestanddeel magere-melkpoeder is en dat dit produkt gemiddeld 50 % lactose bevat, kan men gemakkelijk vaststellen dat de toepassing van de coëfficiënt 2 op het lactosegehalte per 100 kg veevoeder waarvan het zuivelbestanddeel mageremelkpoeder is, een resultaat oplevert dat zeer dicht komt bij het daadwerkelijke gehalte aan dit bestanddeel.
Doch ook de Commissie erkent dat deze methode tot onnauwkeurige resultaten leidt, wanneer zuivelbestanddelen worden gebruikt waarvan het lactosegehalte afwijkt van dat van magere-melkpoeder. Dit is met name het geval bij veevoeders die weipoeder bevatten dat een veel hoger percentage lactose heeft dan melkpoeder; in dit geval leidt de forfaitaire berekeningsmethode tot een hoger gehalte aan zuivelbestanddelen dan het werkelijke gehalte.
Deze onnauwkeurigheid geeft echter geen moeilijkheden bij de functionering van een stelsel dat — zoals dat van de heffing — ongetwijfeld een protectionistisch karakter heeft. Kenmerkend in dit verband is de volgende zinsnede uit de zesde overweging bij genoemde verordening nr. 823/68 van de Raad: „dat . . . van het laagst mogelijke zetmeelgehalte, maar van het hoogst mogelijke zuivelgehalte dient te worden uitgegaan; dat immers de zuivelbestanddelen een aanzienlijk grotere invloed hebben op de totstandkoming van de kostprijs dan de graanbestanddelen”.
Zolang men in het kader van het heffingsstelsel blijft, biedt de keuze van een forfaitair criterium op grond van het lactosegehalte van een produkt als melkpoeder — dat niet een van de hoogste lactosegehaltes heeft van de in veevoeder voorkomende zuivelprodukten — immers een betere bescherming van het beginsel van de gemeenschapspreferentie; deze keuze draagt derhalve bij tot de volledige verwezenlijking van één van de essentiële doeleinden van dat stelsel.
3.
Geen enkel gemeenschapsvoorschrift zegt dat artikel 11 betreffende het forfaitaire criterium voor de berekening van heffingen op de monetaire compenserende bedragen in de intracommunautaire handel moet worden toegepast. De Duitse douane en de verwijzende rechter vinden echter, dat er goede gronden zijn om in het stelsel der monetaire compenserende bedragen geen andere criteria toe te passen dan voor de heffingen.
Mijns inziens dient allereerst te worden onderzocht of enige aanwijzing kan worden gevonden in de geldende gemeenschapsregeling.
Verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen maakt een onderscheid tussen de toepassing van deze bedragen in het handelsverkeer met derde landen (titel II) en in het intracommunautaire handelsverkeer (titel III). Terwijl voor het handelsverkeer met derde landen in artikel 6 „de bepalingen inzake het toekennen van uitvoerrestituties, het heffen van douanerechten of heffingen bij invoer” van toepassing worden verklaard op compenserende bedragen, komt in artikel 7 en volgende betreffende de toepassing van monetaire compenserende bedragen in het intracommunautaire handelsverkeer een dergelijke bepaling niet voor.
Verondersteld dat de regeling van artikel 6 aldus dient te worden uitgelegd (zoals de ruime formulering ervan toelaat) dat hierin wordt verwezen naar alle bepalingen betreffende de toepassing van de heffing, met inbegrip van de bepalingen waarin de criteria voor indeling van de waren ter berekening van de heffing worden vastgesteld, dan zou het ontbreken van een dergelijke verwijzing bij de regeling der compenserende bedragen in het intracommunautaire handelsverkeer tot de conclusie moeten leiden dat op dit gebied het forfaitaire criterium niet van toepassing is.
De Duitse douane heeft hiertegen voor de verwijzende rechter ingebracht dat de toepassing van een ander tariefindelingscriterium voor de monetaire compenserende bedragen in het intracommunautaire handelsverkeer dan het volgens artikel 11 voor de heffingen vastgestelde criterium zou leiden tot een indeling van dezelfde soort waren in verschillende tariefposten naar gelang zij van buiten of van binnen de Gemeenschap afkomstig zijn. Zij acht dit in strijd met het algemene beginsel dat een produkt onafhankelijk van zijn herkomst dient te worden ingedeeld.
Wanneer men echter de bovengenoemde „ruime” uitlegging van artikel 6 van verordening nr. 1380/75 volgt, lijkt het betoog van de Duitse douaneadministratie niet steekhoudend. Het algemene beginsel waarop de administratie zich beroept, geldt bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief voor de toepassing van douanerechten op in de Gemeenschap ingevoerde waren. In dit verband zou het ongetwijfeld ontoelaatbaar zijn verschillende criteria te hanteren voor de tariefindeling van gelijksoortige waren. Doch in ons geval betreft de eventueel verschillende indeling de toepassing van een interventiestelsel dat duidelijk verschilt zowel van de douanerechten als van de heffing. Afwijkende berekeningscriteria in het kader van dat stelsel kunnen niet leiden tot een discriminerende behandeling van waren op douanegebied.
Wel dient erop te worden gewezen dat de „ruime” uitlegging van genoemd artikel 6 geenszins algemeen is aanvaard. Volgens de gemachtigde van de Commissie ziet deze bepaling niet zozeer op de regels betreffende de berekening van de te heffen bedragen als wel op de procedurevoorschriften volgens welke de nationale douaneautoriteiten tewerkgaan.
4.
Eveneens van mening dat voor heffingen en voor monetaire compenserende bedragen een uniforme regeling dient te gelden, heeft de verzoekende rechter de vrees geuit dat de toepassing van uiteenlopende indelingscriteria de harmonische werking van de communautaire interventiemechanismen in de landbouw in gevaar kan brengen.
Inderdaad heeft de monetaire compensatie gedeeltelijk eenzelfde doel als de heffing: het verzekeren van de normale handelsstromen en stabiele prijzen. Toch bestaan tussen de heffing en het monetaire compensatiestelsel fundamentele verschillen. In de eerste plaats wordt het heffingsstelsel, zoals gezegd, gekenmerkt door het doel de produktie en handel in de Gemeenschap te beschermen tegen concurrentie van produkten uit derde landen, welk element vreemd is aan het monetaire compensatiestelsel. In de tweede plaats vervult het heffingsstelsel voortdurend een normale regulerende functie ter bescherming van de gemeenschappelijke landbouwmarkt, terwijl de monetaire compensatie een tijdelijk bijzonder stelsel vormt om, in afwijking van de regels van de gemeenschappelijke markt, de ergste verstoringen te voorkomen, die de monetaire schommelingen zouden kunnen teweegbrengen in het handelsverkeer en de functionering van het communautaire interventiestelsel. Vanwege dit uitzonderingskarakter dient het stelsel binnen nauwe grenzen toepassing te vinden, zoals ook blijkt uit Uw constante rechtspraak, waarnaar ik onlangs heb kunnen verwijzen in mijn conclusie in de zaak 131/77, Milac. Ik wil hiermee zeggen niet alleen dat de monetaire compensatie duidelijk een andere functie heeft dan de heffing, doch bovendien dat de toepassing van berekeningscriteria die om protectionistische redenen voor de heffingen werden ingevoerd, moeilijk te verenigen valt met de restrictieve zin waarin het monetaire compensatiestelsel moet worden uitgelegd.
Het Hof heeft reeds uitgemaakt dat de uitvoeringsbepalingen van het GDT voor de indeling van waren met het oog op de heffing slechts als een aanwijzing zijn te beschouwen, terwijl zij voor de heffing van douanerechten beslissend zijn (vgl. arrest van 26 april 1972 in de zaak 92/71, Interfood, Jurispr. 1972, blz. 232). A fortiori kunnen de voor de toepassing van de heffing vastgestelde criteria niet bindend zijn op een heel ander terrein dat hoofdzakelijk de interne handel van de Gemeenschap betreft, namelijk dat van de monetaire compenserende bedragen.
De Commissie heeft zich uitgesproken voor een eventuele uitbreiding van de betrokken criteria. Zij heeft zich immers ertoe beperkt aan het slot van haar in deze zaak ingediende opmerkingen te verklaren dat het gemeenschapsrecht in 1975 „geen belemmering vormde” voor de toepassing door de Duitse douane van de forfaitaire berekeningsmethode op het gebied van de monetaire compenserende bedragen. Zij beriep zich hiertoe vooral op praktische gronden, namelijk de voordelen van de toepassing door de nationale douaneautoriteiten van uniforme indelingscriteria voor zowel de heffing als de monetaire compen serende bedragen. De Commissie was er met name van overtuigd, dat een forfaitaire berekening op basis van een eenvoudig vast te stellen objectief element als het lactosegehalte, de taakvervulling door deze autoriteiten zou vergemakkelijken en de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de bestuurssubjecten zou waarborgen.
Opgemerkt zij echter dat, wat ook de firma Milchfutter in de loop van het geding naar voren heeft gebracht, de Nederlandse douaneautoriteiten voor de berekening van de bij uitvoer toegekende compenserende bedragen zijn uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het produkt. De Commissie heeft deze bewering niet tegengesproken en ook niet verklaard deze berekeningsmethode ongeoorloofd te achten. Mijns inziens heeft de Commissie aldus een standpunt ingenomen dat niet geheel overeenstemt met haar uitgangspunt. De vervulling van algemene vereisten zoals rechtszekerheid en gelijke behandeling der bestuurssubjecten, in verband met de toepassing van een communautair interventiestelsel, dient immers in de gehele gemeenschappelijke markt en niet alleen in een afzonderlijke Lid-Staat te worden gewaarborgd. Uiteraard wordt aan deze algemene vereisten tekortgedaan, wanneer de autoriteiten van elke Lid-Staat bij de toepassing van een dergelijk stelsel zouden mogen kiezen tussen uiteenlopende criteria die bij de berekening van de monetaire compenserende bedragen tot verschillende indelingen van eenzelfde produkt kunnen leiden (zoals in het onderhavige geval is geschied bij de uitvoer uit Nederland enerzijds en de invoer in Duitsland anderzijds).
5.
Voor het stelsel der compenserende bedragen moet derhalve een uniform indelingscriterium worden toegepast. Maar welk?
In de eerste plaats dient de mogelijkheid van een analoge toepassing van artikel 11 van verordening nr. 823/68 op de compenserende bedragen te worden onderzocht. Wegens het bovengenoemde duidelijke verschil tussen het heffingsstelsel en het monetaire compensatiestelsel ben ik echter van mening dat de twee gevallen te weinig overeenkomst vertonen om een analoge toepassing te rechtvaardigen. Hieraan zij toegevoegd dat de forfaitaire berekening van de monetaire compenserende bedragen, welke ertoe zou kunnen leiden produkten anders dan naar hun feitelijke samenstelling in te delen en aldus het compenserende bedrag te verhogen, voor de producenten van de andere Lid-Staten ten opzichte van die van het land van invoer kan neerkomen op een beboeting die de mededingingsvoorwaarden in die staat sterker kan vervalsen dan de doeleinden van het stelsel der compenserende bedragen toelaten.
Wij hebben hierboven gezien dat de toepassing van een fictieve methode veel grotere gevolgen heeft dan wanneer men uitgaat van het werkelijke gehalte aan zuivelprodukten van de betrokken waren. De enkele toepassing van het forfaitaire berekeningscriterium in deze sector zou derhalve in strijd kunnen komen met het stelsel der monetaire compenserende bedragen die volgens de laatste overweging van verordening nr. 974/71 van de Raad „niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen”. Dit zou echter het geval zijn voorzover bij een analoge toepassing van de forfaitaire berekeningsmethode in deze sector een produkt uit een Lid-Staat zwaarder zou worden belast dan noodzakelijk is om de negatieve invloed van de monetaire maatregelen te compenseren, in de zin van genoemde verordening nr. 974/71.
Mijn bezwaren tegen een forfaitaire en derhalve approximatieve berekening zouden vervallen, indien de gemeenschapswetgever expliciet had verklaard dat wegens de bijzondere aard van het be trokken produkt of wegens andere belangrijke feitelijke omstandigheden een dergelijke berekening noodzakelijk was om de praktische uitvoerbaarheid van de gemeenschapsregeling te verzekeren. Alleen onder die omstandigheden heeft het Hof een door de Raad ingevoerd forfaitair criterium voor de berekening van restituties bij de uitvoer naar derde landen van veevoeder op basis van granen aanvaardbaar geoordeeld (arrest van 11 oktober 1977 in de zaak 125/76, Cremer, Jurispr. 1977, blz. 1593). In het onderhavige geval daarentegen heeft de gemeenschapswetgever geen forfaitaire berekening voor het betrokken gebied voorgeschreven, en hoewel de Commissie deze berekening „voor 1975 toelaatbaar” achtte, moest zij, zoals wij dadelijk zullen zien, daarna zelf bepalen dat de nationale autoriteiten voor de indeling van de betrokken waren met het oog op de monetaire compensatie de werkelijke samenstelling van de waar moesten gaan onderzoeken. Tussen haakjes zij opgemerkt dat hier waarschijnlijk de verklaring ligt voor de bovengenoemde inconsequentie in het standpunt van de Commissie in deze zaak.
6.
Ongetwijfeld kan de restrictie in de laatste overweging bij verordening nr. 974/71 alleen dan naar behoren tot haar recht komen, wanneer bij de vaststelling van het compenserende bedrag wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van de waar. Toch mag men niet gering denken over de door de Commissie genoemde praktische moeilijkheden die zich kunnen voordoen bij het bepalen van deze samenstelling en daarmede van het werkelijke gehalte aan zuivelbestanddelen van de in te delen waar. Derhalve dient te worden onderzocht of de praktijk van de Commissie geen nuttige aanwijzingen verschaft voor een juiste oplossing niet alleen in principieel maar ook in praktisch opzicht.
Om te beginnen zij opgemerkt dat het Hof bij arrest van 3 mei 1978 in de zaak 131/77, Milac, verordening nr. 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975 ongeldig heeft verklaard voorzover hierin monetaire compenserende bedragen worden vastgesteld voor de handel in weipoeder, omdat wei niet behoort tot de produkten waarop volgens verordening nr. 974/71 van de Raad monetaire compenserende bedragen van toepassing zijn. Dit betekent dat gemeenschaps- en nationale autoriteiten, althans vooralsnog, wei bij de berekening van de compenserende bedragen buiten beschouwen moeten laten. Wij weten dat weipoeder vaak wordt gebruikt bij de samenstelling van mengvoeders; dit schijnt ook het geval te zijn met de waren, waarvan de indeling hier in het geding is.
Bij de enkele toepassing van bovengenoemde forfaitaire berekening op basis van het lactosegehalte van het produkt, waarbij de firma geen tegenbewijs kan leveren, wordt uiteraard geen rekening gehouden met de verplichting om wei bij de berekening van de compenserende bedragen buiten beschouwing te laten. Veelbetekenend is echter dat de Commissie zelf, na in verordening nr. 1824/77 te hebben afgezien van de toepassing van monetaire compenserende bedragen op weipoeder, vervolgens de uitvoeringsbepalingen van de monetaire compenserende bedragen bij verordening nr. 3005/77 van 22 december 1977 heeft gewijzigd. Wat met name tariefpost 23.07 B betreft, bepaalt deze verordening dat de betrokkene bij de vervulling van de douaneformaliteiten het werkelijke aantal gewichtspercenten van de verschillende speciaal aangeduide zuivelbestanddelen moet aangeven. In haar in de onderhavige zaak ingediende memorie verklaart de Commissie dat de douaneautoriteiten de juistheid van deze opgaven ook door middel van fabricagedocumenten van de producent kunnen nagaan. Alleen wanneer de nationale douaneautoriteiten dan nog steeds twijfel koesteren, kunnen zij terugvallen op een forfaitaire berekening op basis van het lactosegehalte van de waar. Dit bewijst dat de Commissie thans zelf in principe een op de werkelijke samenstelling van de waar gebaseerde indelingsmethode uitvoerbaar en verkieslijk acht.
Uit genoemd arrest Milac volgt overigens dat de situatie waaraan de Commissie met verordening nr. 3005/77 het hoofd wilde bieden, reeds sinds 1975 bestond. Daarom moeten volgens mij dezelfde criteria ook op gevallen als het onderhavige worden toegepast (althans, voorzover het gaat om nog niet afgesloten zaken).
De bedoeling om fraude te voorkomen, zonder de taak van de autoriteiten met betrekking tot de monetaire compenserende bedragen bovenmatig te verzwaren, kan in gevallen waarin geen passende verificatiemiddelen voorhanden zijn en twijfel blijft bestaan omtrent de werkelijke samenstelling van de waar, de toepassing rechtvaardigen van een forfaitaire berekeningsmethode die is gebaseerd op een objectief, over het algemeen als representatief te beschouwen element. In dat verband zou — echter slechts subsidiair — de toepassing zijn geoorloofd van een forfaitair criterium, gebaseerd op het lactosegehalte van veevoeder dat wordt bepaald door het produkt dat het meest voorkomt bij de samenstelling van de betrokken waren, namelijk melkpoeder.
7.
Met het bovenstaande zijn de drie eerste prejudiciële vragen genoegzaam beantwoord.
De vierde vraag houdt in of in het kader van het monetaire compensatiestelsel de tariefindeling van de Lid-Staat van uitvoer bindend is voor de Lid-Staat van invoer.
Deze vraag gaat verder dan de andere omdat zij betrekking heeft op een belangrijk aspect van de functionering van het stelsel der compenserende bedragen in zijn geheel.
De Commissie verklaart dat zij reeds lang tracht de Lid-Staten ertoe te bewegen de eerste tariefindeling als verbindend te beschouwen; doch dat zij hierin nog niet is geslaagd. Zolang hier nog geen nadere regeling is vastgesteld, blijft volgens haar elke Lid-Staat bevoegd om zowel bij invoer als bij uitvoer zelf te beslissen over de tariefindeling.
Een dergelijk stelsel kan natuurlijk distorsies veroorzaken, zoals ook blijkt uit het onderhavige geval waarin, naar wij hebben gezien, dezelfde waar door de autoriteiten van de staat van uitvoer en die van de staat van invoer in een verschillende post werd ingedeeld. Dat heeft tot gevolg — zoals ik hierboven reeds heb aangetoond — dat het bij uitvoer door Nederland toegekende compenserende bedrag lager is dan het bij invoer door de Duitse autoriteiten geheven bedrag.
De toepassing van op communautaire grondslagen berustende criteria voor de indeling van waren kan dergelijke distorsies in de praktijk tegengaan. Bovendien zij erop gewezen dat de Commissie bij verordening nr. 1556/77 van 11 juli 1977 (PB L 173 van 1977, blz. 10) — tot wijziging van genoemde verordening nr. 1380/75 — niet alleen de ondernemingen heeft verplicht bij de douaneaangifte alle voor de berekening van de monetaire compenserende bedragen nodige gegevens over de samenstelling van het produkt te vermelden, doch ook de samenwerking tussen de autoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer en die van de Lid-Staat van invoer heeft voorzien ten einde een uniforme toepassing van het stelsel te waarborgen en onregelmatigheden te voorkomen. Wat de samenstelling van de produkten betreft, zullen controles die worden verricht in het produktieland uiteraard nauwkeuriger en doeltreffender, en bovendien gemakkelijker zijn dan die welke normaal kunnen plaatsvinden bij de inklaring van de waar in het land van bestemming.
De firma Milchfutter heeft van haar kant een beroep gedaan op het door het Hof in zijn arrest van 15 december 1976 in de zaak 35/76 (Simmenthal, Jurispr. 1976, blz. 1872) ontwikkelde beginsel. In dit arrest wordt uitgesproken dat, op het gebied van sanitaire keuringen van vlees, het bij de gemeenschapsrichtlijnen ingevoerde geharmoniseerde stelsel van keuringen, dat uitgaat van de gelijkwaardigheid van de in alle Lid-Staten voorgeschreven sanitaire maatregelen, ten doel heeft de keuring te verleggen naar de staat van uitvoer en derhalve systematische sanitaire grenskeuringen door de autoriteiten van het land van bestemming overbodig en bij gevolg niet meer gerechtvaardigd maakt in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag. Volgens de firma Milchfutter zou dit met betrekking tot de toepassing van geharmoniseerde nationale regelingen vastgestelde beginsel a fortiori van toepassing moeten zijn in het stelsel der monetaire compensatie, omdat het daarbij gaat om een uniform gemeenschapsstelsel dat bovendien door de Gemeenschap zelf wordt gefinancierd. Bovendien is het zo dat indien de douaneautoriteiten van het land van invoer het niet eens zijn met de tariefindeling in het land van uitvoer, zij zich altijd nog tot de Commissie kunnen wenden om van het bevoegde beheerscomité advies in te winnen over de uniforme indeling van het produkt waarover verschil van mening bestaat.
Opgemerkt zij evenwel dat de hierboven door Milchfutter vermelde uitspraak het onderhavige geval niet volledig dekt. De normale taakverrichting van de douaneautoriteiten, de tariefindeling van waren, kan immers niet op één lijn worden gesteld met invoerbeperkingen die alleen zijn te rechtvaardigen op grond van artikel 36 van het Verdrag.
Volgens mij kan bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de Lid-Staten niet de vrijheid worden ontzegd om in- of uitgevoerde produkten door hun eigen douanekantoren te laten indelen, wat ook het doel van deze indeling moge zijn.
Het valt echter evenmin te ontkennen dat het zelfstandig optreden van elke douaneautoriteit een belemmering kan vormen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, wanneer zulks, zoals in casu, de goede werking van de communautaire interventiemechanismen verstoort en mogelijkerwijze tot een overmatige belasting voor de exporteur of importeur leidt.
Gelet op het belang om dergelijke moeilijkheden te voorkomen, lijkt het mij derhalve verstandig ook op dit gebied systematische nationale controles uit te sluiten volgens dezelfde criteria die U voor sanitaire keuringen van toepassing hebt verklaard.
Normaal gesproken zouden de douaneautoriteiten van de staat van invoer zonder verdere controle de indeling van de staat van uitvoer moeten aanvaarden, zulks echter met behoud van hun bevoegdheid de waar opnieuw te controleren en eventueel zelfstandig in te delen. Deze bevoegdheid zou — wegens de voor de hand liggende eisen van gemeenschapssamenwerking en in afwachting van een regeling die elke dubbele controle uitsluit — moeten worden beperkt tot gevallen waarin duidelijke aanwijzingen twijfel doen rijzen omtrent de juistheid van de beslissing van de douaneautoriteiten van de staat van herkomst. In dergelijke gevallen zou een tariefindeling die afwijkt van die van laatstgenoemde staat alleen geoorloofd zijn, indien de onjuistheid van de voorafgaande indeling is te bewijzen aan de hand van de uniforme criteria die ik hierboven heb getracht uiteen te zetten.
8.
Samenvattend concludeer ik de door het Finanzgericht Münster bij beschikking van 29 september 1977 gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
a)
Voor de hoogte van de monetaire compenserende bedragen op mengvoeder van de posten 23.07 B I a 3 en 23.07. B I a 4 in de handel tussen Lid-Staten is, ook met betrekking tot in 1975 verrichte transacties, bepalend het werkelijk gehalte aan zuivelbestanddelen;
b)
De forfaitaire berekeningsmethode, aangegeven in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 823/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende de toepassing van de heffing op invoer uit derde landen, mag alleen dan op het gebied van de monetaire compenserende bedragen worden aangewend, wanneer ingeval van betwisting geen enkele mogelijkheid bestaat de werkelijke samenstelling van de waar vast te stellen;
c)
De indeling welke in de staat van herkomst wordt verricht voor de toepassing van het stelsel der monetaire compenserende bedragen, is in beginsel niet bindend voor de staat van invoer; de noodzaak van een juiste werking van het stelsel der compenserende bedragen dient voor de staat van invoer echter aanleiding te zijn zich te onthouden van een systematische warencontrole en zeker van een andere indeling dan die in de staat van herkomst, tenzij objectief blijkt van de onjuistheid van de eerste indeling.
( 1 ) Vertaald uil het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy