CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 21 JUNI 1978 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De vennootschap Union Française de Céréales verscheepte in 1975 een partij zachte tarwe van Duitsland naar Groot-Brittannië. Voor deze levering had zij een voorfixatie van het compenserend bedrag „toetreding” gekregen. Deze speciale compenserende bedragen waren voorzien in artikel 55, lid 1, van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen, en waren vervolgens nader geregeld in verordening nr. 229/73 van de Raad van 31 januari 1973 en verordening nr. 269/73 van de Commissie van dezelfde datum. Het schip waarmee de tarwe werd vervoerd, verging echter, zodat de exportfirma niet in staat was om, zoals voorgeschreven in artikel 5, lid 2, van genoemde verordening nr. 269/73, het bewijs te leveren van de vervulling van de invoerformaliteiten in het land van bestemming en van de betaling van de desbetreffende douanerechten. Wegens het ontbreken van dit bewijs weigerde de Duitse douane het compenserende bedrag „toetreding” te betalen.
Dit heeft aanleiding gegeven tot een geschil dat twee fasen heeft doorlopen, eerst voor het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, dat het bezwaarschrift van Union Française de Céréales verwierp, en vervolgens voor het Finanzgericht Hamburg, waar de zaak thans dient. Het Finanzgericht heeft Uw Hof bij beschikking van 14 december 1977 twee prejudiciële vragen gesteld. De eerste vraag luidt in wezen, of ter zake van compenserende bedragen „toetreding” de bepaling van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975, houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, een analogische toepassing kunnen vinden. Deze bepaling zegt onder meer: „Voor betaling van de restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat het produkt, tenzij het onderweg als gevolg van overmacht verloren is gegaan, is ingevoerd in een derde land en eventueel in een bepaald derde land…”. Waar het hier om gaat, is de gemaakte uitzondering voor het geval van overmacht, waarin de voorwaarde dat het produkt in het land van bestemming moet zijn aangekomen, vervalt.
Het verwijzende rechtscollege meent een leemte in de wetgeving te onderkennen, welke een analogische toepassing dezer bepaling zou rechtvaardigen. Het college wijst ten deze op de verschillende achtereenvolgende verordeningen die hier aan de orde komen. Het merkt op dat het recht op restitutie bij uitvoer ingeval van verlorengaan van de waar voor het eerst uitdrukkelijk werd erkend in verordening nr. 2110/74, dat wil zeggen na bovengenoemde verordening nr. 269/73, betreffende de toepassing van de compenserende bedragen „toetreding”. Voordien was het geval van „overmacht” alleen geregeld met betrekking tot de overschrijding van termijnen of de onmogelijkheid een bewijs te leveren (verordening nr. 1041/67, artikelen 4, lid 3, en 9, lid 2). Volgens het Duitse rechtscollege is derhalve denkbaar dat de gemeenschapswetgever eenvoudig heeft vergeten de voor restituties ingevoerde uitzonderingsbepaling ook te doen gelden voor de compenserende bedragen „toetreding”.
Het Finanzgericht Hamburg gaat bij deze zienswijze kennelijk ervan uit dat de regeling en doelstelling van de restituties bij uitvoer naar derde landen soortgelijk zijn aan die van de compenserende bedragen „toetreding” bij uitvoer naar de nieuwe Lid-Staten. Het Finanzgericht acht een uitzondering op grond van overmacht ook alleszins billijk, daar zij beantwoordt aan een eis van algemene aard.
De tweede vraag van het Finanzgericht Hamburg wordt alleen gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, en houdt in of het toe te kennen compenserend bedrag dan gelijk moet zijn ofwel aan het compenserend bedrag dat is vastgesteld voor het land van bestemming van de waar, ofwel aan het laagste compenserend bedrag, ofwel aan de laagste restitutie. Het college gaat hier uit van de, overigens niet algemeen aanvaarde, stelling dat volgens artikel 11 van genoemde verordening nr. 192/75 de laagste restitutie verschuldigd is, indien verschillende naar bestemming gedifferentieerde restituties gelden en de betrokken waar door overmacht verloren is gegaan. Waar nu de laagste restitutie lager is dan het laagste compenserende bedrag, meent het Finanzgericht dat in casu de exportfirma niet méér mag ontvangen dan hetgeen de rechthebbende op restitutie zou toekomen, dat wil zeggen dat zij slechts aanspraak kan maken op de laagste restitutie die in de betrokken periode werd verleend.
2.
Ten einde te kunnen bepalen of de voorwaarden voor een analogische toepassing, zoals voorgesteld door de verwijzende rechter, aanwezig zijn, zullen wij een overzicht moeten geven van de bepalingen waarop de beide onderhavige interventieregelingen steunen.
Allereerst zij gewezen op verordening nr. 139/67 van de Raad van 21 juni 1967 houdende algemene regels voor de toekenning van restituties bij de uitvoer in de sector granen. Deze restituties dienen ter overbrugging van „het verschil tussen de noteringen of de prijzen van deze produkten in de Gemeenschap en de wereldmarktprijzen” (eerste overweging bij deze verordening). Vervolgens werd het noodzakelijk geacht „het bedrag van de restituties te differentiëren naar gelang van de bestemming van de produkten, op basis van de afstand tussen de markten van de Gemeenschap en de markten van de landen van bestemming, alsmede van de bijzondere invoervoorwaarden in bepaalde landen van bestemming” (vijfde overweging).
Verordening nr. 87/75 van de Raad van 13 januari 1975, houdende wijziging van verordening nr. 139/67, zegt in haar considerans dat „de restitutie een instrument vormt dat handhaving van de uitvoer van graanprodukten naar derde landen mogelijk maakt”.
De compenserende bedragen „toetreding” werden, zoals ik reeds zei, ingevoerd bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen. Volgens de artikelen 51 en 52 van de akte kan het prijspeil in de nieuwe Lid-Staten tijdens de overgangsperiode verschillen van het peil der gemeenschapsprijzen. Artikel 55 bepaalt dat deze verschillen moeten worden gecompenseerd door een stelsel van compenserende bedragen die in het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling en met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling worden geheven door de invoerende staat of toegekend door de uitvoerende staat.
In de considerans bij de reeds genoemde verordening nr. 229/73, houdende vaststelling van de algemene regels van het stelsel van compenserende bedragen in de sector granen, overweegt de Raad dat deze bedragen in het intracommunautaire handelsverkeer ertoe dienen onder bevredigende voorwaarden goederenverkeer tussen twee Lid-Staten met verschillend prijspeil mogelijk te maken. Hiertoe voorziet de verordening in de toekenning van een compenserend bedrag voor graanexporten uit een Lid- Staat met een hoger prijspeil, en in de betaling van zodanig bedrag over graanimporten in een Lid-Staat met een lager prijspeil. De hoogte dezer bedragen moet overeenkomen met het prijsverschil tussen de betrokken Lid-Staten.
Het is duidelijk dat het de bedoeling van deze maatregelen was om de landbouwprodukten van alle Lid-Staten, oude en nieuwe, daadwerkelijk binnen het gehele verruimde gemeenschapsterritoir te laten circuleren zonder belemmeringen door verschillen in prijspeil.
Uit lid 6 van genoemd artikel 55 volgt dat over de produkten ingevoerd door een Lid-Staat met lagere prijzen — zoals de nieuwe Lid-Staten en vooral het Verenigd Koninkrijk — geen compenserende bedragen mogen worden geheven die hoger zijn dan het totale bedrag dat die staat bij invoer uit derde landen heft. In deze bepaling herkent men het algemeen beginsel van de gemeenschapspreferentie, dat uiteraard ook geldt voor de regeling betreffende de produkten die uit het gebied van de oorspronkelijke Gemeenschap naar een nieuwe Lid-Staat worden uitgevoerd.
3.
Naar mijn mening is de hoofdfunctie van het stelsel der compenserende bedragen „toetreding”, ten aanzien van de exporten uit oorspronkelijke Lid-Staten naar nieuwe Lid-Staten, in wezen gelijk aan die van de restituties bij uitvoer naar derde landen; in beide gevallen heeft men de uitvoerbelemmering bestaande uit het hogere prijspeil in het gemeenschapsgebied (respectievelijk het oorspronkelijke gemeenschapsgebied) ten opzichte van de prijzen in het land van bestemming, door een exportsteun willen wegnemen. Omgekeerd heeft bij importen in de oude Lid-Staten van landbouwprodukten uit de nieuwe Lid-Staten het compenserend bedrag „toetreding” een functie welke doet denken aan die van de heffing of het douanerecht op produkten uit derde landen. Dit verklaart ook de verwijzing in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 269/73 naar het stelsel van de heffingen en douanerechten, voor de vaststelling van de dag waarnaar het compenserend bedrag „toetreding” wordt bepaald ingeval dit over de geïmporteerde waar wordt geheven. Dit aspect van het stelsel der compenserende bedragen voert mij echter te ver, niet alleen omdat het in casu in het geheel niet speelt, maar vooral ook omdat het punt overmacht alleen relevant is bij compenserende bedragen die worden toegekend bij uitvoer uit een oude naar een nieuwe Lid-Staat. Immers, dit punt kan zich nimmer voordoen bij compenserende bedragen over produkten die uit een der nieuwe Lid-Staten in een oude Lid-Staat worden ingevoerd, om de eenvoudige reden dat deze bedragen worden geheven op het moment van inklaring in de staat van invoer, hetgeen dus niet kan gebeuren als de waar vóór de invoer verloren gaat of verdwijnt.
De twee betrokken stelsels zijn niet alleen in functie maar ook in hun wijze van toepassing analoog. Genoemde verordening nr. 269/73 van de Commissie, betreffende de compenserende bedragen „toetreding”, neemt immers een hele reeks voorschriften uit het stelsel van de uitvoerrestituties over. Inzonderheid:
a)
Luidens artikel 4 van verordening nr. 269/73 geldt, voor de bepaling van het toe te kennen compenserend bedrag, als dag van uitvoer de dag waarop de douane het document in ontvangst neemt waarbij de aangever verklaart een communautair produkt naar een andere Lid-Staat te willen uitvoeren en daarbij in aanmerking te komen voor de toekenning van een compenserend bedrag. De inontvangstneming van dit document wordt beschouwd als vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer. De betrokken datum is bepalend voor de vaststelling van de hoeveelheid, de aard en de kenmerken van het uitgevoerde produkt.
Deze bepaling komt praktisch letterlijk overeen met artikel 2 van de reeds genoemde verordening nr. 192/75 der Commissie, waarin de gehele toepassingsregeling betreffende de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten opnieuw werd samengebracht.
b)
Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 269/73 is materieel gelijk aan artikel 3 van verordening nr. 1041/67, welk artikel weer was overgenomen van artikel 4, eerste alinea, van verordening nr. 192/75. Volgens de betrokken bepaling is de betaling van het compenserend bedrag afhankelijk van de overlegging van het bewijs dat het produkt waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, het geografische grondgebied van de Lid-Staat waar deze formaliteiten zijn vervuld, heeft verlaten.
Van belang is dat men bij beide stelsels kennelijk het criterium heeft gevolgd dat de uitvoer van het produkt de hoofdvoorwaarde voor de verlening van de restitutie respectievelijk het compenserend bedrag is.
c)
Lid 2 van genoemd artikel 5 van verordening nr. 269/73 bepaalt voorts dat, indien het compenserende bedrag wordt gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten, of indien het op de dag van uitvoer voor het betrokken produkt hoger is dan de laagste uitvoerrestitutie, of indien het wordt toegepast voor een produkt waarvoor geen restitutie is vastgesteld, de betaling ervan bovendien afhankelijk is van een tweede voorwaarde, namelijk het bewijs van de vervulling van de formaliteiten bij invoer en van de oplegging van de rechten en heffingen van gelijke werking die in de Lid-Staat van bestemming verschuldigd zijn. Deze bepaling komt ten aanzien van de restituties bij uitvoer gedeeltelijk overeen met het reeds genoemde artikel 6 van verordening nr. 192/75, hetwelk de betaling der restitutie eveneens afhankelijk maakt van de nadere voorwaarde dat het produkt is ingevoerd in een derde land en eventueel in een bepaald derde land; deze voorwaarde geldt echter slechts in twee gevallen: wanneer ern stige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het produkt of wanneer het produkt opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd als gevolg van het verschil tussen de restitutievoet voor het uitgevoerde produkt en de belasting bij invoer op eenzelfde produkt op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer worden vervuld.
Beide bepalingen zijn duidelijk gericht op het voorkomen van eventuele misbruiken die daarin zouden kunnen bestaan dat een land van bestemming wordt aangegeven waarvoor een hoger interventiebedrag (in de vorm van restitutie of compenserend bedrag „toetreding”) geldt, terwijl het produkt vervolgens wordt ingevoerd in een ander land waarvoor een lager interventiebedrag geldt (en zelfs in bepaalde gevallen met winst zou kunnen worden heringevoerd in het land van uitvoer). Overigens: het belangrijkste verschil tussen de beide bepalingen is het — reeds genoemde — feit dat artikel 6 van verordening nr. 192/75 een uitzondering maakt voor het geval dat de waar onderweg als gevolg van overmacht verloren gaat.
d)
Zowel het compenserend bedrag als de restitutie gelden alleen voor produkten van gezonde handelskwaliteit, die zich binnen de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden. Bovendien mag bij produkten, bestemd voor menselijke consumptie, de geschiktheid daarvoor wegens hun eigenschappen of hun toestand niet geheel of in aanzienlijke mate verloren zijn gegaan (artikel 7 verordening nr. 269/73; artikel 6 verordening nr. 1041/67).
e)
Luidens artikel 9 van verordening nr. 269/73 en artikel 12 van verordening nr. 192/75 kunnen de Lid-Staten aan de exporteur het compenserend bedrag „toetreding” respectievelijk de uitvoerrestitutie geheel of gedeeltelijk als voorschot verlenen zodra de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, mits hiervoor een zekerheid wordt gesteld in de vorm van een waarborg.
4.
Het lijkt mij derhalve niet te betwisten dat de twee stelsels zowel materieel als formeel vergaand overeenkomen. De Commissie heeft op dit punt echter bezwaren doen horen die ik thans nader wil bezien.
Ten eerste zou het stelsel van restituties bij uitvoer naar derde landen volgens de Commissie een andere functie hebben dan het stelsel van de compenserende bedragen „toetreding”. Het restitutiestelsel zou zijn ingegeven door het belang van de Gemeenschap om overschotten op de wereldmarkt te lozen, zodat het doel van het stelsel reeds zou zijn bereikt door de enkele uitvoer van een produkt uit de Gemeenschap. Het compensatiestelsel wil daarentegen het produktenverkeer tussen twee Lid-Staten met verschillend prijspeil vergemakkelijken, zodat de uitvoer en de invoer in dit stelsel onverbrekelijk met elkaar verband houden. Er is dan ook wel een grond voor betaling van de restitutie zelfs bij verlorengaan van de waar onderweg als gevolg van overmacht, aangezien de waar de Gemeenschap althans heeft verlaten, terwijl voor betaling van een compenserend bedrag „toetreding” in een dergelijk geval geen grond is, aangezien het dan niet is gekomen tot een verkeer van de waar tussen de twee Lid-Staten.
Ik wil hier opmerken dat het belang der Gemeenschap om zich van overschotten te ontdoen wellicht een der politieke redenen was om een stelsel van restituties bij uitvoer naar derde landen op te zetten, maar toch niet op de voorgrond treedt als een bepalend en kenmerkend element van het stelsel in juridisch opzicht. In de considerans van geen der verordeningen die de restituties regelen, vermag ik een spoor van een dergelijke doelstelling te onderkennen. In ieder geval moet deze doelstelling ook volgens de Commissie worden geacht alleen betrekking te hebben op het basisbedrag van de restituties. Immers, de gedifferen tieerde restituties vinden hun verklaring niet alleen in het uiteenlopende prijspeil in de verschillende derde landen, maar eveneens in handelspolitieke overwegingen en in de noodzaak om traditionele verkeersstromen te handhaven of nieuwe afzetgebieden te ontsluiten.
De Commissie ziet vervolgens als bezwaar tegen een analogische toepassing van genoemde bepaling van artikel 6 van verordening nr. 192/75 dat het daar voorziene geval van overmacht slechts de toekenning van het minimumrestitutiebedrag toelaat, terwijl het stelsel van de compenserende bedragen „toetreding” — welke voor elk der drie nieuwe Lid-Staten afzonderlijk zijn vastgesteld — nergens werkt met een algemeen basisbedrag.
Naar mij voorkomt, mag dit verschil misschien een rol spelen bij de vaststelling van de gevolgen die de erkenning van „overmacht” in kwantitatief opzicht heeft (dus in verband met de tweede prejudiciële vraag), maar speelt het geen enkele rol bij de oplossing van de eerste vraag.
Ten slotte ontkent de Commissie dat met de mogelijkheid van overmacht pas voor het eerst rekening is gehouden in verordening nr. 192/75, dus na de inwerkingtreding van de regeling inzake de compenserende bedragen „toetreding”. Zij wijst erop dat reeds in artikel 4 van haar verordening nr. 1041/67 belang werd toegekend aan overmacht, ook al werd het bijzondere geval van verlorengaan van de waar tijdens het vervoer daar niet vermeld.
Ik moge hierbij opmerken dat lid 3 van dit artikel de exporteur alleen vrijstelt van het bewijs van inklaring in het land van bestemming, wanneer dit door overmacht niet kan worden geleverd. Een bepaling als deze kan echter ook zo worden opgevat dat de vrijstelling betrekking heeft op de wijze waarop de verrichte import moet worden bewezen, en niet op het geval dat de import in het geheel niet heeft plaatsgehad.
De Commissie heeft zelf erkend dat de toepassing van genoemd artikel 4, lid 3, aanleiding heeft gegeven tot veel onzekerheid en verschillen tussen de Lid-Staten, en dat zij juist daarom bij verordening nr. 2110/74 van 26 juli 1974 een regeling heeft getroffen voor het geval de waar onderweg door overmacht verloren gaat, in die zin dat voor de betaling van de restitutie dan niet zou behoeven te worden voldaan aan de nadere voorwaarde inzake het bewijs van de invoer. Het is dus wel degelijk zo dat pas vanaf verordening nr. 2110/74 dit gevolg met zekerheid kan worden verbonden aan bovenbedoeld geval van overmacht.
5.
Ik meen derhalve tot de bevinding te mogen komen dat de beide gemeenschapsstelsels van exportsteun meer punten van overeenkomst dan van verschil vertonen. In dat geval is het echter mogelijk en gerechtvaardigd om aan de meergenoemde bepaling van artikel 6 van verordening nr. 192/75 een analogische toepassing te geven ten einde te voorzien in de lacune welke de regeling van de compenserende bedragen „toetreding” bevat door het ontbreken van een bepaling over het door overmacht verlorengaan van de waar.
Ten deze zijn er ook nog algemene overwegingen welke pleiten voor een analogische toepasing.
Ik heb al opgemerkt dat artikel 55, lid 6, van de Toetredingsakte een impliciete bevestiging inhoudt van het beginsel van de gemeenschapspreferentie, waraan stellig een belangrijke rol toekomt in de regeling van het handelsverkeer der Lid-Staten. Zou nu de bepaling over het verlorengaan van de waar onderweg door overmacht niet van toepassing zijn op de regeling betreffende de compenserende bedragen „toetreding”, dan zouden de handelaars in het intracommunautaire verkeer minder beschermd zijn dan degenen die bij de uitvoer naar derde landen restituties krijgen. Dit druist in tegen de regel (die logischerwijs voortvloeit uit het beginsel van de gemeenschapspreferentie) dat handelsverrichtingen binnen het gemeenschapsgebied een gunstiger behandeling ten deel moet vallen dan handelsverrichtingen met derde landen. In concreto: een onderneming in de Gemeenschap zou er geen belang bij hebben gehad de hierbedoelde waar naar Groot-Brittannië te exporteren tegen een lagere prijs dan de gemeenschapsprijs (en ook dan de minimumprijs volgens de communautaire interventieregelingen), als zij niet had kunnen rekenen op het compenserend bedrag „toetreding”; zij zou er eerder toe zijn gekomen naar een derde land uit te voeren, indien te voorzien viel dat de voorwaarden voor de betaling van restituties gunstiger waren.
Een ander probleem van ongelijke behandeling zou zich voordoen — zo de bepaling over het door toeval verlorengaan van de waar onderweg niet van toepassing zou worden geacht — in verband met de in artikel 5 van verordening nr. 269/73 geregelde betaling van de compenserende bedragen „toetreding”.
Indien namelijk het compenserende bedrag „toetreding” lager is dan de voor het betrokken produkt op de dag van uitvoer geldende laagste restitutie, dan is het niet nodig het bewijs te leveren van de vervulling der invoerformaliteiten in de Lid-Staat van bestemming. Dit wil zeggen dat in een geval als in casu de exporteur de mogelijkheid heeft het te zijnen gunste vastgestelde compenserende bedrag ook dan uitbetaald te krijgen, wanneer hij door het verlorengaan van de waar onderweg niet in staat is de binnenkomst ervan in de staat van bestemming te bewijzen. Stel bij voorbeeld dat een onderneming in een oorspronkelijke Lid-Staat in dezelfde tijd als in ons geval een partij van dezelfde waar naar Denemarken of Ierland had uitgevoerd; ook bij verlorengaan van de waar onderweg zou zij de voor uitvoer naar deze landen vastgestelde compenserende bedragen hebben kunnen krijgen — te weten 6 rekeneenheden per ton voor Denemarken en 4,5 rekeneenheden voor Ierland —, daar deze bedragen lager zijn dan de destijds geldende laagste restitutie voor de uitvoer dier waren naar derde landen (8 r.e. per ton). Derhalve zou de exporteurs bij eenzelfde transactie binnen de gemeenschappelijke markt naar gelang van het land van bestemming van de waar binnen de Gemeenschap een ongelijke behandeling ten deel vallen.
Zien wij thans naar de ratio van de bepaling die het bewijs van de import van de waar als voorwaarde stelt voor een aanspraak op compenserende bedragen „toetreding”, dan blijkt dat de — reeds meermaals toegelichte — bewoordingen dezer bepaling een nader argument leveren voor de relevantie van overmacht. Ik heb reeds gezegd dat deze bepaling in beide uitvoersubsidieregelingen ten doel heeft misbruik te voorkomen in die zin dat wanneer vooraf een restitutiebedrag of compenserend bedrag „toetreding” is vastgesteld en dit bedrag niet het laagste niveau van de gemeenschapsinterventies ter ondersteuning van de uitvoer bereikt, het bewijs van inklaring van een waar in het land van bestemming ertoe dient om te zorgen dat deze waar niet wordt omgeleid naar landen waarvoor lagere restitutiebedragen of compenserende bedragen „toetreding” zijn vastgesteld (en dat de waar dus eventueel wordt heringevoerd in het land van herkomst). De mogelijkheid van een dergelijk misbruik kan zich echter niet voordoen, wanneer de waar onderweg verlorengaat. Zo derhalve de exporteur in een uitzonderingsgeval zoals het vergaan van het vervoermiddel kan bewijzen dat hij de waar heeft verkocht aan een afnemer in het aangegeven land van bestemming en dat de waar deugdelijk is geëxpedieerd, lijkt het mij niet redelijk ten nadele van de exporteur toepassing te geven aan een bepaling ter voorkoming van misbruik dat zich wegens de bijzondere omstandigheden niet kon voordoen. Het is duidelijk dat buitengewone gebeurtenissen moeilijk zijn te regelen volgens criteria die voor normale gevallen zijn gegeven, en dat omgekeerd de toepassing van uitzonderingsbepalingen (zoals voor overmacht) in bijzondere gevallen de normale werking van het stelsel niet belemmert en stoort.
Ten slotte wil ik nog opmerken dat een redenering per analogiam, zoals hier in het geding, in 's Hofs rechtspraak zeker geen novum is. Zo heeft het Hof in zijn arrest van 20 februari 1975 in de zaak 64/74, Reich/Hauptzollamt Landau (Jurispr. 1975, blz. 261) overeenkomstige toepassing gegeven aan een bepaling die het geval dekte dat de termijn die in een vergunning voor de invoer uit derde landen met een geprefixeerde heffing was gesteld, als gevolg van overmacht werd overschreden. Deze bepaling werd per analogiam toegepast op importen uit andere Lid-Staten in alle gevallen van prefixatie der heffing (zoals voorkwam in de overgangsperiode volgens de regeling van het EEG-Verdrag). Zoals ik reeds heb opgemerkt in mijn conclusie in de zaak 68/77 (IFG), overwoog het Hof hiertoe dat het betrokken geval dezelfde kenmerken vertoonde als die waarvoor de gemeenschapsbepaling een uitzondering wegens overmacht had toegelaten, namelijk een invoervergunning met prefixatie van de heffing en de gelding van een fatale termijn.
6.
De eerste vraag van de Duitse rechter dient mijns inziens dan ook bevestigend te worden beantwoord. Voor de beantwoording van de tweede vraag dient te worden nagegaan hoe nu het compenserend bedrag „toetreding” dat toekomt aan de exporteur wiens waren onderweg als gevolg van overmacht verloren zijn gegaan, moet worden berekend.
Zoals reeds gezegd, meent de Commissie dat artikel 6 van verordening nr. 192/75 voor het geval van overmacht slechts betaling van het basisrestitutiebedrag toelaat en niet van het eventueel hogere bedrag dat geldt voor de bepaalde plaats van bestemming van de waar.
Deze zienswijze kan naar mijn mening geen steun vinden in de tekst van de bepaling. Artikel 6, lid 1, dat de betaling van de restitutie afhankelijk stelt van het bewijs van invoer van de waar in een derde land, spreekt in dit verband immers ook uitdrukkelijk van de mogelijkheid dat de waar „in een bepaald derde land” moet worden ingevoerd. Volgens mij is daarbij gedoeld op alle restitutiebedragen, zowel de basisbedragen als de eventuele toeslagen, die voor bepaalde plaatsen van bestemming zijn vastgesteld. Wij weten immers dat de exporteur bij invoer van de waar in een bepaald derde land recht heeft op een hogere restitutie dan de basisrestitutie. In een dergelijk geval moet derhalve een recht op betaling ingevolge artikel 6, ook wanneer de waar onderweg door overmacht verloren is gegaan, betrekking hebben op betaling van het gehele restitutiebedrag dat geldt voor de specifieke plaats van bestemming.
De Commissie heeft getracht argumenten voor haar standpunt te putten in artikel 11, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 192/75, waarin het geval wordt geregeld dat gedifferentieerde restituties naar gelang van de bestemming van de waar gelden. Deze bepaling erkent overmacht (letterlijk: „omstandigheden onafhankelijk van de wil van de importeur”) voor het geval dat het bewijs van de vervulling der douaneformaliteiten, hetwelk in beginsel wordt verlangd om in aanmerking te komen voor een hogere dan de basisrestitutie, niet kan worden geleverd. Ik meen echter dat deze bepaling de erkenning van een ruimer, ander geval van overmacht dan in artikel 6 is bedoeld, voor deze betaling niet uitsluit. Juist omdat artikel 11 zich slechts met overmacht inlaat voorzover het bewijs van de vervulling der douaneformaliteiten bij invoer daardoor niet kan worden geleverd, terwijl artikel 6 handelt over de betalingsvoorwaarden en de invloed van overmacht in dat verband, is artikel 11 stellig niet toereikend om het geval van verlorengaan van de waar te dekken. Op dit geval blijft dan ook artikel 6 van toepassing; ik beklemtoon dat dit artikel uitdrukkelijk ziet zowel op het algemene geval van invoer in een derde staat als op invoer „in een bepaald derde land”, zodat het mijns inziens niet alleen betaling van de basisrestitutie maar ook van het extra bedrag bij uitvoer naar een bijzondere plaats van bestemming mogelijk maakt.
Deze uitlegging van artikel 6 bevestigt derhalve dat een der argumenten van de Commissie om een analoge toepassing van deze bepaling op compenserende bedragen „toetreding” te betwisten, ongegrond is. Ook volgt eruit dat per analogiam alleen de eerste van de drie mogelijkheden die in de tweede vraag van de verwijzende rechter worden genoemd, in aanmerking komt, namelijk de mogelijkheid van betaling van het compenserend bedrag dat voor het land van bestemming is vastgesteld. Ik wil hier slechts één voorbehoud maken: op dit bedrag komen eventueel die bedragen in mindering, die dienen ter dekking van douanerechten en andere lasten die op de waar hadden gedrukt bij invoer in het land van bestemming. Deze aftrek is gerechtvaardigd daar die bedragen niet behoefden te worden betaald.
7.
Samenvattend concludeer ik dat de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 14 december 1977 gestelde prejudiciële vragen worden beantwoord als volgt:
1.
Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975, op grond waarvan de restitutie bij uitvoer ook ingeval van verlorengaan van de waar onderweg als gevolg van overmacht, in afwijking van de normale voorwaarde dat de waar in een derde land is ingevoerd, wordt betaald, is analoog van toepassing ter zake van de compenserende bedragen „toetreding”, die zijn voorzien in artikel 55 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen en nader zijn geregeld in verordening nr. 229/73 van de Raad van 31 januari 1973 en verordening nr. 269/73 van de Commissie van dezelfde datum.
2.
Indien een waar, waarvoor een compenserend bedrag „toetreding” vooraf is vastgesteld, als gevolg van overmacht niet kan worden ingevoerd in een nieuwe Lid-Staat, dan komt aan de rechthebbende het compenserend bedrag toe dat geldt voor het land waarvoor de waar in feite was bestemd, met dien verstande dat hiervan eerst het bedrag kan worden afgetrokken dat is bestemd voor de vereffening van de lasten van inklaring in het land van invoer.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy